Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2964

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
03/702576-17 + 99-000463-24 (v.i.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen medeplegen maar medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag. Voldoende verband tussen de woningoverval waarop de opzet was gericht, en de gekwalificeerde doodslag gepleegd door twee anderen. De rechtbank legt 14 jaar gevangenisstraf op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/107
PS-Updates.nl 2018-0286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/702576-17 + 99-000463-24 (v.i.)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R. Gijsen, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 20, 22, 26 en 27 februari 2018. De verdachte, zijn raadsman, de benadeelde partijen en hun raadslieden zijn verschenen. Zij hebben allemaal hun standpunten kenbaar gemaakt. De verdachte en zijn raadsman zijn niet verschenen bij de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting op 15 maart 2018.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte (samen met anderen) bij een poging om een woningoverval te plegen [slachtoffer] opzettelijk heeft doodgeschoten (primair) of dat hij medeplichtig is hieraan (subsidiair).

Meer subsidiair heeft de officier van justitie als verdenking opgenomen dat verdachte samen met anderen een poging tot woningoverval heeft gepleegd waarbij de dood van [slachtoffer] het gevolg was, en –als meest subsidiair- medeplichtigheid aan dat laatst omschreven misdrijf.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard. De verdachte [verdachte] (hierna te noemen: [verdachte] ) was op de hoogte van het plan van medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna te noemen: [medeverdachte 1] ) om een woningoverval te plegen. [verdachte] heeft met [medeverdachte 1] bij de woning van [slachtoffer] een voorverkenning gedaan. Hij heeft voor [medeverdachte 1] een vluchtauto en bivakmuts geregeld. Omdat hij zelf niet mee de woning binnen wilde gaan, heeft [verdachte] een ander geregeld die daartoe wel bereid was: medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna te noemen: [medeverdachte 2] ). [verdachte] heeft, met gebruikmaking van [medeverdachte 3] (hierna te noemen: [medeverdachte 3] ) als chauffeur, gezorgd dat [medeverdachte 2] op de plaats delict kwam en hem van gezichtsbedekking en een vuurwapen voorzien. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben vervolgens [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd om te kunnen vluchten na een poging om [slachtoffer] in zijn woning te overvallen. [verdachte] heeft zich beschikbaar gehouden om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] later op te halen. Met deze gedragingen heeft [verdachte] een dusdanige bijdrage geleverd aan de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer] dat van medeplegen kan worden gesproken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht [verdachte] vrij te spreken van alle varianten van het tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

[verdachte] heeft geen mededader(s) vervoerd, zoals te laste is gelegd, omdat [medeverdachte 3] de feitelijke bestuurder van de auto was. Van “doen vervoeren” is geen sprake omdat niet blijkt dat [medeverdachte 3] dit deed in opdracht of onder dwang van [verdachte] .

[verdachte] dacht het om een inbraak zou gaan. Hij wilde dit niet. Daarop is hij door [medeverdachte 1] gedwongen een vervanger te regelen. [verdachte] heeft [medeverdachte 2] niet verzocht deel te nemen aan een overval: hij wist zelf niet eens dat het een overval zou zijn.

Uit verklaringen van [medeverdachte 1] afgelegd bij de politie blijkt dat [verdachte] niet degene is geweest die de vluchtauto en bivakmuts voor [medeverdachte 1] heeft geregeld. Hij heeft evenmin het vuurwapen en een panty voor [medeverdachte 2] geregeld. De verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn ongeloofwaardig en tegenstrijdig. Het openbaar ministerie heeft via cherrypicking bewijs bij elkaar gesprokkeld.

[verdachte] heeft niet het vuurwapen geleverd. [verdachte] is niet bij het overleg tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de bosjes geweest. Hij was daarom nog steeds in de veronderstelling dat zij een inbraak gingen plegen en wist niet, noch behoefte hij te weten, dat een wapen aanwezig was. [verdachte] wist niet dat er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer] zou worden gedood, laat staan dat hij die heeft aanvaard. Van voorwaardelijk opzet op de doodslag is dan ook geen sprake.

Tussen [verdachte] enerzijds en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] anderzijds is niets afgesproken over de verdeling van de buit. Ook hieruit blijkt dat de rol van [verdachte] beperkt was tot het ophalen van [medeverdachte 2] .

[verdachte] heeft zich niet beschikbaar gehouden voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] na de overval. Dat heeft [medeverdachte 1] ook verklaard ter terechtzitting van 22 februari 2018. [verdachte] heeft na de overval niet gebeld met [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] . Uit niets blijkt dat [verdachte] heeft gebeld met de telefoon van [medeverdachte 3] .

Omdat [verdachte] met de dood werd bedreigd, heeft hij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] na de overval thuis afgezet. Pas toen hoorde hij wat er daadwerkelijk was gebeurd.

Ook zonder de bijdrage van [verdachte] zou [medeverdachte 1] zijn plannen hebben doorgezet. Van medeplegen is geen sprake. Van medeplichtigheid is evenmin sprake omdat er onvoldoende verband bestaat tussen de bijdrage aan de inbraak waar [verdachte] het oog op had en het gepleegde feit.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

Inleiding

In de vroege ochtend (omstreeks 03.00 uur) van 8 februari 2017 komen bij de politie meldingen binnen dat er schoten gehoord zijn op de [adres] in Geleen. Als de politie daar aankomt ligt [slachtoffer] gewond in zijn woning. Ondanks levensreddende handelingen, overlijdt hij kort daarna. Na enkele weken onderzoek zijn de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] aangehouden. Ook [medeverdachte 3] (hierna te noemen: [medeverdachte 3] ) is als verdachte aangehouden in deze zaak.

De drie verdachten ( [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] ) hebben allemaal verklaard dat zij dachten dat [slachtoffer] een groot geldbedrag thuis had liggen. Dat geld wilden zij hebben.

Tijdens de zitting is uitvoerig gesproken over wat precies het plan was. Zou het een inbraak worden of een overval? Zou er een wapen gebruikt worden of niet? Wat was ieders rol? En: was het een noodlottig ongeluk dat [slachtoffer] uiteindelijk werd doodgeschoten? Of was dat een risico waar de verdachten rekening mee hadden moeten houden?

Het is aan de rechtbank om nu op deze vragen antwoord te geven.

De rechtbank zal hierna eerst een opsomming geven van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid, vervolgens uiteenzetten hoe de selectie van de bewijsmiddelen tot stand is gekomen en ten slotte nog aandacht besteden aan de juridische kwalificatie (medeplegen of medeplichtigheid?) en het opzet bij verdachte [verdachte] .

3.3.2

Bewijsmiddelen

Plan

[medeverdachte 1] verklaart dat hij in de late avond van 7 februari 2017 met [verdachte] door [medeverdachte 3] vanuit de wijk Oostermaas in Maastricht naar Geleen is gereden2. Daar is hij, volgens [medeverdachte 1] , met [verdachte] naar de achterzijde van de woning van [slachtoffer] gelopen en heeft hij zijn plan uitgelegd3. Kort gezegd hield dat in dat in de woning veel geld was te halen en dat het makkelijk was. [medeverdachte 1] heeft hierover het volgende verklaard: Ik dacht dat er misschien wel 100.000 euro in de woning lag.4 [verdachte] heeft nog aan mij gevraagd of [slachtoffer] een grote crimineel was en of hij bewapend was5.
[medeverdachte 1] en [verdachte] zijn na ongeveer twintig minuten terug gekeerd naar [medeverdachte 3] die hen naar Maastricht heeft gereden6, aldus [medeverdachte 1] .

Volgens [medeverdachte 1] durfde [verdachte] niet. Toch had hij iemand nodig die met hem naar binnen ging. [verdachte] zou daarom iemand anders regelen. [medeverdachte 1] zei dat hij zou laten weten wanneer het licht uit was in de woning en [slachtoffer] zou slapen. Ook zei [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat het die avond zou moeten gebeuren7. [medeverdachte 1] is hierna in een auto gestapt die [verdachte] eerder die avond voor hem had klaargezet en is vanuit Maastricht opnieuw richting Geleen gereden. In de buurt van de woning van het slachtoffer heeft [medeverdachte 1] de auto geparkeerd, zo verklaart [medeverdachte 1] .8

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte] hem had gevraagd een jongen op te halen in Eygelshoven. Dit bleek [medeverdachte 2] te zijn. Onderweg had [verdachte] contact met [medeverdachte 2] , die hem uitlegde hoe hij moest rijden. In Eygelshoven heeft [verdachte] buiten de auto [medeverdachte 2] ontmoet en een kort gesprek met hem gevoerd. Vervolgens is [medeverdachte 2] met een sporttas in de auto is gestapt, zo heeft [medeverdachte 3] verklaard.9Ze zijn weg gereden naar Geleen. Onderweg heeft [verdachte] de telefoon van [medeverdachte 3] geleend om met [medeverdachte 1] te bellen.10 [medeverdachte 1] heeft in de bosjes bij de woning van [slachtoffer] in Geleen gewacht en [medeverdachte 3] heeft [verdachte] en [medeverdachte 2] in de buurt van die bosjes afgezet, aldus [medeverdachte 1] .11

[medeverdachte 1] heeft naar eigen zeggen na aankomst van [medeverdachte 2] gezien dat deze een vuurwapen onder zijn jas had.12 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij het wapen even onder zijn jas had en dat [medeverdachte 1] echt niet moeilijk deed over het meebrengen van dat wapen.13 [medeverdachte 1] verklaarde dat zij [slachtoffer] met dat wapen zouden laten schrikken.14 [medeverdachte 2] verklaart het vuurwapen te hebben meegenomen ter afdreiging15. Op de vraag van [medeverdachte 2] waarom hij mee moest, antwoordde [medeverdachte 1] dat er meerdere mensen thuis waren16. Ik zou de bewoners bedreigen, in de zin van “handen omhoog”, aldus [medeverdachte 2] .17

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 2] had afgesproken dat zij de buit zouden delen, ieder de helft. [medeverdachte 1] zou ook iets aan [verdachte] geven.18

[medeverdachte 1] heeft in de bosjes aan [medeverdachte 2] verteld hoe hij de overval wilde plegen: [slachtoffer] moest worden verrast door de herrie van het ingooien van een ruit met een steen. Het was de bedoeling van [medeverdachte 1] snel binnen te komen door het raam, zodat [slachtoffer] geen tijd had om na te denken. [medeverdachte 2] kreeg de instructie binnen bij het raam te blijven staan.19 [medeverdachte 1] wist niet waar het geld lag, [slachtoffer] moest hem dat vertellen20. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard over een zogenoemd Plan B, voor als [slachtoffer] hem niet wilde vertellen waar het geld lag. Hij zou [slachtoffer] dan vastbinden en had daar ook tape voor bij zich21.

Tussenconclusie I:

[medeverdachte 1] bedacht het plan om [slachtoffer] te overvallen en hem te beroven van een groot geldbedrag. Hij schatte de buit op ongeveer € 100.000,-. [medeverdachte 1] had dit eerst met [verdachte] besproken, maar deze wilde of durfde niet mee te gaan de woning in. Kennelijk wilde [verdachte] niet de woning in omdat het plan van [medeverdachte 1] , in de ogen van [verdachte] aanvankelijk een woninginbraak, van kleur was verschoten en het nu plotseling ging om een woningoverval. [verdachte] heeft daarom geregeld dat [medeverdachte 2] meeging. Hij heeft [medeverdachte 2] thuis opgehaald en hem naar Geleen gebracht. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben daar besproken hoe zij de overval wilden uitvoeren. Omdat zij wisten dat meerdere personen aanwezig waren in de woning, moest [medeverdachte 2] mee ter afdreiging. [medeverdachte 2] heeft daarvoor een wapen meegenomen. De buit zouden zij beiden gelijk verdelen, aldus [medeverdachte 1] .

De rechtbank stelt aan de hand van het voorgaande vast dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de opzet hebben gehad samen een woningoverval te plegen. [verdachte] wist dit en heeft, omdat hij zelf niet mee wilde of durfde, [medeverdachte 2] benaderd, opgehaald en naar Geleen gebracht.

In de woning

Ter terechtzitting van 22 februari 2018 zijn de opnamen van de beveiligingscamera getoond die bij de woning van [slachtoffer] hing. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben zichzelf op die beelden herkend.22

Uit de beelden en het geluid van de beveiligingscamera blijkt:23

  • -

    [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] komen aan bij de woning, [medeverdachte 2] draagt een wapen waarvan de loop recht vooruit wijst;

  • -

    [medeverdachte 1] maakt een raam van de woning kapot met een stoeprand om 03.01.39 uur;

  • -

    een vrouw schreeuwt vanaf 03.01.40 uur;

  • -

    [medeverdachte 1] gaat door het kapotte raam de woning binnen om 03.01.45 uur;

  • -

    [medeverdachte 2] houdt het vuurwapen gericht op de raamopening om 03.01.45 uur;

  • -

    [medeverdachte 2] klimt achter [medeverdachte 1] aan de woning binnen door het raam om 03.01.49 uur;

  • -

    de vrouw schreeuwt nog, maar ook een mannelijk stem is hoorbaar vanaf 03.01.49 uur, gevolgd door een andere mannelijke stem: “bek houden, bek houden” om 03.01.53 uur;

  • -

    om 03.01.57 is ook een knal hoorbaar;

  • -

    een mannelijke stem schreeuwt: “what the fuck!” om 03.02.03 uur;

  • -

    een harde knal (vermoedelijk een schot) klinkt om 03.02.04 uur;

  • -

    een man zegt: “kom, kom, kom!” om 03.02.06 uur;

  • -

    [medeverdachte 2] klimt door het raam naar buiten om 03.02.10 uur;

  • -

    [medeverdachte 1] klimt door het raam naar buiten om 03.02.13 uur.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn binnengedrongen in de woning, nadat [medeverdachte 1] het slaapkamerraam met een stoeprand had ingeslagen. Eenmaal in de woning binnengedrongen, heeft [medeverdachte 2] geroepen: “bek houden, bek houden”.24

Het betreft een kleine slaapkamer met weinig bewegingsruimte25. [naam vriendin slachtoffer] heeft verklaard dat zij en [slachtoffer] daar lagen te slapen. [slachtoffer] sliep aan de raamzijde van het bed. Toen het raam werd gebroken is hij naar de deur van de kamer (richting de gang) gelopen. [naam vriendin slachtoffer] heeft twee mannen via het raam naar binnen zien komen. Meteen heeft een van deze mannen haar geduwd en is zij op de grond naast het bed gevallen. Deze man is de hele tijd bij het raam blijven staan. De andere man is in een worsteling met [slachtoffer] terecht gekomen. Het leek alsof [slachtoffer] de overhand ging krijgen. [slachtoffer] heeft “Awhh, ahhhh, waaaaaahhh” geroepen. Toen heeft de man, die met hem aan het worstelen was, gezegd: “Kom, kom, kom”. Daarop zijn beide mannen gelijk vertrokken. Nadat zij naar buiten zijn gegaan door het raam, is [slachtoffer] naar het raam gelopen en daar in elkaar gezakt, aldus nog steeds [naam vriendin slachtoffer] .26

[medeverdachte 2] heeft verklaard te hebben gezien dat [medeverdachte 1] in gevecht is geraakt met [slachtoffer] . [medeverdachte 2] heeft gezegd: “Wat moet je dan doen? Ik wilde een waarschuwingsschot lossen maar dan komt ineens het slachtoffer, [slachtoffer] , op je afgestormd en dan gaat het mis…”27

Ook heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij een vinger om de trekker had en dat hij geen tijd meer had om [slachtoffer] met de kolf van het wapen te slaan.28

[medeverdachte 2] heeft als verdachte nog in zijn eigen zaak en als getuige in de zaak [medeverdachte 1] verklaard dat hij weet dat een vuurwapen kan afgaan maar dat hij daar niet over heeft nagedacht.29 [medeverdachte 2] verklaarde op de zitting nog dat hij zijn verantwoordelijkheid wil nemen; het is wat het is.30

Buurtbewoners hebben die nacht van 8 februari 2017 om 03.04 uur 112 de politie gebeld.31 Zes minuten later is de politie ter plaatse. [slachtoffer] lag toen gewond op de slaapkamervloer. Kort hierna is ambulancepersoneel gearriveerd. Ondanks hulpverlening is [slachtoffer] omstreeks 03:43 uur overleden32.

Het lichaam van [slachtoffer] is door een patholoog van het NFI onderzocht. Bij dat onderzoek bleek dat sprake was van een inschotverwonding met een hagelpatroon. Het intreden van de dood wordt zonder meer verklaard door een inschot hoog aan de buik, 123 cm boven de voetzool van [slachtoffer] . 33 Het schotkanaal verloopt rugwaarts en voetwaarts naar achteren 34, oftewel de kogel is afgevuurd op de voorzijde van [slachtoffer] . Ook bleek dat behalve hagelkorrels, de schotel, twee schijfjes en een prop van het hagelpatroon in het lichaam van [slachtoffer] zaten. Dat betekent dat de afstand tussen de loop van het vuurwapen en het lichaam van [slachtoffer] , op het moment dat het schot afging, zeer kort is geweest35.

Tussenconclusie II:

De rechtbank stelt aan de hand van de bewijsmiddelen vast dat [medeverdachte 1] een ruit van het slaapkamerraam heeft verbroken, terwijl [medeverdachte 2] klaar stond met een vuurwapen gericht recht naar voren. [medeverdachte 1] is als eerste door dit raam de woning binnengegaan, vrijwel onmiddellijk gevolgd door [medeverdachte 2] .

In de woning is [medeverdachte 1] in gevecht geraakt met [slachtoffer] . [medeverdachte 2] heeft binnen eerst bij het raam gestaan. Daarna heeft hij met zijn vuurwapen, geladen met hagel, geschoten. [slachtoffer] is in zijn borst geraakt. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn door het raam gevlucht. Korte tijd later is [slachtoffer] als gevolg van zijn schotverwonding overleden.

Na het wegbrengen van [medeverdachte 2]

Uit de historische telefoongegevens van [verdachte] en [medeverdachte 3] blijkt dat zij nadat zij [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 1] in Geleen hebben afgezet, niet direct naar Maastricht zijn gereden, maar in de buurt zijn gebleven. Om 3.11 uur is de telefoon van [verdachte] nog in de buurt van Stein, niet ver van Geleen. De telefoon van [medeverdachte 3] is om 3.21 uur weer in Maastricht en is daar om 3.45 uur ook.36

In Geleen zei [verdachte] volgens [medeverdachte 3] “misschien dat we deze jongen (naar de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) later nog moeten ophalen”. 37 [medeverdachte 3] verklaart dat ze in Maastricht nog een tijdje bij McDonalds hebben gestaan en hebben rondgereden en [verdachte] probeerde met de telefoon van [medeverdachte 3] iemand te bereiken.38 Uit de telefoongegevens blijkt dat met die telefoon de telefoonnummers van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is gebeld. [medeverdachte 3] vroeg [verdachte] of ze [medeverdachte 2] weer moesten ophalen, waarop [verdachte] antwoordde: “ik denk het niet”.39 Daarna heeft [medeverdachte 3] [verdachte] naar zijn huis in Heerlen gebracht40. Hij was nog in Heerlen toen [verdachte] hem berichtte dat hij terug moest komen, omdat ze [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in Maastricht moesten ophalen. Dat is vervolgens ook gebeurd.41 [medeverdachte 1] is bij de woning van [verdachte] afgezet en [medeverdachte 2] in Eygelshoven.42

Tussenconclusie III

De rechtbank stelt aan de hand van de bewijsmiddelen vast dat [verdachte] ten tijde van de overval in de buurt van Geleen (Stein) is gebleven en nadien zelf actief geprobeerd heeft contact te krijgen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Uiteindelijk hebben hij en [medeverdachte 3] [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opgehaald in Maastricht en hem weer naar huis gebracht.

3.3.3

Overwegingen over de selectie van het bewijsmateriaal

De verdachten in deze zaak ( [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] ) hebben allemaal een eigen lezing gegeven van wat er in de avond van 7 en de nacht van 8 februari 2017 gebeurd zou zijn. Die lezingen zijn onderling nogal eens verschillend en soms tegenstrijdig. Verschillende lezingen dus. Dat dwingt tot het maken van keuzes. Zonder nadere motivering zou de keuze voor het verhaal van de ene verdachte boven dat van de andere verdachte immers neerkomen op cherrypicking: een selectie van het bewijsmateriaal waarbij alleen die onderdelen gebruikt worden die ‘passen’. Dat is niet wat de rechtbank wil.

De rechtbank zal in de navolgende overwegingen daarom aangeven hoe zij tot de selectie van het hiervoor weergegeven bewijsmateriaal is gekomen.

Aangenomen mag worden dat de verdachten zelf allemaal een belang hebben om hun eigen aandeel zo klein mogelijk te maken. Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verschillende lezingen heeft de rechtbank daarom aansluiting gezocht bij objectieve bewijsmiddelen. Bewijs dat niet afkomstig is van één van deze verdachten. Het gaat dan om:

- de camerabeelden (met geluid) van de beveiligingscamera in de woning van [slachtoffer] ,

- het forensisch- en pathologisch onderzoek,

- de historische telefoongegevens die zijn opgevraagd van de telefoons die de verdachten op 7 en 8 februari 2017 hebben gebruikt.

Verder heeft de rechtbank gekeken naar een aantal getuigenverklaringen van min of meer ‘objectieve’ personen. Dat wil zeggen mensen van wie de rechtbank niet inziet dat die een belang zouden hebben om anders te verklaren dan hetgeen zij daadwerkelijk gezien of gehoord hebben. Te denken valt dan aan de buren van [slachtoffer] .

Maar ook de allereerste verklaring van [naam vriendin slachtoffer] , die direct in de nacht van 8 februari 2017 om 04.25uur is afgelegd, vindt de rechtbank een betrouwbare weergave van wat er gebeurd is. In dit verband moet het volgende worden opgemerkt. Het dossier in deze zaak roept bij de rechtbank wel vraagtekens op als het gaat om de rol die [naam vriendin slachtoffer] heeft gespeeld. Zij kende [medeverdachte 1] . Zij had jaren een relatie gehad met de broer van [medeverdachte 1] . In de week voorafgaand aan de overval heeft zij veel contact met [medeverdachte 1] gehad. Ook op de dag zelf. De avond van de overval heeft zij nota bene nog met [medeverdachte 1] gegeten. Een aantal telefonische contacten die zij die avond met [medeverdachte 1] heeft gehad, heeft zij gewist uit haar telefoon. Zij heeft zelf verklaard dat zij met [medeverdachte 1] gesproken heeft over [slachtoffer] en over zijn shisha lounge. Dat zou het vermoeden kunnen doen rijzen dat zij, bewust of onbewust, informatie over [slachtoffer] heeft verschaft aan [medeverdachte 1] . Informatie die vervolgens gebruikt is door [medeverdachte 1] om [slachtoffer] te overvallen.

Dat alles neemt echter niet weg dat zij vrijwel direct na de overval, namelijk om 04.25uur, een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd over wat er gebeurd is in de woning. Daarbij geeft zij aan dat ze alles goed heeft gezien en alles nog goed weet. Pas in haar latere verklaringen van 18 februari 2017 en 20 maart 2017 en met name bij de rechter-commissaris op 24 januari 2018 geeft zij aan dat zij het “niet meer goed weet” en zelfs dat zij niets heeft kunnen zien omdat zij de hele tijd met een kussen voor haar gezicht zou hebben gezeten. Uit het dossier kan worden afgeleid dat zij dan inmiddels met [medeverdachte 1] gesproken heeft. En dat zij dan inmiddels weer contact heeft met de broer van [medeverdachte 1] , haar ex-vriend [naam broer medeverdachte 1] . Het lijkt alsof zij de relatie met hem wil herstellen. De rechtbank kan dan ook niet uitsluiten dat zij in haar latere verklaringen probeert [medeverdachte 1] uit de wind te houden. De rechtbank vindt niet aannemelijk dat zij in de nacht van 8 februari 2018 om 4.25 uur, toen haar vriend net was overleden en zij bij wijze van spreken nog trillend op haar benen stond, een verklaring heeft verzonnen. De rechtbank zal daarom die verklaring als bewijsmiddel gebruiken.

Toetsen van het bewijsmateriaal aan de ‘objectieve’ gegevens

De rechtbank heeft de lezingen van de verdachten over de gebeurtenissen op 7 en 8 februari 2017, over waar zij wanneer en met wie waren en wat er precies in de woning van [slachtoffer] is gebeurd, vergeleken met deze ‘objectieve’ gegevens.

Het uitgangspunt dat de rechtbank hanteert bij die vergelijking is het volgende. Voor zover de lezing van één van de verdachten steun vindt in deze gegevens is dat een omstandigheid die de betrouwbaarheid van die lezing ten goede komt. Is dat niet het geval, dan doet dat aan de betrouwbaarheid van de lezing af.

Voor zover het gaat om wat er gebeurd is in de avond van 7 februari 2017 (door de rechtbank ook wel aangeduid als het ‘voortraject’) en ná de overval vanaf 3.00 uur (het zogenaamde ‘natraject’) heeft de rechtbank vooral aansluiting gezocht bij de historische verkeersgegevens van de telefoons van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] . Vergelijking van die gegevens met de lezing van de verdachten levert dan het volgende beeld op:

  • -

    De lezing van [medeverdachte 3] komt vrijwel geheel overeen met hetgeen uit die gegevens blijkt. Het gaat dan in het bijzonder om de tijden zoals die blijken uit de telefoongegevens en de plaatsbepalingen van die telefoongegevens in vergelijk met de door [medeverdachte 3] aangegeven tijdsaanduidingen en afgelegde autoritten. De rechtbank zal zijn verklaring dan ook voor het bewijs gebruiken, maar ook bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de andere lezingen betrekken. Daarbij heeft de rechtbank ook gekeken naar de tijdstippen waarop [medeverdachte 3] heeft verklaard. Zo heeft hij al vrijwel direct na zijn aanhouding bij de rechter-commissaris op 24 maart 2017 verteld over details die te maken hadden met [medeverdachte 2] , terwijl [medeverdachte 2] toen nog niet eens was aangehouden.

  • -

    De lezing van [verdachte] , vastgelegd in een summiere schriftelijke verklaring die [verdachte] drie maanden na zijn aanhouding heeft opgeschreven, laat zich niet of nauwelijks verifiëren. Voor zover dat wel kan, blijkt die lezing op meerdere punten niet overeen te komen met de telefoongegevens. [verdachte] zegt bijvoorbeeld aan het einde van de middag samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] als chauffeur een ‘voorverkenning’ te hebben gedaan bij de woning van [slachtoffer] in Geleen. Uit de gegevens van de telefoons van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [verdachte] zelf, alsmede de verklaring van [medeverdachte 3] , blijkt veeleer dat deze ‘voorverkenning’ heeft plaats gevonden tussen de tijdstippen 21.50 uur en 23.43 uur. Om 21.50 uur én om 23.43 uur bevinden de telefoons van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zich in Maastricht-Noord, terwijl de telefoon van [verdachte] om 21.50 uur en 00.39 uur zich eveneens in Maastricht-Noord bevindt. In de tussenliggende periode (dus zo’n kleine twee uur) zijn geen gegevens van die telefoons bekend geworden, zodat aangenomen kan worden dat die telefoons uit stonden. Hoogstwaarschijnlijk hebben zij toen met zijn drieën de voorverkenning in Geleen gedaan. [medeverdachte 3] én [medeverdachte 1] verklaren dit en gelet op de tijd die ermee gemoeid is om van Maastricht naar Geleen te rijden en weer terug is er, gezien de telefonische gegevens van de verdachten eigenlijk ook geen ander moment denkbaar dat die voorverkenning heeft plaatsgevonden. [verdachte] heeft desgevraagd echter geen verklaring gegeven voor wat hij heeft gedaan tussen 21.50 en 23.43 uur.

Om 03.11 uur is het toestel van [verdachte] ter hoogte van Stein, kennelijk op weg naar Maastricht. Dit terwijl [verdachte] heeft verklaard dat hij toen alweer terug in Maastricht was. Stein ligt aanzienlijk dichter bij Geleen dan bij Maastricht. Tussen 03.00 uur en 04.00 uur is door [verdachte] met de telefoon van [medeverdachte 3] in Maastricht-Noord gebeld naar een taxi en naar een nummer dat is opgeslagen als “ [naam] ”. [verdachte] heeft ter zitting aangegeven dat dit waarschijnlijk ook een taxi was. Ook is in die tijd en vanaf die plek met het toestel van [medeverdachte 3] tweemaal contact gezocht met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [verdachte] heeft hierover niks verklaard of willen verklaren, terwijl het gegeven dat [verdachte] ná de overval actief contact zocht met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een omstandigheid is die wel vraagt om uitleg. Zeker gelet op het standpunt van [verdachte] dat hij bang was voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en het liefst niets met hen te maken wilde hebben. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring van [verdachte] over wat er die avond en nacht is gebeurd onvoldoende betrouwbaar is.

- De lezing van [medeverdachte 1] over wat er die avond en nacht in het voortraject is gebeurd, komt redelijk overeen met de historische verkeersgegevens en de verklaring en telefoongegevens van [medeverdachte 3] . Dit deel van de lezing van [medeverdachte 1] lijkt dan ook voldoende betrouwbaar.

- De lezing van [medeverdachte 2] over wat er voor de overval is gebeurd kan kloppen wanneer die wordt vergeleken met zijn telefoongegevens. Dit deel van zijn lezing lijkt dan ook betrouwbaar.

Voor zover het gaat om wat er rondom en in de woning van [slachtoffer] is gebeurd, heeft de rechtbank de lezingen van de verdachten vergeleken met de opnames van de beveiligingscamera. Dat zijn de beelden die op de zitting zijn afgespeeld. De rechtbank hecht als gezegd hier ook waarde aan de allereerste verklaring van [naam vriendin slachtoffer] en de verklaringen van de buren.

Dit levert het volgende beeld op:

  • -

    De lezing van [medeverdachte 2] dat hij als tweede met een groot wapen de woning van [slachtoffer] is binnengegaan en, nadat het schot gevallen was, als eerste naar buiten kwam, wordt bevestigd door de camerabeelden. Zijn verklaring dat hij binnen in de slaapkamer bij het raam heeft gestaan, terwijl [medeverdachte 1] in gevecht was met [slachtoffer] en deze laatste de overhand kreeg, stemt overeen met de verklaring van [naam vriendin slachtoffer] . Maar dat hij eerste een tijdje buiten heeft gestaan en pas naar binnen is gegaan toen [slachtoffer] in het gevecht met [medeverdachte 1] de overhand kreeg, komt daarmee niet overeen. [naam vriendin slachtoffer] zag meteen na de klap twee mannen de slaapkamer binnen komen via het raam dat stuk was. Ook op de camerabeelden is door de rechtbank waargenomen dat [medeverdachte 1] eerst naar binnen klimt, vrijwel meteen gevolgd door [medeverdachte 2] .

  • -

    De lezing van [medeverdachte 1] dat hij een ruit kapot heeft geslagen, als eerste naar binnen ging, en als laatste de woning via het raam verliet, komt overeen met de camerabeelden en de verklaring van [naam vriendin slachtoffer] . Dat [medeverdachte 1] na binnenkomst meteen in gevecht raakte met [slachtoffer] wordt door de verklaring van [naam vriendin slachtoffer] bevestigd.

  • -

    Uit de verklaringen van de genoemde buren valt af te leiden dat zij twee in het zwart geklede en van bivakmutsen voorziene mannen hebben zien lopen. Een van die twee hield een shotgun vast. Twee van de drie buren menen meerdere schoten te hebben gehoord. De verklaringen van de buren komen, met uitzondering van het aantal schoten, overeen met de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Overigens is op de camerabeelden vlak voor het schot (om 03.01.57 uur) een harde knal te horen. De rechtbank kan zich voorstellen dat de buren dit geluid (ook) als een schot hebben geduid.

De rechtbank heeft op basis van al het voorgaande geoordeeld dat de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en niet van die van [verdachte] voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

Daarbij dient nog wel het volgende opgemerkt te worden. Want waar de rechtbank geloof hecht aan de verklaring van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als het gaat om de avond en nacht tot 3.00 uur, doet zij dat nadrukkelijk niet als het gaat om wat zich ná de woningoverval en het dodelijke schot heeft afgespeeld. De lezingen die [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] hierover hebben gegeven roepen stuk voor stuk de nodige vraagtekens op. Geen van de verdachten heeft bijvoorbeeld een aannemelijke verklaring kunnen geven voor het feit dat er vanuit Geleen weer terug naar Maastricht werd gereden. Wat moesten ze daar? En waarom hebben ze daar meerdere uren doorgebracht? Ze waren pas tussen 6.00 en 7.00 uur ’s ochtends weer thuis. De lezing van [medeverdachte 2] dat hij met [medeverdachte 1] midden in de nacht in Maastricht bij verschillende bekenden van [medeverdachte 1] heeft aangebeld, met de bedoeling om zich om te kleden, gelooft de rechtbank niet. De lezing van [medeverdachte 1] dat hij is doorgereden naar België, daar de vluchtauto heeft achtergelaten, zijn kleding heeft verbrand en in zijn reservekleding en – schoenen (die hij al de hele avond in een plastic tasje bij zich droeg) deels achterop een voorbij komende scooter en deels lopend terug gegaan is naar Maastricht, waar hij toevallig [medeverdachte 2] weer tegen kwam, gelooft de rechtbank evenmin. Dat geldt ook voor de lezing van [verdachte] : waarom ging hij vanuit Geleen naar Maastricht, terwijl hij in Heerlen woont? En dan zijn er nog de mysterieuze telefoontjes door [verdachte] naar [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de twee taxi’s.

De meeste telefoons lijken te hebben uitgestaan in deze periode.


Dit gegeven, in combinatie met de ongeloofwaardige verklaringen van [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , maakt dat de rechtbank ervanuit gaat dat alle verdachten bewust willen verhullen wat zich in deze periode heeft afgespeeld, wat er met het wapen is gebeurd waarmee [slachtoffer] is gedood en waar de vluchtauto is gebleven. Hoewel dat voor de bewezenverklaring op zich niet van belang is, zal de rechtbank daar in de strafmotivering op terug komen.

Intermezzo:

Om vast te stellen wat het aandeel van [verdachte] is geweest en hoe dat juridisch moet worden gekwalificeerd, is het nodig eerst iets te zeggen over de betrokkenheid en de juridische kwalificatie van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

3.3.4

Opzet op de dood en de rol van [medeverdachte 2]

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met [slachtoffer] heeft gevochten. Opgeven was volgens hem geen optie, hij kwam voor het geld. 43

is toen hij de slaapkamer binnen kwam, bij het raam blijven staan en heeft gezien dat [medeverdachte 1] in gevecht is geraakt met [slachtoffer] . Ter terechtzitting heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij op het moment dat het schot is gelost, naar achter stapte en struikelde, terwijl hij de loop van het wapen naar beneden of recht naar voren richtte, in ieder geval niet naar boven44.

De rechtbank gelooft wel dat [medeverdachte 2] geschoten heeft op het moment dat [slachtoffer] op hem

afkwam, of in ieder geval in zijn richting gekeerd stond. Dit past inderdaad bij de richting van het schot. Kennelijk stond [slachtoffer] toen enigszins voorovergebogen en wat lager dan [medeverdachte 2] . Waarschijnlijk omdat hij toen net in gevecht was geweest met [medeverdachte 1] , een gevecht dat zich, blijkens de verklaring van [naam vriendin slachtoffer] van 8 februari 2017, op het einde zelfs vrijwel op de grond afspeelde.

Dat [medeverdachte 2] toen naar achteren is gestapt en is gestruikeld, gelooft de rechtbank echter niet.

Hier komen de richting en afstand van het schot om de hoek kijken: de afstand tussen het wapen en [slachtoffer] was klein, gezien de aangetroffen resten van het hagelpatroon in het lichaam van [slachtoffer] . De hoogte van de schotopening, het schuine verloop van het schotkanaal (van voren naar achteren) en de korte afstand tussen het wapen en het slachtoffer, duidt naar het oordeel van de rechtbank niet op een beweging waarbij de schutter naar achteren struikelt en de loop van het wapen naar beneden beweegt of recht blijft. Bij een dergelijk struikelen zal de loop van het wapen juist naar boven of naar achteren bewegen met een ander schotkanaal als gevolg.

Maar dat is niet alles. [medeverdachte 1] , noch [naam vriendin slachtoffer] hebben iets verklaard over het struikelen. Nu kan het zijn dat [medeverdachte 1] dit niet heeft gezien (hij was immers nog of net niet meer in gevecht met [slachtoffer] ), maar [naam vriendin slachtoffer] heeft alles goed kunnen zien. Zij vertelt over het gevecht tussen [slachtoffer] en [medeverdachte 1] . Ze lagen beiden op de grond. [naam vriendin slachtoffer] heeft nadrukkelijk niet verklaard dat [medeverdachte 2] op dat moment gestruikeld is of zelfs maar naar achteren is gelopen. .

Bovendien heeft [medeverdachte 2] in zijn verhoor van 19 april 2017 zelf verklaard dat hij een waarschuwingsschot wilde lossen en “dan gaat het mis”. Die verklaring kan de rechtbank niet anders duiden dan dat [medeverdachte 2] bewust geschoten heeft, omdat [slachtoffer] , nadat die zich kennelijk van [medeverdachte 1] had ontdaan, nu op [medeverdachte 2] afkwam.

De rechtbank concludeert op grond van de bewijsmiddelen dus dat [medeverdachte 2] niet per ongeluk, maar bewust het schot heeft gelost dat [slachtoffer] heeft getroffen. Met fatale afloop. Niet verwonderlijk en volstrekt voorzienbaar, gezien de beperkte ruimte in de slaapkamer en de korte afstand tussen het wapen en het latere slachtoffer. Daarmee konden [medeverdachte 1] én [medeverdachte 2] weg komen, niet meer belet of gehinderd door een gevecht met [slachtoffer] .

3.3.5

Voorwaardelijk opzet van [medeverdachte 1]

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het [medeverdachte 1] te doen was om een woningoverval te plegen, waarbij een wapen ter afdreiging werd meegenomen. Niet blijkt dat het voornemen bestond daarbij [slachtoffer] te doden.

Gekwalificeerde doodslag kan ook worden vastgesteld bij degene die zelf niet het bijkomend oogmerk had om het slachtoffer te doden. Als een medepleger voorwaardelijk opzet heeft op de doodslag door een ander, is hij schuldig aan het misdrijf als hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die ander iemand, die op zijn weg kwam, zou doden. Voorwaardelijk opzet dus.

Van voorwaardelijk opzet is sprake als uit die feiten en omstandigheden voortvloeit dat een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.

Zoals hiervoor is overwogen, zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kort na elkaar de woning binnengedrongen met de bedoeling [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van naar schatting van [medeverdachte 1] € 100.000,-. Zij schuwden het gebruik van of de dreiging met geweld niet. [medeverdachte 2] had immers een hagelgeweer meegenomen en [medeverdachte 1] had nog plan B achter de hand, waarbij [slachtoffer] moest worden vast gebonden. Zij mochten erop rekenen dat [slachtoffer] zoveel geld niet zonder weerstand zou prijsgeven en dat er mogelijk geweld, en niet alleen overrompeling of afdreiging, nodig zou zijn om hem zo ver te krijgen. Ook moest [slachtoffer] niet alleen het geld aanwijzen, hij moest ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met dat geld laten vertrekken. Dat [slachtoffer] zich zou verzetten was dus een reële optie.

[medeverdachte 1] en [naam vriendin slachtoffer] kenden elkaar en hadden die week en tot de avond van 7 februari 2017 nog intensief contact met elkaar gehad. [medeverdachte 1] wist van [naam vriendin slachtoffer] dat zij die nacht bij [slachtoffer] was. Complicerende factor was dus dat [naam vriendin slachtoffer] wellicht [medeverdachte 1] aan zijn stem zou herkennen. [medeverdachte 1] kon dus eigenlijk niets zeggen. Dreiging met en in het verlengde daarvan gebruik maken van het wapen was daarmee des te meer noodzakelijk. Onder deze omstandigheden was het gebruik van dat wapen onderdeel van het plan van de verdachten. Het schieten door [medeverdachte 2] kan dan ook worden aangemerkt als begrepen in het plan en begaan in nauwe samenwerking met [medeverdachte 1] . Het dreigen met een hagelgeweer om [slachtoffer] te bewegen tot afgifte van geld of het aanwijzen van de plek waar het geld ligt, een aanzienlijke som, heeft als voorzienbaar gevolg dat [slachtoffer] zich zou verzetten, waardoor gebruik van het wapen nodig was. De uitvoerders van dit plan hebben daarmee de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg van het gebruik van dit wapen zou komen te overlijden.

De rechtbank ziet geen contra-indicaties aanwezig voor het aannemen van voorwaardelijk opzet bij [medeverdachte 1] voor het doodschieten door [medeverdachte 2] van [slachtoffer] .

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 1] voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] . Daarmee is bewezen dat [medeverdachte 1] zich, samen met zijn medepleger [medeverdachte 2] , schuldig heeft gemaakt aan een gekwalificeerde doodslag.

3.3.6

Levert de betrokkenheid van [verdachte] medeplegen of medeplichtigheid op?

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] in de late avond van 7 februari 2017 met [medeverdachte 1] door [medeverdachte 3] vanuit de wijk Oostermaas in Maastricht naar Geleen is gereden. Daar is een zogenoemde ‘voorverkenning’ gehouden, waarbij [medeverdachte 1] aan [verdachte] heeft verteld dat hij iemand wilde overvallen die veel geld had. Ook is erover gesproken of [slachtoffer] een crimineel was en al of niet bewapend was. Daarna heeft [verdachte] vertelde aan [medeverdachte 1] dat hij niet meedeed. [verdachte] zou iemand anders regelen. [medeverdachte 1] zei dat “het die avond zou moeten gebeuren”. [medeverdachte 1] is vervolgens in een auto gestapt, die [verdachte] eerder die avond voor hem had klaargezet en is richting Geleen gereden.

[medeverdachte 2] is omstreeks 01:30 uur door [verdachte] gebeld die hem vertelde dat hij [medeverdachte 2] nodig had. Vervolgens is [medeverdachte 3] door [verdachte] gevraagd om [medeverdachte 2] op te halen in Eygelshoven. In Eygelshoven heeft [verdachte] buiten de auto een kort gesprek met [medeverdachte 2] gevoerd. Vervolgens is [medeverdachte 2] met een sporttas in de auto gestapt. Niet alleen [medeverdachte 3] moet die sporttas hebben gezien, ook [verdachte] . [verdachte] heeft [medeverdachte 2] daarop in de auto van [medeverdachte 3] naar Geleen gebracht, naar de plek waar [medeverdachte 1] wachtte.

[medeverdachte 3] heeft nog gehoord van [verdachte] dat ze [medeverdachte 2] misschien moesten ophalen en is op verzoek van [verdachte] naar Maastricht gereden. Daar is gewacht en heeft [verdachte] nog telefonisch contact gezocht met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Uiteindelijk hebben [medeverdachte 3] en [verdachte] , op verzoek van de [verdachte] zelf, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weggebracht naar Heerlen en Eygelshoven.

Niet aannemelijk is dat uitgerekend [verdachte] , die een strafblad heeft van 28 pagina’s met vooral inbraken en diefstallen, zou terugdeinzen voor een woninginbraak en daarom een ander zou inschakelen. Kennelijk was hij toch niet bereid met [medeverdachte 1] naar binnen te gaan omdat het geen inbraak, maar een overval bleek. Omdat het die avond moest gebeuren ‘moest’ [verdachte] een ander regelen. [verdachte] wilde geen actieve bijdrage leveren aan een overval van een (mogelijke) crimineel die (mogelijk) bewapend zou zijn. Het gebruik van geweld, waaronder het gebruik van een wapen, is nodig om een degelijk persoon in zijn eigen woning van veel geld te beroven. Dat moet [verdachte] heel duidelijk zijn geweest want dit is de reden waarom hij niet mee wilde doen en wel [medeverdachte 2] daartoe bereid vond.

Zowel vóór de woningoverval zelf, met de fatale afloop, als daarna heeft [verdachte] zich beschikbaar gehouden én een actieve bijdrage geleverd. Hij is niet zelf voorzien van een wapen de woning binnengedrongen.

3.3.7

Heeft [verdachte] het wapen geleverd?

De rechtbank heeft vastgesteld dat [medeverdachte 2] met het wapen heeft geschoten. Volgens de officier van justitie heeft [verdachte] dat wapen aan [medeverdachte 2] gegeven. [verdachte] heeft dit zelf ontkend.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het wapen in de bosjes heeft gekregen van [verdachte] . Die verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig.

Om te beginnen is [medeverdachte 2] de enige die dit heeft verklaard. [medeverdachte 1] is daar pas voor het eerst op de zitting over begonnen, daarvoor bij de politie heeft hij er met geen woord over gerept. [medeverdachte 3] heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 24 maart 2017 verklaard45 dat [medeverdachte 2] in Eygelshoven een sporttas bij zich had en deze meenam toen zij naar Geleen reden. Op dat moment had hij nog geen kennis van verklaringen van [medeverdachte 1] of [verdachte] én [medeverdachte 2] was nog niet aangehouden. [medeverdachte 3] heeft bij de politie met zijn handen aangegeven hoe groot deze sporttas ongeveer was, aan de hand daarvan hebben de verbalisanten de lengte geschat op 60 centimeter.46

Ook hierna is [medeverdachte 3] consistent gebleven in zijn verklaringen.

Zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 1] verklaren dat zij zicht hadden op [verdachte] en [medeverdachte 2] nadat deze in Geleen uit de auto waren gestapt en dat [verdachte] vervolgens terug in de auto is gestapt, terwijl [medeverdachte 2] alleen naar [medeverdachte 1] is gelopen. Zij hebben [verdachte] niet met een vuurwapen gezien. De rechtbank ziet niet in dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , in tegenstelling tot [medeverdachte 2] , op dit punt een belang zouden hebben om anders te verklaren dan hetgeen zij daadwerkelijk hebben gezien. [medeverdachte 1] heeft niet uitgelegd waarom hij ter zitting opeens anders verklaarde.

Bovendien heeft [medeverdachte 3] verklaard dat de [bijnaam] (naar de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2] ) bij het uitstappen in Geleen de sporttas heeft mee gepakt en daarmee om de hoek is weggelopen.47

De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat [verdachte] het wapen aan [medeverdachte 2] heeft gegeven.

Op grond van het voorgaande staat vast dat [verdachte] zelf niet heeft willen of durven deelnemen aan een gewapende overval op [slachtoffer] in zijn woning. Hij is afgehaakt en heeft iemand anders, [medeverdachte 2] , voor die klus, een woningoverval, geregeld. Hij heeft [medeverdachte 2] die een sporttas bij zich had, vanaf Eygelshoven gebracht naar de in de bosjes wachtende [medeverdachte 1] bij de woning van [slachtoffer] . Daar is [verdachte] met [medeverdachte 3] weggereden, nog wel in de buurt gebleven, kennelijk om beschikbaar te blijven voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Dat valt eveneens af te leiden uit de latere pogingen van [verdachte] om in Maastricht telefonisch contact te zoeken met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Uiteindelijk heeft hij samen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weer opgehaald uit Maastricht en weggebracht.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen en handelingen onvoldoende zijn voor het aannemen van medeplegen, zoals primair is tenlastegelegd. Voor de gewelddadige overval in de woning op [slachtoffer] zelf, heeft [verdachte] geen uitvoeringshandelingen verricht.

De verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

Wel zijn die gedragingen en handelingen van [verdachte] , zowel voor, tijdens en na de woningoverval voldoende voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid.

3.3.8

Medeplichtigheid aan een gekwalificeerde doodslag?

De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader(s) verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.

De rechtbank neemt aan dat het opzet van [verdachte] niet rechtstreeks op de dood van [slachtoffer] was gericht.

De rechtbank is echter van oordeel dat [verdachte] als medeplichtige wel voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. Zoals hiervoor is overwogen wist [verdachte] dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een gewelddadige woningoverval gingen plegen en heeft hij hiertoe [medeverdachte 2] geregeld en naar [medeverdachte 1] gebracht. Daarmee heeft hij naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij behulpzaam zou zijn bij een gewapende overval waarbij (mogelijk fors) geweld zou worden toegepast, met alle risico's van dien, ook een fatale afloop, bijvoorbeeld de dood van de persoon die overvallen moest worden. Daarbij is mede van belang dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ervan uit gingen dat in de woning een groot geldbedrag (gesproken is over een ‘tonnetje’) aanwezig zou zijn, waardoor de kans op weerstand van de eigenaar van dat geld, mogelijk een crimineel die misschien bewapend was, des te meer te verwachten was. Het verzet van [slachtoffer] was dus een reële optie. Om de overval te laten slagen, was dus nodig die weerstand te breken. Daarmee heeft [verdachte] het (voorwaardelijk) opzet gehad op medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag.

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ook voldaan aan het vereiste dat in het geval dat het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op de gekwalificeerde doodslag, er voldoende verband bestaat met de gewelddadige of gewapende woningoverval waarvan [verdachte] wist en waar zijn opzet als medeplichtige wel op was gericht.

3.3.9

Eindconclusie

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan een gekwalificeerde doodslag. [verdachte] wordt door de rechtbank niet als medepleger gezien maar als medeplichtige aan die gekwalificeerde doodslag.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , op 8 februari 2017 te Geleen, tezamen en in vereniging [slachtoffer] , opzettelijk van het leven hebben beroofd, door met een vuurwapen eenmaal hagelkorrels in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schieten, welke doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten poging tot gekwalificeerde afpersing en/of poging tot gekwalificeerde diefstal, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren, zijnde hij, verdachte, medeplichtig aan voornoemd omschreven misdrijf, immers heeft hij, verdachte, op 8 februari 2017 te Geleen, opzettelijk voornoemde [medeverdachte 2] betrokken bij het vorenomschreven misdrijf en opzettelijk voornoemde [medeverdachte 2] met een motorvoertuig vervoerd of doen vervoeren naar de plaats van het misdrijf en opzettelijk zich beschikbaar gehouden voor voornoemde [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , mochten zij een andere dienst nodig hebben.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplichtigheid aan doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, te weten medeplegen van een gekwalificeerde doodslag, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

De eis van de officier van justitie staat niet in verhouding tot de beperkte rol van [verdachte] . Wat zijn strafblad betreft is [verdachte] ook niet te vergelijken met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Indien medeplichtigheid wordt bewezen, moet voor de strafmaat worden aangesloten bij het delict waarop [verdachte] opzet had, namelijk een woninginbraak, en de omstandigheid dat in geval van een poging de maximumstraf met een derde wordt verlaagd. Verder moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden. [verdachte] heeft een uitgebreid strafblad, maar daarop staan geen recente geweldsmisdrijven. Uit de reclasseringsrapportages blijkt dat hij voldeed aan alle voorwaarden in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis en al geen enkelband meer droeg. [verdachte] heeft sinds zijn schorsing laten zien dat hij op het goede pad is. Door een lange gevangenisstraf zou hij al hetgeen hij heeft opgebouwd, verliezen. Hij woont begeleid, staat onder toezicht van de Reclassering, heeft een gezin en werk. Ook heeft hij op eigen initiatief een intakegesprek gehad bij Radix om te bezien of hij psychologische ondersteuning of training kan krijgen om afstand te nemen van het criminele wereldje.

De raadsman heeft verzocht aan [verdachte] een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van maximaal 3 jaar, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke straf met vergelijkbare voorwaarden als die thans gelden in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

[verdachte] is behulpzaam geweest bij een gewapende woningoverval. Hij wist dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] midden in de nacht een gewelddadige woningoverval gingen plegen in de woning van [slachtoffer] en zijn vriendin [naam vriendin slachtoffer] . Aanvankelijk had [medeverdachte 1] aan [verdachte] gevraagd om mee te doen.

Volgens [medeverdachte 1] zou er in de woning veel geld liggen. [verdachte] wilde of durfde zelf niet mee te doen aan een gewelddadige woning overval, hij was wel bereid om zijn bijdrage daaraan te leveren. Hij wist namelijk wel iemand die dit wél wilde: [medeverdachte 2] . [verdachte] is [medeverdachte 2] midden in de nacht gaan ophalen en heeft hem naar [medeverdachte 1] gebracht. Ook had [verdachte] al eerder op de avond een vluchtauto en een bivakmuts voor [medeverdachte 1] geregeld. Tot slot was [verdachte] (samen met een vriend) de rest van de nacht op afroep beschikbaar om [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] terug naar huis te brengen. Dat is uiteindelijk ook gebeurd.

[verdachte] wist dat bij de overval een wapen gebruikt moest gaan worden, juist vanwege de persoon en de manier waarop het geld afhandig gemaakt moest worden. Het was een reële verwachting dat deze persoon zich niet zomaar 100.000 euro afhandig zou laten maken. [medeverdachte 2] had daarvoor een hagelgeweer bij zich. Uiteindelijk is het helemaal mis gegaan. [slachtoffer] bleek zich inderdaad niet zomaar gewonnen te geven. Er ontstond een gevecht tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer] . [medeverdachte 2] heeft toen een schot gelost op [slachtoffer] om te kunnen vluchten met [medeverdachte 1] . Zij hebben [slachtoffer] zwaar gewond achtergelaten. Zijn laatste momenten moeten onwerkelijk, pijnlijk en angstig zijn geweest. Beseffend dat hij zou sterven, heeft hij [naam vriendin slachtoffer] gevraagd zijn ouders te bellen.

[verdachte] heeft weliswaar niet zelf meegedaan aan de overval, hij is wel behulpzaam geweest bij die overval. Zonder vervoer, vluchtauto en vermomming én zonder [medeverdachte 2] die wél mee naar binnen wilde of durfde, was het voor [medeverdachte 1] lastig geweest de overval die nacht op deze wijze uit te voeren. [verdachte] heeft met zijn activiteiten vóór, tijdens en na de overval een wezenlijke bijdrage geleverd aan deze poging tot een gewelddadige overval met de fatale afloop. De dood van [slachtoffer] was een risico dat genomen is door de wijze waarop alle betrokkenen deze overval hebben gepland, uitgevoerd en aan mee geholpen.

Iemand doden is onomkeerbaar. Dieper ingrijpen in iemands leven door dat te beëindigen, is niet mogelijk. De dood van een 29- jarige in de kracht van zijn leven is altijd tragisch, maar de dood van [slachtoffer] door toedoen van mensen die alleen maar uit waren op zijn geld is onbeschrijfelijk pijnlijk, zinloos en respectloos. Aan zijn naaste familie brengt het onpeilbaar leed toe. De familie van [slachtoffer] heeft op de zitting aangegeven hoe hun leven sinds 8 februari 2017 is veranderd. Hoe zij [slachtoffer] missen. Hoe zij dag in, dag uit geconfronteerd worden met het verlies en de pijn die zijn dood achterlaat. Zijn moeder beschrijft de zware donkere dagen die haar zeer zwaar vallen. Zijn beide ouders verlangen intens naar het weerzien met hun zoon. Voor de broer van [slachtoffer] geldt daarnaast nog dat hij ernstig getraumatiseerd is geraakt doordat hij er ongewild getuige van heeft moeten zijn dat zijn broer niet meer kon worden gereanimeerd en stierf. Dat trauma beïnvloedt zijn leven dusdanig dat hij tot op de dag van vandaag niet normaal kan functioneren. Hij kent veel verdriet en onmacht en ervaart de gevolgen in zijn werk en gezinssituatie.

Ook [naam vriendin slachtoffer] heeft aangegeven dat zij angstaanvallen, herbelevingen en slaapproblemen heeft door de gebeurtenissen.

Een dodelijke woningoverval als deze brengt ook in de rest van de maatschappij ernstige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Juist in je eigen woning moet je je veilig voelen. Dit geldt des te meer nu het feit is gepleegd in het holst van de nacht, toen veel medebewoners van het appartementencomplex lagen te slapen. In het dossier zitten vele verklaringen van buren die zijn opgeschrikt door het ingooien van de ruit en het schot en de overvallers hebben zien wegrennen met een vuurwapen.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving enkel kan worden volstaan met het opleggen van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ook uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij is een lange gevangenisstraf op zijn plaats.

Een gekwalificeerde doodslag behoort tot de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht. De wetgever heeft de buitengewone ernst van dit feit tot uitdrukking gebracht door daarop levenslange gevangenisstraf als strafmaximum te stellen. Het feit wordt daardoor wat betreft strafmaat gelijkgesteld aan moord. In het geval van [verdachte] is sprake van medeplichtigheid, daarom dient volgens de wet te worden uitgegaan van een maximumstraf voor de duur van 20 jaren.

Voor feiten als deze zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten. De rechtbank heeft gekeken naar uitspraken die in Nederland in soortgelijke zaken zijn gedaan. Daarbij moet worden gezegd dat deze zaken zich in het algemeen moeilijk laten vergelijken. Uit jurisprudentie-onderzoek is gebleken dat meestal een gevangenisstraf van tussen 15 en 18 jaren wordt opgelegd48, wanneer er één slachtoffer is te betreuren en de dader volledig toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank vindt in dit geval echter een hogere straf op zijn plaats.

Dat heeft alles te maken het feit dat [verdachte] een uitvoerig strafblad heeft. Eerder werd al melding gemaakt van de 28 pagina’s vol woninginbraken en diefstallen. Op het moment dat [verdachte] besloot mee te doen aan deze woningoverval liep hij in de proeftijd van een vervroegde invrijheidsstelling (V.I.). er hingen hem 467 dagen boven zijn hoofd! Formeel was die V.I. pas op 31 januari 2017 ingegaan. Een week later liet [verdachte] zijn goede voornemens kennelijk al weer varen en heeft hij meegedaan met een gewapende overval. Dat roept de vraag op wat er nodig is om [verdachte] ervan te weerhouden strafbare feiten te plegen.

De reclasseringsrapporten zijn hierin enigszins dubbel. Enerzijds wordt er gesteld dat het met [verdachte] in de periode voorafgaande aan de woningoverval – [verdachte] was toen feitelijk al enkele maanden vrij - redelijk goed leek te lukken om uit het criminele circuit te komen. Ook tijdens zijn schorsing, nu ruim drie maanden, weet [verdachte] op het rechte pad te blijven. Toch signaleert de reclassering ook dat [verdachte] zich na zijn laatste detentie vrij snel opnieuw met verkeerde personen heeft ingelaten. Hij kende zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] van zijn laatste detentie. Hij lijkt ondoordacht te hebben gehandeld, heeft een negatief sociaal netwerk en neemt slechts beperkt verantwoordelijkheid voor zijn aandeel in deze zaak. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.

De rechtbank heeft alles bijeengenomen onvoldoende feiten of omstandigheden gezien of gehoord die in het voordeel van [verdachte] meewegen. Dat de huidige schorsing (op het moment van het vonnis zo’n 3 maanden) goed verloopt, is geen omstandigheid waar de rechtbank in strafverminderende zin rekening mee houdt. De huidige schorsing is pas kort bezig. [verdachte] heeft in het recente verleden laten zien dat voorwaardelijke straffen, al dan niet in de vorm van een V.I., voor hem geen reden zijn om af te zien van strafbare feiten. Nadat hij had gehoord dat de overval waaraan hij had meegeholpen zo fataal was afgelopen, is hij ook niet naar de politie gegaan. Na zijn aanhouding heeft [verdachte] slechts summier willen verklaren. Op punten heeft hij aantoonbaar onwaarheden verteld en hij heeft, bijvoorbeeld als het gaat om de vraag wat er met het wapen is gebeurd, geen openheid van zaken gegeven.

Pas op de zitting heeft [verdachte] spijt betuigd richting de slachtoffers. Dat is natuurlijk rijkelijk laat. Hij heeft niets ondernomen om het aangedane leed te verzachten.

Gelet op de bandbreedte die eerder genoemd is, de rol die [verdachte] gehad heeft bij deze overval – weliswaar niet van medepleger, maar toch een niet onaanzienlijke -, het gebrek aan openheid over wat er precies gebeurd is en, niet in de laatste plaats, de recidive van deze verdachte, die nog maar enkele dagen officieel uit de gevangenis was ontslagen, toen hij dit feit pleegde, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

Benadeelde partij [naam broer slachtoffer]

De benadeelde partij [naam broer slachtoffer] , vertegenwoordigd door mr. M.E.C. Breij, advocaat, vordert ter zake het tenlastegelegde feit een schadevergoeding voor het volgende:

  • -

    reiskosten naar de psycholoog en naar de advocaat ter hoogte van € 273,00;

  • -

    verlies aan arbeidsvermogen van in totaal € 15.000,00 bestaande uit:

o extra ingekochte verlofdagen ter hoogte van € 1.1441,15;

o onbetaald verlof ter hoogte van € 320,55;

o verlies bij de verkoop van de shisha lounge van de benadeelde partij, geen bedrag gespecificeerd;

o misgelopen inkomsten door verkoop van de shisha lounge ter hoogte van € 1.500,00 per maand;

  • -

    het 8 maanden doorbetalen van een sportabonnement ter hoogte van € 236,00;

  • -

    behandelingen door een psycholoog conform de factuur d.d. 7 februari 2018 ter hoogte van € 2.389,75;

  • -

    de toekomstige behandelingen door een psycholoog conform de offerte d.d. 7 februari 2018 ter hoogte van € 1.784,75;

  • -

    smartengeld ter hoogte van € 22.000,00.

Benadeelde partij [naam vriendin slachtoffer]

De benadeelde partij [naam vriendin slachtoffer] , vertegenwoordigd door mr. L. Bien, advocaat, vordert ter zake het tenlastegelegde feit een schadevergoeding voor het volgende:

  • -

    behandelingen door psycholoog ter hoogte van € 640,00;

  • -

    kosten opgelopen door vertraging van studie ter hoogte van € 2.219,60;

  • -

    opgelopen extra studieschuld ter hoogte van € 12.133,68;

  • -

    gemist inkomen gedurende de duur van één jaar door studievertraging, vermeerderd met 8 procent vakantiegeld, ter hoogte van in totaal € 31.104,00;

  • -

    shockschade ter hoogte van € 40.000,00.

Beide benadeelde partijen vorderen de wettelijke rente over het schadebedrag en de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

Benadeelde partij [naam broer slachtoffer]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde reiskosten naar de psycholoog en naar de advocaat en de post overige kosten geheel voor vergoeding in aanmerking komen.

De officier van justitie stelt met betrekking tot de post verlies van arbeidsvermogen dat de kosten voor ingekocht en onbetaald verlof voldoende aannemelijk en onderbouwd zijn. Ook verlies van verdienvermogen is aannemelijk, maar de mate waarin is moeilijk vast te stellen. De gevorderde post verlies aan arbeidsvermogen dient daarom te worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 5.000,00 en de benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat nader onderzoek op dit punt een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De gevorderde vergoeding wegens immateriële schade, in de vorm van shockschade, ter hoogte van € 22.000,00 is redelijk en billijk en dient volledig te worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande verzoekt de officier van justitie om de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [naam broer slachtoffer] toe te wijzen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Benadeelde partij [naam vriendin slachtoffer]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandelingen door een psycholoog geheel dienen te worden toegewezen, [naam vriendin slachtoffer] hoefde in redelijkheid niet te wachten totdat haar verzekeringsmaatschappij een psycholoog zou vergoeden. Ook de gemaakte extra studiekosten komen geheel in aanmerking voor vergoeding.

De hoogte van de extra studieschuld is moeilijk te bepalen en hangt mede af van de vraag of de kosten van levensonderhoud daarbij behoren te zijn inbegrepen. Nader onderzoek hiernaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en daarom dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van deze post. Datzelfde geldt voor de vordering ten aanzien van de misgelopen inkomsten en vakantiegeld.

De gevorderde shockschade is, gelet op de verschrikkelijke gebeurtenis die [naam vriendin slachtoffer] heeft moeten meemaken, redelijk en billijk en komt volledig voor toewijzing in aanmerking.

De officier van justitie verzoekt om de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de aan [naam vriendin slachtoffer] toe te wijzen vorderingen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van beide vorderingen aangevoerd dat [verdachte] niet medepleger, maar medeplichtige is. Hij ging ervan uit dat het om een inbraak zou gaan. De gevorderde schade houdt daarmee onvoldoende rechtstreeks verband.

Benadeelde partij [naam broer slachtoffer]

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de gevorderde post reiskosten en de post verlies aan arbeidsvermogen, voor zover dit het onbetaald verlof en de extra ingekochte verlofdagen betreft.

Het restant bedrag van de gevorderde € 15.000,00 aan verlies van arbeidsvermogen wordt betwist. De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij zich bij de verkoop van de shisha lounge had kunnen laten begeleiden door belangenbehartigers. Niet is gebleken dat hij daartoe niet in staat was. Ook betwist de raadsman de echtheid van de overgelegde verkoopovereenkomst van de shisha lounge en is alleen een concept van de koopovereenkomst overgelegd. Uit de stukken blijkt niet dat de shisha lounge een goedlopend bedrijf was, dat is geïnvesteerd en verbouwd en evenmin dat de benadeelde partij een extra inkomen van € 1.500,00 per maand uit het bedrijf genoot. Deze posten moeten daarom worden afgewezen.

Het doorlopen van het sportabonnement heeft geen relatie met de door de benadeelde partij gesteld posttraumatische stressstoornis (PTSS) en had bovendien kunnen worden opgezegd.

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij zich pas na ruim vijf maanden heeft gemeld bij een psycholoog. Niet bekend is of [naam broer slachtoffer] voor psychologische ondersteuning is verzekerd. Het enkele intakegesprek kan de conclusie van de psycholoog niet dragen dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld in de vorm van PTSS. De gevorderde kosten voor behandelingen door de psycholoog en het gevorderde smartengeld dienen te worden afgewezen.

Benadeelde partij [naam vriendin slachtoffer]

De raadsman heeft aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd waarom de benadeelde partij niet heeft kunnen wachten op behandeling door een psycholoog die wel was afgedekt door haar verzekering.

Ten aanzien van de studievertraging is te weinig gesteld. Niet blijkt dat zij niet in staat was te studeren. Het gevorderde extra schoolgeld en de aanvullende studielening zijn daarom niet toewijsbaar. Verder is onduidelijk wel deel van de lening is aangewend voor de studie en welk deel voor levensonderhoud.

Het verlies van verdienvermogen gaat uit van vooronderstellingen betreffende afstuderen, het vinden en behouden van een baan en salaris en is niet onderbouwd.

De gevorderde shockschade is niet toewijsbaar omdat niet is gebleken dat bij de benadeelde partij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld. Voorts is het gevorderde bedrag onvoldoende onderbouwd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

[verdachte] is medeplichtig aan de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer] en niet, zoals de raadsman heeft betoogd, aan een inbraak. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat de vorderingen om die reden dienen te worden afgewezen, mist dat verweer dus feitelijke grondslag.

Benadeelde partij [naam broer slachtoffer]

De gevorderde vergoeding voor de reiskosten naar de psycholoog en naar de advocaat van in totaal € 273,00 en de gevorderde vergoeding voor extra ingekochte verlofdagen en het onbetaald verlof, van in totaal € 1.761,70, zijn niet betwist. Deze bedragen zullen worden toegewezen.

De vordering ten aanzien van het verlies van de shisha lounge is gemotiveerd betwist. Om te bepalen of sprake is van verlies bij de verkoop en of sprake is van rechtstreekse schade als gevolg van het strafbaar feit is nader onderzoek noodzakelijk. Naar het oordeel van de rechtbank levert een dergelijk onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding op, reden waarom [naam broer slachtoffer] niet-ontvankelijk zal worden verklaard ten aanzien van deze vordering.

De vordering ten aanzien van misgelopen inkomsten uit de shisha lounge van € 1.500,00 per maand zijn gemotiveerd betwist. Uit de boekhouding en overige overgelegde stukken blijkt onvoldoende welke inkomsten [naam broer slachtoffer] had uit de shisha lounge. Nader onderzoek hiernaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, daarom zal [naam broer slachtoffer] niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van deze vordering.

De gevorderde schade wegens het doorbetalen van een sportabonnent is gemotiveerd betwist. Voorts is de rechtbank van oordeel dat een rechtstreeks verband tussen deze vordering en het strafbaar feit niet, althans onvoldoende, is onderbouwd. De vordering zal daarom worden afgewezen.

De gevorderde vergoeding voor de behandeling van psycholoog Stikvoort van € 2.389,75 is voldoende onderbouwd en niet betwist. Dit bedrag zal worden toegewezen. De vraag of die kosten verzekerbaar zijn of kunnen zijn, ontslaat verdachte niet van zijn aansprakelijkheid

Het gevorderde bedrag voor toekomstige behandelingen door de psycholoog, voorzien van een offerte, komt (nog) niet voor vergoeding in aanmerking omdat niet gebleken is dat deze kosten reeds zijn gemaakt. De rechtbank zal de vordering op dit onderdeel dan ook thans afwijzen. Hierbij merkt de rechtbank op dat, indien de benadeelde partij deze kosten in de toekomst alsnog maakt, hij in zoverre een vordering kan indienen bij de civiele rechter.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor de shockschade oordeelt de rechtbank als volgt.

Onder shockschade wordt geestelijk letsel verstaan dat is veroorzaakt door de directe waarneming van of confrontatie met een ongeval of misdrijf dat een derde overkomt. Dit zal zich met name voordoen als sprake is van een nauwe affectieve band met degene die voor het ongeval of misdrijf is gedood of gewond geraakt. Shockschade valt onder aantasting in de persoon ex artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek en kan daardoor aanspraak geven op vergoeding van immateriële schade. Er moet dan, behoudens uitzonderingen, sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Vast staat dat [naam broer slachtoffer] getuige is geweest van de pogingen zijn zwaargewonde broer te reanimeren. Kort hierna is zijn broer overleden. Later is [naam broer slachtoffer] geconfronteerd met de beelden van een bewakingscamera waarop te zien is hoe [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de woning van het slachtoffer binnen dringen en waarop het fatale schot is te horen. [naam broer slachtoffer] en het slachtoffer hadden een nauwe, affectieve band: niet alleen waren zij broers, ook waren zij samen eigenaar van de shisha lounge.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [naam broer slachtoffer] als gevolg van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo concludeert drs. R.C.P.D. Stikvoort, (trauma)psycholoog N.I.P., in zijn intakeverslag van 4 augustus 2017 . De traumapsycholoog geeft daarbij aan dat [naam broer slachtoffer] op alle dimensies boven de norm scoort. Aan zijn diagnose ligt dus kennelijk een onderzoek en een of meer testen ten grondslag.

Uit een schrijven van Stikvoort van 9 februari 2018 blijkt dat [naam broer slachtoffer] nog steeds behandeling ondergaat voor PTSS.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1, sub b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven voor de toe te kennen immateriële schade bij het verlies van een naaste door moord en doodslag. Op grond hiervan zal de rechtbank de vordering toekennen tot een bedrag van € 10.000,00 en voor het overige afwijzen.

De hiervoor toegewezen vorderingen van [naam broer slachtoffer] zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2017, de datum van de onrechtmatige daad. Tevens zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Benadeelde partij [naam vriendin slachtoffer]

vordert vergoeding van immateriële schade gebaseerd op shockschade.

Doorgaans moet voor een dergelijke vordering worden vastgesteld dat er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Vast staat dat [naam vriendin slachtoffer] gedurende een aantal maanden een relatie had met het slachtoffer en zij regelmatig met hem in zijn woning was. Zo ook in de nacht van de overval. Lagen zij en [slachtoffer] het ene moment nog rustig te slapen, plotseling werd het slaapkamerraam kapot geslagen, drongen er twee overvallers naar binnen en werd voor haar ogen haar vriend neergeschoten. Dit is vanzelfsprekend een voor haar zeer angstaanjagende en schokkende gebeurtenis geweest. Zij heeft zich kort daarna onder behandeling gesteld van een psychologe. In een ongedateerd schrijven van psycholoog drs. Rey-Dols staat vermeld dat [naam vriendin slachtoffer] onder behandeling is geweest voor de gevolgen van het strafbare feit en dat dit een traumatische gebeurtenis betrof waarvan zij veel klachten heeft gehad. Anders dan bij de vordering van [naam broer slachtoffer] , heeft deze psycholoog niet kunnen of mogen vaststellen dat er sprake is van PTSS. Daarbij komt dat er ook andere factoren zijn die haar psychische toestand beïnvloedden. Uit het dossier blijkt dat [naam vriendin slachtoffer] een jonge vrouw is met een problematische jeugd, problematische relaties en die op jonge leeftijd een dochter kreeg. Haar dochtertje werd bovendien uit huis geplaatst.

Ten slotte is de rol van [naam vriendin slachtoffer] in de aanloop naar de overval niet duidelijk. Zij kende één van de overvallers, [medeverdachte 1] , goed en heeft in de dagen en uren voorafgaande aan de overval regelmatig contact met hem gehad. Het dossier bevat aanwijzingen dat zij tijdens die contacten, bewust of onbewust, informatie over [slachtoffer] heeft verschaft aan [medeverdachte 1] .

De rechtbank kan op grond van alle thans beschikbare gegevens niet vast stellen of en in hoeverre er als rechtstreeks gevolg van de overval sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld of daarmee gelijk te stellen schade. Om dat vast te kunnen stellen is nader onderzoek noodzakelijk, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Om deze redenen zal [naam vriendin slachtoffer] niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding.

De gevorderde vergoeding voor de behandeling van de psycholoog van € 640,00 zijn voldoende onderbouwd en niet betwist. Dit bedrag zal worden toegewezen. Ook hier geldt dat de vraag of die kosten verzekerbaar zijn of kunnen zijn, verdachte niet ontslaat van zijn aansprakelijkheid.

De vorderingen ten aanzien van extra kosten opgelopen door studievertraging, de extra studieschuld en de misgelopen inkomsten zijn gemotiveerd betwist. [naam vriendin slachtoffer] beschrijft in de toelichting van dit onderdeel van haar vordering dat zij ruim een jaar niet heeft kunnen studeren. Zij moest ten tijde van de overval nog enkele vakken herkansen en op een buitenlandse stage. Om haar vaste lasten te kunnen betalen heeft zij haar studielening door laten lopen en het bedrag van de lening verhoogd. Gegevens over het verloop van haar studie in deze periode ontbreken. Bewijsstukken zijn niet bijgevoegd.

Uit verslagen van afgeluisterde telefoongesprekken, die zich in het dossier bevinden, kan bovendien worden afgeleid dat [naam vriendin slachtoffer] in de periode kort na de overval aan het werk was in Club [naam club] . Gevraagd naar een toelichting ter zitting, waarom zij wel kon werken, maar niet kon studeren, heeft zij ontkend dat zij in die periode heeft gewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er dan ook teveel onduidelijkheden over de vragen of [naam vriendin slachtoffer] inderdaad niet in staat was te studeren in de periode na en als gevolg van de overval, of zij de studie wel tijdig zou hebben afgerond indien het strafbare feit niet was gepleegd en zo ja, of zij dan een baan had gevonden en tegen welk salaris.

Een nader onderzoek naar deze omstandigheden levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, daarom zal [naam vriendin slachtoffer] niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vorderingen vanwege de studievertraging, de extra studieschuld en de misgelopen inkomsten.

De hiervoor toegewezen vordering van [naam vriendin slachtoffer] zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2017, de datum van de onrechtmatige daad. Tevens zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Alle verdachten worden veroordeeld tot hoofdelijke betaling van de hiervoor vastgestelde bedragen aan schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente. Zij zijn immers allen aansprakelijk voor de gevolgen van dit strafbare feit, waaraan zij als medepleger of als medeplichtige hebben deelgenomen. (ECLI:NL:HR:2012:BX5554).

8 De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

[verdachte] is in het verleden bij verschillende onherroepelijke vonnissen veroordeeld tot de volgende straffen:

  • -

    hechtenis voor de duur van 4 weken, opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de kantonrechter van rechtbank Limburg van 21 februari 2014 onder parketnummer 03-043711-13;

  • -

    hechtenis voor de duur van 1 week, opgelegd bij onherroepelijk arrest van de enkelvoudige kamer van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 22 oktober 2014 onder parketnummer 20-001229-14;

  • -

    gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige kamer van rechtbank Limburg van 4 december 2015 onder parketnummer 03-720111-14;

  • -

    gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, opgelegd bij onherroepelijk arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 27 januari 2014 onder parketnummer 20-001584-12;

  • -

    hechtenis voor de duur van 2 weken, opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de kantonrechter van rechtbank Limburg van 1 maart 2013 onder parketnummer 03-145443-12.

De veroordeelde is, met toepassing van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, op

31 januari 2017 krachtens een besluit van het Openbaar Ministerie van 24 december 2016 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de op 467 dagen bepaalde en op de datum van de invrijheidstelling ingaande proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Het Openbaar Ministerie heeft bij schriftelijke vordering van 18 mei 2017 gevorderd dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroept wegens het niet naleven van de daaraan verbonden algemene voorwaarde.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering niet onverwijld is ingediend zoals artikel 15i, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vereist. De beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling is voorts pas op 19 maart 2017 betekend. De verdediging heeft de beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling en de akte van betekening niet aangetroffen bij de stukken en er is geen afschrift van de vordering aan de raadsman verzonden. Dat is een gebrek ex artikel 15i, lid 5, van het Wetboek van Strafrecht. Het openbaar-ministerie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard, dan wel moet de vordering worden afgewezen.

De stukken omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling van [verdachte] bevinden zich, anders dan de raadsman heeft betoogd, bij de stukken. Volgens artikel 15c lid 1 Sr gaat de proeftijd lopen op de dag van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Voor de werking van de algemene voorwaarde is betekening niet nodig.

Het verweer dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat de vordering moet worden afgewezen, steunt op de opvatting dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in strijd met artikel 15i lid 2 Sr niet ‘onverwijld’ is ingediend, maar pas op 18 mei 2017. Die opvatting is evenwel onjuist. De wet verbindt immers geen rechtsgevolg aan de niet-naleving van voormeld voorschrift, terwijl het in het verweer bedoelde rechtsgevolg ook niet voortvloeit uit de aard van het desbetreffende voorschrift. Dit laat overigens onverlet dat de rechter, mede gelet op het bepaalde in artikel 6 EVRM over de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, andere gevolgtrekkingen kan verbinden aan de omstandigheid dat een vordering laat is ingediend. (vgl. ECLI:NL:HR:2016:177) Nu dat niet is gesteld en evenmin is gebleken, ziet de rechtbank daar geen aanleiding voor.

Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in zijn vordering.

Door het hierboven bewezenverklaarde strafbare feit te plegen, heeft de veroordeelde de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling is verbonden niet nageleefd. Op grond hiervan zal de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling worden toegewezen, zoals door de officier van justitie ter terechtzitting gevorderd.

8.1.

Bevel voorlopige hechtenis.

Bij beslissing van 7 december 2017 heeft de rechtbank het bevel gevangenhouding, de voorlopige hechtenis, van [verdachte] onder voorwaarden geschorst. Het bevel gevangenhouding was laatstelijk verlengd op 4 mei 2017 met als gronden kort gezegd: geschokte rechtsorde en recidivegevaar. Gelet op de uitspraak in deze zaak ziet de rechtbank aanleiding om de eerder verleende schorsing op te heffen, zodat het bevel gevangenhouding weer herleeft. De genoemde gronden zijn ook nu van toepassing.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 48, 49, 287, 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Benadeelde partij [naam broer slachtoffer]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [naam broer slachtoffer], wonende te [woonplaats 1] , toe tot een bedrag van € 14.424,45 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2017 tot de dag der algehele voldoening aan [naam broer slachtoffer] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededader(s) is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [naam broer slachtoffer] voor zover zijn vordering is gericht op het verlies bij de verkoop van de shisha lounge en het verlies aan verdienvermogen niet-ontvankelijk;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader

van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij van € 14.424,45, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 107 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 8 februari 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededader(s) is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen.

Benadeelde partij [naam vriendin slachtoffer]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [naam vriendin slachtoffer], wonende te [woonplaats 2] , toe tot een bedrag van € 640,00 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2017 tot de dag der algehele voldoening aan [naam vriendin slachtoffer] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededader(s) is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [naam vriendin slachtoffer] voor zover haar vordering is gericht op extra studieschuld, extra studievertraging, misgelopen inkomsten en immateriële schade niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij van € 640,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 8 februari 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededader(s) is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

  • -

    wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe;

  • -

    gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog geheel moet worden ondergaan, te weten 467 dagen;

- heft op de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis van 7 december 2017.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter, mr. A.M. Schutte en mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Jussen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 maart 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij. verdachte, op of omstreeks 8 februari 2017 te Geleen, in de gemeente

Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meet anderen, althans

alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een

vuurwapen meermalen, althans eenmaal, hagelkorrels, in elk geval (een)

projectiel(en) in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schieten, tengevolge

waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden en welke doodslag werd gevolgd,

vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten (poging tot)

gekwalificeerde afpersing en/of (poging tot) gekwalificeerde diefstal,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat

feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling met strafoplegging

mocht of zou kunnen leiden, dat

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en), op of omstreeks 8

februari 2017 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] , opzettelijk

van het leven heeft/hebben beroofd, door met een vuurwapen meermalen, althans

eenmaal hagelkorrels in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schieten, welke

doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit,

te weten (poging tot) gekwalificeerde afpersing c.q. (poging tot)

gekwalificeerde diefstal,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat

feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bi] betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren, zijnde hij, verdachte, medeplichtig aan voornoemd omschreven

misdrijf, immers heeft hij, verdachte, op of omstreeks 8 februari 2017 te

Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement

Limburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, opzettelijk voornoemde [medeverdachte 2] betrokken bij, in elk geval

verzocht deel te nemen aan het vorenomschreven misdrijf en/of opzettelijk voornoemde [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of

zijn/hun mededader(s) met een motorvoertuig vervoerd en/of doen vervoeren naar de plaats

van het

misdrijf en/of opzettelijk aan voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een)

ander(en) een vuurwapen verschaft en/of opzettelijk zich beschikbaar gehouden voor

voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , mocht(en) hij/zij een andere dienst nodig hebben;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling met strafoplegging

mocht of zou kunnen leiden, dat

hij, verdachte, op of omstreeks 8 februari 2017 te Geleen, in de gemeente

Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans

alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte

van geld en/of (een) goed(eren), in elk geval van enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] , in elk geval toebehorende aan een

ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of aan zijn, verdachtes,

mededaders, met voornoemd oogmerk een woning gelegen aan de [adres]

is/zijn binnengedrongen en in die woning voornoemde [slachtoffer] meermalen,

althans eenmaal heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of

geschopt en/of meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen hagelkorrels, in

elk geval (een) projectielen in het lichaam van voornoemde [slachtoffer]

heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid, hebbende het vorenomschreven handelen van hem, verdachte en/of zijn,

verdachtes, mededader(s) de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge gehad:

en/of

hij, verdachte, op of omstreeks 8 februari 2017 te Geleen, in

de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen

misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen

geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen

en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde

[slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden,

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, met voornoemd oogmerk een woning gelegen aan de

Beatrixiaan 31 is/zijn binnengedrongen en in die woning voornoemde [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt

en/of geschopt en/of meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen

hagelkorrels, in elk geval (een) projectiel(en) heeft/hebben geschoten in het

lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid, hebbende het vorenomschreven handelen van hem, verdachte en/ot

zijn, verdachtes, mededader(s) de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge gehad:

meest subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling met

strafoplegging mocht of zou kunnen leiden, dat

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en), op of omstreeks 8

februari 2017 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in

vereniging met elkaar, althans ieder voor zich alleen,

ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich of een ander te bevoordelen, door geweld [slachtoffer] te

dwingen tot de afgifte van geld en/of enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval toebehorende aan een ander of

anderen dan aan voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een) ander(en),

met voornoemd oogmerk een woning gelegen aan de [adres] is/zijn

binnengedrongen en in die woning heeft/hebben gevochten met [slachtoffer] en/of met

een vuurwapen heeft/hebben geschoten op voornoemde [slachtoffer] , terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, hebbende voornoemd

handelen de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge gehad,

zijnde hij, verdachte, medeplichtig aan voornoemd omschreven misdrijf, immers heeft hij,

verdachte, op of omstreeks 8 februari 2017 te

Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement

Limburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, opzettelijk voornoemde [medeverdachte 2] betrokken bij, in elk geval

verzocht deel te nemen aan het vorenomschreven misdrijf en/of opzettelijk voornoemde [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of

zijn/hun mededader(s) met een motorvoertuig vervoerd en/of doen vervoeren naar de plaats

van het

misdrijf en/of opzettelijk aan voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een)

ander(en) een vuurwapen verschaft en/of opzettelijk zich beschikbaar gehouden voor

voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , mocht(en) hij/zij een andere dienst nodig hebben;

en/of

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en), op of omstreeks 8

februari 2017 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in

vereniging met elkaar, althans ieder voor zich alleen,

ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of

(een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk

geval toebehorende aan een ander of anderen dan aan voornoemde [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of (een) ander(en),

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen

en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde

[slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden,

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, met voornoemd oogmerk een woning gelegen aan de

[adres] is/zijn binnengedrongen en in die woning heeft/hebben gevochten

met [slachtoffer] en/of met een vuurwapen heeft/hebben geschoten op voornoemde

[slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

hebbende voornoemd handelen de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge gehad,

zijnde hij, verdachte, medeplichtig aan voornoemd omschreven misdrijf, immers heeft hij,

verdachte, op of omstreeks 8 februari 2017 te

Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement

Limburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, opzettelijk voornoemde [medeverdachte 2] betrokken bij, in elk geval

verzocht deel te nemen aan het vorenomschreven misdrijf en/of opzettelijk voornoemde [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of

zijn/hun mededader(s) met een motorvoertuig vervoerd en/of doen vervoeren naar de plaats

van het

misdrijf en/of opzettelijk aan voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een)

ander(en) een vuurwapen verschaft en/of opzettelijk zich beschikbaar gehouden voor

voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , mocht(en) hij/zij een andere dienst nodig hebben.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Team Grootschalige Opsporing (LB), proces-verbaalnummer LBRAB17002 2017021531 (BHV), waarvan de dossier zijn op diverse data, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1607.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 31 maart 2017, p. 396.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 31 maart 2017, p. 398.

4 Verklaring [medeverdachte 1] ter terechtzitting d.d. 20 februari 2017.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 31 maart 2017, p. 398.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 31 maart 2017, p. 399.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 31 maart 2017, p. 399.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 31 maart 2017, p. 400-402.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris d.d. 24 maart 2017, p. 534-535.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 4 april 2017, p. 565-567.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 31 maart 2017, p. 403.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 31 maart 2017, p. 404.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 3 mei 2017, p. 822.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 21 maart 2017, p. 391.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 19 april 2017, p. 813.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 19 april 2017, p. 811.

17 Verklaring [medeverdachte 2] ter terechtzitting d.d. 20 februari 2017 als verdachte en d.d. 22 februari 2017 als getuige in de zaak tegen [medeverdachte 1] .

18 Verklaring [medeverdachte 1] ter terechtzitting d.d. 20 februari 2017.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 31 maart 2017, p. 404.

20 Verklaring [medeverdachte 1] ter terechtzitting d.d. 20 februari 2017.

21 Verklaring [medeverdachte 1] ter terechtzitting d.d. 20 februari 2017.

22 Verklaringen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ter terechtzitting d.d. 22 februari 2017.

23 Waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 22 februari 2017 van de beeld- en geluidsopnamen gemaakt op 8 februari 2017 door de beveiligingscamera gemonteerd in de hal aan het plafond achter het raam van de voordeur van de woning van [slachtoffer] .

24 Waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 22 februari 2017 van de beeld- en geluidsopnamen gemaakt op 8 februari 2017 om 03:01:53 uur door de beveiligingscamera gemonteerd in de hal aan het plafond achter het raam van de voordeur van de woning van [slachtoffer] .

25 Proces-verbaal d.d. 8 juni 2017, bijlage 3, p. 1101A.

26 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam vriendin slachtoffer] d.d. 8 februari 2017, p. 152.

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 19 april 2017, p. 811.

28 Verklaring [medeverdachte 2] ter terechtzitting d.d. 22 februari 2017.

29 Verklaring [medeverdachte 2] ter terechtzitting d.d. 20 februari 2017 als verdachte en d.d. 22 februari 2017 als getuige in de zaak tegen [medeverdachte 1] .

30 Verklaring [medeverdachte 2] ter terechtzitting d.d. 20 februari 2017 als verdachte en d.d. 22 februari 2017 als getuige in de zaak tegen [medeverdachte 1] .

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d.22 februari 2017, p. 133-136.

32 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2017, p. 73.

33 Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet natuurlijke dood door het NFI d.d. 1 mei 2017, p. 1237 en 1238.

34 Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet natuurlijke dood door het NFI d.d. 1 mei 2017, bijlage 1, Uit- en inwendige schouwing, p. 1245.

35 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2017, p. 1115.

36 Proces-verbaal onderzoek Telecommunicatie d.d. 25 juli 2017, p. 283E en 283F.

37 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] van 28 maart 2017, p 547

38 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] bij rechter-commissaris d.d. 24 maart 2017, p. 535.

39 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] d.d. 28 maart 2017, p. 548.

40 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] d.d. 28 maart 2017 p. 549

41 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] d.d. 28 maart 2017 p. 550

42 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] d.d. 28 maart 2017 p. 551

43 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 31 maart 2017, p. 405.

44 Verklaring [medeverdachte 2] ter terechtzitting d.d. 22 februari 2017.

45 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] bij rechter-commissaris d.d. 24 maart 2017, p. 534.

46 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 28 maart 2017. p. 546.

47 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] van 4 april 2017 p 568

48 Rechtbank Limburg, 11-03-2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:2008.