Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3232

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
6720421 CV EXPL 18-1373
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming van een bedrijfsruimte wordt in kort geding toegewezen vanwege huurachterstand. Geen wettelijke handelsrente verschuldigd omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6720421 \ CV EXPL 18-1373

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 29 maart 2018

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonend [adres eisende partij] ,

[woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. A.P.C. Houben,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CARIBEAN WEERT B.V.,

gevestigd te Weert,

gedaagde partij.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de op 27 maart gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gedaagde partij huurt van eisende partij met ingang van 13 mei 2016 voor de duur van 5 jaar de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] . In het gehuurde wordt een restaurant geëxploiteerd.

2.2.

Ten tijde van de ondertekening van de schriftelijke huurovereenkomst was gedaagde partij nog een vennootschap in oprichting. Gedaagde partij is op 23 mei 2016 opgericht. De heer [X] is bestuurder en de heren [Y] en [Z] zijn aandeelhouders.

2.3.

De overeengekomen huurprijs bedraagt thans € 2.038,91 per maand. De huur over de maanden augustus tot en met december 2017 is niet betaald. De huur over de maanden januari, februari en maart 2018 is wel betaald.

2.4.

Gedaagde partij heeft de huurovereenkomst inmiddels opgezegd en deze eindigt per 12 mei 2018.

2.5.

Ter zitting is de vordering tot betaling van boete ingetrokken.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de huurachterstand, vermeerderd met de toekomstige huurpenningen tot het moment van ontruiming. vermeerderd met rente en (na)kosten.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter is van oordeel dat eisende partij voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde heeft.

4.2.

Ter zitting is komen vast te staan dat gedaagde partij de huur over de maanden januari, februari en maart 2018 heeft voldaan. De huurachterstand over de maanden augustus 2018 tot en met 31 december 2018 wordt door gedaagde partij erkend, zodat dit deel van vordering kan worden toegewezen. Aan huurachterstand wordt daarom een bedrag van € 10.194,55 toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van het opeisbaar worden van de respectievelijke huurtermijnen tot de dag van volledige betaling. Voor toewijzing van de wettelijke handelsrente zoals gevorderd is geen plaats, nu er geen sprake is van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW.

4.3.

Het laten ontstaan van een achterstand met een omvang als de onderhavige rechtvaardigt in beginsel ontbinding van de huurovereenkomst, welke ontbinding in een bodemprocedure gevorderd kan worden. Daarop vooruitlopend kan de vordering tot ontruiming van het gehuurde worden toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, nu eisende partij de bevoegdheid heeft de ontruiming te laten uitvoeren door een deurwaarder (artikel 555 Rv en volgende). Eisende partij behoeft geen machtiging van de kantonrechter om het toe te wijzen bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv) worden toereikend geacht, zodat eisende partij bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.

Verder zal aan de ontruiming een redelijke termijn van veertien dagen worden verbonden.

4.4.

De vordering tot betaling van de toekomstige huurpenningen tot aan het moment dat het gehuurde geheel is ontruimd kan eveneens worden toegewezen vanaf 1 april 2018.

4.5.

Eisende partij vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke kosten, primair gebaseerd op de algemene bepalingen en subsidiair op basis van de Wet normering Buitengerechtelijke Incassokosten. Nu partijen vergoeding van incassokosten in de algemene bepalingen zijn overeengekomen, slaagt deze grondslag. Gelet op de toe te wijzen hoofdsom zal een bedrag van € 1.529,18 worden toegewezen.

4.6.

Gedaagde partij zal tot slot, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 103,81

  • -

    griffierecht 476,00

  • -

    salaris gemachtigde 600,00

totaal € 1.179,81

Over de proceskosten zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

4.7.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK&T en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten met een maximum van € 100,00 aan nakosten salaris.

4.8.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter in kort geding.

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] te [plaats] met alle zich daarin aan gedaagde partij toebehorende zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels van het pand aan eisende partij ter beschikking te stellen,

5.2.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 11.723,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 10.194,55 vanaf de vervaldata van het opeisbaar worden van de respectievelijke huurtermijnen tot de dag van volledige betaling, alsmede een bedrag van € 2.038,91 per maand vanaf 1 april 2018 tot de dag der ontruiming,

5.3.

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 1.179,81, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis,

5.4.

veroordeelt gedaagde partij onder de voorwaarde dat deze niet binnen 2 weken na aanschrijving door eisende partij volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en in het openbaar uitgesproken.

type: PL

coll: