Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3208

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
6692023 CV EXPL 18-1266
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Non-actiefstelling van werknemer. Vordering tot wedertewerkstelling. Redelijk aanbod werkgever aan werknemer om op een andere locatie te hervatten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0445
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6692023 CV EXPL 18-1266

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 4 april 2018

in de zaak van:

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde drs. P.J.A.A. Wassen bc,

tegen

de stichting STICHTING ENVIDA,

gevestigd te Maastricht,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. drs. C.A.H. Lemmens.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Envida genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met zeven producties

  • -

    de nagezonden productie 8

  • -

    de conclusie van antwoord (tevens pleitnota) met vijf producties

  • -

    de mondelinge behandeling op 22 maart 2018, waarbij de gemachtigde van [eiseres] een pleitnota heeft overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Envida biedt diensten aan op het gebied van wonen, welzijn en zorg aan ouderen en chronisch zieken in Maastricht en het Heuvelland.

2.2.

[eiseres] , geboren op [geboortedag] 1958, is op 3 september 1979 op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van Envida). Zij is thans bij Envida werkzaam in de functie van Eerste Verantwoordelijke Verzorger (hierna: EVV-er).

2.3.

Appelgaard is één van de door Envida geëxploiteerde zorgcentra. Appelgaard bestaat uit vier afdelingen, waaronder de afdeling De Lommer. Op deze, in een afzonderlijk van de andere afdelingen gelegen locatie, verblijven in 23 kamers mensen met een lichamelijke beperking. Op deze afdeling werken circa 20 werknemers/personeelsleden van Envida, onder wie [eiseres] en twee andere EVV-ers. De Lommer is opgesplitst in twee etages. [eiseres] is werkzaam op de eerste etage.

2.4.

Een onderdeel van de functie van de EVV-er is dat deze medicatie verstrekt aan de bewoners.

2.5.

Op 16 december 2017 vond op de locatie “Os Heim” een kerstviering plaats. Een aantal bewoners van de Lommer zijn daar naartoe gegaan, evenals enkele werknemers die op de locatie Lommer werken. Vijf bewoners en (aanvankelijk) twee werknemers van Envida, onder wie [eiseres] zijn op de Lommer gebleven. Vanaf 11.30 uur waren drie werknemers van Envida aanwezig. Na terugkomst van de kerstviering en in ieder geval na 14.30 uur heeft EVV-er [naam EVV-er] aan [eiseres] gevraagd alsnog Parkinson medicatie aan de bewoonster genaamd [naam bewoonster 1] toe te dienen. Deze medicatie had daarvóór om 12.00 uur toegediend moeten worden. [eiseres] heeft toegezegd dit te doen. Omstreeks 15.30 uur heeft een collega van [eiseres] de medicatie in de prullenbak van de garage aangetroffen. Rutte heeft erkend de medicijnen in de prullenbak gegooid te hebben.

2.6.

Op 18 december 2017 heeft de verpleegkundige aan de bewoonster [naam bewoonster 2] het medicijn metoclopramide (in zetpilvorm) voorgeschreven. [eiseres] heeft die dag drie zetpillen van dat medicijn uit de voorraad van de apotheek meegenomen, maar daarbij abusievelijk geregistreerd dat zij drie ampullen (en dus niet zetpillen) van het betreffende medicijn heeft meegenomen. [eiseres] heeft die dag gerapporteerd dat zij één zetpil heeft toegediend. [eiseres] heeft de (resterende) zetpillen mee naar huis genomen.

2.7.

Op 19 december 2017 heeft [eiseres] bij de “apotheekcontrole” erkend drie ampullen in plaats van drie zetpillen te hebben afgetekend.

2.8.

Op 21 december 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] , [naam teamleider] (teamleider Appelgaard; hierna: [naam teamleider] ) en [naam adviseur personeelszaken] (adviseur personeelszaken; hierna: [naam adviseur personeelszaken] ). Tijdens dat gesprek zijn de twee incidenten van 16 en 18 december 2017 besproken. Aan het einde van dit gesprek is [eiseres] (met behoud van loon) op non-actief gesteld, waarbij Envida heeft aangekondigd nader onderzoek te zullen gaan verrichten.

2.9.

Envida heeft bij brief van 28 december 2017 aan [eiseres] een samenvatting van het gesprek op 21 december 2017 gezonden en daarbij schriftelijk bevestigd dat [eiseres] op non-actief gesteld is vooralsnog voor de duur van twee weken.

2.10.

Op 4 januari 2018 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] , [naam teamleider] en [naam adviseur personeelszaken] . Tijdens dat gesprek is aan [eiseres] een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst aangeboden. Daarnaast is [eiseres] een verbetertraject aangeboden op een andere locatie van Envida in de functie “helpende (geen medicatie)”. Envida heeft een en ander bevestigd in een die dag aan [eiseres] verzonden e-mailbericht. Endiva heeft [naam adviseur personeelszaken] tot 9 januari 2018 bedenktijd gegeven en haar uitgenodigd voor een gesprek die dag.

2.11.

Tijdens het gesprek op 9 januari 2018 heeft [eiseres] (vergezeld door haar dochter en bijgestaan door haar gemachtigde) de vaststellingsovereenkomst van de hand gewezen. Envida ( [naam teamleider] en [naam adviseur personeelszaken] ) heeft (hebben) [eiseres] in dit gesprek voorts nog andere zaken dan de twee incidenten met de medicijnen verweten. [eiseres] is medegedeeld dat Envida voornemens is haar een schriftelijke waarschuwing/berisping te geven en haar over te plaatsen naar een andere locatie teneinde daar gedurende een jaar een verbeter- en ontwikkeltraject te volgen in de functie van verzorgende (IG) met behoud van de huidige arbeidsvoorwaarden. Als het traject met goed gevolg wordt afgerond zal [eiseres] haar werkzaamheden in de functie van EVV-er kunnen hervatten op een andere locatie dan Appelgaard.

2.12.

Bij brief van 11 januari 2018 heeft Envida aan [eiseres] de inhoud van het gesprek van 9 januari 2018 schriftelijk bevestigd en [eiseres] een termijn van 10 dagen gegeven om te reageren op de voorgestelde overplaatsing met verbeter- en ontwikkeltraject.

2.13.

Bij e-mailbericht van 19 januari 2018 heeft de gemachtigde van [eiseres] aan Envida (onder meer) medegedeeld dat [eiseres] zich niet herkent in de “de auditu” verwijten, dat zij nimmer is aangesproken op disfunctioneren en dat tijdens het gesprek alternatieven en maatregelen zijn besproken die het mogelijk maken voor [eiseres] om tot haar eigen werk te worden toegelaten. [eiseres] heeft Envida gesommeerd haar toe te laten tot haar eigen werkplek.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert - bij wijze van onmiddellijke voorziening bij voorraad - Envida te veroordelen:

  1. haar binnen 24 uur na het te wijzen vonnis toe te laten tot de bedongen arbeid in haar functie van EVV-er, althans haar in de gelegenheid te stellen de bedongen werkzaamheden te verrichten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat Envida daarmee in gebreke blijft;

  2. tot betaling van het loon behorend bij de functie van EVV-er en tot afgifte van deugdelijke loonspecificaties, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat Envida daarmee in gebreke blijft,

  3. tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en tot betaling van de nakosten.

3.2.

Het verweer van Envida strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader ingegaan worden.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van [eiseres] bij onderdeel 1 van de gevorderde voorzieningen acht de kantonrechter voldoende aannemelijk. Dat spoedeisend belang is er echter niet ten aanzien van onderdeel 2 van haar vordering. Envida heeft namelijk tot op heden het loon van [eiseres] betaald en de bijbehorende loonspecificaties aan haar verstrekt. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat Envida in de (nabije) toekomst de betaling van het loon en de verstrekking van de loonspecificaties gedurende het bestaan van de arbeidsovereenkomst zal staken. Onderdeel 2 van de vordering van [eiseres] zal daarom worden afgewezen.

4.2.

[eiseres] voert aan dat zij ten onrechte op grond van de twee incidenten met medicatie op non-actief gesteld is. [eiseres] stelt dat zij op 16 december 2017 nadat [naam EVV-er] dat haar gevraagd had, was vergeten om de medicijnen aan [naam bewoonster 1] toe te dienen. Volgens [eiseres] was het op het moment dat zij daarachter kwam (rond 16.00 uur) al te laat om de medicijnen die om 12.00 hadden moeten worden toegediend, alsnog toe te dienen. Zij stelt dat het daarom de juiste beslissing was om de medicijnen toen niet meer toe te dienen want het volgende medicatiemoment was om 17.00 uur. Zij verwijst daartoe naar de bijsluiter van het betreffende medicijn waarin staat “Als het bijna tijd is voor uw volgende tablet, wacht daar dan op. Neem geen dubbele dosis om een vergeten dosis in te halen.”

Omtrent het incident met de ampullen/zetpillen voert [eiseres] aan dat er sprake was van een simpele vergissing en dat het een onschuldig hulpmiddel betreft.

[eiseres] gaat met deze stellingen echter niet in op de kern van het verwijt dat Envida haar maakt, namelijk dat zij niet uit eigen beweging melding heeft gemaakt van de door haar begane fouten. Zo had [eiseres] op 16 december 2017, toen zij erachter kwam dat zij was vergeten het medicijn aan [naam bewoonster 1] te verstrekken, dit zonder meer moeten melden. Door dit niet te doen heeft zij haar collega’s in het ongewisse gelaten of het medicijn al aan [naam bewoonster 1] was toegediend. [eiseres] heeft voorts getracht te verbergen dat zij was vergeten het medicijn toe te dienen door het medicijn in de prullenbak te gooien. De kantonrechter onderschrijft de stelling van Envida dat dit een laakbare handelwijze is. Ook de foutieve registratie op 18 december 2017 betreffende de zetpillen/ampullen heeft [eiseres] niet uit eigen beweging gemeld. Eerst op 19 december 2017 heeft zij deze fout erkend nadat zij daar door de zorgcoördinator op is gewezen. [eiseres] voert thans aan dat zij de zetpillen per ongeluk mee naar huis had genomen omdat die in haar schort waren blijven zitten. Het lijkt erop dat [eiseres] hiermee heeft willen aanvoeren dat zij op 19 december 2017 niet wist dat zij een registratiefout gemaakt had. Envida wijst er echter op dat [eiseres] tijdens het gesprek van 21 december 2017 heeft verklaard dat zij de zetpillen mee naar huis had genomen omdat dan de voorraad weer zou kloppen. Omdat [eiseres] hier verder niet op ingegaan is, gaat de kantonrechter ervan uit dat de stelling van Envida juist is. Het moet er derhalve voor gehouden worden dat [eiseres] de zetpillen bewust mee heeft genomen om de door haar gemaakte registratiefout te verbergen. Die fout heeft ze vervolgens eerst erkend, nadat zij daarop was aangesproken. Ook hier maakt Envida terecht [eiseres] een verwijt van. Gelet op de ernst van deze feiten was er op 21 december 2017 een redelijke en voldoende zwaarwegende grond voor Envida om [eiseres] op non-actief te stellen en nader onderzoek te verrichten.

4.3.

Anders dan [eiseres] betoogt, bestaat er ook thans nog een redelijke en voldoende zwaarwegende grond om de op-non-actief-stelling te handhaven. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.4.

Envida heeft tussentijds, anders dan [eiseres] betoogt, wel degelijk onderzoek verricht naar de gedragingen van [eiseres] . Envida heeft immers gesprekken gevoerd met de collega’s van [eiseres] die betrokken waren bij de twee incidenten. Zij verwijst daartoe naar vier verklaringen van die collega’s van [eiseres] (productie 4). Eén verklaring is afgelegd door de zorgcoördinator [naam zorgcoördinator] . De andere drie verklaringen zijn geanonimiseerd omdat deze collega’s volgens Envida bang zijn voor de gevolgen als [eiseres] kennis neemt van hun identiteit. Deze collega’s verklaren dat [eiseres] (te) lange rookpauzes in de garage neemt, regelmatig (zonder reden) eerder naar huis gaat zonder zich af te melden, bewoners (bijna) nooit doucht en niet reageert op de bel als om assistentie wordt gevraagd. Ook wordt in de verklaringen gemeld dat [eiseres] verbaal erg sterk is waardoor collega’s haar op een en ander niet durven aan te spreken. [eiseres] betwist de authenticiteit van deze verklaringen. De kantonrechter is echter van oordeel dat in het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk is dat deze verklaringen door collega’s van [eiseres] zijn afgelegd.

4.5.

Envida heeft op grond van de afgelegde verklaringen alsmede op grond van de twee incidenten met de medicijnen het standpunt ingenomen dat binnen de afdeling de Lommer het vertrouwen in [eiseres] onherstelbaar is beschadigd, waardoor terugkeer binnen die afdeling niet mogelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat Envida voldoende aannemelijk gemaakt heeft dat terugkeer van [eiseres] binnen de Lommer tot een onwerkbare situatie zal leiden. Envida heeft om die reden [eiseres] op 9 januari 2018 herplaatsing op een andere locatie van Envida aangeboden in het kader van een door [eiseres] te volgen verbetertraject in de functie van verzorgende (IG). [eiseres] kan worden toegegeven dat Envida een verwijt valt te maken van het feit dat gedurende meer dan tien weken nadat [eiseres] dat aanbod had afgewezen Envida geen vervolgstappen heeft ondernomen en de non-actiefstelling heeft laten voortduren.

Dit verwijt is echter irrelevant geworden. Ter zitting is namelijk door Envida alsnog een nieuw, althans aangepast, aanbod gedaan aan [eiseres] om op een locatie te Meerssen of Bunde haar werkzaamheden te hervatten en een verbetertraject te starten in haar eigen functie als EVV-er (inclusief de bevoegdheid tot verstrekking van medicatie).

In het licht van de ernst van alleen al de medicatie-incidenten, welke incidenten door [eiseres] worden erkend en die het vertrouwen van Envida in [eiseres] ernstig hebben beschadigd, is dit een alleszins redelijk aanbod. De kantonrechter komt tot de slotsom dat er een redelijke en voldoende zwaarwegende grond was voor de non-actiefstelling, dat die grond er nog steeds is en dat gezien de twee door Envida gedane voorstellen aan [eiseres] om haar binnen een andere locatie van Envida te herplaatsen niet gezegd kan worden dat Envida onvoldoende pogingen heeft ondernomen de impasse te doorbreken.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat ook onderdeel 1 van de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.

4.7.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Envida tot op heden begroot op € 600,00 salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot de dag van voldoening.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Envida tot op heden begroot op € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot de dag van voldoening,

5.3.

verklaart onderdeel 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW