Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2530

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
C/03/234186 / HA ZA 17-191
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident, relatieve bevoegdheid, gerechtvaardigd vertrouwen op toereikende volmacht, schijn van bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/255
NTHR 2018, afl. 3, p. 168
JONDR 2018/336
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/234186 / HA ZA 17-191

Vonnis in incident van 21 maart 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] ,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J.A. Bloo te Venlo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

USINE EINDHOVEN B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.J. Linker te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en Usine genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 10,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot relatieve onbevoegdverklaring en de daarbij overgelegde productie,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord en de daarbij overgelegde producties 1 en 2,

  • -

    de conclusie van repliek in het incident,

  • -

    de conclusie van dupliek in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Usine vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij stelt dat de rechtbank Limburg, locatie Roermond, op grond van artikel 99 lid RV relatief onbevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en dat de rechtbank Oost-Brabant bevoegd is.

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.2.

Usine voert - kort samengevat - primair aan dat tussen [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en haar geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen, waardoor de algemene voorwaarden en het daarin neerlegde forumkeuzebeding evenmin van toepassing zijn. Zij voert daartoe aan dat zij de offerte van 7 juni 2013 (productie 3 bij dagvaarding, hierna: de offerte) nooit heeft aanvaard. Zij betoogt daartoe dat de heer [A] niet bevoegd was om haar te vertegenwoordigen zodat Usine niet aan de offerte is gebonden.

2.3.

Dit betoog volgt de rechtbank niet, gelet op het volgende.

2.4.

Vast staat dat de offerte is ondertekend. Verder staat vast dat de heer [A] ten tijde van de ondertekening van de offerte bij Usine werkzaam was. Weliswaar heeft Usine betoogd dat de handtekening onder de offerte niet van [A] afkomstig is vanwege een onjuiste spelling van diens naam, maar dat wordt niet gevolgd. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] heeft immers verklaard dat haar medewerker, de heer [B] , de naam van [A] op de offerte heeft gezet zodat [A] wist waar hij kon tekenen; [B] heeft daarbij [A] naam consequent verkeerd gespeld zoals ook blijkt uit de getypte aanhef in de offerte. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de onjuiste spelling van [A] naam echter niet de conclusie worden getrokken dat de handtekening niet van [A] afkomstig is. Dat betekent dat bij de beoordeling ervan dient te worden uitgegaan dat de offerte door een medewerker van Usine, te weten [A] , is ondertekend.

2.5.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of Usine gebonden is aan de door [A] ondertekende offerte. Vast staat dat als alleen wordt uitgegaan van hetgeen in het handelsregister is vermeld, [A] niet bevoegd is om namens Usine de overeenkomst te sluiten. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] heeft echter een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW (schijn van volmachtverlening).

2.6.

Voor een succesvol beroep op het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW is vereist dat [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] op basis van een verklaring of gedraging van de pseudo-volmachtgever, Usine, gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat een toereikende volmacht is verleend (toedoen-beginsel). Daarnaast speelt het risicobeginsel een rol; dit houdt in dat voor toerekening van de schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde ook plaats kan zijn in geval de wederpartij ( [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] ) gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de volmachtverlening aan [A] op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde (Usine) komen en waaruit naar de verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (zie HR 19 februari 2010, NJ 2010/115, (ING/Bera Holding)). Dit risicobeginsel gaat echter niet zo ver dat voor toepassing daarvan ook ruimte is in gevallen waarin het tegenover [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] gewekte vertrouwen uitsluitend is gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de onbevoegd handelende persoon ( [A] ). Er moet dus ook sprake zijn van feiten of omstandigheden die de pseudo-vertegenwoordigde (Usine) betreffen en die rechtvaardigen dat zij in haar verhouding tot de wederpartij ( [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] ) het risico van onbevoegde vertegenwoordiging draagt (vgl. HR 3 februari 2017, NJ 2017/78 (Tamacht/Hodensius) en HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:143 hersteld bij arrest van HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:277 (Aventura)).

2.7.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat aan [A] een toereikende volmacht was verleend. Daarvoor zijn de volgende, onbetwiste, feiten en omstandigheden die zowel de vertegenwoordiger ( [A] ) als de pseudo-vertegenwoordigde (Usine) betreffen van belang.

2.7.1.

Voorafgaand aan het moment van ondertekenen van de offerte hebben meerdere contact-/onderhandelingsmomenten plaatsgevonden tussen [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en Usine, waarbij Usine afwisselend is vertegenwoordigd door [C] en [A] . [A] heeft ook later per e-mail van 22 december 2016 (productie 5 bij dagvaarding) de overeenkomst opgezegd. Gelet op het voorgaande staat vast dat [A] bij Usine betrokken was.

2.7.2.

Daarbij komt dat in diezelfde periode (dus enige tijd voor het ondertekenen van de offerte) tussen [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en [C] van Usine is gesproken over het verstrekken van een geldlening aan [C] , hetgeen heeft geresulteerd in een overeenkomst van geldlening van 11 december 2013. Anders dan Usine stelt, volgt uit de considerans en artikel 6 (op pagina 2) van deze overeenkomst van geldlening dat de dienstverleningsovereenkomst van essentieel belang was bij het sluiten van de overeenkomst van geldlening. Daarvoor is het volgende van belang. In de considerans staat vermeld (onderstreping door rechtbank): “Ten behoeve van lopende projecten, in casu de aankoop van het vastgoed staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] , de ruimte waarin Usine Eindhoven b.v. haar exploitatie drijft, partijen genoegzaam bekend en het verzorgen van de textielreiniging aldaar door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] b.v. wensen Geldgever en Geldnemer een financiering aan te gaan waarvan de onderhavige Geldleningovereenkomst, waarin de voorwaarden conform de wens van partijen door partijen zijn vastgelegd, deel uit maakt.”

Voorts staat in artikel 6 van de overeenkomst van geldlening (op pagina 2) opgenomen:

“Het niet afgeloste gedeelte van het uitstaande bedrag en de overige volgens de overeenkomst verschuldigde bedragen (rentebetalingen) zullen zonder voorafgaande ingebrekestelling opeisbaar zijn – en de Geldnemer zal derhalve jegens Geldgever in verzuim zijn – indien:(…) De dienstverleningsovereenkomst met [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] B.V. wordt ontbonden of door Geldgever of Geldnemer wordt opgezegd.”

Tot slot is onweersproken dat de opzegging van 22 december 2016 ziet op diensten en dat deze opzegging nagenoeg gelijktijdig heeft plaatsgevonden met het aflossen van de verstrekte lening.

2.7.3.

Hoewel Usine heeft aangevoerd dat de genoemde dienstverleningsovereenkomst anders is uitgevoerd dan in de offerte is vermeld, (feitelijk zijn een langere betalingstermijn en andere tarieven voor servetten gehanteerd en is kleding gereinigd die niet in de offerte stond opgenomen), heeft [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] voldoende aannemelijk gemaakt dat deze verschillen niet zodanig afwijken, dan wel dat partijen dit na de totstandkoming van de overeenkomst nader zijn overeengekomen, dat met de dienstverleningsovereenkomst de offerte wordt bedoeld. Daarbij is van belang dat niet is gesteld of gebleken dat met de dienstverleningsovereen-komst op een andere overeenkomst wordt gedoeld dan die op grond van de offerte tot stand is gekomen, terwijl verder niet in geschil is dat [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] vervolgens jarenlang textiel voor Usine heeft gereinigd en Usine de daarop betrekking hebbende facturen heeft voldaan.

2.7.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.7.1. tot en met 2.7.3. is de rechtbank, op grond van de thans voorliggende stukken, van oordeel dat sprake is van feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde (Usine) komen en waaruit naar de verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid, dat [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat aan [A] een toereikende volmacht was verleend.

2.8.

Zelfs indien [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] geen gerechtvaardigd beroep op het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW zou toekomen, is Usine gebonden aan de ondertekende offerte. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] heeft immers subsidiair een beroep op (de schijn van) bekrachtiging gedaan (artikel 3:69 BW) en dit beroep slaagt. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld, is tussen partijen onderhandeld over de offerte die betrekking heeft op het reinigen van textiel van Usine door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] . Bij de totstandkoming van de overeenkomst van geldlening was, zoals eveneens hiervoor al is overwogen, van essentieel belang dat tussen [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en Usine een dienstverlenings-overeenkomst bestond. Usine heeft vervolgens, na het onderteken van de offerte, textiel ter reiniging aan [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] aangeboden. Daarvoor heeft zij op regelmatige basis facturen naar Usine verstuurd, die Usine zonder protest heeft voldaan. Gelet op die feiten en omstandigheden heeft Usine de schijn van bekrachtiging gewekt (artikel 3:35 BW).

2.9.

Usine heeft subsidiair betoogd dat, mocht zij gebonden zijn aan de offerte, de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn. Volgens Usine zijn de algemene voorwaarden nooit aan haar ter hand gesteld voor of bij het sluiten van de overeenkomst, zodat deze op grond van artikel 6:233 onder b BW vernietigbaar zijn.

2.9.1.

Ook dit betoog kan haar niet baten. Hiervoor is reeds overwogen dat Usine is gebonden aan de offerte. Usine heeft niet voldoende gemotiveerd betwist dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn op de overeenkomst tussen partijen. De enkele stelling dat bij gebrek aan wetenschap wordt betwist dat op de achterzijde van de offerte de algemene voorwaarden zijn vermeld, is hiertoe ontoereikend.

Dat betekent ook dat de algemene voorwaarden voor, althans ten tijde van het sluiten van de overeenkomst aan Usine ter hand zijn gesteld, zodat Usines beroep op vernietiging van de algemene voorwaarden op grond van artikel 6:234 lid 1 sub b BW faalt. Dat leidt ertoe dat tussen partijen een forumkeuzebeding is overeengekomen op grond waarvan de Rechtbank Limburg, locatie Roermond bevoegd is om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen.

2.10.

De rechtbank is op vorenstaande gronden van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

2.11.

Usine zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

veroordeelt Usine Eindhoven B.V. in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] B.V. tot op heden begroot op € 894,00,

in de hoofdzaak

3.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 april 2018 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Krens en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.1

1 type: EvdS coll: