Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2586

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
Zaaknummer 6208414 CV EXPL 17-6053
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In een naar het oude recht gemodelleerde procedure wegens kennelijk onredelijke opzegging (art. 7:681 BW) is werkgever onder toepassing van het gevolgencriterium veroordeeld tot betaling van € 10 000 bruto aan schadevergoeding.

Dat vonnis dateert van 6 augustus 2014. Werknemer had veel meer gevorderd en op uiteenlopende gronden.

Niet gehonoreerd was in die uitspraak de redenering van werknemer dat de opzegging tevens aanvechtbaar was wegens het beweerdelijk valse of voorgewende karakter van de opzeggingsgrond.

Werknemer vordert medio 2017 alsnog herroeping van het vonnis in het kader van een door hem gewenste heropening van het geding.

Hij is van oordeel dat de uitspraak uit 2014 berust op bedrog door de werkgever gepleegd in het geding.

Voor dat standpunt denkt hij vooral of uitsluitend steun te vinden in (de afloop van) een recente verzoekschriftprocedure onder de werking van de Wwz in een ontslaggeschil dat aanhangig gemaakt was door het hoofd P&O van dezelfde werkgever.

Op grond van door die werkneemster gepleegde fraude - die volgens de herroeping vorderende werknemer aan de werkgever toe te rekenen zou zijn - is deze vrouw tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan schadevergoeding veroordeeld.

Haar claim tot vernietiging van de onverwijlde opzegging was door de kantonrechter in lijn hiermee bij beschikking d.d. 4 april 2017 afgewezen.

Werknemer leest in die uitspraak een bevestiging van de destijds door hem aangevoerde argumenten voor kennelijke onredelijkheid van de eigen opzegging.

De voor herroeping / heropening aangevoerde gronden worden echter in het vonnis van 21 maart 2018 ondeugdelijk geoordeeld. Het geding uit 2013/2104 wordt niet heropend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 6208414 CV EXPL 17-6053

Vonnis van de kantonrechter van 21 maart 2018

in de zaak

[eiser]

wonend in [woonplaats] aan de [adres]

verder ook aan te duiden als “ [eiser] ”

eisende partij

gemachtigde mr. R.M.M.M. Schreuders, adviseur in Merkelbeek, gemeente Onderbanken

tegen

STICHTING RESTAURATIE ATELIER LIMBURG

statutair gevestigd en kantoor houdend in (6221 KZ) Maastricht aan de Daemslunet 1 C

verder ook aan te duiden als “SRAL”

gedaagde partij

gemachtigde mr. E.V.C. Savelkoul, advocaat in Heerlen

1 De procedure

[eiser] heeft SRAL bij dagvaarding van 4 juli 2017 in rechte betrokken voor een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding. Tegelijk daarmee zijn aan SRAL zeven producties betekend waarop [eiser] zich mede beroept.

SRAL heeft - na herhaald uitstel - op 27 september 2017 schriftelijk geantwoord onder verwijzing naar twee harerzijds overgelegde producties.

Vervolgens heeft [eiser] - na verkregen uitstel - op 29 november 2017 voor repliek geconcludeerd. Naast een desgevraagd toegevoegde procesvolmacht heeft [eiser] met deze conclusie als achtste productie het complete (omvangrijke) procesdossier in de zaak 2391534 CV EXPL 13-3922 overgelegd.

Op 31 januari 2018 heeft SRAL ter afronding van het schriftelijke debat een conclusie van dupliek genomen waaraan zij ter illustratie nog de producties 3, 4 en 5 toegevoegd had.

Hierna is vonnis bepaald. De uitspraak is op vandaag gesteld.

2 Het geschil

2.1

[eiser] vordert de heropening van het geding (met enige daaraan toegevoegde vorderingen ten aanzien van beschikbaarstelling van bescheiden op de voet van art. 843a Rv) op basis van de eveneens gevraagde herroeping ex art. 382 e.v. Rv van een door deze kantonrechter op 6 augustus 2014 uitgesproken vonnis in de zaak 2391534 CV EXPL 13-3922 tussen dezelfde partijen. Hij vraagt van deze rechter tevens om de uitspraak tot heropening uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarop vooruitlopend verlangt hij onder meer dat in dit te heropenen geding, onder handhaving van het daarin uitgesproken oordeel dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [eiser] door SRAL als kennelijk onredelijk te kwalificeren valt, alsnog aan [eiser] een hogere schadevergoeding dan het toegekende bedrag van € 10 000 bruto toebedeeld wordt (€ 150 000 althans € 122 891,22 althans een bedrag van € 50 000 bruto althans een in goede justitie te bepalen bedrag). Ook verlangt hij tot zekerheid van eventuele betaling van dergelijke bedragen de cessie aan hem van een recentelijk aan SRAL toegevallen (in rechte toegewezen) vordering op een ex-werkneemster. Tot slot vordert [eiser] veroordeling van SRAL tot betaling van buiten rechte gemaakte kosten (niet nader ingevuld) en van de aan zijn zijde te liquideren proceskosten.

2.2

[eiser] baseert zijn vordering tot herroeping van de uitspraak van 6 augustus 2014 en tot heropening van het daaraan voorafgegane geding - sterk samengevat - op de volgende feitelijke omstandigheden en/of stellingen.

  • -

    [eiser] is van 1 september 1987 tot 1 augustus 2013 als restaurator bij SRAL in loondienst geweest en de arbeidsovereenkomst is - na verkregen toestemming van UWV WERKbedrijf - op bedrijfseconomische gronden opgezegd (opheffing van de afdeling of de activiteit restauratie papier en het daarmee vervallen van de functie van [eiser] zonder reële mogelijkheid van herplaatsing).

  • -

    Tegen deze opzegging is [eiser] in het geweer gekomen, eerst (zonder positief gevolg) in een interne bezwaarprocedure en vervolgens door het instellen van een vordering bij de kantonrechter Maastricht op de voet van art. 7:681 (oud) BW.

  • -

    De door [eiser] aangenomen kennelijke onredelijkheid van de opzegging is zijnerzijds in de procedure zowel gegrond op een veronderstelde valse of voorgewende reden als op de onevenredigheid van de gevolgen voor hem persoonlijk in verhouding tot het belang van SRAL.

  • -

    De destijds voor partijen relevante argumenten zijn in de op 6 augustus 2014 met een vonnis afgeronde procedure over en weer in twee schriftelijke procesronden en ter gelegenheid van een comparitie van partijen uitvoerig te berde gebracht en vervolgens in de uitspraak van de kantonrechter behandeld en gewogen.

  • -

    Het eindoordeel behelsde dat de kantonrechter niet de opvatting van [eiser] deelde dat aan de opzegging een vals of voorgewend motief ten grondslag lag, maar dat het wel redelijk was dat de gevolgen van de opzegging in het licht van de omstandigheden enigszins verzacht zouden worden: een door [eiser] tot dan toe verworpen voorstel van SRAL tot het beschikbaar stellen van een (‘met moeite bijeengeschraapte’) compenserende vergoeding van € 10 000 werd daartoe voldoende passend geacht.

  • -

    In het licht van een recentelijk tussen SRAL en haar werkneemster [naam hoofd P&O en Financiën] als hoofd P&O en Financiën gevoerde ontslagprocedure, waarvan [eiser] naar eigen zeggen via een perspublicatie omstreeks 11 april 2017 kennisgenomen heeft, moet in de visie van [eiser] anders tegen het vonnis van 6 augustus 2014 aangekeken worden.

  • -

    [naam hoofd P&O en Financiën] is - blijkens de in rechte overgelegde beschikking d.d. 4 april 2017 van de kantonrechter Maastricht - terecht wegens over een reeks van jaren gepleegde fraude op 20 december 2016 op staande voet ontslagen (haar overeenkomst is onverwijld opgezegd) en dient SRAL een bedrag van bijna € 110 000 aan schade te vergoeden.

  • -

    Omdat [eiser] in zijn actieve periode veelvuldig botste met [naam hoofd P&O en Financiën] in haar functie ‘als de machtigste en meest invloedrijke persoon binnen de organisatie van SRAL’ (onder meer wegens wat hij noemt zijn ‘gezond-kritische houding’ ten opzichte van bepaalde organisatorische beslissingen) werd hij naar eigen zeggen slachtoffer van ‘toenemende pesterijen, vernederende opmerkingen en financiële benadeling’.

  • -

    De handelwijze van [naam hoofd P&O en Financiën] heeft (destijds) een zeer negatieve invloed gehad op de gezondheid van [eiser] , met ziekte (en arbeidsongeschiktheid) tot gevolg en klachten die uit verstoring van de arbeidsverhouding voortkwamen.

  • -

    [eiser] ziet in de bewezenverklaring (door de kantonrechter bij beschikking d.d. 4 april 2017) van de jarenlang door [naam hoofd P&O en Financiën] gepleegde fraude zijn gelijk bevestigd ten aanzien van het destijds tevergeefs in rechte bepleite argument dat de door SRAL ten opzichte van hem in 2013 gehanteerde ontslagreden ‘vals’ of fictief was.

  • -

    Een tweede ‘feit’ dat hem tot die overtuiging brengt, is dat volgens hem ‘bewezen’ is dat medio januari 2013, toen SRAL het besluit tot opheffing zegt te hebben genomen, nog steeds sprake was van een bestaande afdeling restauratie papier (verwezen is hiervoor naar prod.5 bij exploot, een deel van een persbericht d.d. 23 november 2015 met een door SRAL geventileerde opvatting over de periode van besluitvorming). Volgens [eiser] heeft SRAL hiermee (eind 2015) erkend dat die sluiting te maken had met de ‘crisis’ (waarmee dan de kredietcrisis van 2008 / 2009 bedoeld zou zijn).

  • -

    In beide ‘feiten’ leest [eiser] door SRAL gepleegd bedrog in de zin van art. 382 (aanhef en) sub a. Rv althans ‘valsheid’ in de zin van onderdeel sub b. van de stukken waarop het vonnis van de kantonrechter berustte.

  • -

    [eiser] is van oordeel dat het handelen van [naam hoofd P&O en Financiën] ‘in het licht van de onderhavige procedure’ volledig aan SRAL toe te rekenen is in verband met haar positie van leidinggevende (en - een ‘opmerkelijke keuze’ volgens [eiser] - secretaris van de Raad van Toezicht). Een gebrek aan toezicht van SRAL jegens [naam hoofd P&O en Financiën] en het aldus gedogen dat [naam hoofd P&O en Financiën] ‘loog’ over de financiële situatie, slaat op SRAL terug, ook waar het gaat om het destijds gevoerde ‘habe nichts’ verweer.

  • -

    Als zelfstandig (subsidiair) bedrogargument voert [eiser] nog aan dat SRAL ‘inmiddels’ voor papierrestauratie ‘samenwerkt’ met [naam zzp'er] ( [bedrijfsnaam] ) door haar ‘workshops’ te laten verzorgen (bron: website SRAL).

2.3

[eiser] weerspreekt in voortgezet debat de bij antwoord tegen de vordering ingebrachte stellingen en verweren. Hij volhardt bij het gekozen uitgangspunt dat hij voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd heeft die ‘een verdenking van bedrog’ rechtvaardigen en weidt in zijn repliek wederom uit over gedragingen van [naam hoofd P&O en Financiën] (in relatie mede tot zijn eigen langjarige ervaring met haar en de organisatie van SRAL). Gedragingen die hij aan SRAL wenst toe te rekenen en die hem tot de conclusie brengen dat er voor zijn ontslag ‘een geheel andere reden heeft bestaan’ dan het gebruikte bedrijfseconomische motief. In werkelijkheid ging het om een ‘verstoorde arbeidsverhouding tussen [eiser] en [naam hoofd P&O en Financiën] ’. Daarnaast licht [eiser] verder toe hoe in dat beeld ook zijn (subsidiaire) ‘aanvullende herroepingsgronden’ een rol (zouden moeten) spelen: het pas later ontdekte (op de site van SRAL geplaatste) nieuwsbericht over de ‘crisis’ als opheffingsgrond voor de bewuste afdeling en de uitbesteding van ‘opdrachten papierrestauratie’ die valt af te leiden uit de inschakeling van mevrouw [naam zzp'er] , ook al ontbreken [eiser] (vooralsnog) de nauwkeurige details omtrent inhoud en omvang daarvan. [eiser] bestrijdt de tegenwerping van SRAL dat hij met zijn op art. 843a Rv gebaseerde nevenvorderingen tot afgifte van (alle) bescheiden die zien op het onderzoek naar de gedragingen van [naam hoofd P&O en Financiën] alsmede stuken die zien op de (rechts)verhouding tussen SRAL en mevrouw [naam zzp'er] , zich schuldig maakt aan een ongerechtvaardigde ‘fishing expedition’. Zijn subsidiaire vordering tot cessie van de vordering die SRAL op [naam hoofd P&O en Financiën] heeft, ziet hij als anticipatie op een door SRAL (na eventuele heropening van het geding) mogelijk te voeren ‘habe nichts’ verweer. [eiser] heeft onder het aanbieden van omvangrijk getuigenbewijs (waarbij niet altijd duidelijk is op welk specifiek - voor dit herroepingsgeding relevant - onderwerp zulk bewijs zou moeten zien) gepersisteerd bij zijn vordering(en).

2.4

In haar verweer in twee procesronden heeft SRAL zich - uitvoerig gemotiveerd en mede aan de hand van een uitgewerkt juridisch kader - verzet tegen de primaire vorderingen tot heropening van het geding, tot herroeping van het eerder uitgesproken vonnis en tot afgifte van de bescheiden die [eiser] beschikbaar gesteld wenst te zien. Deels zijn deze vorderingen prematuur. In zijn feitenweergave bewandelt [eiser] volgens SRAL een vreemde weg door het nu opeens voor te stellen alsof hij een langdurig conflict gehad heeft met [naam hoofd P&O en Financiën] , die nota bene nooit zijn leidinggevende was. Wat hij nu allemaal opmerkt, is daarmee tardief. Ook de volgens SRAL in het geheel niet onderbouwde subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen (die tevens prematuur zijn) kunnen er niet mee door. Nog daargelaten welke rechtsgrond [eiser] aanwezig acht voor een vordering tot cessie. SRAL heeft bij antwoord en dupliek in drieëntwintig respectievelijk twintig pagina’s een uitvoerig eigen beeld geschetst van haar standpunt, de feitelijke situatie bij SRAL en die van [eiser] alsmede de onderlinge voorgeschiedenis, het juridische kader en de weerlegbare inhoud van de diverse vorderingen. Geen van die vorderingen leent zich volgens SRAL voor toewijzing en aan het nader door [eiser] aangeboden bewijs dient om diverse redenen voorbijgegaan te worden. Naast afwijzing van de vorderingen van [eiser] vraagt SRAL diens veroordeling tot betaling van de proceskosten alsmede de op voorhand te begroten nakosten (met de aan SRAL verschuldigde wettelijke rente over die posten vanaf acht dagen na dagtekening van een daartoe strekkend veroordelend vonnis).

2.5

Waar nuttig en nodig zullen specifiekere en/of meer in detail tredende stellingen van partijen aan de orde komen en gewogen worden bij de overwegingen in het volgende onderdeel van deze uitspraak (‘de beoordeling’).

3 De beoordeling

3.1

De omvang van de processtukken en producties zou aanmerkelijk geringer geweest zijn als [eiser] zich beperkt had tot (een poging tot beantwoording van) de vraag of zich hier een grond tot heropening voordoet van het met een vonnis van 6 augustus 2014 afgesloten geding onder zaaknummer 2391534 CV EXPL 13-3922. Dit volgens [eiser] voor herroeping vatbare vonnis was op zijn beurt al het eindproduct van een procedure waarin door / namens deze twee partijen heel veel gezegd (in een op 11 december 2013 gehouden comparitie van partijen) en verder in twee volle procesronden plus aktewisseling geschreven en/of aan producties geleverd is. De omvangrijke achtste productie die [eiser] meende bij repliek d.d. 29 november 2017 nog te moeten inbrengen, getuigt daarvan. De kantonrechter zal daarom in dit onderdeel van het vonnis van heden noodgedwongen veel van het in dit vervolggeding op papier gezegde en/of geproduceerde buiten beschouwing laten omdat het voor de actuele beoordeling en beslissing in het geheel niet doorslaggevend is. Zonde van het papier en de energie die er in gestoken is, maar bepalend is het wettelijke kader dat in de Eerste Afdeling van de Tiende Titel van het Eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gegeven is voor herroeping van vonnissen. Veel materiaal dat door partijen behandeld is, gaat dit kader te buiten. Zelfs onderdelen van de primaire vordering overschrijden het kader van de wettelijke regeling en kunnen in het belang van een goede procesore niet behandeld worden, omdat zij vooruitlopen op een eventueel oordeel dat het geding heropend moet worden. Voor de (meer) subsidiaire vordering geldt dit bezwaar van prematuriteit in haar geheel. De beide van de primaire vordering deel uitmakende exhibitieclaims ex art. 843a Rv moeten eveneens zonder meer afgewezen worden, omdat een redelijk / gerechtvaardigd belang van [eiser] ontbreekt bij de verstrekking van rapportages en bescheiden van accountants Koenen & Co (in het kader van onderzoek naar de malversaties / financiële transacties van SRAL-werkneemster [naam hoofd P&O en Financiën] dat vooral zag op de jaren 2015 / 2016) alsmede van ‘de rechtsverhouding tussen [naam zzp'er] en SRAL’. Indien en voor zover [eiser] al mocht menen dat langs die weg te verwerven informatie die te maken heeft met (deels slechts veronderstelde) rechtsbetrekkingen waar hij in beginsel buiten staat, meer of beter zicht biedt op de in dit geding te beantwoorden vragen, had hij dit beter en vollediger moeten motiveren. Nu dergelijke onderbouwing ontbreekt, kan de vordering ter zake niet anders worden gezien dan een ‘fishing expedition’ (‘visexpeditie’) en ontbreekt het rechtmatige belang. Daarbij komt voor wat betreft de door [eiser] veronderstelde - maar door SRAL gemotiveerd en gedocumenteerd betwiste - uitbesteding van werkzaamheden in de sfeer van papierrestauratie aan [naam zzp'er] nog iets. Zo’n uitbesteding zou wonderwel sporen met een in 2013 bij opheffing van de eigen afdeling restauratie papier door SRAL aan [eiser] gedaan aanbod om bedrijfsmiddelen van haar over te nemen en daarmee voor zichzelf te beginnen als papierrestaurator. Voor zover SRAL dan in de toekomst werk zou uitbesteden, had [eiser] als zzp’er zelf een opdracht kunnen verwerven waarvan hij veronderstelt dat [naam zzp'er] die af en toe krijgt. Conclusie moet zijn dat SRAL met eventuele inschakeling van [naam zzp'er] als zelfstandig opdrachtnemer geen afspraak schendt noch bedrog pleegt (laat staan in het geding dat destijds diende).

3.2

Alles welbeschouwd resteert dus een beslissing op de volgende naar de wettelijke regel gemodelleerde vraag, die door [eiser] op basis van art. 382 Rv aan de orde gesteld is:

  • -

    Heeft SRAL in de op 6 augustus 2014 afgesloten gerechtelijke procedure over de door [eiser] kennelijk onredelijk geachte opzegging van zijn arbeidsovereenkomst een zodanig oneerlijke proceshouding aangenomen, dat de kantonrechter het door hem uitgesproken vonnis heeft doen berusten op bedrog door haar (SRAL) als wederpartij in die procedure gepleegd (a-grond) dan wel op stukken waarvan de valsheid na het vonnis erkend of bij gewijsde vastgesteld is (b-grond)?

  • -

    Hoewel de door [eiser] gevolgde redenering af en toe tendeert in de richting van de b-grond, is hij heel expliciet in het aanduiden van de a-grond als enige rechtsgrond voor zijn vordering tot heropening van het geding en tot herroeping van het vonnis. De verdere overwegingen zullen zich dan ook tot de aangevoerde a-grond beperken.

3.3

Aldus vereenvoudigd en gepreciseerd kan deze vraag op basis van de uitvoerige feitelijke discussie van partijen in dit geding slechts ontkennend beantwoord worden.

Indien en voor zover er al in 2013 / 2014 tussen moment van dagvaarding (23 september 2013) en datum van de uitspraak in de zaak 2391534 CV EXPL 13-3922 (6 augustus 2014) in de arbeidsorganisatie van SRAL - waar [eiser] toen geen deel meer van uitmaakte - enig bedrog gepleegd is, en indien en voor zover zulk bedrog al aan de werkgever SRAL toe te rekenen valt, is zulk bedrog in elk geval niet in het geding gepleegd. Laat staan dat deze rechter er zich in zijn vonnis ook maar in enig opzicht door heeft laten leiden (de in de wettelijke regel vereiste, maar door [eiser] in het geheel niet behandelde, laat staan aangetoonde causale relatie via het vereiste ‘berusten op’). Als het immers al zo is dat de achteraf gebleken fraude of het tot financiële rampspoed leidende wangedrag van [naam hoofd P&O en Financiën] zich niet pas in 2015 /2016 voordeed, de jaren waarop de Wwz-beschikking in het geding [naam hoofd P&O en Financiën] / SRAL, gebaseerd is, maar ook al in de aanloop naar het ontslag van [eiser] in 2013, dan valt nog steeds niet vol te houden dat SRAL bedrog pleegde doordat zij naliet daar al in de procedure onder zaaknummer 2391534 tegenover de kantonrechter melding van te maken (als mogelijke opzeggingsgrond of bijkomende omstandigheid). In de eerste plaats al niet omdat zelfs [eiser] niet beweert dat SRAL daar toen ook maar enige wetenschap van had. Bedrog kan verder ook niet gepleegd worden ten aanzien van wetenschap die een of meer de rechtspersoon vertegenwoordigende natuurlijke persoon / personen weliswaar niet heeft / hebben, maar die deze(n) eventueel geacht moet(en) worden gehad te hebben.

3.4

Als de feiten - in dit geval achteraf - een zekere draai krijgen omdat het verleden door externe naspeuring of nieuwe ontwikkelingen anders ingekleurd wordt, betekent dit nog niet dat een oordeel dat gebaseerd is op zorgvuldig gewogen wetenschap van destijds zonder meer aantastbaar moet zijn. In elk geval gaat de wetgever daar slechts voor een of meer zeer bijzondere situaties van uit (art. 382 Rv). De rechtszekerheid en een fatsoenlijke procesorde verzetten zich tegen de door [eiser] impliciet bepleite vergaande oprekking van de mogelijkheid tot heropening en herroeping. Ten tijde van de gevoerde procedure heeft niet alleen de kantonrechter maar ook het UWV WERKbedrijf op valide feitelijke gronden kunnen en mogen oordelen dat een (al dan niet door de naweeën van de financiële crisis van 2008/2009 veroorzaakte) bedrijfseconomische noodzaak SRAL binnen haar beleidsvrijheid als ondernemer mocht doen besluiten tot vervallenverklaring van de functie van [eiser] . Door [eiser] ook toen al veronderstelde (maar nu nog eens extra aangezette of zelfs vermeerderde) alternatieve motieven aan de kant van SRAL zijn destijds in de beoordeling betrokken doch te licht bevonden. Het ontslagmotief zelf doorstond de rechterlijke toets glansrijk en blijft ook thans in stand (ook al is in het vonnis van augustus 2014 geoordeeld dat in de gevolgensfeer voor [eiser] enige correctie in financieel opzicht nodig en gewenst was).

