Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2656

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
04/610026-02 (vordering verlenging TBS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vordering. Nu in dit geval sprake is van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, waarvan de verpleging op grond van het bepaalde in artikel 38g van het Wetboek van Strafrecht voorwaardelijk is beëindigd, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 38f, eerste lid, aanhef en onder a of b van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 04/610026-02 (vordering verlenging TBS)

Datum uitspraak : 20 maart 2018

Tegenspraak

Beslissing van de meervoudige kamer op een vordering van het openbaar ministerie in het arrondissement Limburg

De vordering houdt in dat de rechtbank beslist op de op 23 januari 2018 ter griffie van de rechtbank ingekomen vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling van

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Leeuwarden,

hierna te noemen: [verdachte] .

Raadsvrouw is mr. C.M.H. Revis, advocaat kantoorhoudende te ’s-Gravenhage.

1 De stukken

In het dossier bevinden zich onder andere:

  • -

    de vordering verlenging terbeschikkingstelling (na voorwaardelijke beëindiging dwangverpleging) van de officier van justitie d.d. 23 januari 2018 met bovenvermeld parketnummer;

  • -

    het verlengingsadvies TBS van GGZ VNN Groningen d.d. 29 november 2017 met betrekking tot [verdachte] ;

  • -

    het voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever van GGZ VNN Groningen d.d. 26 oktober 2017 met betrekking tot [verdachte] ;

  • -

    het voortgangsverslag / de melding bijzonder voorval aan opdrachtgever van GGZ VNN Groningen d.d. 26 april 2017 met betrekking tot [verdachte] ;

  • -

    het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia betreffende [verdachte] van T.W.D.P. van Os, forensisch psychiater, d.d. 24 november 2017;

  • -

    het psychologisch onderzoek Pro Justitia betreffende [verdachte] van A.J. Klumpenaar, GZ-psycholoog, d.d. 24 november 2017;

  • -

    het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 29 april 2003 in de strafzaak tegen [verdachte] met ressortsparketnummer 20.002859.02;

  • -

    de beslissingen van deze rechtbank d.d. 15 maart 2016, 14 juni 2016 en 21 maart 2017 naar aanleiding van een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling van [verdachte] in de zaak met parketnummer 04/610026-02;

  • -

    de dagvaarding van [verdachte] als verdachte in de strafzaak met het parketnummer 18/850028-17;

  • -

    het proces-verbaal terechtzitting van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 26 juli 2017 in de strafzaak tegen [verdachte] met het parketnummer 18/850028-17.

De vordering van de officier van justitie houdt in dat de rechtbank de termijn van terbeschikkingstelling zal verlengen met twee jaar.

2 De procesgang

Bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 29 april 2003 met ressortsparketnummer 20.002859.02 is het vonnis van de rechtbank Roermond van 11 oktober 2002 met parketnummer 04/610026-02 vernietigd en is de terbeschikkingstelling van [verdachte] gelast met het bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van medeplegen van moord, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eiste. Het hiervoor genoemde delict betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De termijn van de terbeschikkingstelling is gaan lopen op 6 maart 2008.

Bij beslissing van 15 maart 2016 heeft deze rechtbank de termijn gedurende welke [verdachte] ter beschikking is gesteld, verlengd met één jaar, waarbij de beslissing over de verpleging van overheidswege is aangehouden. Op 14 juni 2016 heeft de rechtbank vervolgens bepaald dat de verpleging van overheidswege voorwaardelijk zal worden beëindigd. De terbeschikkingstelling is voor het laatst met één jaar verlengd bij beslissing van deze rechtbank d.d. 21 maart 2017.


De vordering van de officier van justitie is behandeld ter openbare zitting van deze rechtbank van 6 maart 2018. Ter zitting zijn gehoord de officier van justitie, [verdachte] , zijn raadsvrouw en, als deskundige, [naam reclasseringswerker] , reclasseringswerker te Groningen.

3 Het standpunt van de reclassering

In haar verlengingsadvies van 29 november 2017 heeft de reclassering geadviseerd om de termijn van de terbeschikkingstelling van [verdachte] te verlengen met twee jaar. Dit advies is ingegeven door de omstandigheid dat [verdachte] momenteel wordt vervolgd vanwege de verdenking dat hij op 16 november 2016 een vrouw van haar fiets heeft getrokken en haar onder bedreiging van een mes heeft meegetrokken in een bos. Op dit moment is nog niet bekend of dit tot een veroordeling zal leiden.

In het verlengingsadvies is onder meer gesteld:

‘Indien betrokkene vrij wordt gesproken zal de reclassering tijd nodig hebben om samen met betrokkene alles weer op poten te zetten. Het vinden van nieuwe huisvesting dan wel resocialiseren via een verslavingskliniek, dagbesteding en het aanvragen van een uitkering zal tijd nodig hebben. De reclassering zal in het geval van continuering van de voorwaardelijke beëindiging mogelijk een rapport wijziging voorwaarden uitbrengen en tevens opnieuw kijken naar de risico’s. Hoe een eventueel traject eruit zal komen te zien is op moment van schrijven nog moeilijk aan te geven omdat er nog te veel onduidelijkheid is.’ (pagina 7)

Tot het moment van zijn aanhouding in april 2017 sprak de reclassering wekelijks met [verdachte] . Tot dat moment meende de reclassering dat het goed ging met zijn behandeling en begeleiding.

4 Het standpunt van de (externe) gedragsdeskundigen

In de rapportage naar aanleiding van het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia betreffende [verdachte] d.d. 24 november 2017 heeft de psychiater onder meer het volgende vermeld.

Bij [verdachte] is sprake van:

  • -

    een borderline persoonlijkheidsstoornis;

  • -

    kenmerken van de antisociale persoonlijkheidsstoornis;

  • -

    een stoornis in gebruik van alcohol, amfetamine en cocaïne;

  • -

    een verstandelijke beperking met als gevolg dat hij situaties minder goed kan overzien;

  • -

    een posttraumatische stressstoornis.

‘Onderzochte is een beschadigde man die het vooral moet hebben van externe structuren. Deze zijn nu weggevallen grotendeels. De hulpverlening is van groot belang als kader om zijn leven vorm te blijven geven. Zonder belangrijke structurerende en steun gevende bronnen derailleert hij. Wat betreft de toekomst moet bij afwezigheid van steunbronnen rekening gehouden worden met de gebrekkige coping met het risico op snelle destabilisatie.’ (pagina 24)

De psychiater geeft aan dat op basis van een risicotaxatie kan worden gesteld dat in een situatie met begeleiding en controle het risico op recidive, zowel op korte, middellange als lange termijn, als matig tot hoog kan worden ingeschat. Zonder ondersteuning wordt de kans op recidive op korte, middellange en lange termijn ingeschat als hoog.

‘Er is een nieuwe situatie ontstaan vanwege het huidige ten laste gelegde en mocht hij worden vrijgesproken zijn er wel meer risicofactoren. Door de reclassering dient beoordeeld te worden of onderzochte in de situatie dat hij vrijkomt nog wel ambulant begeleid kan worden. Om opnieuw een extern steunsysteem op te bouwen, een EMDR traject in te gaan en een op verslaving gerichte behandeling uit te voeren is lange tijd nodig. Onderzoeker adviseert dan ook om de TBS-maatregel met twee jaar te verlengen.’ (pagina 25)

Hoewel de GZ-psycholoog in de rapportage naar aanleiding van het psychologisch onderzoek Pro Justitia betreffende [verdachte] d.d. 24 november 2017 heeft gerapporteerd dat er overeenstemming is met de mederapporteur over de aard van de problematiek, de kans op recidive en het advies om de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar te verlengen, heeft de psycholoog geschreven dat de kans op herhaling van een delict, zoals het indexdelict, als laag wordt ingeschat en dat de kans op een delict van vooral impulsieve agressieve aard op korte termijn als matig wordt ingeschat.

5 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de behandeling van [verdachte] in het kader van de terbeschikkingstelling op dit moment stil ligt vanwege zijn huidige detentie. Indien [verdachte] wordt vrijgesproken, zal de behandeling weer gaan lopen, hetgeen de nodige tijd zal kosten. Indien hij wordt veroordeeld is voorzienbaar dat een vordering tot hervatting van de verpleging van overheidswege wordt ingediend. Tegen deze achtergrond heeft de verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met slechts één jaar geen meerwaarde, aldus de officier van justitie.

6 Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

De raadsvrouw van [verdachte] heeft aangevoerd dat een verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar is geadviseerd, omdat er nog veel onduidelijkheden zijn omtrent de (nieuwe) strafzaak tegen [verdachte] . Deze onduidelijkheden zouden echter eveneens reden kunnen zijn om de termijn met slechts één jaar te verlengen, te meer daar kort na 25 mei 2018 meer duidelijkheid zal bestaan over deze strafzaak. De raadsvrouw heeft dan ook verzocht de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met één jaar.

7 De beoordeling

7.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vordering

[verdachte] zit op dit moment in voorlopige hechtenis op grond van de strafzaak met parketnummer 18/850028-17. Hem is dus ‘uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid ontnomen’. Artikel 38f, eerste lid, aanhef en onder a en b van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de termijn van de terbeschikkingstelling in een dergelijk geval niet loopt voor:

  • -

    de ter beschikking gestelde die van overheidswege wordt verpleegd en

  • -

    de ter beschikking gestelde met voorwaarden, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Nu in dit geval sprake is van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, waarvan de verpleging op grond van het bepaalde in artikel 38g van het Wetboek van Strafrecht voorwaardelijk is beëindigd, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 38f, eerste lid, aanhef en onder a of b van het Wetboek van Strafrecht, hetgeen betekent dat de termijn van de terbeschikkingstelling ondanks de voorlopige hechtenis van [verdachte] nog steeds loopt.

Hiervanuitgaande heeft de officier van justitie de vordering tot verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling ingediend binnen de daarvoor in artikel 509o, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in zijn vordering.

7.2

De inhoudelijke beoordeling

Bij [verdachte] is sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis, kenmerken van de antisociale persoonlijkheidsstoornis, een stoornis in gebruik van alcohol, amfetamine en cocaïne, een verstandelijke beperking met als gevolg dat hij situaties minder goed kan overzien en een posttraumatische stressstoornis. De rechtbank schat de kans dat [verdachte] op korte termijn een delict van impulsieve agressieve aard pleegt, op zijn minst in als matig.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist.

Ten aanzien van de termijn van de verlenging overweegt de rechtbank het volgende.

[verdachte] is als verdachte gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer in het arrondissement Noord-Nederland (parketnummer 18/850028-17). Hem is tenlastegelegd dat hij op 10 november 2016 heeft gepoogd een ander opzettelijk van het leven te beroven (feit 1 primair), dan wel heeft gepoogd deze persoon zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 1 subsidiair) en dat hij op 10 november 2016 deze persoon wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden (feit 2). De inhoudelijke behandeling van deze zaak moet nog plaatshebben. Ten gevolge van deze verdenking en het voorarrest van [verdachte] in deze zaak ligt de behandeling van [verdachte] stil sinds april 2017.

Met name gelet op:

  • -

    het feit dat [verdachte] al bijna een jaar in voorarrest verblijft ten gevolge van de verdenking in de strafzaak met parketnummer 18/850028-17;

  • -

    het feit dat de behandeling en begeleiding van [verdachte] sindsdien heeft stilgelegen;

  • -

    de ongewisheid van de uitkomst van deze strafzaak;

  • -

    de reële verwachting dat een vordering tot wijziging van de voorwaarden wordt ingediend, indien [verdachte] wordt vrijgesproken;

  • -

    de reële verwachting dat een vordering tot hervatting van de verpleging van overheidswege wordt ingediend, indien [verdachte] wordt veroordeeld;

  • -

    het feit dat geenszins te verwachten is dat binnen een jaar gronden aanwezig zullen zijn die een beëindiging van de terbeschikkingstelling rechtvaardigen;

is de rechtbank van oordeel dat een verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar geïndiceerd is. Nu niet te voorzien is welke voorwaarden te zijner tijd moeten worden gesteld, indien de voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling in stand blijft, zal de rechtbank voor nu beslissen dat de eerder opgelegde en thans nog geldende voorwaarden worden gehandhaafd.

8 De beslissing

De rechtbank:

- verlengt de termijn gedurende welke [verdachte] ter beschikking is gesteld met twee jaar onder handhaving van de gestelde en thans nog geldende voorwaarden.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, voorzitter, mr. R.A.M.M. Gijselaers en mr. J.M.G. Gunsing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 maart 2018.

Buiten staat

Mr. J.M.G. Gunsing is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.