Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:287

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1202
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft eiseres een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van de Meststoffenwet. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat ze binnen de voor haar geldende fosfaatgebruiksnorm is gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7781
JBO 2018/37 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/1202

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2018 in de zaak tussen

[bedrijf], gevestigd in [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: R.J. de Lange),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken (thans de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat), verweerder

(gemachtigden: mrs. M. Leegsma en A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 8.723,-.

Bij besluit van 2 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2017.

Voor eiseres is [naam 1] en haar gemachtigde verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de gebruiksruimte die eiseres in 2014 had en de hoeveelheid meststoffen de zij in dat jaar op haar land heeft gebruikt. Het onderzoek komt voort uit de controle op de randvoorwaarden voor EU-inkomenssteun en/of subsidie voor plattelandsontwikkeling 2014. In het kader van dat onderzoek heeft verweerder eiseres om informatie gevraagd.

2. Mede aan de hand van de van eiseres verkregen informatie, heeft verweerder gecontroleerd of eiseres de wet- en regelgeving van het Mestbeleid naleeft. Verweerder heeft de begin- en eindvoorraad, productie, afvoer en aanvoer van dierlijke mest vastgesteld en aan de hand daarvan berekend hoeveel fosfaat eiseres moet hebben gebruikt en of zij daarmee binnen de voor haar geldende fosfaatgebruiksnorm is gebleven.

3. Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres de fosfaatgebruiksnorm in 2014

heeft overschreden en daarop zijn voornemen, eiseres een bestuurlijke boete op te leggen van € 8.723,-, aan haar kenbaar gemaakt.

4. Eiseres heeft tegen het voornemen een zienswijze ingediend, maar deze heeft verweerder niet op andere gedachten gebracht. Eiseres heeft verweerder er niet van kunnen overtuigen dat ze binnen de voor haar geldende fosfaatgebruiksnorm is gebleven. Daarom heeft verweerder eiseres bij het primaire besluit een bestuurlijke boete opgelegd van

€ 8.723,- wegens handelen in strijd met het verbod meststoffen in of op de bodem te brengen. Verweerder heeft de hoogte van de boete vastgesteld op grond van de overschrijding van de voor eiseres geldende fosfaatgebruiksnorm. Verweerder heeft na heroverweging niet anders beslist.

5. Verweerder heeft bij het vaststellen van de hoeveelheid dierlijke mest, die eiseres in 2014 aanwezig heeft gehad, geen rekening gehouden met de door eiseres opgegeven eindvoorraad dierlijke mest. Verweerder vindt niet aannemelijk dat eiseres die voorraad, bestaande uit zeven van de acht vrachten mest die zij op 9 en 10 april 2014 heeft aangevoerd, in voorraad had in de -van [naam 2] gehuurde- mestopslag. Verweerder gaat er daarom vanuit dat eiseres ook deze vrachten mest heeft aangewend.

5.1

Verweerder vindt de opslag niet aannemelijk, omdat de mest -volgens GPS-gegevens- op zeven verschillende locaties bij percelen van eiseres is gelost. Meer grond daarvoor vindt verweerder in de omstandigheid, dat eiseres al bij de bestelling van de mest wist dat zij de mest pas voor de nateelt zou gaan gebruiken. Het bevreemdt verweerder dan ook dat de mest toch nabij de percelen is gelost. Verweerder ziet ook geen grond om aan te nemen dat de mest na aanvoer met een mestton van de losplaatsen naar de gehuurde mestopslag is gebracht.

5.2

Daarbij spreken de verklaringen, waarom de mest niet meteen naar de gehuurde mestopslag is gereden, zich volgens verweerder tegen. In de zienswijze is aangegeven dat de mestopslag moeilijk bereikbaar is voor grote vrachtwagens en in bezwaar dat deze moeilijk bereikbaar is voor een mestton met injector. Daarbij weet verweerder uit zijn eigen administratie dat de mestopslag vaker door vrachtwagens is bezocht.

5.3

Verweerder vindt ook onaannemelijk dat de mest die eiseres zou hebben opgeslagen, de mest is die op 4 juni 2015 is afgevoerd. De afvoer ziet op 225 ton mest met

1.325 kilogram fosfaat, terwijl eiseres 194 ton mest zou hebben opgeslagen met

756 kilogram fosfaat.

5.4

Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres op 22 juli 2014 een vracht varkensdrijfmest heeft gekregen en dat in augustus 2014 nog tien vrachten varkensmest (gier na mestscheiding) zijn aangevoerd. Deze aanvoer ligt volgens verweerder niet voor de hand als er nog een grote hoeveelheid varkensdrijfmest in de opslag ligt.

5.5

Verweerder vindt het opmerkelijk dat eiseres pas op 27 mei 2015 voorraadgegevens overlegt, terwijl zij dat al op 1 februari 2015 -ruim voor aanvang van het onderzoek- had moeten doen.

6. Eiseres bestrijdt het argument van verweerder dat mestopslag niet voor de hand ligt als er nog mest wordt aangevoerd. Het was voor haar financieel gunstiger de mest in voorraad te houden. Zij heeft daarbij aangehaald dat bepaalde delen van het jaar vergoedingen worden betaald voor het aan- of afvoeren van mest. Het zou dubbel werk zijn geweest de mest uit de opslag te gebruiken en de opslag vervolgens opnieuw te vullen.

7. Eiseres is het er niet mee eens dat de mest die op 4 juni 2015 uit de opslag is gehaald, niet de mest kan zijn geweest die zij op 9 en 10 april 2014 heeft aangevoerd. Omdat een opslag zuigleeg moet worden opgeleverd, blijft er volgens eiseres altijd mest achter in de opslag. Zij stelt dat zij niet kan weten wat in de opslag in de bezinklaag is achtergebleven. Zij stelt ook dat verweerder zich daarom niet op het standpunt kan stellen dat onaannemelijk is dat de mest die uit de opslag is afgevoerd, de mest is die zij op 9 en 10 april 2014 heeft aangevoerd.

8. Eiseres heeft aangegeven dat er bij het afvoeren van de mest nieuwe monsters zijn genomen en dat het haar niet bevreemdt dat de uitkomst van het onderzoek van die monsters verschilt van de uitkomst van de onderzoeken van de monsters van de vrachten van

9 en 10 april 2014. Eiseres ziet vaker verschillende uitkomsten en stelt dat dit regelmatig tot ongewenste situaties leidt. Ze wijst erop dat het algemene praktijk is eerst een gedeelte te bemesten en pas nadat de monsters onderzocht zijn bij te mesten, juist om het aanwenden van te veel meststoffen te voorkomen.

9. Zij betwist nog dat zij in haar zienswijze heeft aangegeven dat de mestopslag die zij heeft gehuurd niet goed te bereiken zou zij met een vrachtwagen.

10. De rechtbank overweegt als volgt.

11. Artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) houdt een algeheel verbod in voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. Als in strijd met het verbod wordt gehandeld, is dat volgens artikel 51 van de Msw een overtreding en mag verweerder de overtreder daarvoor een bestuurlijke boete opleggen. Alleen als binnen de gebruiksnormen wordt gebleven, geldt op grond van artikel 8 van de Msw een ontheffing van dat verbod en is van een overtreding geen sprake.

12. Volgens vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) moet verweerder aantonen dat de overtreding is begaan. Dit betekent dat verweerder de aanwezigheid van mest (door aanvoer of eigen productie) moet aantonen. Als verweerder dat heeft gedaan mag worden aangenomen dat de mest in of op de grond van de betreffende landbouwer is gebracht. Het is dan aan de landbouwer om aannemelijk te maken dat de mest niet in of op zijn grond is gebracht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van

7 september 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:355) als één van de vele uitspraken waarin het CBb uitlegt wie wat moet bewijzen.

13. Verweerder heeft aan de hand van de Vervoersbewijzen Dierlijke Mest -die horen bij de in 2014 bij het bedrijf van eiseres aangevoerde vrachten mest-, AGR/GPS-gegevens en van eiseres verkregen informatie, vastgesteld hoeveel dierlijke mest in 2014 bij het bedrijf van eiseres aanwezig was. Verweerder heeft met deze gegevens de aanwezigheid van de door hem vastgestelde hoeveelheid dierlijke mest aangetoond. Eiseres heeft de vastgestelde hoeveelheid aanwezige dierlijke mest niet betwist.

14. Gelet op de voormelde vaste rechtspraak, mag verweerder dan aannemen dat eiseres de aangevoerde en geproduceerde mest in of op de bodem heeft gebracht, tenzij eiseres aannemelijk maakt dat zij dat niet heeft gedaan.

15. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft te oordelen, dat het standpunt van verweerder, dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 31 december 2014 de door haar opgegeven mestvoorraad nog in voorraad had en dus niet heeft aangewend, een onjuist standpunt is.

De rechtbank overweegt dat niet onaannemelijk is dat het voor eiseres voordelig kan zijn mest op te slaan. Enkel deze stellingname geeft echter onvoldoende grond om te oordelen, dat verweerder het argument, dat het niet voor de hand ligt dat mest wordt aangevoerd als nog mest in opslag is, niet heeft kunnen gebruiken. Eiseres heeft met alleen de stelling niet aannemelijk gemaakt dat zij de mest ook heeft opgeslagen omdat dat voor haar financieel gunstig was. Het had op de weg van eiseres gelegen dit standpunt te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten passeert de rechtbank deze verklaring.

De enkele niet onderbouwde stelling, dat onduidelijk is wat achterblijft in de bezinklaag als een mestsopslag wordt leeggemaakt, geeft onvoldoende grond om te oordelen dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat de mest die eiseres zou hebben opgeslagen, niet de mest is die op 4 juni 2015 is afgevoerd. Aan de aanname die verweerder op grond van hoeveelheden en gehaltes heeft gedaan, wordt daardoor immers geen afbreuk gedaan. Dat het vaker voorkomt dat bemonstering van mest tot verschillende uitkomsten leidt, zegt evenmin dat de afgevoerde mest de mest moet zijn geweest die eiseres in voorraad zou hebben gehad. Ook de ter zitting aangevoerde omstandigheid, dat in een rapport van WUR wordt erkend dat de juiste samenstelling van mest moeilijk is vast te stellen, doet dat niet. Deze verwijzing naar een algemene opvatting, zegt immers niets over de voorraad van eiseres. Bovendien verschilt de afgevoerde mest niet alleen qua gehaltes van de mest die eiseres in voorraad zou hebben gehouden, maar betreft het ook een veel grotere hoeveelheid en heeft eiseres ook voor dat verschil geen (voldoende) verklaring gegeven.

16. Ter zitting is nog aan de orde gesteld dat de huurovereenkomst die eiseres met

[naam 2] heeft afgesloten voor de huur van de mestopslag, aannemelijk maakt dat eiseres de opgegeven voorraad had.

De rechtbank stelt vast dat de overeenkomst onvoldoende specifiek is omdat niet blijkt dat eiseres de mestput onder de veestal heeft gehuurd, zoals zij heeft verklaard. In de overeenkomst staat alleen dat zij een mestopslag voor drijfmest huurt. Ter zitting is gebleken dat de mestput onder de veestal niet de enige mestopslag van [naam 2] is op de locatie van de veestal omdat hij daar ook een mestsilo heeft. De huurovereenkomst maakt dan ook al daarom niet aannemelijk dat eiseres de mestput onder de veestal heeft gehuurd voor mestopslag. Zodoende kan de huurovereenkomst ook geen bewijsstuk zijn om aannemelijk te maken dat eiseres de door haar opgegeven mestvoorraad in voorraad had.

17. Ter zitting is namens eiseres verder nog naar voren gebracht dat het financieel gunstig voor haar was de mest tot bij de losplaatsen te laten aanvoeren en vervolgens met een mestton naar de mestopslag te vervoeren, omdat zo sneller kon worden gewerkt. Daarbij is aangegeven dat de leverancier de mest zelf met een mestton naar de mestopslag heeft vervoerd. Het zou logischer zijn geweest de mest meteen naar de opslag te laten brengen, maar dat kon niet met een mestton met injector waarmee de mest is aangevoerd.

Eiseres heeft echter geen stukken overgelegd die haar verklaring ondersteunen. De verklaring geeft daarom onvoldoende grond om aannemelijk te kunnen achten dat de mest van de losplaatsen naar de mestopslag is vervoerd. Daarbij is de rechtbank gebleken dat eiseres, anders dan zij stelt, in haar zienswijze heeft aangegeven dat de mestopslag die zij heeft gehuurd moeilijk te bereiken is voor een grote vrachtwagen en heeft zij het niet over een mestton met injector.

18. Namens eiseres is daarbij nog aangegeven, dat ze weliswaar geen oproep krijgt om de mestvoorraad die zij heeft, door te geven, maar dat zij desondanks haar voorraad tijdig had moeten doorgeven en dat is vergeten. Ofschoon het zo kan zijn gegaan, is ook hiermee niet gezegd dat eiseres de aangegeven voorraad had. Deze verklaring geeft zonder verdere onderbouwing geen grond om aan te nemen dat zij de voorraad, die zij in het kader van de controle heeft opgegeven, ook daadwerkelijk had.

19. Omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in 2014 binnen de fosfaatgebruiksnorm is gebleven, zoals uit de hiervoor gegeven overwegingen blijkt, was verweerder bevoegd haar een bestuurlijke boete op te leggen voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

20. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden vastgesteld dat eiseres geen verwijt van de overtreding kan worden gemaakt. Verweerder heeft eiseres dan ook een bestuurlijke boete kunnen opleggen.

De rechtbank is voorts niet gebleken van omstandigheden die grond geven voor het oordeel dat de opgelegde boete niet evenredig is.

21. Gelet op de hiervoor gegeven overwegingen slaagt het beroep niet. Het beroep is daarom ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit en daarmee de aan eiseres opgelegde boete van € 8.723,- in stand blijft.

22. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Teeuwissen, voorzitter, mr. K.M.P. Jacobs en

mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 12 januari 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.