Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2842

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
C/03/245956 / JE RK 18-188, C/03/245959 / JE RK 18-189 en C/03/245960 / JE RK 18-190
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling kinderen, motivering ernstige ontwikkelingsbedreiging, ouders die niet meewerken aan het raadsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

Zaakgegevens: C/03/245956 / JE RK 18-188

C/03/245959 / JE RK 18-189

C/03/245960 / JE RK 18-190

Datum uitspraak: 13 februari 2018

Beschikking ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDOOST NEDERLAND, hierna te noemen de raad, gevestigd te Maastricht,

betreffende de minderjarigen

[minderjarige 1], geboren op [2000] te [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 1],

[minderjarige 2] , geboren op [2002] te [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 2], en

[minderjarige 3] , geboren op [2005] te [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 3],

hierna gezamenlijk te noemen de minderjarigen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1], hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats], en

[belanghebbende 2] , hierna te noemen de vader,

wonende op te [woonplaats],

hierna gezamenlijk te noemen de ouders.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit het verzoek met bijlagen van de raad van 26 januari 2018, ingekomen bij de griffie op 31 januari 2018.

Op 12 februari 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Een vertegenwoordigster van de raad is gehoord.

[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3], de moeder en de vader zijn opgeroepen, maar niet verschenen.

De feiten

Het gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de ouders.

Het verzoek


De raad verzoekt [minderjarige 1], respectievelijk [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond (hierna te noemen de GI), tot aan haar meerderjarigheid respectievelijk voor de duur van negen maanden en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Ter onderbouwing van het verzoek stelt de raad dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Deze ontwikkelingsbedreiging bestaat uit het opgroeien in een geïsoleerd gezinssysteem met een - naar het zich laat aanzien - zeer beperkt sociaal netwerk en contact. Specifiek met betrekking tot [minderjarige 1] bestaat de ontwikkelingsbedreiging voorts uit sociaal-emotionele problematiek en een basaal gebrek aan communicatieve vaardigheden die haar persoonlijke ontwikkeling ernstig belemmeren.

De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bestaat uit het feit dat de raad onvoldoende zicht heeft op de ontwikkeling van beide minderjarigen, die evenwel opgroeien in hetzelfde zeer gesloten gezinssysteem als [minderjarige 1]. De ouders zijn thans onvoldoende bereid en in staat om onder eigen verantwoordelijkheid die bedreiging weg te nemen en de noodzakelijke hulpverlening te accepteren, omdat de ouders zorg mijdend zijn en geen enkele bemoeienis van buitenaf met hun gezin tolereren. De ouders hebben, na ook in 2016 niet te hebben meegewerkt aan een raadsonderzoek, opnieuw niet meegewerkt aan het onderzoek van de raad. Daardoor heeft de raad niet met de ouders en evenmin met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kunnen spreken. Met [minderjarige 1] is een eenmalig contactmoment op school geweest, waardoor een indruk van haar is gekregen.

Op school laat [minderjarige 1] teruggetrokken en timide gedrag zien. Wanneer getracht wordt met haar in contact te gaan, praat [minderjarige 1] niet, maakt ze geen oogcontact, kijkt ze naar beneden en laat ze geen enkele reactie of emotie zien. Wederkerigheid in het contact ontbreekt. [minderjarige 1] neemt niet deel aan buitenschoolse activiteiten en lijkt geen sociale contacten buiten het naar school gaan te hebben. Ze lijkt steeds meer geïsoleerd te raken doordat ze geen aansluiting zoekt bij leeftijdsgenoten en niet in staat is een eigen netwerk op te bouwen. Emotioneel maakt [minderjarige 1] op school een neerslachtige en trieste indruk. Ze lijkt op school weg te kwijnen. Er zijn ernstige zorgen over haar zelfredzaamheid, zelfstandigheid en weerbaarheid. Ondanks dat [minderjarige 1] slim is en op cognitief vlak voldoende mogelijkheden heeft en voor leervakken goede resultaten haalt, lijkt het Havo diploma niet haalbaar. Ze heeft geen mondelinge examens gedaan, niet deelgenomen aan schooluitstapjes in het kader van het vak CKV en ze doet geen presentaties in de klas. Op basis daarvan kan ze dit schooljaar niet voldoen aan de exameneisen. School ervaart dat er, op momenten dat het voor [minderjarige 1] moeilijk wordt en ze te veel druk ervaart omdat ze mogelijk niet kan voldoen aan de verwachtingen, sprake is van ongeoorloofd schoolverzuim. De ouders hebben geen gehoor gegeven aan de oproep van de leerplichtambtenaar om op een gesprek met hem te verschijnen. Hoewel de school van [minderjarige 2] geen specifieke zorgen heeft over haar sociaal-emotioneel functioneren, heeft de school geen enkel contact met de ouders, klapt [minderjarige 2] dicht als het over thuis gaat en bestaat geen enkel zicht op haar thuissituatie.

