Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3284

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
C/03/232808 / HA ZA 17-137
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderlinge rangorde tussen de rechtsmachtregels van de Brussel I bis-Verordening, eisersvrijwaring toegestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/232808 / HA ZA 17-137

Vonnis in incident van 11 april 2018

in de zaak van

[eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] ,

wonende te [woonplaats eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] ,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. S.L. Emons te Sittard,

tegen

1. de vennootschap onder firma

V.O.F. [gedaagde partij in de hoofdzaak, verweerder in het incident, sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde partij in de hoofdzaak, verweerder in het incident, sub 1] ,

2. [gedaagde partij in de hoofdzaak, verweerder in het incident, sub 2],

wonende te [woonplaats gedaagde partij in de hoofdzaak, verweerder in het incident, sub 2] ,

3. [gedaagde partij in de hoofdzaak, verweerder in het incident, sub 3],

wonende te [woonplaats gedaagde partij in de hoofdzaak, verweerder in het incident, sub 3] ,

4. [gedaagde partij in de hoofdzaak, verweerder in het incident, sub 4],

wonende te [woonplaats gedaagde partij in de hoofdzaak, verweerder in het incident, sub 4] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. W.M.J. Saes te Roermond.

Partijen zullen hierna [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] en [gedaagden sub 1 t/m 4 in de hoofdzaak, verweerders in het incident] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de akte houdende nadere productie van [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident]

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 maart 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling

in de hoofdzaak en in het incident

de rechtsmacht

2.1.

Nu [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] woonachtig is in [woonplaats eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] , heeft het onderhavige geschil een internationaal karakter. Daarom dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen.

Het geschil ziet op een burgerlijke en handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-Verordening). Daarnaast is de rechtsvordering ingesteld na 1 januari 2015. Gelet op het voorgaande is de Brussel I bis-Verordening formeel, materieel en temporeel van toepassing.

2.2.

De rechtbank overweegt dat tussen de rechtsmachtregels van de Brussel I bis-Verordening een onderlinge rangorde bestaat. Op grond van die rangorde dient eerst getoetst te worden aan artikel 24 van de Brussel I bis-Verordening. Nu er geen gerecht is dat krachtens artikel 24 van de Brussel I bis-Verordening bij uitsluiting bevoegd is, dient vervolgens getoetst te worden aan artikel 26 van de Brussel I bis-Verordening.
[gedaagden sub 1 t/m 4 in de hoofdzaak, verweerders in het incident] is ter zitting verschenen en heeft - desgevraagd - de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet betwist. Dat betekent dat op grond van artikel 26 van de Brussel I bis-Verordening de Nederlandse rechter bevoegd is om van het voorliggende geschil kennis te nemen.

2.3.

Wat betreft het procesrecht is in internationale gedingen uitgangspunt dat dit wordt beheerst door de wet van het land van de aangezochte rechter. In lijn hiermee is in artikel 10:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald dat op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlandse recht van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat de in onderhavige zaak aan de orde zijnde processuele kwesties, waaronder de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring, beoordeeld dienen te worden naar Nederlands procesrecht.

in het incident

de eisersvrijwaring

2.4.

[eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] heeft op de zitting van 9 maart 2018 een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring genomen en verzocht te gelasten dat [X] in vrijwaring zal worden opgeroepen. [gedaagden sub 1 t/m 4 in de hoofdzaak, verweerders in het incident] heeft ter zitting verweer gevoerd tegen deze incidentele vordering. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.5.

Op grond van artikel 210 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de eiser die meent gronden te hebben om iemand in vrijwaring op te roepen een daartoe strekkende vordering instellen. Van een verplichting tot vrijwaring is sprake indien een derde verplicht is de nadelige gevolgen voor de verliezende partij in de hoofdzaak op zich te nemen, zulks op grond van een rechtsverhouding tussen die verliezende partij en de derde. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 210 Rv volgt, dat de wetgever zich heeft voorgesteld dat het verweer van gedaagde de eiser grond kan geven om zijnerzijds een waarborg op te roepen. Te denken valt aan het geval dat de eiser een vertegenwoordigde aanspreekt, die vervolgens de bevoegdheid van de vertegenwoordiger betwist, wat de eiser de wens ingeeft de vertegenwoordiger in vrijwaring op te roepen op de voet van artikel
3:70 BW.

Voorwaarde voor het aan eiser toestaan van het oproepen van een derde in vrijwaring is derhalve een verweer van gedaagde dat, indien het slaagt, leidt tot afwijzing van de vordering van eiser, waarbij voor eiser, na het nemen van de conclusie van antwoord door gedaagde, maar niet eerder, aanleiding ontstaat een derde ter verantwoording te roepen bij wege van de vrijwaringsprocedure.

2.6.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7.

[eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] heeft gesteld dat zij eigenaresse is van een orgel met toebehoren en dat zij dat orgel in 2002 aan [X] (hierna ook: [X sr.] ) in bewaring heeft gegeven. Uit de stellingen en stukken van beide partijen blijkt dat [X sr.] op dat moment vennoot was van V.O.F. [gedaagde partij in de hoofdzaak, verweerder in het incident, sub 1] (verder: de vof). Verder blijkt daaruit dat [X sr.] het kentekenbewijs van de (aanhang)wagen, op welke wagen het orgel geplaatst was, in 2003 op naam van de vof heeft laten overschrijven en dat het orgel met toebehoren vanaf de datum van afgifte van het orgel aan [X sr.] in een door de vof gehuurde loods heeft gestaan. [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] heeft, nadat over de eigendom van het orgel een dispuut was ontstaan en het orgel in vorenbedoelde loods van de vof in beslag was genomen, de vof en haar vennoten gedagvaard en van hen teruggave van het orgel met toebehoren gevorderd (op grond van revindicatie bij de bezitter, dan wel teruggave door de houder op de voet van artikel 7:605 BW).

2.8.

[gedaagden sub 1 t/m 4 in de hoofdzaak, verweerders in het incident] stelt zich op het standpunt dat [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] de verkeerde procespartij heeft gedagvaard, zodat haar vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. [gedaagden sub 1 t/m 4 in de hoofdzaak, verweerders in het incident] stelt dat de vof en haar huidige vennoten buiten het geschil staan, omdat niet de vof de bezitter/houder is (geweest) van het orgel met toebehoren, maar dat zulks van meet af aan [X sr.] in persoon is geweest en dat de wagen met het orgel om die reden - zij het eerst enige tijd na het uittreden van [X sr.] uit de vof - is overgeschreven op naam van [X sr.] in persoon.

2.9.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het verweer van [gedaagden sub 1 t/m 4 in de hoofdzaak, verweerders in het incident] dat [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] , hoewel zij gezien de door haar gestelde feiten en omstandigheden kon en mocht aannemen dat de vof het bezit/houderschap van het orgel met toebehoren had, mogelijk geen vordering heeft op de vof en/of haar vennoten ( [gedaagden sub 1 t/m 4 in de hoofdzaak, verweerders in het incident] ), maar op [X sr.] in persoon als feitelijk bezitter/houder van het orgel. In dat geval is er mogelijk sprake van een tot vrijwaring verplichtende rechtsverhouding van [X sr.] ten opzichte van [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] , waardoor [X sr.] de nadelige gevolgen voor [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] in de hoofdzaak op zich moet nemen.

2.10.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze situatie vergelijkbaar met het door de wetgever genoemde voorbeeld (zie rechtsoverweging 2.5.): [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] spreekt de vof aan, die vervolgens betwist dat [X sr.] als vennoot van de vof is opgetreden, waaruit mogelijk volgt dat niet de vof maar [X sr.] bezitter/houder is van het orgel. In zoverre heeft [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet de verkeerde procespartij gedagvaard, maar is sprake van een inhoudelijk verweer van [gedaagden sub 1 t/m 4 in de hoofdzaak, verweerders in het incident] dat voor [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] tot het verlies in de hoofdzaak kan leiden, waaruit vervolgens voor [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] de aanleiding ontstaat [X sr.] in een vrijwaringsprocedure ter verantwoording te roepen.

2.11.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] aangevoerde gronden de oproeping in vrijwaring kunnen dragen, zodat de oproeping in vrijwaring zoals door [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] gevorderd in beginsel voor toewijzing gereed ligt.

2.12.

[gedaagden sub 1 t/m 4 in de hoofdzaak, verweerders in het incident] heeft nog (niet nader gemotiveerd) aangevoerd dat toewijzing van de incidentele vordering zal leiden tot een onaanvaardbare vertraging van de hoofdzaak. De rechtbank deelt dit standpunt niet: de procedure in de hoofdzaak zal vanwege de oproeping in vrijwaring weliswaar mogelijk vertraging ondervinden, maar wegens het ontbreken van een nadere toelichting kan niet worden geoordeeld dat die vertraging zodanig is dat deze voor [gedaagden sub 1 t/m 4 in de hoofdzaak, verweerders in het incident] als onaanvaardbaar moet worden gekwalificeerd.

2.13.

De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

in de hoofdzaak

2.14.

Nu geen van partijen (ter gelegenheid van de comparitie) heeft aangegeven verdere proceshandelingen te willen verrichten, is de rechtbank van oordeel dat het debat in de hoofdzaak als voltooid kan worden beschouwd. Nu er bovendien geen noodzaak is om de procedure in de hoofdzaak - in afwachting van de procedure in vrijwaring - aan te houden, zal de hoofdzaak worden verwezen naar de rol voor vonnis.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

staat toe dat [X] door [eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 9 mei 2018,

3.2.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

3.3.

verwijst de zaak naar de rol van 23 mei 2018 voor vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.1

1 type: MvA/FA coll: