Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2535

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
03/659054-17 / 03/659018-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring voor poging zware mishandeling van drie politieagenten, bedreiging van vier politieagenten, beschadiging van een dienstfiets en weigering medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek.

Bewezenverklaring voor bedreiging met een vuurwapen, het voorhanden hebben van een vuurwapen en het beschadigen van een autoruit.

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 jaren en 9 maanden.

Toewijzing van de drie vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers: 03/659054-17, 03/659018-17 (ter terechtzitting gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. Y. Quint, advocaat, kantoorhoudende te Eindhoven.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 maart 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

In de zaak met het parketnummer 03/659018-17

Feit 1: [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een vuurwapen;

Feit 2: een vuurwapen en twee knalpatronen voorhanden heeft gehad;

Feit 3: een autoruit heeft vernield of beschadigd.

In de zaak met het parketnummer 03/659054-17

Feiten 1, 2 en 6: heeft geprobeerd verbalisanten [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van het

leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel

dat hij hen heeft bedreigd;

Feiten 3 en 4: verbalisanten heeft bedreigd;

Feit 5: een dienstfiets en een dienstauto heeft vernield of beschadigd;

Feit 7: heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

In de zaak met het parketnummer 03/659018-17 acht de officier van justitie alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Daartoe heeft hij ter zake alle feiten gewezen op de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting. Met betrekking tot feit 3 heeft de officier van justitie voorts nog gewezen op het proces-verbaal van bevindingen op pagina 66 van het dossier, waaruit volgt dat de ruit van het bestuurdersportier van de auto is beschadigd.

In de zaak met het parketnummer 03/659054-17 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde onder de feiten 2 (poging doodslag op verbalisant [slachtoffer 3]) en 6 (poging doodslag op verbalisant [slachtoffer 4]). Volgens de officier van justitie geldt ten aanzien van beide feiten dat niet kan worden bewezen dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Daarvoor was de snelheid te laag. Wel was er een aanmerkelijke kans dat de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, reden waarom de officier van justitie de subsidiair ten laste gelegde variant wel wettig en overtuigend bewezen acht.

Ten aanzien van feit 1 acht de officier van justitie het primair ten laste gelegde (poging doodslag op verbalisant [slachtoffer 2]) wel bewezen. Verbalisant [slachtoffer 2] heeft op ambtseed verklaard dat de auto van verdachte met piepende banden zijn richting op kwam en dat – indien hij niet tijdig was weggesprongen – hij klem zou zijn komen te zitten tussen verdachtes auto en het dienstvoertuig. De auto van verdachte heeft de dienstauto ook geraakt en beide auto’s hebben dientengevolge schade opgelopen. De kans dat [slachtoffer 2] zou zijn komen te overlijden indien hij niet tijdig was weggekomen, is aanmerkelijk. Deze kans heeft verdachte bewust aanvaard: hij had moeten weten dat achter zijn auto een politieagent kon staan. Toen hij achteruit reed, sprak hij immers tegelijkertijd met verbalisant [slachtoffer 3] en hij wist dat er een politieauto in de buurt was. Vervolgens is hij hard achteruit gereden, waarmee hij bewust de kans op het overlijden van [slachtoffer 2] , die zich achter zijn auto bevond, heeft aanvaard.

Ten aanzien van de feiten 3, 4 (bedreigingen) en 7 (weigeren medewerking bloedonderzoek) heeft de officier van justitie betoogd dat ook deze feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Hij verwijst daarbij naar de processen-verbaal van bevindingen van de betreffende verbalisanten en de verklaringen van verdachte ter terechtzitting daarover. Ook de vernieling van de dienstfiets en dienstauto (feit 5) acht de officier van justitie op basis van de aangifte in combinatie met de geconstateerde schade aan beide voertuigen (pagina’s 159 tot en met 165 van het dossier), het proces-verbaal van verbalisant [slachtoffer 4] (over de dienstfiets) en de processen-verbaal van de verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] (over het dienstvoertuig) wettig en overtuigend bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

In de zaak met het parketnummer 03/659018-17 heeft de verdediging vrijspraak bepleit ter zake het onder 3 ten laste gelegde feit. Het bewijs dat de autoruit is beschadigd én dat dit door het handelen van verdachte is gebeurd ontbreekt. Ten aanzien van de overige feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

In de zaak met het parketnummer 03/659054-17 heeft de verdediging (primair) integrale vrijspraak bepleit van de feiten ten laste gelegd onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6.

Met betrekking tot de feiten 1, 2 en 6 heeft de verdediging onder verwijzing naar een op schrift gestelde pleitnota uitvoerig betoogd dat verdachte geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel jegens de betreffende verbalisanten. Ten aanzien van alle verbalisanten geldt daarvoor volgens de verdediging dat de snelheid waarmee verdachte reed veel te laag was en de afstand ook veel te kort. In het geval van [slachtoffer 2] (feit 1) was verdachte zich bovendien niet bewust van het feit dat er iemand achter zijn auto stond en hij heeft dan ook geen enkele kans bewust aanvaard. In het geval van [slachtoffer 3] (feit 2) acht de verdediging nog relevant dat er slechts sprake is van zeer beperkt letsel en in het geval van [slachtoffer 4] (feit 6) acht de verdediging nog van belang dat de door de auto geraakte fiets geen grote schade heeft en dat uit niets blijkt dat verbalisant [slachtoffer 4] heeft moeten wegspringen, omdat hij anders zou zijn geraakt. Wat de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging betreft, voert de verdediging nog aan dat er gelet op de geringe afstand voor een bewezenverklaring meer nodig is dan het enkel met een motorgeluid en/of het geluid van gasgeven wegrijden met een auto, bijvoorbeeld een evidente stuurbeweging. Nu dit niet kan worden vastgesteld, dient verdachte ook hiervan te worden vrijgesproken.