Tijdens het door de raad georganiseerde ronde-tafel-overleg is er geen vertegenwoordiger van de school van [minderjarige 3] verschenen. Deze school heeft, bij gebreke van toestemming van de ouders, geen informatie over [minderjarige 3] met de raad willen delen, zodat tijdens het onderzoek van de raad geen enkel zicht is gekregen op de ontwikkeling van [minderjarige 3].

De raad heeft benadrukt in haar rapport dat zij in het onderzoek geen zicht heeft gekregen op de opvoedsituatie van de minderjarigen thuis en op de persoon en het functioneren van de ouders en hun eventuele sociale netwerk. Het baart de raad zorgen dat het gezin zich al jaren afsluit van elke bemoeienis van buitenaf en dat de ouders geen verantwoordelijkheid lijken te nemen. Uit informatie van de politie blijkt dat niemand in de woonomgeving van de minderjarigen contact heeft met het gezin, dat de minderjarigen nooit buiten zijn (ook niet in de tuin) en dat de woning, zowel aan de voor- als achterkant hermetisch is afgesloten.

Ondanks de vele ziekmeldingen van [minderjarige 1] op school worden zij en de andere minderjarigen al jaren niet meer gezien door de huisarts. De huisarts van de minderjarigen bleek de minderjarigen - na in 2016 in het eerdere raadsonderzoek informatie te hebben gegeven - namelijk niet meer te hebben gezien op haar spreekuur. De huisarts heeft zorgen uitgesproken over dit gesloten gezinssysteem, de dominantie van de vader met zijn op momenten paranoïde houding naar de buitenwereld en het mogelijke negatieve effect hiervan op het functioneren van de minderjarigen in de maatschappij. Daarnaast onderhouden de ouders geen contact met de scholen van de minderjarigen ondanks hun vele pogingen om met hen in contact te komen en ondanks dat de school van [minderjarige 1] grote zorgen over haar ontwikkeling aangeeft.

Volgens de raad is [minderjarige 1] gebaat bij een verwijzing naar GGZ voor een persoonlijkheidsonderzoek, zodat er zicht komt op eventuele onderliggende problematiek en gerichte behandeling voor haar kan volgen. [minderjarige 1] moet gemotiveerd worden om die hulp te accepteren. Het is daarbij van belang dat de ouders de noodzaak van die hulp inzien en [minderjarige 1] hierin stimuleren en ondersteunen. Verder is het nodig dat zicht komt op de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] die, net als [minderjarige 1], onder de geschetste omstandigheden opgroeien in dit gesloten gezin. Volgens de raad moet er ook zicht komen op het functioneren van de ouders; mogelijk speelt er bij beiden of een van hen onderliggende problematiek die in rol speelt in de geslotenheid van dit gezin. Tot slot acht de raad het van belang dat er iemand naast de ouders komt te staan en die in staat is om samen met hen te beoordelen welke hulp nodig is voor de minderjarigen om zich leeftijdsadequaat te ontwikkelen en die ouders kan ondersteunen in het creëren van meer openheid in het aangaan, opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk en in het samenwerken met de verschillende scholen en instanties.

Een ondertoezichtstelling wordt door de raad daarom noodzakelijk geacht.

De ouders hebben geen verweer gevoerd.

De beoordeling


Op grond van het bepaalde in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen BW) kan een minderjarige onder toezicht worden gesteld indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.

De kinderrechter maakt zich met de raad ernstig zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De door de raad aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, zoals die hiervoor uitvoerig zijn weergegeven, zijn door de ouders niet weersproken. Dat heeft tot gevolg dat door de kinderrechter van de juistheid van die feiten en omstandigheden moet worden uitgegaan.

Diezelfde feiten en omstandigheden dragen de conclusie dat de ontwikkeling van de minderjarigen ernstig wordt bedreigd. Tijdens het onderzoek is duidelijk geworden dat [minderjarige 1] in haar ontwikkeling op weg naar volwassenheid ernstig worden bedreigd. Bij gebreke aan andere mogelijke verklaringen daarvoor dient er vooralsnog van te worden uitgegaan dat de oorzaak daarvan moet worden gezocht in haar opvoed- en woonsituatie, zoals vormgegeven en in stand gehouden door haar ouders gedurende haar hele leven in het zeer gesloten gezinssysteem binnen een hermetisch afgesloten huis, met buiten school geen normaal buitenleven en geen enkel contact met anderen. Het behoeft weinig voorstellingsvermogen dat ook de andere twee minderjarigen , die onder dezelfde omstandigheden als [minderjarige 1] zijn opgegroeid en zullen opgroeien, grote risico’s lopen zich op een vergelijkbare wijze te ontwikkelen als hun oudste zus. Zolang er door de raad en andere professionals geen echt en diepgaand zicht kan worden gekregen op hun ontwikkeling moet ervan worden uitgegaan dat ook hun ontwikkeling als minderjarigen ernstig wordt bedreigd. Waar de ouders om onbekende en hen moverende redenen niet hebben meegewerkt aan het onderzoek en ook niet ter zitting zijn verschenen om daar te reageren op de grote zorgen over hun minderjarigen die de raad in het verzoek heeft beschreven, is de conclusie gerechtvaardigd dat de noodzakelijke zorg voor de minderjarigen door hun ouders niet wordt geaccepteerd.

Is de verwachting gerechtvaardigd dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen?

Vooralsnog wordt het voordeel van de twijfel aan de ouders gegeven, maar op termijn hangt het antwoord op die vraag af van hun opstelling en medewerking aan de ondertoezichtstelling. Tijdens de vorige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] die, door een vergissing van de autoriteiten, niet verlengd werd en dus afliep, hebben de ouders er voor gekozen om niet mee te werken aan de ondertoezichtstelling waardoor geen zicht kon worden gekregen op [minderjarige 1] en haar thuissituatie. De kinderrechter roept de ouders op om thans direct en zonder vertraging wel mee te werken aan de uitvoering van ondertoezichtstelling zodat in het belang van hun minderjarigen zicht kan worden verkregen op alle minderjarigen en de mogelijk noodzakelijke hulp zo spoedig mogelijk kan worden ingezet en hen kan helpen in hun ontwikkeling als minderjarigen op weg naar volwassenheid. Als de ouders er, om hen moverende redenen, voor kiezen om niet mee te werken, zal door de professionals op korte termijn concreet gezocht moeten worden naar andere mogelijkheden en middelen om, in het belang van de minderjarigen, de ontstane zeer zorgelijke situatie te doorbreken. De kinderrechter vertrouwt erop dat de ouders het niet zo ver zullen laten komen omdat juist die samenwerking met de professionals ook voor hen als ouders zowel op korte als lange termijn meer kan opleveren.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan voornoemd wettelijk criterium. De kinderrechter zal daarom [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de GI zoals is verzocht.

De beslissing


De kinderrechter:

stelt [minderjarige 1], geboren op [2000], onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, met ingang van 13 februari 2018, tot aan haar meerderjarigheid, derhalve tot 11 juni 2018.

stelt [minderjarige 2], geboren op [2002], en [minderjarige 3], geboren op [2005], onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, met ingang van 13 februari 2018, voor de duur van negen maanden, derhalve tot 13 november 2018;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, kinderrechter, in tegenwoordigheid van S.C. Leinders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch