Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3090

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
03/700561-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling na bedreiging van politieagenten en buurvrouw en vernieling van ruiten tot een gevangenisstraf voor duur van 365 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 256 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met bijzondere voorwaarden.

Geen tbs met voorwaarden.

Niet-ontvankelijkverklaring benadeelde partijen t.a.v. bedreiging.

Toewijzing benadeelde partij voor zover het fysiek letsel betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/700561-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. W.E.R. Geurts, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 maart 2018. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1:vier politieagenten heeft bedreigd.

Feit 2: zijn buurvrouw heeft bedreigd.

Feit 3: de ruiten van de woning van zijn buurvrouw heeft vernield of beschadigd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder feit 1 ten laste gelegde zal worden bewezenverklaard, gelet op de processen-verbaal van bevindingen in combinatie met de aangiftes van de betreffende verbalisanten.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat het onder feit 2 ten laste gelegde zal worden bewezenverklaard, gelet op het proces-verbaal van bevindingen op pagina 28 en de aanvullende verklaring van het slachtoffer.

De officier van justitie heeft tenslotte gevorderd dat het onder feit 3 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard, gelet op het proces-verbaal van bevindingen op pagina 35.

De officier van justitie heeft aangegeven dat zij de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, beschouwt als een bekennende verklaring, die mee wordt genomen als bewijs.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder feit 2 ten laste gelegde, omdat wordt betwist dat sprake is geweest van bedreiging waarbij de redelijke vrees kon ontstaan dat het slachtoffer het leven zou laten nu de verdachte ten tijde van het roepen van de bewoordingen geboeid in een politieauto zat en duidelijk onder invloed verkeerde.

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen en overwegingen ten aanzien van feit 1:

Verbalisant [verbalisant 1] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen het volgende gerelateerd:

Op 25 november 2016 kregen wij de melding om te rijden naar de [adres 1] te [plaats] , alwaar de mannelijke bewoner doende was met het bedreigen van zijn buurvrouw van [adres 2] , alsmede met het plegen van vernielingen aan [adres 2] .

Ik zag dat er reeds vier collega’s ter plaatse waren en dat allen in uniform gekleed waren. Ik ben naar de voordeur van [adres 1] gelopen. Ik heb op de deur van [adres 1] geklopt. Ik hoorde dat er vanuit dit perceel een mannelijke stem wat schreeuwde. Ik zag dat de verdachte naar de deur liep, alwaar ik, op dat moment op ongeveer 1 meter afstand, samen met drie andere collega’s voor stond. Ik hoorde direct een klap en ik zag dat het bovenste glas van de voordeur brak en ik zag dat er een metalen voorwerp, welk ik direct als een loop van een geweer herkende, door de ruit in mijn, alsmede in de richting van mijn collega’s gericht werd. Ik schrok hier zeer van, voor mijn gevoel stond ik precies voor de richting, alwaar de loop heen wees. Ik vreesde op dat moment voor mijn leven, alsmede voor het leven van mijn collega’s. Het was totaal onverwacht en ik voelde me op dat moment zeer ernstig bedreigd. Ik dook hierop direct weg. Ik zag dat de loop ongeveer 30 centimeter door het glas naar voren kwam en ik zag dat deze loop richting mij draaide.2

Verbalisant [verbalisant 1] heeft aangifte gedaan van bedreiging.3

Verbalisant [verbalisant 2] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen het volgende gerelateerd:

Op 25 november 2016 kreeg ik de melding om te gaan naar de [adres 1] te [plaats] . Ik kwam ter plaatse en ik ben met enkele collega’s naar de voordeur van [adres 1] gelopen om contact te maken met [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte). Door de voordeur, welke voorzien was van ribbelglas, konden wij [verdachte] zien staan. Ik zag dat [verdachte] naar de voordeur kwam lopen. Ik stond op dat moment samen met nog drie andere collega’s voor deze voordeur. Ik bevond mij, vanaf de straatzijde gezien, schuin links voor de deur. Ik zag dat hij direct bij aankomst bij de voordeur de ruit insloeg. Ik zag dat er vervolgens een lange loop door de ruit naar buiten werd gestoken. Ik zag dat de lange loop welke door de voordeur stak, een draaiende beweging in de richting van de collega welke rechts naast mij stond maakte. Ik voelde mij door de loop welke uit de voordeur stak en welke naar mijn gevoel op mij en mijn collega’s was gericht, dusdanig bedreigd dat ik mijn vuurwapen ter hand heb genomen.4

Verbalisant [verbalisant 2] heeft aangifte gedaan van bedreiging.5

Verbalisant [verbalisant 3] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen het volgende gerelateerd:

Op 25 november 2016 kregen wij de melding om te gaan naar de [adres 1] te [plaats] . Ik besloot mijn bodycam aan te zetten. De bodycam zat bevestigd aan het voorpaneel van mijn veiligheidsvest, ter hoogte van mijn rechterschouder en was duidelijk zichtbaar. Ik zag dat er nog meer eenheden arriveerden. Ik zag dat collega [verbalisant 2] naar de voordeur van pand [adres 1] liep, alwaar de verdachte zou wonen. Ik zag vervolgens collega [verbalisant 1] naar de voordeur van het genoemde pand lopen. Ik stond met lopende bodycam recht voor de voordeur van pand [adres 1] . Ik stond ongeveer 2,5 à 3 meter van de voordeur van pand [adres 1] verwijderd. Enkele seconden later zie ik de man weer achter het glas van de voordeur verschijnen en vrijwel meteen zie en hoor ik het glas van de voordeur breken. Ik zag dat loop van een geweer in mijn richting wijzen. Ik schrok hier zeer van, voor mijn gevoel stond ik precies voor de loop. Ik vreesde op dat moment voor mijn leven. Het was totaal onverwacht en ik voelde me op dat moment zeer ernstig bedreigd. Ik ben vervolgens naar links weg gedraaid, weg van de loop en rende richting de achterzijde van een zwarte geparkeerd staande auto. Ik ben achter het zwarte voertuig gaan zitten, heb de klip van mijn holster geopend en mijn hand op mijn wapen gelegd.6

Verbalisant [verbalisant 3] is ook als aangever gehoord.7

Verbalisant [verbalisant 4] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen het volgende gerelateerd:

Op 25 november 2016 kregen wij de opdracht om te rijden naar de [adres 1] te [plaats] . Ik zag dat er vier geüniformeerde collega’s aanwezig waren. Ik zag dat collega [verbalisant 1] op een afstand van ongeveer een meter schuin, voor ons rechts, voor de voordeur stond. Ik stond iets verder naar achter iets meer naar links van collega [verbalisant 1] . Ik stond bijna recht voor de voordeur.

Plotseling hoorde ik glasgerinkel en zag dat het glas van een ruit van de voordeur kapot ging. Ik zag dat, door het kapotte glas een loop, van een vuurwapen op mij gericht werd. Ik heb portofonisch nog geroepen “vuurwapen” en heb me toen zo snel mogelijk uit het schootsveld proberen te maken. Ik was op dat moment zeer bang dat er op mij geschoten zou worden. In het wegrennen heb ik steeds achterom gekeken. Ik zag dat de loop van het wapen steeds in mijn richting bleef wijzen, het bleef met mij mee draaien. Ik voelde daardoor steeds meer angst dat er op mij geschoten zou worden. Ik heb mij zeer onveilig gevoeld en bedreigd gevoeld.8

Verbalisant [verbalisant 4] heeft aangifte gedaan van bedreiging.9

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 25 november 2016 in de gemeente Heerlen [verbalisant 2] , [verbalisant 3] ,

[verbalisant 1] en [verbalisant 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Bewijsmiddelen en overwegingen ten aanzien van feit 2:

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 2] blijkt het volgende:

Op 25 november 2016 hoorden wij tijdens het transport dat verdachte [verdachte] meerdere malen zei dat hij de buurvrouw zou gaan vermoorden. Wij hoorden dat [verdachte] zei: “Ik ga mijn buurvrouw vermoorden. Let maar op. Zodra ik vrij kom maak ik haar af.”

Ik, [verbalisant 5] , vroeg aan [verdachte] waarom hij zijn buurvrouw iets aan zou willen doen. Wij hoorden dat [verdachte] zei “Omdat ze niet wil neuken”. Wij hoorden dat [verdachte] direct daarna zei “Nee ik wil haar toch niet neuken maar wel vermoorden”.10

[slachtoffer] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

U vertelt mij nu dat de buurman tegen de politie, tijdens zijn aanhouding, gezegd heeft dat hij mij zou gaan vermoorden en dat hij mij af zou maken. Dit omdat ik niet zou neuken. Ik doe hier nogmaals aangifte van. De situatie was zeer bedreigend. Ik ben echt doodsbang voor hem.11

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 25 november 2016 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De rechtbank overweegt dat de bewoordingen op zichzelf bedreigend zijn en ze hebben het slachtoffer ook vrees aangejaagd. Dat de verdachte op dat moment niet in staat was om zijn dreigementen uit te voeren, doet hieraan niet af. Gelet op de letterlijke inhoud van de bewoordingen, leveren deze naar het oordeel van de rechtbank bedreigingen gericht tegen het leven op.

Bewijsmiddelen en overwegingen ten aanzien van feit 3:

[slachtoffer] heeft mede namens Stichting de Voorzorg aangifte gedaan. Zij heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

Ik doe aangifte van vernieling van het glas van mijn achterdeur en krassen op het raam van de voorkamer van de woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats] .

Op 25 november 2016 zag ik dat mijn buurman ineens voor mijn raam stond. Ik zag en hoorde dat hij met een ijzeren staaf tegen de ruit aan de voorzijde van de woonkamer stond te slaan. Daardoor zijn er allemaal krassen op de ruit ontstaan. Toen heb ik de politie gebeld. Toen ik in de keuken stond zag ik mijn buurman bij de achterdeur. Ik zag en hoorde dat hij met die ijzeren stang tegen het glas van de achterdeur stond te slaan. Ik zag dat er een scheur in het glas was gekomen door de slagen. Ik ben ontzettend bang voor die man. De hele situatie kwam zeer bedreigend over.

De woning is een huurwoning van woningstichting De Voorzorg.12

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] blijkt het volgende:

De schade aan het raam aan de voorzijde te weten krassen en achterzijde een barst in de ruit van [adres 2] heb ik tijdens het opnemen van de aangifte gezien.13

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 25 november 2016 in de gemeente Heerlen ruiten van de woning gelegen aan de [adres 2] heeft vernield en beschadigd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1:

op 25 november 2016 in de gemeente Heerlen [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 1] en [verbalisant 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend de loop van een geweer gericht en gericht gehouden op voornoemde [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 1] en [verbalisant 4] , en voornoemde [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 1] en [verbalisant 4] onder schot gehouden;

2.

op 25 november 2016 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend gezegd: "Ik ga mijn buurvrouw vermoorden. Let maar op. Zodra ik vrij kom maak ik haar af" en "Nee ik wil haar toch niet neuken maar wel vermoorden";

3.

op 25 november 2016 in de gemeente Heerlen opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ruiten van de woning gelegen aan de [adres 2] , toebehorende aan Stichting de Voorzorg, heeft vernield en beschadigd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De psychiater A.H.A.C. van Bakel heeft over de geestvermogens van de verdachte op

8 februari 2017 een rapport uitgebracht. Deze deskundige heeft geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en met een verslaving aan alcohol. Dit was ook het geval ten tijde van het ten laste gelegde. De deskundige heeft geadviseerd het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De psycholoog J.J.M. van der Heijden heeft over de geestvermogens van de verdachte op

9 februari 2017 een rapport uitgebracht. Deze deskundige heeft geconcludeerd dat de verdachte lijdende is aan een alcoholafhankelijkheid in combinatie met een borderline en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit was ook het geval ten tijde van het ten laste gelegde. De deskundige heeft geadviseerd het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen over en acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

Nu overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die verdachtes strafbaarheid uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dient te worden opgelegd, maar dat dient te worden volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij als bijzondere voorwaarden eveneens kan worden opgelegd het volgen van ambulante behandeling, reclasseringscontact en een alcoholverbod.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van vier politieagenten en zijn buurvrouw. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan vernieling en beschadiging van de ruiten van de woning van zijn buurvrouw. De betreffende politieagenten en de buurvrouw hebben de incidenten als schokkend ervaren. De verdachte heeft hen veel angst aangejaagd en zij hebben hier lange tijd last van gehad. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Het gaat hier om strafbare feiten die onder meer zijn begaan tegen gezagsdragers, tot wier taak het behoort de openbare orde en veiligheid op straat te handhaven. Bovendien heeft de verdachte ervoor gezorgd dat zijn buurvrouw zich onveilig voelt in haar eigen huis door met (licht) metalen buis tegen haar ramen, zowel aan de voorzijde als de achterzijde van haar woning te slaan.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 februari 2018, waaruit blijkt dat eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de rapportages van de reclassering d.d. 19 december 2017, 8 juni 2017, 18 april 2017, 7 april 2017 en 2 februari 2017 alsmede de rapportages van psychiater A.H.A.C. van Bakel en psycholoog J.J.M. van der Heijden. Hieruit blijkt dat de verdachte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis en een alcoholverslaving. Geadviseerd wordt de verdachte klinisch te laten behandelen en zowel de psychiater als de psycholoog voornoemd adviseren deze klinische behandeling in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden te laten plaatsvinden. De reclassering is echter van mening dat de basis voor uitvoering van toezicht in het kader van terbeschikkingstelling met voorwaarden fragiel is. Een gerechtelijke lijdensweg met mogelijke omzettingen naar terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is niet denkbeeldig, zeker omdat er bij de verdachte sprake is van een gevaarsrisico en er twijfels zijn over zijn motivatie. De reclassering heeft aangegeven dat er een geruime tijd behandeling nodig is om gedragsverandering te bewerkstelligen en de risico’s te verminderen. De reclassering ziet dan ook de noodzaak tot een langdurig stevig klinisch traject met een gestructureerd kader met daarbij een aantal in het advies van 19 december 2017 genoemde voorwaarden.

Opvallend is dat in dit laatste advies ook melding wordt gemaakt van de risicotaxatie (HKT-R) van de Woenselse Poort d.d. 5 oktober 2017, waar verdachte in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis sinds 12 juli 2017 is opgenomen. Blijkens deze risicotaxatie wordt het risico op herval in gewelddadig gedrag bij betrokkene als matig ingeschat, wanneer hij zich vrij in de maatschappij zou kunnen bewegen. Binnen de huidige structuur en setting en het huidige kader wordt het risico laag ingeschat.

Ten slotte betrekt de rechtbank de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten aanzien van de feiten bij haar oordeel over de juiste strafmaat.

Voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling moet de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de terbeschikkingstelling eisen. De rechtbank is van oordeel dat in casu aan dit criterium niet is voldaan. De rechtbank overweegt daartoe dat de feiten die de verdachte heeft begaan weliswaar ernstig zijn en dat het heel begrijpelijk is dat dit voor alle betrokkenen een traumatische ervaring is geweest, maar dat het gevaar voor recidive van ernstige geweldsdelicten op grond van de thans tenlastegelegde feiten en met het oog op de documentatie van de verdachte niet dusdanig te onderbouwen is, dat de maatregel van terbeschikkingstelling gerechtvaardigd is. De rechtbank vindt voor dit oordeel vooral van belang het feit dat het recidivegevaar volgens de psycholoog en psychiater vooral zou voortvloeien uit de persoonlijkheidsstoornis van verdachte, al dan niet in combinatie met diens alcoholverslaving. Beide risicofactoren zijn echter al jarenlang aanwezig en hebben, behoudens enkele politiecontacten terzake van belediging, eenvoudige mishandeling en rijden onder invloed, nimmer tot ernstige geweldsdelicten geleid.

Ook bij het onderhavige feit is geen sprake geweest van het daadwerkelijk gebruik van geweld tegen de betreffende politieambtenaren of verdachtes buurvrouw.

De rechtbank is er wel van overtuigd dat er wel recidivegevaar is als verdachte zich niet laat behandelen, zowel voor zijn persoonlijkheidproblematiek als zijn verslaving. De rechtbank is echter vooralsnog van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat dit niet mogelijk zou zijn in het kader van bijzondere voorwaarden, gekoppeld aan een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf.

Nu de rechtbank niet overtuigd is van het voor het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling vereiste gevaar voor de veiligheid van personen of goederen, zal de rechtbank zal de officier van justitie daarom niet volgen in haar eis, maar de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van een jaar (365 dagen), met aftrek van voorarrest, waarvan 256 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De rechtbank zal aan deze proeftijd als bijzondere voorwaarden verbinden: een meldplicht, opname in een zorginstelling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een drugs-alcoholverbod en een contactverbod met [slachtoffer] .

Om te voorkomen dat er een vacuüm ontstaat en dat er geen reclasseringstoezicht geldt zal de rechtbank, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Er moet immers wel ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, indien de verdachte zijn huidige – in het kader van de schorsing van de voorlopige ingezette – traject niet afmaakt.

Bij de oplegging van de vrijheidsstraf is tenslotte overwogen dat de aard van de door verdachte geschonden normen en het door verdachte toegebrachte nadeel enerzijds en de persoonlijke belangen van verdachte anderzijds een vrijheidsstraf rechtvaardigen. Met de oplegging van een deels voorwaardelijke straf wil de rechtbank proberen om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 4] moeten worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard, nu op grond van artikel 6:106 BW gevoelens van schrik, angst en machteloosheid niet voor schadevergoeding in aanmerking komen.

De raadsvrouw heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering met betrekking tot de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. Ook de reiskosten, het eigen risico en schade aan de tafel moeten worden afgewezen.

De raadsvrouw heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [verbalisant 3] niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard dan wel dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

7.3.1.

Ten aanzien van de vorderingen van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 4]

De benadeelde partijen hebben gesteld immateriële schade in de vorm van psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de onder feit 1 ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Voor het aannemen van psychisch leed dient aannemelijk gemaakt te worden dat er sprake is van geestelijk letsel.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002 (NJ 2002, 240) blijkt dat voor vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW vereist is dat het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. In het arrest van 9 mei 2003 (NJ 2005, 168) heeft de Hoge Raad de aan geestelijk letsel als persoonsaantasting te stellen eisen gepreciseerd en bepaald dat de partij die zich op aantasting van de persoon beroept, voldoende concrete gegevens zal moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Dit zal in de regel betekenen dat rapportage door een deskundige onontbeerlijk is, aldus de Hoge Raad.

Gezien deze jurisprudentie van de Hoge Raad komt de rechtbank tot het oordeel dat het gestelde geestelijk letsel bij de benadeelde partijen als gevolg van het onder feit 1 ten laste gelegde onvoldoende aannemelijk is geworden. De vordering is immers onvoldoende onderbouwd doordat er geen stukken van een deskundige zijn bijgevoegd waaruit dit zou kunnen blijken. Omdat evenwel ook aannemelijk is dat de gebeurtenissen op 25 november 2016 op de benadeelde partijen, zelfs in hun hoedanigheid van agenten die veelvuldig met bedreigende situaties worden geconfronteerd, een diepe impact op hen hebben gehad, zal de rechtbank de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaren zodat zij, desgewenst, de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Aangezien de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen zullen worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partijen zijn gemaakt. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vorderingen. De rechtbank stelt deze kosten vast op nihil.

7.3.2.

Ten aanzien van de vordering van [verbalisant 3]

De benadeelde partij [verbalisant 3] heeft een vordering ingediend met betrekking tot de geleden immateriële schade als gevolg van het onder feit 1 tenlastegelegde. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 500,00. Tevens heeft de benadeelde partij verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan bij verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 4] , bij verbalisant [verbalisant 3] sprake is van fysiek letsel, te weten pijn en letsel aan zijn schouder. Deze schade is op grond van artikel 6:106 BW wel voor toewijzing vatbaar. Het onder feit 1 ten laste gelegde is een strafbaar feit en aan de verdachte zal voor dat feit een straf worden opgelegd. Door dit feit is aan de benadeelde partij rechtstreeks schade toegebracht.

De rechtbank overweegt dat, gelet op de aard van het bewezenverklaarde, het een ervaringsregel is dat daardoor bij een slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag een alleszins redelijk bedrag is en zal de gevorderde immateriële schade dan ook volledig toewijzen.

De rechtbank zal de schade vaststellen op een bedrag van € 500,00. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 25 november 2016 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 25 november 2016 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van

10 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf

25 november 2016 tot de dag der algehele voldoening, te betalen ten behoeve van [verbalisant 3] , zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

7.3.3.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering ingediend met betrekking tot de geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde en daarnaast de proceskosten, bestaande uit reiskosten ad € 12,46. De benadeelde partij vordert een bedrag van in totaal € 949,33. Tevens heeft de benadeelde partij verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde reiskosten ad € 12,46 voor toewijzing vatbaar zijn.

De rechtbank is verder van oordeel dat de gevorderde kosten voor de schade aan de tafel moeten worden afgewezen, omdat deze schade geen rechtstreeks gevolg is van de ten laste gelegde en bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de gevorderde kosten ter zake het eigen risico en de medicatie niet voor toewijzing vatbaar zijn, nu niet kan worden vastgesteld of deze schade volledig als rechtstreeks gevolg van de ten laste gelegde en bewezenverklaarde feiten kan worden toegerekend. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij ten aanzien van dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij zal dit onderdeel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Immateriële schade

Uit de jurisprudentie zoals genoemd onder 7.3.1. blijkt dat voor vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW vereist is dat het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel bij de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 ten laste gelegde onvoldoende aannemelijk is geworden. De vordering is immers onvoldoende onderbouwd doordat er geen stukken van een deskundige zijn bijgevoegd waaruit dit zou kunnen blijken.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij ten aanzien van dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij zal dit onderdeel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Totale schade en wettelijke rente

De rechtbank zal de schade vaststellen op een bedrag van € 12,46. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf de datum van de vordering, aldus 25 november 2016, tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot betaling van dat bedrag.

Schadevergoedingsmaatregel en kosten

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 12,46, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van

1 dag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf

25 november 2016 tot de dag der algehele voldoening, te betalen ten behoeve van [slachtoffer] , zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

8 Het beslag

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zijnde een buks (goednummer 873531) en een pijp (goednummer 873534) moeten worden onttrokken aan het verkeer.

Voornoemde inbeslaggenomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, daar met behulp van deze voorwerpen de feiten zijn begaan.

Teruggave

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp zijnde een cd-rom (goednummer 873672) moet worden teruggegeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 36b, 36c, 36f, 57, 285, 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 256 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. de veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

  2. de veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

  3. de veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

  4. e veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

  5. de veroordeelde wordt verplicht, gedurende de gehele proeftijd van 3 jaren, of zoveel korter als de leiding van de zorginstelling in overleg met de Reclassering dit wenselijk acht, om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling te verblijven en zich te laten behandelen bij GGZE Woenselse Poort te Eindhoven, afdeling de Ponder of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het DIZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens die instelling zullen worden gegeven;

  6. de veroordeelde wordt verplicht om aansluitend aan de (klinische) behandeling te verblijven in een nader te bepalen begeleide/beschermde woonvorm, te bepalen door de reclassering op basis van een IFZ indicatie. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;

  7. de veroordeelde dient zich op het gebied van drugs- en alcoholgebruik, respectievelijk het gebruik van alcoholarme dranken zoals maltbier, te houden aan de richtlijnen van de behandelaars en de reclassering, ook in geval dit inhoudt volledige abstinentie. Daarnaast wordt de veroordeelde geacht om actief mee te werken aan de controle hierop middels urinecontroles, bloedproeven en/of blaastesten;

  8. veroordeelde zal tijdens de proeftijd op geen enkele wijze, direct of indirect, contact leggen/opnemen of laten leggen/opnemen met [slachtoffer];

  • -

    geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    beveelt dat de algemene en bijzondere voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

- verklaart de benadeelde partij [verbalisant 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt tot heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [verbalisant 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt tot heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [verbalisant 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt tot heden begroot op nihil;

  • -

    wijst toe de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 3];

  • -

    veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van 500,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 25 november 2016 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van 500,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 25 november 2016 tot de dag der algehele voldoening, subsidiair 10 dagen hechtenis ten behoeve van voornoemd slachtoffer met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van 500,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 25 november 2016 tot de dag der algehele voldoening, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer];

  • -

    veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van 12,46 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 25 november 2016 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van 12,46 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 25 november 2016 tot de dag der algehele voldoening, subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van voornoemd slachtoffer met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van 12,46 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 25 november 2016 tot de dag der algehele voldoening, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    wijst af de vordering van de benadeelde partij voor zover die betrekking heeft op de schade aan de tafel;

  • -

    verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van de overig gevorderde materiële en immateriële schade;

- heft op het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis met ingang van heden

Beslag

- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

  • -

    buks (goednummer 873531);

  • -

    pijp (goednummer 873534);

- gelast de teruggave van een cd-rom (goednummer 873672) aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.A.F.M. Krol, voorzitter, mr. A.P.A. Bisscheroux en

mr. D.C.I. van Delft, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 april 2018.

Buiten staat

Mr. A.P.A. Bisscheroux en mr. D.C.I. van Delft zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 november 2016 in de gemeente Heerlen [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 1] en/of [verbalisant 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend de loop van een geweer gericht en/of gericht gehouden op voornoemde [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 1] en/of [verbalisant 4] en/of voornoemde [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 1] en/of [verbalisant 4] onder schot gehouden;

2.

hij op of omstreeks 25 november 2016 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, gezegd: "Ik ga mijn buurvrouw vermoorden. Let maar op. Zodra ik vrij kom maak ik haar af" en/of "Nee ik wil haar toch niet neuken maar wel vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 25 november 2016 in de gemeente Heerlen opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ruiten van de woning gelegen aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of Stichting de Voorzorg, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Parkstad-Limburg, Basisteam Heerlen, proces-verbaalnummer PL2300-2016213930, gesloten d.d. 30 november 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 77.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 2016, pagina’s 21 en 22.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 27 november 2016, pagina’s 11 tot en met 13.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 2016, pagina’s 23 en 24.

5 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 26 november 2016, pagina’s 6 tot en met 8.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 november 2016, pagina’s 26 en 27.

7 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 27 november 2016, pagina’s 9 en 10.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 2016, pagina’s 29 en 30.

9 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 27 november 2016, pagina’s 14 en 15.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 2016, pagina 28.

11 Proces-verbaal van verhoor aangeefster naar aanleiding van de indirecte bedreiging d.d. 30 november 2016, pagina’s 75 en 76.

12 Proces-verbaal van aangifte d.d. 25 november 2016, pagina’s 16 en 17.

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 november 2016, pagina 35.