Ter zake de feiten 3 en 4 heeft de verdediging aangevoerd dat het hier gaat om uitingen gedaan uit onmacht in verband met de aanhouding van verdachte. De bedreigingen waren niet gericht op het aanjagen van vrees. Gelet op de context van de geuite bewoordingen, dient verdachte van deze feiten te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gelet op de uitdrukkelijke weigering van verdachte om mee te werken aan een bloedonderzoek, heeft de verdediging zich ten aanzien van feit 7 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

In de zaak met parketnummer 03/659018-17 1

Feit 1

De rechtbank acht de tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 1] met een vuurwapen wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting;2

- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 16 januari 2017.3

Feit 2

De rechtbank acht het tenlastegelegde voorhanden hebben van een vuurwapen en twee knalpatronen wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting;4

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende wapens, munitie en explosieven van 19 januari 2017.5

Feit 3

Op 16 januari 2017 deed [slachtoffer 1] namens de benadeelde [slachtoffer 5] aangifte van vernieling.6 Hij verklaarde dat hij op 16 januari 2017 om 16:11 uur over de Venloseweg te Venlo reed in de auto van zijn vader, een rode Nissan Micra met het kenteken [nummer] . Hij verklaarde dat de bestuurder uit de auto achter hem uitstapte en naar hem toeliep. Hij zag dat de man naast de auto stond en de loop van een wapen beetpakte en met de kolf tegen de ruit aansloeg. Hij zag en hoorde dat hij drie à vier keer tegen de ruit sloeg. Hierdoor is de ruit beschadigd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 16 januari 2017 te Venlo met een revolver tegen de ruit van de auto van aangever heeft getikt.7

Op 18 januari 2017 heeft verbalisant [naam 1] onderzoek verricht aan het voertuig voorzien van het kenteken [nummer] . Hij heeft gerelateerd dat hij op het raam van het bestuurdersportier een aantal krassen heeft waargenomen. Het betroffen oppervlakkige krassen, in het midden van het raam. Hij zag dat de krassen alle een afmeting hadden van ongeveer 2 à 3 centimeter en dat ze zich bevonden binnen een gebied van ongeveer 30 centimeter bij 30 centimeter.8

Uit deze bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat buiten redelijke twijfel kan worden gesteld dat verdachte een aantal keren met een hard voorwerp tegen het raam van het bestuurdersportier heeft getikt ten gevolge waarvan er een aantal krassen op de ruit is gekomen. Dat de door de verbalisant waargenomen krassen ook gebruikersschade kunnen zijn, acht de rechtbank gelet op de geclusterde positionering ervan niet aannemelijk.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ruit van de Nissan Micra van [slachtoffer 5] heeft beschadigd, zoals omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.2

In de zaak met parketnummer 03/659054-17 9

3.3.2.1 Feiten 1, 2 en 6

3.3.2.1.1 Bewijsmiddelen

Op 11 februari 2017 omstreeks 03:15 uur waren verbalisanten [naam 2] ,10 [slachtoffer 4] ,11 [slachtoffer 2]12 en [slachtoffer 3]13 in Venlo werkzaam als agenten van de politie Eenheid Limburg. [naam 2] en [slachtoffer 4] waren belast met het toezicht in het openbare orde gebied, beiden gekleed in politie-uniform en als zodanig herkenbaar. Zij verplaatsten zich met een opvallende politiebike. Ook [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] waren gekleed in een politie-uniform. Zij verplaatsten zich in een opvallend dienstvoertuig.

Verbalisant [naam 2] relateerde op ambtseed, zakelijk weergegeven, over hetgeen die nacht plaatsvond en als feit 6 is ten laste gelegd als volgt.

Ik zag dat de bestuurder van een personenauto, een groene Volkswagen Lupo, wilde keren, maar ik had de indruk dat dit niet lukte. Dit leidde ik af uit het feit dat de auto tweemaal enkele centimeters naar voren reed. Ik wilde vragen wat er aan de hand was. Toen ik bij het bestuurdersportier van de personenauto aankwam, tikte ik op het raam. Op dat moment reed de bestuurder de auto juist naar achteren. Ik moest mijn rechterbeen intrekken om te voorkomen dat ik werd geraakt. Ik zag vervolgens dat mijn collega [slachtoffer 4] zijn fiets enkele meters voor het voertuig had geplaatst. Toen de bestuurder de auto had gedraaid, zag ik dat de bestuurder zijn middelvinger naar mij en mijn collega opstak. Vervolgens hoorde ik dat het motorgeluid van de personenauto oplaaide. Het klonk als het geluid wanneer men vol gas geeft wanneer de versnellingspook in neutraal staat. Dit gebeurde ongeveer 2 keer. Vervolgens hoorde ik dat de banden van de personenauto begonnen te piepen, gecreëerd door de spinnende banden van de personenauto. Ik hoorde dat het motorgeluid hierbij eveneens oplaaide. Vervolgens zag ik dat de bestuurder zijn personenauto vooruit reed. Ik zag dat de bestuurder met de hoogst mogelijke snelheid, gezien het motorgeluid, zich verplaatste in de richting van de [adres 3] te Venlo. Ik zag dat de bestuurder hierbij in botsing kwam met de dienstfiets van collega [slachtoffer 4] en ik hoorde een knal. Ik zag dat de dienstfiets als gevolg hiervan met een smak op het trottoir terecht kwam.

Verbalisant [slachtoffer 4] relateerde op ambtsbelofte, zakelijk weergegeven, over hetgeen die nacht plaatsvond als volgt.

Ik zag dat [naam 2] met zijn fiets naast het bestuurdersportier stopte en dat hij op het raam van het bijrijdersportier klopte. Ik zag dat de bestuurder tegelijkertijd de auto met hoge snelheid achteruit de rijbaan op reed. Ik zag dat [naam 2] hierbij noodgedwongen opzij stapte om te voorkomen dat de linker voorzijde van de Lupo hem raakte. Ik stapte snel van mijn fiets en bevond mij op dat moment aan de voorzijde van de Lupo. Op dat moment keek de bestuurder mij recht aan. Ik zag dat hij beide middelvingers naar mij op stak. Ik zag dat hij ontzettend opgefokt was en had het vermoeden dat hij buitenzinnig was. Ik plaatste snel mijn dienstfiets voor de Lupo. Ik hoorde dat het motorgeluid van de Polo [de rechtbank begrijpt Lupo] twee tot drie maal hevig oplaaide, gelijkend op het geluid van flink gas geven. Op dat moment bevond ik mij nog recht voor het voertuig. De bestuurder keek mij zodanig agressief en buitenzinnig aan, dat ik sterk het gevoel had dat deze zich door niets of niemand zou laten stoppen. Ik stapte daarop snel naast mijn dienstfiets, om te voorkomen dat de Lupo mij bij het wegrijden zou aanrijden en zag dat de Lupo tegelijkertijd met hoge snelheid en piepende banden voorwaarts reed. Ik zag dat de Lupo met diens voorzijde tegen de rechterflank van mijn surveillancemountainbike reed. Ik zag dat de surveillancemountainbike hierdoor geramd werd en enkele meters voorwaarts door de lucht vloog en op het wegdek terecht kwam. Ik zag dat de Lupo mij op een afstand van minder dan een meter passeerde. Ik liet op dat moment net het stuur van de surveillancemountainbike los.

Ter terechtzitting heeft verdachte over dit incident verklaard dat hij de bestuurder van de Volkswagen Lupo was.14 De verbalisant die zijn fiets voor de auto zette, heeft hij waargenomen. Hij is daarop weggereden, voorwaarts. Daar stond ook die fiets. Hij heeft gemerkt dat hij de fiets raakte, maar is doorgereden. Hij wilde wegkomen.

Van dit incident zijn camerabeelden. Verbalisant [naam 3] heeft de camerabeelden bekeken en hetgeen hij heeft waargenomen gerelateerd.15 Hij relateerde over dit incident, zakelijk weergegeven, het volgende:

Camera 4 genaamd [adres 1] 11/2/17. (…) Vervolgens zie ik dat de andere politieagent van zijn fiets afstapt en deze fiets voor de genoemde groene auto stalt. Op dat moment bedraagt de afstand tussen de auto en deze fiets ongeveer 2 meter. Ik zie dat de genoemde politieagent richting de zijkant van zijn fiets loopt, maar dat hij zijn fiets nog steeds vast heeft. Op dat moment zie ik dat de groene auto gas geeft en wegrijdt de [adres 2] in, gaande richting de [adres 3] .

Verbalisant [slachtoffer 2] relateerde op ambtsbelofte, zakelijk weergegeven, als volgt over hetgeen die nacht vervolgens plaatsvond en als feiten 1 en 2 is ten laste gelegd.

Op 11 februari 2017 omstreeks 03:11 uur zag ik dat een kleine groene auto hard wegreed. Dat hij hard reed zag ik, omdat hij hard van mij reed en ik reed 50 kilometer per uur. Ik zag dat de auto tegen een glazen pui aankwam. Ik parkeerde het dienstvoertuig erachter en mijn collega [slachtoffer 3] en ik stapten uit. Ik zag collega [slachtoffer 3] het voorportier aan de bijrijderszijde openen. Ik wilde naar de bestuurderszijde lopen, maar op het moment dat ik voor mijn dienstvoertuig was, hoorde ik de Volkswagen Lupo gas geven en zag ik dat de Lupo met piepende banden mijn richting op kwam. Ik kon net op het laatste moment wegspringen. Ik hoorde en zag dat de Lupo het dienstvoertuig ramde. Ik voelde dat ik op dat moment aan de dood ontsnapte. Als ik niet weg was gesprongen, had ik tussen het dienstvoertuig en de Lupo gezeten. Ik zag dat tijdens het achteruit rijden mijn collega [slachtoffer 3] werd geraakt door het portier van de Lupo.

Verbalisant [slachtoffer 3] relateerde op ambtseed, zakelijk weergegeven, over ditzelfde incident als volgt.

Ik zag dat de groenkleurige personenauto tot stilstand kwam. Ons dienstvoertuig werd vlak erachter geparkeerd en toen ben ik uit het dienstvoertuig gestapt en naar de groenkleurige auto gerend. Het dienstvoertuig stond op dat moment enkele meters achter de groenkleurige auto geparkeerd. Ik trok de passagiersdeur open, die vervolgens open bleef staan, en riep de mij onbekende manspersoon aan met de woorden: “Politie, leg je handen op het stuur en doe wat ik je beveel’. Ik zag dat de manspersoon mij aankeek en vervolgens naar mij riep: “ik schijt op jouw politie en flikker op.” Op dat moment stond ik op straat, maar wel nog in de deuropening, voorover gebukt om contact te krijgen met de bestuurder van de Lupo. Ik zag en hoogde dat de Lupo met piepende banden en daarbij fors accelererend achteruit reed waarbij de openstaande passagiersdeur mij raakte aan de rechterkant van mijn lichaam. Ik ondervond hiervan een hevige pijnscheut aan mijn rechterarm. Ik werd door de deur naar achteren gedrukt. Terwijl ik naar achteren werd gedrukt heb ik met mijn lichaam een draai naar links kunnen maken waardoor ik weg ben kunnen komen van de openstaande deur. Als ik niet de kracht had gehad om mijn lichaam tijdens het achteruit drukken naar links te kunnen draaien, was ik onder het voertuig van verdachte gekomen.

Verdachte heeft ter terechtzitting over dit incident verklaard dat hij de bestuurder van de Volkswagen Lupo was.16 Hij zag de zwaailichten van de politieauto en heeft de verbalisant die de deur van het bijrijdersportier opende gezien en ook gehoord dat de agent iets zei. Hij is daarop naar achteren en vervolgens weggereden.

3.3.2.1.2 Vrijspraak- en bewijsoverweging

Wat is er gebeurd?

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 11 februari 2017 te Venlo omstreeks 03:15 uur als bestuurder van een Volkswagen Lupo allereerst met een aanzienlijke snelheid tegen de fiets van [slachtoffer 4] (een surveillancemountainbike) aan is gereden, waardoor deze fiets enkele meters is meegesleurd. Uit zowel de verklaring van verbalisant [slachtoffer 4] (‘tegelijkertijd’) als het proces-verbaal van de camerabeelden (‘op dat moment’) volgt dat het moment dat verdachte gas gaf en het moment dat [slachtoffer 4] van zijn fiets weg stapte gelijktijdig waren. Naar het oordeel van de rechtbank kan buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte verbalisant [slachtoffer 4] met de auto zou hebben geraakt, indien [slachtoffer 4] niet zelf opzij was gegaan.

Vervolgens is verdachte tegen een glazen pui gebotst, waarbij hij waarnam dat er een politieauto met zwaailichten achter hem aankwam. Bij de glazen pui is hij vervolgens hard achteruit gereden, terwijl verbalisant [slachtoffer 3] in de deuropening van het bijrijdersportier stond. [slachtoffer 3] werd geraakt, maar niet meegesleurd, omdat hij zijn lichaam nog naar links heeft kunnen draaien. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook hier buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte verbalisant [slachtoffer 3] met het portier van zijn auto zou hebben meegesleurd, indien [slachtoffer 3] niet zelf was weggedraaid.

Vervolgens botste verdachte met zijn auto tegen het dienstvoertuig, waarbij [slachtoffer 2] net op tijd heeft kunnen wegspringen om te voorkomen dat hij tussen de beide auto’s werd gedrukt. Naar het oordeel van de rechtbank kan tot slot ook ten aanzien van dit incident buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte verbalisant [slachtoffer 2] met de auto zou hebben geraakt, indien [slachtoffer 2] niet zelf opzij was gesprongen.

Poging doodslag, poging zware mishandeling of bedreiging?

De vraag is vervolgens of deze feiten als poging doodslag, poging zware mishandeling of als bedreiging kunnen worden gekwalificeerd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank ziet allereerst geen aanknopingspunten om te oordelen dat de verdachte kwade opzet had om verbalisanten [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] of [slachtoffer 2] te doden of om hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is (i) of er – naar algemene ervaringsregels – sprake is van een aanmerkelijke kans dat de verbalisanten bij een botsing zouden zijn overleden, dan wel daarbij zwaar lichamelijk letsel zouden hebben opgelopen, en (ii) of verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt in dit verband dat, naar algemene ervaringsregels, de te verwachten gevolgen van een aanrijding van een voetganger door een auto in belangrijke mate worden bepaald door de snelheid van de auto in combinatie met de positionering van de auto ten opzichte van de voetganger. Gelet op de gierende banden en het accelererende geluid heeft verdachte flink gas gegeven, maar de afstand tot de slachtoffers was in alle gevallen kort. Bovendien vertrok verdachte steeds vanuit stilstand. Objectieve meetgegevens zijn echter niet beschikbaar, zodat voor de rechtbank niet duidelijk is geworden met welke snelheid het door verdachte bestuurde voertuig ten tijde van de ‘bijna botsing’ reed. Ook is het voor de rechtbank niet mogelijk om vast te stellen hoe en waar de auto de betreffende verbalisanten precies zou hebben geraakt en of de kans op de dood vervolgens aanmerkelijk zou zijn geweest. Gelet hierop acht de rechtbank de primair ten laste gelegde poging tot doodslag in alle gevallen niet wettig en overtuigend bewezen en zal zij de verdachte hiervan vrijspreken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan wel worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de betreffende verbalisanten zwaar lichamelijk letsel zouden hebben opgelopen. Immers, naar algemene ervaringsregels levert een aanrijding van een voetganger door een auto die met meer dan geringe snelheid rijdt – zoals hier steeds het geval was – de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt.

De vraag is dan vervolgens of de verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ten aanzien van alle drie de verbalisanten bevestigend. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, namelijk allereerst worden opgemaakt dat het rijgedrag van de verdachte veeleer erop was gericht om koste wat kost te voorkomen dat de politie hem zou aanhouden, ook indien dat betekende dat hij anderen daarmee in gevaar bracht. Ten aanzien van zowel [slachtoffer 4] als [slachtoffer 3] heeft verdachte voorts verklaard dat hij deze verbalisanten heeft waargenomen en ondanks deze waarneming hard is wegereden. Daarbij heeft de verdachte het erop laten aankomen dat beide verbalisanten zelf tijdig zouden wegkomen, waarmee hij de aanmerkelijke kans voor lief heeft genomen dat – als dat niet zou gebeuren – verbalisanten [slachtoffer 4] én [slachtoffer 3] door de aanrijding, die dan zou zijn gevolgd, zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Ten aanzien van het geval van [slachtoffer 2] , die zich achter de auto van verdachte bevond en niet door verdachte is gezien, overweegt de rechtbank dat verdachte rekening ermee had moeten houden dat er nog een agent achter zijn auto stond. Verdachte heeft immers verklaard dat hij zich ervan bewust was dat er een politieauto met zwaailichten in de buurt was en hij had op het moment van achteruit rijden verbalisant [slachtoffer 3] ook al gezien. Als hij achteruit had gekeken, had hij zowel de auto als verbalisant [slachtoffer 2] kunnen zien staan. Door echter met aanzienlijke snelheid achteruit te rijden zonder zich er eerst van te vergewissen dat de weg vrij was, terwijl de verbalisant [slachtoffer 3] zich bovendien deels in het voertuig van verdachte bevond, heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toegenomen dat hij [slachtoffer 2] zou raken en dat hij daarbij ernstig letsel zou kunnen oplopen.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande dan ook de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen, zoals omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.2.2 Overige feiten

Feit 3 (bedreiging van verbalisant [slachtoffer 6] )

Op 11 februari 2017 was verbalisant [slachtoffer 6] werkzaam als agent van de politie Eenheid Limburg. Hij kreeg samen met zijn collega [naam 5] het verzoek om verdachte, die zojuist was aangehouden, over te brengen naar het cellencomplex in Venlo. Over hetgeen verdachte tijdens het transport tegen hem zei, relateerde hij het volgende:17

Vanaf het moment dat ik achterin bij de verdachte in het dienstvoertuig ben gestapt tot en met de insluiting van de verdachte in de observatiecel hoorde ik dat ik constant bedreigd werd door de verdachte. Ik weet dat de verdachte dit tegen mij riep, omdat hij iedere keer in mijn richting keek. Letterlijk zei hij:

- Ik snij je strot door, kankermongool, (…)

- Ik sla je hartstikke kapot, kankerkop, (…)

- Ik snij je nek door, kankerflikker; (…)

- Ik zie jou wel op straat, ik zweer het je, ik maak je kapot (…).

Ik voelde me ernstig bedreigd. Het incident heeft behoorlijke indruk op mij gemaakt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij erg boos was en dat hij dit soort woorden gezegd heeft.18

De rechtbank overweegt dat de bewoordingen op zichzelf bedreigend zijn en ze hebben verbalisant [slachtoffer 6] ook vrees aangejaagd. Dat verdachte dit wellicht niet zo had bedoeld en zich enkel heel boos en onmachtig voelde, doet hieraan niet af. Gelet op de letterlijke inhoud van de bewoordingen, leveren deze naar het oordeel van de rechtbank bedreigingen gericht tegen het leven op.

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder feit 3 bewezen, zoals omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

Feit 4 (bedreiging van verbalisanten [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] )

Op 11 februari 2017 waren verbalisanten [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] werkzaam als agent van de politie Eenheid Limburg. Zij waren belast met een inzet “vrijheidsbeperkende middelen” en legden die bij verdachte aan, omdat hij diende te worden onderzocht in het VieCuri Medisch Centrum te Venlo, maar alle medewerking weigerde. Tijdens het aanleggen van de middelen hoorden zij dat verdachte voortdurend bedreigingen uitte in hun richting. Over hetgeen verdachte tegen hen zei, relateerden zij het volgende:19

Wij voelden ons door de bedreigingen van verdachte bedreigd. Wij hoorden dat verdachte in ieder geval, diverse malen, de volgende bedreigingen uitte:

  • -

    De volgende keer dat jullie bij mij aan de deur staan schiet ik die .38 op jullie leeg (…);

  • -

    Vanavond ga je naar huis, relaxed met je vrouwtje en kinderen. Maar een keertje kom je op het verkeerde adres, jongen (…);

  • -

    Zet maar in de computer: de volgende keer dat jullie bij mij aan de deur komen, ik open vuur. Denk eraan.

Ons is ambtshalve bekend dat “.38” een kaliber van een handvuurwapen betreft.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij erg boos was en dit soort woorden gezegd heeft.20

De rechtbank overweegt dat de bewoordingen op zichzelf bedreigend zijn en de verbalisanten hebben zich hierdoor ook bedreigd gevoeld. Dat verdachte dit wellicht niet zo had bedoeld en zich enkel heel boos en onmachtig voelde, doet hieraan niet af. Gelet op de letterlijke inhoud van de bewoordingen, leveren deze naar het oordeel van de rechtbank bedreigingen gericht tegen het leven op.

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder feit 4 bewezen, zoals omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

Feit 5 (vernieling dienstfiets en personenauto)

Vrijspraak beschadiging dienstauto

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat de dienstauto schade heeft opgelopen. Er zijn echter twee momenten geweest waarop de auto van verdachte en de dienstauto zijn gebotst, namelijk ter hoogte van de glazen pui en ten tijde van de aanhouding van verdachte. Bij de eerste botsing is verdachte tegen de dienstauto gebotst, bij de tweede botsing was dit andersom. Slechts in het eerste geval zou kunnen worden gesteld dat eventuele schade opzettelijk en wederrechtelijk door verdachte is veroorzaakt. De rechtbank kan op basis van het dossier echter niet vaststellen dat de geconstateerde schade aan de dienstauto het gevolg is van de eerste botsing, reden waarom zij verdachte van dit ten laste gelegde vrijspreekt.

Beschadiging dienstfiets

Op 13 februari 2017 heeft [naam 4] namens de politie Limburg aangifte gedaan van vernieling van een dienstfiets.21 Hij verklaarde dat collega [slachtoffer 4] op 11 februari [de rechtbank begrijpt van het jaar 2017] getracht heeft verdachte de doorgang te belemmeren. Hierbij plaatste [slachtoffer 4] zijn dienstfiets voor de auto van verdachte. Vervolgens reed verdachte met zijn voertuig weg en raakte hij met de voorzijde van zijn voertuig de dienstfiets. Als gevolg hiervan raakte de fiets beschadigd.

Verbalisant [slachtoffer 4] relateerde, zakelijk weergegeven, over hetgeen die nacht plaatsvond als volgt.22

Ik zag dat de Lupo met diens voorzijde tegen de rechterflank van mijn surveillancemountainbike reed. Ik zag dat de surveillancemountainbike hierdoor geramd werd en enkele meters voorwaarts door de lucht vloog en op het wegdek terecht kwam. Bij de aanrijding tussen de Volkswagen Lupo en mijn surveillancemountainbike is de surveillancemountainbike beschadigd geraakt. Op het eerste oog zag ik in ieder geval dat de rechterflank van de fiets verbogen was en dat er een drietal deukjes zaten aan de rechterzijde van de stang van het frame. Op een van deze deukjes was groenkleurige lak te zien, gelijkend op de kleur van de lak van de Volkswagen Lupo.

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de dienstfiets heeft beschadigd. Gelet hierop acht de rechtbank het ten laste gelegde onder feit 5 bewezen, zoals omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

Feit 7 (weigering bloedafname)

De rechtbank acht de tenlastegelegde weigering om medewerking te verlenen aan een bloedproef wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting;23

- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [naam 6] , van 11 februari 2017;24

- de mededeling als bedoeld in artikel 130 Wegenverkeerswet 1994, opgemaakt door [naam 7] op 11 februari 2017.25

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

In de zaak met het parketnummer 03/659018-17

1. op 16 januari 2017 in de gemeente Venlo [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een vuurwapen tegen de ruit van de personenauto, waar voornoemde [slachtoffer 1] op dat moment in zat, geslagen en een vuurwapen aan voornoemde [slachtoffer 1] getoond;

2. op 16 januari 2017 in de gemeente Venlo, een wapen van categorie III, te weten een gasrevolver, merk ME, Model Jaguar 80, kaliber 9 mm Knall, en munitie van categorie III, te weten twee knalpatronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3. op 16 januari 2017 in de gemeente Venlo opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten een ruit van een personenauto, te weten een Nissan Micra, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] heeft beschadigd.

In de zaak met het parketnummer 03/659054-17

1. hij op 11 februari 2017 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met in elk geval aanzienlijke snelheid heeft gereden in de richting van die [slachtoffer 2] , die zich op dat moment bevond tussen de personenauto van verdachte en een politiedienstvoertuig terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op 11 februari 2017 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet met een door hem, verdachte bestuurde personenauto met openstaand bijrijdersportier, in welke deuropening die [slachtoffer 3] zich bevond, fors accelererend achteruit is gaan rijden en daarbij die [slachtoffer 3] met dat openstaand portier heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij op 11 februari 2017 in de gemeente Venlo [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik snij je strot door, kankermongool" en "Ik sla je hartstikke kapot, kankerkop" en "Ik snij je de nek door, kankerflikker" en "Ik zie jou wel op straat, ik zweer het je, ik maak je kapot";

4. hij op 11 februari 2017 in de gemeente Venlo [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] dreigend de woorden toegevoegd: "De volgende keer dat jullie bij mij aan de deur staan schiet ik die .38 op jullie leeg" en "Vanavond ga je naar huis. Er komt een dag dat je niet naar huis gaat, broeder" en "Zet maar in de computer: de volgende keer dat jullie bij mij aan de deur komen, ik open vuur. Denk eraan";

5. hij op 11 februari 2017 in de gemeente Venlo opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten een fiets, dienstfiets politie, die aan een ander toebehoorde, te weten aan Politie Limburg heeft beschadigd;

6. hij op 11 februari 2017 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge, in elk geval aanzienlijke snelheid, heeft gereden in de richting van die [slachtoffer 4] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7. hij op 11 februari 2017 in de gemeente Venlo, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid van genoemde wet bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

In de zaak met het parketnummer 03/659018-17

Feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander

toebehoort beschadigen.

In de zaak met het parketnummer 03/659054-17

Feiten 1, 2 en 6: poging zware mishandeling;

Feiten 3 en 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 5: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander

toebehoort beschadigen.

Feit 7: overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De psycholoog [maam 8] ( [maam 8] ) en de psychiater [naam 9] ( [naam 9] ) hebben na een zes weken durende observatie van verdachte in het Pieter Baan Centrum (PBC) op 27 december 2017 over de geestvermogens van de verdachte een rapport uitgebracht. De rechtbank komt op basis van hetgeen in dat rapport is opgenomen niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

De verdachte is aldus strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier gevorderd dat verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM) voor de totale duur van 9 jaar en 9 maanden wordt opgelegd. Hij heeft daarbij aangevoerd dat het om ernstige feiten gaat. Politieagenten doen noodzakelijk en nobel werk en daar dient men respect voor te hebben, reden waarom de omstandigheid dat het hier politieagenten betreft strafverzwarend werkt. Verdachte heeft een fors strafblad en wil nergens aan meewerken. Hij legt de schuld van zijn daden steeds buiten zichzelf. Een forse gevangenisstraf en een lange OBM is op zijn plaats.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich allereerst verweerd tegen een eventuele ambtshalve te nemen beslissing van de rechtbank een TBS-maatregel op te leggen. Er ontbreekt een maatregelenrapport en er is niet voldaan aan het gevaarscriterium. Uit het PBC rapport volgt duidelijk dat onderzoekers niet met zekerheid durven te stellen dat de geconstateerde problematiek onderdeel is van een stoornis en in het rapport zijn diverse contra-indicaties voor het gevaarscriterium te vinden. De verdediging pleit onder verwijzing naar het reclasseringsrapport van 9 mei 2017 tot oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel in de buurt ligt van het reeds ondergane voorarrest en waarbij een behandelverplichting bij FPP De Horst wordt opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich op bijzonder agressieve wijze in korte tijd twee keer schuldig gemaakt aan (een reeks van) gewelddadige strafbare feiten. Zo is hij op 16 januari 2017 naar aanleiding van een in verdachtes ogen ongelukkige verkeersmanoeuvre van het slachtoffer op zeer agressieve en intimiderende wijze verhaal gaan halen. Hij stapte uit zijn auto, nam daarbij een vuurwapen ter hand en heeft met dit vuurwapen het destijds 18-jarige slachtoffer bedreigd. Bovendien heeft verdachte de autoruit van de door het slachtoffer bestuurde auto beschadigd door met de kolf van het vuurwapen dat hij in zijn handen had, een aantal keren tegen de ruit aan te slaan. Verdachte is vervolgens ter zake van dit feit aangehouden, in verzekering gesteld en in bewaring genomen. Nog geen maand nadat de rechter-commissaris de voorlopige hechtenis op 19 januari 2017 had geschorst, heeft verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan een reeks gewelddadige strafbare feiten. Ditmaal raakte verdachte (opnieuw met zijn auto) betrokken bij een aanrijding, waarna hij in zijn poging om koste wat kost uit handen van de politie te blijven, diverse verbalisanten bijna heeft aangereden. Verdachte heeft zich daarbij duidelijk niet bekommerd om het welzijn van de verbalisanten. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan, zwaarder nog dan bij andere verkeersdeelnemers het geval zou zijn geweest. Het gaat hier om strafbare feiten begaan tegen gezagsdragers, tot wier taak het behoort de openbare orde en veiligheid op straat te handhaven. Ook tijdens de aanhouding die erop volgde vertoonde verdachte agressief gedrag en moesten de verbalisanten pepperspray gebruiken. Tijdens de rit naar het cellencomplex heeft verdachte een verbalisant bijna non-stop bedreigd met de dood, hetgeen hij nadien ook deed bij andere verbalisanten. De verbalisanten die bijna door verdachte werden aangereden en de verbalisant die door verdachte met de dood is bedreigd hebben de incidenten als schokkend ervaren. Verdachte heeft hen veel angst aangejaagd en zij hebben hier lange tijd last van gehad.

Verdachte is bekend bij justitie. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 februari 2018 blijkt dat verdachte meerdere malen eerder is veroordeeld, onder meer voor wapenbezit, bedreiging en meerdere afpersingen. Voor laatstgenoemde afpersingen is hij zelfs een aanzienlijke periode van zijn vrijheid beroofd geweest. Kennelijk heeft dit verdachte er niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. De rechtbank houdt hier ten nadele van verdachte rekening mee. Hetzelfde geldt voor het feit dat verdachte weliswaar zijn excuses heeft aangeboden, maar de schuld van zijn handelen ook telkens blijft leggen bij het gegeven dat zijn hulpvraag niet tijdig is beantwoord.

De rechtbank heeft kennis genomen van het PBC-rapport van 27 december 2017. Verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek grotendeels geweigerd. De gedragsdeskundigen hebben daarom nauwelijks inhoudelijk met verdachte gesproken. Op basis van dossierinformatie concluderen zij wel dat er sprake is van ernstige verslavingsproblematiek. De verslaving lijkt thans onder gereguleerde omstandigheden in remissie, zo stellen zij. Of er sprake is van persoonlijkheidsproblematiek hebben de gedragsdeskundigen onvoldoende kunnen onderzoeken. Wel zien zij zowel in de levensgeschiedenis van verdachte als in de observaties gedurende verdachtes verblijf in het PBC aanwijzingen voor een patroon van gestoorde coping en gedragsproblemen, dat kan passen bij persoonlijkheidsproblematiek. Hierbij staan op de voorgrond kenmerken als een verhoogde krenkbaarheid, een beperkte frustratietolerantie en impulscontrole, een verhoogde prikkelbaarheid en agressieregulatieproblemen. Deze kenmerken zouden echter ook (mede) verklaard kunnen worden door de bij betrokkene aanwezige verslavingsproblematiek. Bovendien, zo schrijven de deskundigen, kon niet worden onderzocht of bij betrokkene sprake is van (vroege) traumatisering of een posttraumatische stressstoornis, welke van invloed zou kunnen zijn. Evenmin kon onderzoek worden gedaan naar de eventuele aanwezigheid van ADHD of hersenschade. De deskundigen hebben zich derhalve onthouden van advies en van een inschatting van het recidive gevaar.

Uit het reclasseringsrapport van 1 maart 2018 volgt dat het recidiverisico (zeer) hoog is. Tijdens de terechtzitting heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte een enkele keer, op prikkelende vragen, een gefrustreerde en enigszins intimiderende houding aannam. Ter voorkoming van recidive en ter beveiliging van de maatschappij heeft de rechtbank dan ook ambtshalve de maatregel van een terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging overwogen. Het niet meewerken aan rapportages mag immers niet leiden tot het ontlopen van een TBS, wanneer er wel ernstige redenen zijn aan te nemen dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en hij een gevaar vormt voor de veiligheid van personen. Het is aan de rechter om een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens vast te stellen, hetgeen bijvoorbeeld ook kan worden vastgesteld op grond van (een combinatie van) de inhoud van het dossier, rapportages uit eerdere strafzaken of rapporten en verklaringen van deskundigen en van anderen die het oordeel ondersteunen. Uit het voorgaande volgt reeds dat de gedragsdeskundigen in de rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 27 december 2017 hieromtrent geen advies hebben kunnen geven. Nu de deskundigen dezelfde (en mogelijk wel meer) informatie over het verleden van verdachte en het huidige strafdossier voorhanden hadden als (dan) de rechtbank, acht de rechtbank onvoldoende gegevens aanwezig voor de gevolgtrekking dat bij verdachte ten tijde van de feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

Dit betekent dat alleen de mogelijkheid van het opleggen van een gevangenisstraf resteert. De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder verdachte deze heeft begaan dermate zwaar, dat deze een forse gevangenisstraf van een lange duur rechtvaardigen. De rechtbank ziet geen aanleiding daarbij, ook kijkend naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, tevens een deel voorwaardelijk op te leggen. Uit de rapportages volgt dat verdachte zich in het verleden niet eerder gemotiveerd heeft getoond om voorwaarden na te komen en uit het reclasseringsrapport van 1 maart 2018 volgt dat eerdere behandelingen negatief zijn beëindigd. Ter terechtzitting heeft verdachte nog doen aanvoeren dat hij enkel in zeer specifieke situaties een aggressieregulatieprobleem heeft, te weten daar waar hij tegen een duidelijke hiërarchie of autoriteit aanloopt zoals bij de politie. De oorzaak daarvan ligt volgens hem in het verleden. Die wetenschap heeft verdachte tot dusver evenwel nooit ertoe gebracht zich duurzaam te laten begeleiden en behandelen. Het wekt bij de rechtbank de indruk dat hij zijn problemen in de agressieregulatie, en de daaruit voortspruitende strafbare feiten, liever op de koop toe neemt. Verdachte heeft de rechtbank – mede gelet ook op de weigering mee te werken aan het PBC-onderzoek – dan ook niet ervan kunnen overtuigen dat hij nu – anders dan vroeger – écht intrinsiek is gemotiveerd om aan zichzelf te werken.

Alles overwegende en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek, hoewel de officier van justitie uitging van iets zwaardere feiten dan de rechtbank heeft bewezen verklaard, recht doet aan de ernst van de strafbare feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zoals de rechtbank hierboven heeft uiteengezet.

Daarnaast acht de rechtbank in verband met de feiten 1, 2, 6 en 7 in de zaak met het parketnummer 03/659054-17 een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 jaar (in verband met de feiten 1,2 en 6) en 9 maanden (in verband met feit 7) op zijn plaats. Verdachte heeft de eerstgenoemde feiten immers met een motorvoertuig begaan en heeft door het plegen ervan de verkeersveiligheid in ernstige mate in gevaar gebracht.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 780,- ter zake immateriële schade die zij stelt te hebben geleden. Zij vordert tevens wettelijke rente of oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 780,- ter zake immateriële schade die zij stelt te hebben geleden. Zij vordert tevens wettelijke rente of oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

De benadeelde partij [slachtoffer 6] vordert een schadevergoeding van € 301,- ter zake immateriële schade die zij stelt te hebben geleden. Zij vordert tevens wettelijke rente of oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle vorderingen voldoende zijn onderbouwd en voor toewijzing gereed liggen. Hij verzoekt de rechtbank om de verdachte tevens te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en de vordering inhoudelijk dus niet weersproken.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat alle benadeelde partijen schade hebben geleden die een rechtstreeks gevolg zijn van de bewezenverklaarde feiten en acht verdachte voor die schade aansprakelijk. Nu de hoogte van die schade niet door de verdediging is betwist, zal de rechtbank de vorderingen toewijzen zoals gevorderd. Tevens zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 11 februari 2017. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank tevens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 302, 285, 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 163, 179, 179a van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair onder parketnummer 03/659054-17 tenlastegelegde bij de feiten onder 1, 2 en 6;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 5 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Bijkomende straffen

- veroordeelt de verdachte voor de onder parketnummer 03/659054-17 tenlastegelegde feiten 1,2, 6 en 7 tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 jaren en 9 maanden;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen

€ 780,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen over de periode van 11 februari 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij, te vermeerderen met de hiervoor genoemde wettelijke rente tot aan de dag van de volledige voldoening, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen

€ 780,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen over de periode van 11 februari 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij, te vermeerderen met de hiervoor genoemde wettelijke rente tot aan de dag van de volledige voldoening, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen

€ 301,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen over de periode van 11 februari 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij, te vermeerderen met de hiervoor genoemde wettelijke rente tot aan de dag van de volledige voldoening, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.A. Wilschut, voorzitter, mr. F.L.G. Geisel en

mr. D.C.I. van Delft, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 maart 2018.

Buiten staat

Mr. D.C.I. van Delft is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge, in elk geval aanzienlijke snelheid, heeft gereden in de richting van die [slachtoffer 2] , die zich op dat moment bevond tussen de personenauto van verdachte en een politiedienstvoertuig, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge, in elk geval aanzienlijke snelheid, heeft gereden in de richting van die [slachtoffer 2] , die zich op dat moment bevond tussen de personenauto van verdachte en een politiedienstvoertuig terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge, in elk geval aanzienlijke snelheid, te rijden in de richting van die [slachtoffer 2] , die zich op dat moment bevond tussen de personenauto van verdachte en een politiedienstvoertuig;

2.

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte bestuurde personenauto, met openstaand bijrijdersportier, in welke deuropening die [slachtoffer 3] zich bevond, fors accelererend achteruit is gaan rijden en daarbij die [slachtoffer 3] met dat openstaand portier heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte bestuurde personenauto, met openstaand bijrijdersportier, in welke deuropening die [slachtoffer 3] zich bevond, fors accelererend achteruit is gaan rijden en daarbij die [slachtoffer 3] met dat openstaand portier heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, met openstaand bijrijdersportier, in welke deuropening die [slachtoffer 3] zich bevond, fors accelererend achteruit te rijden en daarbij die [slachtoffer 3] met dat openstaand portier te raken;

3.

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik snij je strot door, kankermongool" en/of "Ik sla je hartstikke kapot, kankerkop" en/of "Ik snij je de nek door, kankerflikker" en/of "Ik zie jou wel op straat, ik zweer het je, ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] dreigend de woorden toegevoegd: "De volgende keer dat jullie bij mij aan de deur staan schiet ik die .38 op jullie leeg" en/of "Vanavond ga je naar huis. Er komt een dag dat je niet naar huis gaat, broeder" en/of "Zet maar in de computer: de volgende keer dat jullie bij mij aan de deur komen, ik open vuur. Denk eraan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo opzettelijk en wederrechtelijk (een) goed(eren), te weten een fiets (dienstfiets politie) en een personenauto (dienstvoertuig politie, merk Volkswagen Touran), die/dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Politie Limburg heeft vernield en/of beschadigd;

6.

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge, in elk geval aanzienlijke snelheid, heeft gereden in de richting van die [slachtoffer 4] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge, in elk geval aanzienlijke snelheid, heeft gereden in de richting van die [slachtoffer 4] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge, in elk geval aanzienlijke snelheid, te rijden in de richting van die [slachtoffer 4] ;

7.

hij op of omstreeks 11 februari 2017 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid van genoemde wet bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een

hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Tenlastelegging bij gevoegde verdachte met parketnummer: 659018-17

1.

hij op of omstreeks 16 januari 2017 in de gemeente Venlo, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de ruit van de personenauto, waar voornoemde [slachtoffer 1] op dat moment in zat, heeft geslagen, en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan voornoemde [slachtoffer 1] heeft getoond;

Tenlastelegging bij gevoegde verdachte met parketnummer: 659018-17

2.

hij op of omstreeks 16 januari 2017 in de gemeente Venlo, een of meer wapens van categorie III, te weten een gasrevolver, merk ME,Model Jaguar 80, kaliber 9 mm Knall, en/of munitie van categorie III, te weten twee knalpatronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Tenlastelegging bij gevoegde verdachte met parketnummer: 659018-17

3.

hij op of omstreeks 16 januari 2017 in de gemeente Venlo, opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten een ruit (van een personenauto, te weten een Nissan Micra), dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] heeft vernield en/of beschadigd.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659054-17, 03/659018-17 (ter terechtzitting gevoegd)

Proces-verbaal van de openbare zitting van 19 maart 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

Raadsman is mr. Y. Quint, advocaat, kantoorhoudende te Eindhoven.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is wel/niet in de zittingzaal aanwezig. Ter terechtzitting van 5 maart 2018 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden Limburg, basisteam Venlo/Beesel, proces-verbaalnummer 2300-2017008339, gesloten d.d. 18 januari 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 90.

2 Proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2018.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 16 januari 2017, pagina 8 tot en met 10.

4 Proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2018.

5 Proces-verbaal van bevindingen wapens, munitie en explosieven van 19 januari 2017, pagina 87 tot en met 90.

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 16 januari 2017, pagina 8 tot en met 10.

7 Proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2018.

8 Proces-verbaal van bevindingen van 18 januari 2017, pagina 66.

9 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden Limburg, basisteam Venlo/Beesel, proces-verbaalnummer 2300-2017023329, gesloten d.d. 10 maart 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 208.

10 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [naam 2] , van 11 februari 2017, pagina’s 14 en 15.

11 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [slachtoffer 4] , van 12 februari 2017, pagina’s 18 tot en met 38.

12 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [slachtoffer 2] , van 11 februari 2017, pagina’s 39 en 40.

13 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [slachtoffer 3] , van 11 februari 2017, pagina’s 41 tot en met 43.

14 Proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2018.

15 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [naam 3] van 11 februari 2017, pagina’s 119 tot en met 148.

16 Proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2018.

17 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [slachtoffer 6] , van 11 februari 2017, pagina’s 75 en 76.

18 Proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2018.

19 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] , van 11 februari 2017, pagina’s 79 en 81.

20 Proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2018.

21 Proces-verbaal van aangifte door [naam 4] van 13 februari 2017, pagina’s 101 en 102.

22 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [slachtoffer 4] , van 12 februari 2017, pagina’s 18 tot en met 38.

23 Proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2018.

24 Pagina 178.

25 Pagina’s 186 en 187.