Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2724

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
C/03/239987 / HA ZA 17-468
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Advies accountant; Stamrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/239987 / HA ZA 17-468

Vonnis bij vervroeging van 21 maart 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. R.H.M. Wagemans te Maastricht,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde sub 2] ,

zowel in privé als in hoedanigheid van beherend vennoot van gedaagde sub 1,

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [gedaagde sub 3] ,

zowel in privé als in hoedanigheid van beherend vennoot van gedaagde sub 1,

zonder bekend woonadres c.q. inschrijving in de Gemeentelijke Basis Administratie,

4. [gedaagde sub 4] ,

zowel in privé als in hoedanigheid van beherend vennoot van gedaagde sub 1,

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagden,

advocaat mr. E.A.M. van Lierop te Waalre.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagde sub 1 zal hierna de Vof worden genoemd, gedaagde sub 2 [gedaagde sub 2] , gedaagde sub 3 [gedaagde sub 3] , gedaagde sub 4 [gedaagde sub 4] en gedaagden sub 1 tot en met 4 tezamen de Vof c.s.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de zijdens de curator genomen akte overlegging producties met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 7 februari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

a. [eiser] is op basis van een arbeidsovereenkomst als werknemer in dienst geweest bij Levi Strauss. Deze arbeidsovereenkomst is beëindigd in 2005 waarbij Levi Strauss aan de toen 58-jarige [eiser] een beëindigingsvergoeding/ontslagvergoeding heeft uitgekeerd van € 241.750,-.

b. [gedaagde sub 2] heeft in haar hoedanigheid van vennoot van de Vof [eiser] geadviseerd om het bedrag van de beëindigingsvergoeding/ontslagvergoeding (hierna “de ontslagvergoeding”) in een stamrecht om te zetten en om dit stamrecht onder te brengen in een coöperatie.

c. De op 10 maart 2005 tot stand gekomen stamrechtovereenkomst (productie 2 conclusie van antwoord) houdt in, voor zover van belang:

STAMRECHTOVEREENKOMST [naam coöperatie 1] COOPERATIE U.A.

[naam coöperatie 1] COOPERATIE U.A. werd opgericht op 8 maart 2005.

Volgens artikel 2 van de oprichtingsakte van de coöperatie heeft deze ten doel:

(…)

Ter waarborging van het bereiken van het doel van de coöperatie zal in de coöperatie een stamrecht/pensioenvoorziening worden opgebouwd, waarvoor (…) [eiser] (…) en [naam echtgenote] een bedrag ineens zullen storten en desgewenst zullen bijstorten of onttrekken. Deze voorziening zal jaarlijks worden opgerent met de rente, die alsdan in het maatschappelijke verkeer gebruikelijk is. Het is (…) [eiser] en (…) [naam echtgenote] toegestaan tegen een vergoeding van de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke rente gelden te onttrekken aan de coöperatie, ten einde deze gelden te kunnen beleggen in het licht van de doelstelling van de coöperatie. Voor zover de onttrekkingen niet als lening gelden, zullen zij als een fiscaal belaste onttrekking aan het stamrecht worden beschouwd.

De bedragen die expliciet door (…) [eiser] worden gestort zijn bedoeld als koopsom/stamrecht voor een aanvullend pensioen van (…) [eiser] bij het bereiken van zijn 65 jarige leeftijd of bij zijn overlijden ingaan en toekomen aan (…) [naam echtgenote] .

(…)”.

d. Ten tijde van de oprichting van [naam coöperatie 1] Coöperatie, is ook opgericht de coöperatie [naam coöperatie 2] , waarin in elk geval de ondernemersactiviteiten van [eiser] werden ondergebracht. [eiser] heeft tijdens de comparitie na antwoord verklaard dat hij met [naam coöperatie 2] alle kanten opwilde en in dezelfde branche werkzaam wilde blijven in de textiel.

e. In 2007 heeft [gedaagde sub 2] stukken, waaronder bankafschriften, ontvangen van [eiser] om zijn belastingaangifte over 2005 te kunnen doen. Uit die bankafschriften blijkt dat [eiser] geld uit de ontslagvergoeding heeft overgeboekt van de rekening van [naam coöperatie 1] Coöperatie U.A. waarop die vergoeding als stamrecht is geboekt, naar de privébankrekening van voornoemde [naam echtgenote] , de echtgenote van [eiser] . [eiser] blijft in de loop der jaren gelden onttrekken totdat in 2014 de volledige ontslagvergoeding is opgesoupeerd.

f. De Inspecteur der belastingen heeft met dagtekening 31 december 2010 een navorderingsaanslag over het jaar 2005 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 292.890,-. In dit bedrag heeft de Inspecteur de volledige uitkering van € 241.750,- als inkomen meegerekend (rov. 1.1 en 2.14 productie 2 dagvaarding) omdat hij van mening is dat met betrekking tot de ontslagvergoeding niet is voldaan aan het bepaalde in art. 11, lid 1, onderdeel g van de Wet op de Loonbelasting. De Inspecteur is van mening dat de ontslagvergoeding behoort tot het door [eiser] in 2005 genoten loon (zie 2.14 uitspraak hof Den Bosch d.d. 8 september 2013 overgelegd als productie 2 dagvaarding).

g. In de hiervoor genoemde uitspraak van het hof Den Bosch van 8 september 2013 heeft het hof in rov. 4.5 overwogen dat indien de vrijstelling van art. 11, lid 1, onderdeel g van de Wet op de Loonbelasting (hierna de stamrechtvrijstelling) van toepassing wil zijn, er sprake dient te zijn van aanspraken die voorzien in periodieke uitkeringen die niet later ingaan dan in het jaar waarin de werknemer 65 jaar wordt of in periodieke uitkeringen die bij het overlijden van de werknemer ingaan en toekomen aan diens echtgenote. Hetgeen [eiser] en [naam coöperatie 1] Coöperatie op 3 maart 2005 zijn overeengekomen, voldoet, zo overweegt het hof in rov. 4.6, niet aan de vereisten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in de overeenkomst van 3 maart 2005 tussen [eiser] en [naam coöperatie 1] Coöperatie geen ingangsdatum van de aan belanghebbende toekomende uitkeringen is voorzien, dat omtrent de hoogte van de uitkeringen slechts is bepaald dat deze maximaal € 39.000,- per jaar kunnen bedragen en dat geen enkele mate van periodiciteit van de uitkeringen is bepaald en dat, integendeel, in deze overeenkomst is bepaald dat belanghebbende “indien hij om welke reden dan ook geen inkomen kan genieten een bedrag uitgekeerd (kan) krijgen”. Het hof laat de navorderingsaanslag in stand. Het door [eiser] ingestelde cassatieberoep wordt door de Hoge Raad bij arrest van 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:890 afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO (productie 3 dagvaarding).

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR:

1. Elk der gedaagden op grond van wanprestatie ex artikel 6:74 BW, hoofdelijk te veroordelen om, binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, aan [eiser] te betalen een schadevergoeding ter grootte van € 84.284,-;

2. Elk der gedaagden, hoofdelijk te veroordelen om, binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, aan [eiser] te betalen € 23.714,- als compensatie voor ten onrechte betaalde facturen ter zake verleende ondeugdelijke fiscale dienstverlening, als gevolg waarvan de betaling daarvan door [eiser] onverschuldigd is geweest;

3. Elk der gedaagden, hoofdelijk te veroordelen om, binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, aan [eiser] te betalen € 9.813,71 overeenkomende met de door BPV Accountants en Belastingadviseurs aan [eiser] berekende en door [eiser] aan BPV Accountants en Belastingadviseurs betaalde kosten ter zake het noodzakelijke fiscale herstel van de door gedaagden gemaakte beroepsfouten;

Steeds te vermeerderen met de wettelijke (handels-)rente daarover vanaf 11 april 2014;

EN SUBSIDIAIR, voor zover de primaire vorderingen niet mochten, geheel of gedeeltelijk, worden toegewezen:

4. Elk der gedaagden op grond van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 e.v. BW, hoofdelijk te veroordelen om, binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, aan [eiser] te betalen een schadevergoeding ter grootte van € 84.284,-;

5. Elk der gedaagden, hoofdelijk te veroordelen om, binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, aan [eiser] te betalen € 23.714,- als compensatie voor ten onrechte betaalde facturen ter zake verleende ondeugdelijke fiscale dienstverlening, als gevolg waarvan de betaling daarvan door [eiser] onverschuldigd is geweest;

6. Elk der gedaagden, hoofdelijk te veroordelen om, binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, aan [eiser] te betalen € 9.813,71 overeenkomende met de door BPV Accountants en Belastingadviseurs aan [eiser] berekende en door [eiser] aan BPV Accountants en Belastingadviseurs betaalde kosten ter zake het noodzakelijke fiscale herstel van de door gedaagden gemaakte beroepsfouten;

Steeds te vermeerderen met de wettelijke (handels-)rente daarover vanaf 11 april 2014;

VOOR HET OVERIGE TEN AANZIEN VAN ALLE VORDERINGEN:

Gedaagden (zoals de rechtbank “Gedaagde” leest), eveneens voor zover de Wet dit toelaat, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van dit geding, alsmede in de kosten van de op het te wijzen vonnis betrekking hebbende executiekosten, daaronder begrepen de nakosten.

[eiser] voert hiertoe aan dat uit de uitspraak van het hof Den Bosch van 8 september 2013 rechtstreeks kan worden afgeleid dat de onjuiste toepassing van de stamrechtvrijstelling in de Loonbelasting en de onjuiste verwerking van de ontslagvergoeding in de aangifte vennootschapsbelasting kwalificeren als evidente fouten, zijnde beroepsfouten, van [gedaagde sub 2] (nr. 16 dagvaarding). [gedaagde sub 2] is, gezien de duidelijke conclusie in voornoemde uitspraak, verwijtbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht (nr. 29 dagvaarding). In nr. 39 dagvaarding voert [eiser] nog aan dat over de in 2005 ontvangen ontslaguitkering niet ineens belasting hoefde te worden betaald, maar dat deze kan worden omgezet in een periodieke uitkering, die op pensioendatum ingaat. [gedaagde sub 2] heeft verzuimd dat goed te regelen. Tijdens de comparitie na antwoord is hieraan blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal toegevoegd dat [eiser] al bij de voorbesprekingen in 2005 inzake de stamrechtovereenkomst voldoende duidelijk heeft gezegd dat hij meteen geld wilde onttrekken uit het stamrecht voor levensonderhoud.

3.2.

De Vof c.s. voeren verweer.

4 De beoordeling

4.1.1

[eiser] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat de Vof c.s. toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de door hen uit te voeren verbintenis. Deze verbintenis hield in dat de Vof c.s. aan [eiser] advies diende te geven over de wijze waarop fiscaal gunstig kon worden omgegaan met de ontslagvergoeding. Het gegeven advies, aldus [eiser] , is onjuist geweest. Het is hierbij aan [eiser] om feitelijk en onderbouwd aan te voeren waarin het advies onjuist is geweest. Wat dit betreft heeft [eiser] in zijn dagvaarding alleen voldoende feitelijk en onderbouwd aangevoerd dat de onjuiste advisering rechtstreeks kan worden afgeleid uit de uitspraak van het hof Den Bosch d.d. 8 september 2013 (nr. 16 en nr. 29 dagvaarding). Voor het overige bevat de dagvaarding geen voldoende specifieke en concrete verwijten die zich lenen voor beoordeling.

4.1.2

De rechtbank leest in de uitspraak van het hof Den Bosch van 8 september 2013 niet dat het advies van de Vof c.s. zonder meer fout is geweest. In die uitspraak is immers geen oordeel gegeven over een door de Vof c.s. gegeven advies of over een door de Vof c.s. voorgestelde constructie. Het hof Den Bosch heeft in de uitspraak van 8 september 2013 geoordeeld over de vraag of op grond van de door [eiser] vanaf 2005 gedane geldopnames uit de ontslagvergoeding, die ontslagvergoeding alsnog moest worden aangemerkt als belastbaar inkomen over 2005. Voor zover de vordering van [eiser] dan ook is gegrond op de enkele verwijzing naar die uitspraak van 8 september 2013, moet deze worden afgewezen als onvoldoende feitelijk onderbouwd.

4.2

Uit het proces-verbaal van de gehouden comparitie na antwoord blijkt dat [eiser] toen nog aanvullend concreet heeft aangevoerd dat het advies van de Vof c.s. onjuist is geweest omdat de coöperatieconstructie overbodig en nodeloos ingewikkeld is geweest. Hij heeft verder nog aangevoerd dat de Vof c.s. alvorens over te gaan tot uitvoering van de gekozen constructie deze aan de Inspecteur hadden moeten voorleggen en allereerst toestemming aan de Inspecteur hadden moeten vragen. Tenslotte heeft [eiser] gesteld dat de Vof c.s. ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de door [eiser] tijdig en voldoende duidelijk kenbaar gemaakte wens dat hij de ontslagvergoeding meteen wilde gebruiken om te voorzien in zijn levensonderhoud.

De Vof c.s. hebben hiertegen aangevoerd dat op basis van de dagvaarding recht moet worden gedaan en dat de tijdens de zitting gegeven feitelijkheden geen rol mogen spelen. De rechtbank gaat aan dit bezwaar voorbij. De door [eiser] tijdens de comparitie na antwoord gegeven verduidelijking van zijn stellingen vallen binnen de grenzen van het in de dagvaarding aangevoerde, waarbij de rechtbank erop wijst dat uit de conclusie van antwoord valt af te leiden dat naar eigen zeggen van de Vof c.s. zij [eiser] in of omstreeks 2007 te kennen hebben gegeven dat hij geen gelden van het stamrecht mocht opnemen (nrs. 2.6-2.7 conclusie van antwoord).

4.3

Het antwoord op de vraag of de coöperatie-constructie overbodig en nodeloos ingewikkeld is geweest, kan in het midden blijven. Het is de rechtbank namelijk niet gebleken dat [eiser] thans schade vordert die is veroorzaakt omdat de constructie overbodig en nodeloos ingewikkeld zou zijn. De rechtbank voegt hieraan toe dat [eiser] kennelijk van mening is dat de Vof c.s. gebruik hadden moeten maken van de door hem als productie 3 bij akte in geding brengen stukken overgelegde “Modelstamrechtovereenkomst Belastingdienst”. In dit model is het te gebruiken vehikel de zogenaamde “stamrecht-B.V.”. Gesteld noch gebleken is echter dat [eiser] al beschikte over een dergelijke B.V. Dit betekent dat óf een dergelijke B.V. had moeten worden opgericht óf een ander vehikel, zoals bijvoorbeeld een coöperatie. Zonder nadere, maar niet gegeven toelichting is daarom niet duidelijk waarom de oprichting van de coöperatie als overbodig moet worden aangemerkt. Gesteld noch gebleken is verder dat het oprichten van een coöperatie ingewikkelder is dan het oprichten van een stamrecht-B.V. De rechtbank ziet verder zonder nadere maar ontbrekende toelichting niet in welk opzicht de coöperatie-constructie nodeloos ingewikkelder is dan een stamrecht-B.V.-constructie.

De rechtbank merkt tenslotte voor alle duidelijkheid nog op dat [eiser] in elk geval ter zake de ontslagvergoeding advies heeft gevraagd aan de Vof c.s. Ongeacht de inhoud van het advies, zou hij daarvoor kosten zijn verschuldigd.

4.4

Het antwoord op de vraag of de Vof c.s. alvorens over te gaan tot uitvoering van de gekozen constructie deze allereerst had moeten voorleggen aan de Inspecteur en deze om toestemming hadden moeten vragen, kan om dezelfde reden in het midden blijven. Er wordt immers geen schade gevorderd die is veroorzaakt doordat dit is nagelaten. Een wettelijke verplichting om dergelijke constructies voor de uitvoering daarvan met de Inspecteur te bespreken bestaat overigens niet.

4.5

[eiser] verwijt de Vof c.s. tenslotte dat zij geen rekening hebben gehouden met het feit dat hij heeft gezegd dat hij meteen geld wilde onttrekken uit de ontslagvergoeding voor levensonderhoud.

Dit verwijt is zonder nadere maar ontbrekende toelichting dermate in strijd met één van de uitgangspunten van de door [eiser] zelf als productie 4 bij dagvaarding overgelegde schadeberekening, dat het wordt gepasseerd. In die schadeberekening is namelijk uitdrukkelijk als uitgangspunt vermeld dat de ontslagvergoeding wordt omgezet in een periodieke uitkering die op pensioendatum ingaat. Dit laat zich goed rijmen met het feit dat in dezelfde tijd nog een coöperatie is opgericht en wel [naam coöperatie 2] , waarvan [eiser] zelf ter zitting heeft verklaard dat hij hiermee in dezelfde branche werkzaam wilde blijven als waaruit hij in 2005 was vertrokken. Een uitgangspunt was dus dat er inkomen zou worden gegenereerd uit [naam coöperatie 2] . Uit die schadeberekening valt niet genoegzaam af te leiden dat [eiser] al meteen vanaf 2005 gelden uit die ontslagvergoeding wilde gebruiken voor levensonderhoud. De rechtbank laat dan nog daar dat als dit anders zou zijn geweest, [eiser] een schadeberekening had moeten overleggen waaruit blijkt welk bedrag hij vanaf 2005 periodiek had willen opnemen en de (fiscale) gevolgen daarvan.

De rechtbank wijst er verder op dat de stelling van [eiser] dat hij de Vof c.s. heeft gezegd dat hij meteen geld wilde onttrekken uit de ontslagvergoeding voor levensonderhoud, door de Vof c.s. is betwist. Dit betekent dat [eiser] die stelling dient te bewijzen. De grondslag van zijn vordering is dan immers dat de Vof c.s. hebben nagelaten inhoud te geven aan zijn uitgesproken wens dat hij meteen geld wilde onttrekken uit de ontslagvergoeding. Een zodanig bewijsaanbod heeft [eiser] niet gedaan.

4.6.1

De Vof c.s. hebben ook nog aangevoerd dat voor zover [eiser] zijn vordering heeft gegrond op het verwijt dat zij geen rekening hebben gehouden met het feit dat hij heeft gezegd dat hij meteen geld wilde onttrekken uit de ontslagvergoeding voor levensonderhoud, die vordering is verjaard. De door hem in dit geding gevorderde schade bestaat immers uit de door hem te betalen belasting omdat ten tijde van het fiscaal vormgeven van de ontslagvergoeding in een stamrechtovereenkomst geen rekening is gehouden met het feit dat hij meteen geld uit die ontslagvergoeding zou opnemen. De Vof c.s. voeren wat dit betreft aan dat zij [eiser] al in 2007 hebben meegedeeld dat hij over die onttrekkingen belasting zou moeten betalen. Dit betekent, aldus de Vof c.s., dat [eiser] al in 2007 wist dat de Vof c.s. wanprestatie hadden gepleegd en ook toen al wist dat daaruit schade zou voortvloeien. Dit betekent dat eind 2012 de vordering al was verjaard. De vordering, zo voeren zij verder aan, is in elk geval verjaard vijf jaar na de aanslag van de Inspecteur van 31 december 2010.

4.6.2

Het verjaringsverweer slaagt. [eiser] heeft niet betwist dat de Vof c.s. hem in 2007 hebben meegedeeld dat de door hem gedane geldopnames niet waren toegestaan en dat in elk geval een loonbelastingnummer had moeten worden aangevraagd zodat loonbelasting had kunnen worden afgedragen. Dit betekent dat [eiser] toen al de op hoogte was van het feit dat er in zijn ogen wanprestatie moest zijn gepleegd waardoor hij schade zou lijden. Hij had dus krachtens art. 3:310 BW een en ander in elk geval voor 31 december 2012 bij de Vof aan de orde moeten stellen.

4.7

Op grond van al het vorenstaande moet de primaire vordering worden afgewezen.

De subsidiaire vordering van [eiser] is gegrond op onrechtmatige daad. Hij heeft daaraan geen andere feiten en stellingen ten grondslag gelegd dan de hiervoor reeds beoordeelde. Met inachtneming van die voorgaande oordelen van de rechtbank valt niet in te zien dat de Vof c.s. een onrechtmatige daad hebben gepleegd. Ook de subsidiaire vordering wordt daarom afgewezen.

4.8

Nu de vorderingen zullen worden afgewezen, heeft [eiser] te gelden als de in het ongelijk gestelde partij, zodat hij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Aan de zijde van de Vof c.s. worden deze kosten begroot op € 3.894,- aan griffierecht en op € 2.842,- voor salaris advocaat (2 pnt van met liquidatietarief V).

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst af de vorderingen van [eiser] ;

5.2

veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de Vof c.s. begroot op € 6.736, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de 15e dag na de dag van deze uitspraak, en met veroordeling van [eiser] tot voldoening van de nakosten van € 131,- dan wel - indien betekening van de uitspraak plaatsvindt - € 199.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken.