Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2841

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
C/03/244803 / FA RK 17-5129
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek verbetering geboorteakte kind. Internationale aspecten. Bevoegdheid. Toepasselijk recht op verzoek tot verbetering. Vrouw en man, beiden Syrische nationaliteit, hadden ten tijde van de geboorte van het kind een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Vadergegevens: artikel 10:92 BW, artikel 10:17, lid 1, BW. Geslachtsnaam kind: artikel 10:19, lid 1, BW, artikel 10:17, lid 1, BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 19 februari 2018

Zaaknummer: C/03/244803 / FA RK 17-5129

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:

het openbaar ministerie,

arrondissementsparket Limburg,

gevestigd te Maastricht,

verder te noemen: het openbaar ministerie.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende 1] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonend te [woonplaats],

[belanghebbende 2] ,

verder te noemen: de man,

wonend te [woonplaats],

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Maastricht,

verder te noemen: de ambtenaar.

1 Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van het op 29 december 2017 ingekomen verzoekschrift met bijlagen.

2 De feiten

Op 24 november 2014 is aan de vrouw en de man een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, met ingang van 3 september 2014 en geldig tot 3 september 2019.

Op de verblijfsdocumenten is vermeld dat de vrouw en de man de Syrische nationaliteit hebben.

Uit de vrouw is op [2015] te [geboorteplaats] een kind geboren. In de door de ambtenaar op 24 augustus 2015 onder aktenummer [X] opgemaakte geboorteakte van het kind is het kind (hierna te noemen: [minderjarige]) vermeld met de geslachtsnaam [geslachtsnaam] en de voornaam [minderjarige] en zijn bij de gegevens van de ouders alleen de gegevens van de vrouw als de moeder van [minderjarige] vermeld.

Op 21 september 2017 hebben de vrouw en de man ten overstaan van de daartoe door het gemeentebestuur van de [gemeente] aangestelde ambtenaar een verklaring onder ede/ belofte afgelegd, als bedoeld in artikel 2.8, lid 2, aanhef en onder e, van de Wet basisregistratie personen, inhoudend dat zij op [2014] te [huwelijksplaats], [land van huwelijk], met elkaar zijn gehuwd. In de basisregistratie personen (hierna: brp) is bij de gegevens van de vrouw en de man het huwelijk geregistreerd.

Met betrekking tot de nationaliteit van de vrouw, de man en [minderjarige] is in de brp geregistreerd dat zij de Syrische nationaliteit hebben.

3 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe, naar de rechtbank begrijpt, dat de rechtbank de verbetering zal gelasten van de geboorteakte van [minderjarige], in die zin dat daarin de navolgende gegevens worden vermeld:

in de rubriek KIND

geslachtsnaam: [geslachtsnaam]

in de rubriek OUDERS

geslachtsnaam vader: [geslachtsnaam]

voornamen: [voorna(a)m(en)]

in de rubriek OVERIGE GEGEVENS
GEBOORTEGEGEVENS OUDERS
plaats van geboorte vader: [geboorteplaats], Syrië

dag van geboorte vader: [1988]

Het openbaar ministerie heeft, onder verwijzing naar de overgelegde brief van 15 december 2017 van de ambtenaar, gesteld dat gebleken is dat [minderjarige] staande het huwelijk van de vrouw en de man is geboren.

Bij het verzoekschrift zijn verklaringen van 25 september 2017 van de vrouw en de man overgelegd dat zij met de verzochte verbetering van de geboorteakte van [minderjarige] instemmen.

4 De beoordeling

4.1.

Vanwege het internationale karakter van de onderhavige zaak dient de rechtbank ambtshalve te beoordelen of aan de Nederlandse rechter (in internationale zin) bevoegdheid toekomt ter zake het verzoek tot verbetering, alsmede welk recht op dat verzoek van toepassing is.

De rechtbank is van oordeel dat aan de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: WBRv) bevoegdheid toekomt, omdat de vrouw, de man en [minderjarige] in Nederland woonplaats hebben.

De rechtbank zal, als de op grond van artikel 263 WBRv relatief bevoegde rechter binnen wiens rechtsgebied de geboorteakte waarop het verzoek betrekking heeft in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand is ingeschreven, op het verzoek de Nederlandse wet toepassen.

4.2.

Op grond van artikel 1:24, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie de verbetering gelasten van een in de registers van de burgerlijke stand voorkomende akte die onvolledig is of een misslag bevat.

4.3.

Uit de hiervoor genoemde brief van 15 december 2017 van de ambtenaar blijkt dat de ambtenaar bij het opmaken van de geboorteakte van [minderjarige] nog geen weet had van een huwelijk tussen de vrouw en de man en dat daarom een geboorteakte is opgemaakt van een kind dat uitsluitend in familierechtelijke betrekking tot de moeder staat.

Met de door de vrouw en de man op 25 september 2017 afgelegde verklaringen omtrent het bestaan van een huwelijk dient, achteraf bezien, ervan te worden uitgegaan dat de vrouw en de man op het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] met elkaar gehuwd waren.

Op grond van artikel 10:92, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wordt de vraag of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde persoon bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en die persoon of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de vrouw en die persoon elk hun gewone verblijfplaats hebben, of indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.

In artikel 10:92, lid 2, BW is bepaald dat wanneer de persoon, genoemd in lid 1, en de vrouw een nationaliteit gemeenschappelijk hebben, voor de toepassing van hun nationale recht het recht van die nationaliteit geldt, ongeacht of zij beiden dan wel een hunner nog een andere nationaliteit bezitten. Bezitten de echtgenoten meer dan een gemeenschappelijke nationaliteit, dan worden zij geacht geen gemeenschappelijke nationaliteit te hebben.

Ingevolge artikel 10:92, lid 3, BW is in deze procedure voor de toepassing van artikel 10:92, lid 1, BW bepalend het tijdstip van de geboorte van het kind.

Vast staat dat de vrouw en de man op het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] beiden de Syrische nationaliteit hadden. Daarmee zou, gelet op de eerste trede van de verwijzingsladder van artikel 10:92, lid 1, BW, het Syrisch recht als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en de man op het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] van toepassing zijn op de vraag of op het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] een familierechtelijke betrekking is ontstaan tussen de man en [minderjarige]. Nu echter vast staat dat de vrouw en de man op het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hadden, is artikel 10:17, lid 1, BW van belang, waarin is bepaald dat de persoonlijke staat van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend, wordt beheerst door het recht van zijn woonplaats, of, indien hij geen woonplaats heeft, door het recht van zijn verblijfplaats. In dat geval wordt dus geen rekening gehouden met het nationaliteitsrecht van de vrouw en de man en blijft het resultaat van de eerste trede van de verwijzingsregel van artikel 10:92, lid 1 BW (de toepasselijkheid van Syrisch recht) buiten toepassing. Er dient dan op grond van artikel 10:17, lid 1, BW te worden aangeknoopt bij het domicilie van de betrokkenen. Uit de gegevens uit de brp blijkt dat zowel de vrouw als de man ten tijde van de geboorte van [minderjarige] hun woonplaats in Nederland hadden. Mede gelet op de tweede trede van de verwijzingsladder van artikel 10:92, lid 1, BW is dan het Nederlandse recht van toepassing op de vraag naar het ontstaan van een familierechtelijke betrekking tussen de man en [minderjarige].

Op grond van artikel 1:199, aanhef en onder a, BW is vader van een kind de man die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd.

De vrouw en de man waren op het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] met elkaar gehuwd en daardoor heeft de man als de (juridische) vader van [minderjarige] te gelden. In de geboorteakte van [minderjarige] dienen bij de gegevens van de ouders dan ook de persoonsgegevens van de man als de vader van [minderjarige] te worden vermeld. Nu dat in de opgemaakte geboorteakte niet het geval is, is die geboorteakte in zoverre onvolledig en is verbetering daarvan aangewezen, zoals door het openbaar ministerie is verzocht.

4.4.

Het openbaar ministerie heeft ook verbetering van de geslachtsnaam van [minderjarige] verzocht.

Naar Syrisch recht (artikel 3, aanhef en onder a, van de Nationaliteitswet van de Arabisch-Syrische Republiek) is Arabisch-Syriër door geboorte: hij die in of buiten het rijk is geboren als kind van een Arabisch-Syrische vader.

[minderjarige] heeft derhalve naar Syrisch recht van rechtswege de Syrische nationaliteit van de man verkregen.

Uitgangspunt in het internationaal namenrecht is het nationaliteitsbeginsel. In aanmerking genomen dat [minderjarige] op het tijdstip van de geboorte de Syrische nationaliteit heeft verkregen, zou dan, gelet op artikel 10:19, lid 1, BW, waarin is bepaald dat de geslachtsnaam van een vreemdeling wordt bepaald door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft, Syrisch recht van toepassing zijn op de geslachtsnaam van [minderjarige]. Vanwege de asielstatus van de man en de vrouw ten tijde van de geboorte van [minderjarige] en de gevolgen daarvan voor de verblijfsstatus van [minderjarige], blijft ook hier het resultaat van de verwijzingsregel van artikel 10:19, lid 1, BW (de toepasselijkheid van Syrisch recht) buiten toepassing en is op grond van artikel 10:17, lid 1, BW het domiciliebeginsel van toepassing en daarmee Nederlands recht als het recht van de (van de vrouw en de man afgeleide) woonplaats van [minderjarige].

Op grond van artikel 1:5, lid 4, BW juncto artikel 1:5, lid 5, aanhef en onder a, BW heeft [minderjarige] dan, in aanmerking genomen dat geen sprake is van een naamskeuze van de ouders ten aanzien van de geslachtsnaam van [minderjarige], de geslachtsnaam van de vader.

Aangezien [minderjarige] in de geboorteakte met de geslachtsnaam van de vrouw is vermeld, bevat de geboorteakte in zoverre een misslag, zodat aanleiding is voor verbetering daarvan, zoals het openbaar ministerie heeft verzocht.

5 De beslissing

De rechtbank:

gelast de verbetering van de in het geboorteregister van de [gemeente] in het jaar 2015 onder aktenummer [X] voorkomende geboorteakte van het kind [minderjarige], geboren op [2015] te [geboorteplaats], in die zin dat daarin de navolgende gegevens worden vermeld:

in de rubriek KIND

geslachtsnaam: [geslachtsnaam]

in de rubriek OUDERS

geslachtsnaam vader: [geslachtsnaam]

voornamen: [voorna(a)m(en)]

in de rubriek OVERIGE GEGEVENS

GEBOORTEGEGEVENS OUDERS

plaats van geboorte vader: [geboorteplaats], Syrië

dag van geboorte vader: [1988]

bepaalt dat de griffier niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking en voor zover daartegen geen hoger beroep is ingesteld een afschrift daarvan zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Maastricht, zodat de ambtenaar aan de geboorteakte van het kind een latere vermelding betreffende de door de rechtbank gelaste verbeteringen toevoegt.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M.I.A. Bregonje, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A.J. Rings-Martens als griffier op
19 februari 2018.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.