3.5

De twee door [eiser] - naast de ontdekking van enige punten uit de ontslagzaak [naam hoofd P&O en Financiën] / SRAL - voor het vermeende ‘bedrog van SRAL’ genoemde relevante ‘feiten’ zijn zonder meer te mager om er zelfs maar ten dele of aanvullend ‘bedrog’ in te ontwaren. SRAL zou in de eerste plaats via een ‘perspublicatie’ of op haar website per 23 november 2015 hebben bericht dat sluiting van het ‘papieratelier’ samenhing met ‘de crisis’. Dat [eiser] bij kennisneming hiervan (kennelijk pas op een moment na april 2017) ‘bijkans van zijn stoel viel van verbazing’, mag dan zo zijn, maar het zegt eigenlijk niets. Dat in 2013 de gevolgen of naweeën van de krediet- en schuldencrisis van de jaren 2008 en 2009 nog volop merkbaar waren, is in de gevoerde ontslagprocedure juist de kern van de argumentatie van SRAL geweest. Hoe [eiser] hier ook maar enige tegenstrijdigheid in ontwaart, is een raadsel. Hetzelfde geldt voor de vermeende (en dan nog uiterst beperkte) ‘uitbesteding’ van werk op het gebied van papierrestauratie aan de zzp’er [naam zzp'er] / [bedrijfsnaam] , mogelijk slechts in de vorm van het verzorgen van een of meer workshops. Dat vormde, als het voor wat betreft [naam zzp'er] al realiter gebeurd is, juist de opzet bij sluiting van de papierafdeling: indien zich in de toekomst behoefte aan papierrestauratie zou voordoen, zou dit in opdracht gebeuren en daarvoor kon dan zelfs [eiser] in aanmerking komen als hij zich als zzp’er op de markt zou begeven (hij voelde daar echter niets voor en ging niet in op het aanbod tot overneming van bedrijfsmiddelen van SRAL).

3.6

Ook als SRAL in de huidige situatie door toewijzing van schadevergoeding jegens [naam hoofd P&O en Financiën] in de beschikking d.d. 4 april 2017 iets ruimer bij kas is, betekent dit nog niet dat daarmee het op enige onderdelen van haar toenmalige financiële positie uitgaande oordeel van de kantonrechter herroepen zou moeten worden (na een beslissing tot heropening van het geding). Voor zo’n heropening ontbreekt immers een doorslaggevende grond zoals hiervoor op basis van de stukken overwogen en geoordeeld is.

3.7

De afwijzing van de vordering(en) van [eiser] betekent dat hij in de proceskosten verwezen dient te worden, aan de kant van SRAL begroot op € 1 400,00 (2 x € 700,00) aan salaris gemachtigde. Over dit bedrag wordt [eiser] eventueel wel rente verschuldigd, maar pas vanaf veertien dagen na ontvangst van dit vonnis. Omdat de kantonrechter er van uitgaat dat [eiser] vrijwillig voldoet aan deze hem opgelegde verplichting, wordt er van afgezien om bij voorbaat de (door SRAL niet correct geformuleerde) eventuele nadere kosten van tenuitvoerlegging van het kostenoordeel te begroten.

4. De beslissing

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

- De vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

- [eiser] wordt daarom veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van SRAL tot de datum van dit vonnis bepaald op een totaalbedrag van € 1 400,00, nog te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 6 april 2018 indien dit bedrag niet uiterlijk 5 april 2018 aan SRAL / haar gemachtigde betaald mocht zijn.

- Het vonnis wordt voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS