Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2527

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 307en18_97
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De door het college getroffen afbouwregeling van het pgb voor beschermd wonen kan geen stand houden nu deze niet in overeenstemming is met het GGD-advies en een zorgvuldige onderbouwing hiervoor ontbreekt. Tariefdifferentiatie had vastgelegd moeten worden in de Verordening. Het college is niet bevoegd om ter zake nadere regels vast te stellen, nu artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015, in verbinding met artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015, daarvoor geen grondslag biedt. Beroep is gegrond, het college moet een nieuw besluit nemen, er wordt een voorlopige voorziening getroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 18/307 en AWB/ 18/97

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2018 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [plaatsnaam] , eiser

(gemachtigde: mr. L. Meys),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Bertholet).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), en wel van 1 mei 2017 tot 1 januari 2019. Daarbij wordt er per 1 mei 2017 middels een afbouwregeling van maandelijks 2 uur per week teruggegaan van 53 uur per week naar 42 uur per week. Tevens wordt een pgb van € 75, - per dag voor 21 dagen toegekend in verband met vakantie van de ouders.

Bij besluit van 5 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit gehandhaafd en beslist dat ingaande 1 februari 2018 gestart zal worden met de afbouwregeling.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is 31 jaar, heeft een ontwikkelingsstoornis met daarbij soms psychoses en stemmingswisselingen, maar geen verstandelijke handicap. Hij woont op de benedenverdieping van het huis van zijn ouders, die hem met een groep vaste begeleiders verzorgen; ze moeten hem aansturen bij vrijwel alle dagelijkse activiteiten. Hij gaat alleen met een begeleider de deur uit, dit vanwege paniekaanvallen. Hij heeft in het verleden geprobeerd zelfstandig onder begeleiding te wonen, maar hij werd daardoor uiteindelijk suïcidaal.

3. Eiser ontving voorheen een pgb voor beschermd wonen op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten. Verweerder heeft bij besluit van 28 januari 2016 eiser een pgb voor beschermd wonen toegekend voor 53 uur per week ad € 13,74 per uur, ingaande

1 mei 2016 tot 1 mei 2017. Eiser heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. In het kader van een herbeoordeling van de indicatie van eiser vond er op 1 februari 2017 een huisbezoek en een gesprek plaats met eiser. Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten om op het pgb voor beschermd wonen per 1 mei 2017 een afbouwregeling van maandelijks 2 uur per week toe te passen, waardoor de omvang teruggaat van 53 uur per week naar 42 uur per week, en een pgb te verstrekken van € 75, - per dag voor 21 dagen voor het geval de ouders van eiser op vakantie gaan. Daarbij is sprake van de volgende onderverdeling:

- 27 uur per week eigen netwerk ad € 13,74 per uur;

- 6 uur per week persoonlijk basis ad € 32,- per uur;

- 2 uur per week persoonlijk speciaal ad € 40,- per uur;

- 7 uur dagbesteding ad € 11,- per uur;

- 5 dagdelen vervoer dagbesteding ad € 40,- per uur.

De 2 uur per week persoonlijk speciaal dient te worden ingevuld door een zorgverlener die aan nader gestelde opleidingseisen voldoet en die beziet of en hoe er gekomen kan worden tot minder noodzaak tot fysieke aanwezigheid.

4. Eiser stelt in bezwaar het niet eens te zijn met de toegekende omvang van 42 uur per week en de daarbij door verweerder gehanteerde afbouwregeling. De eerder door verweerder bij besluit van 28 januari 2016 toegekende omvang van 53 uur per week is maar net voldoende ondersteuning voor eiser. Een verdere afbouw is gezien de omstandigheden niet mogelijk. Daarnaast stelt eiser dat het college gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van beroep (CRvB) van 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803, niet bevoegd is om bij nadere regels de hoogte van het pgb vast te stellen. Ook verzoekt eiser de indicatie voor langere tijd toe te kennen, in ieder geval tot 1 januari 2020, gezien de lange bezwaarprocedure en de grote onzekerheid die dit meebrengt voor eiser en zijn ouders.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Tijdens de bezwaarprocedure heeft verweerder advies gevraagd van de GGD. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het onderzoek door de GGD heeft aangetoond dat eiser leerbaar is. Hij acht het verantwoord dat het aantal uren cq. het pgb beschermd wonen op basis van de afbouwregeling teruggebracht wordt tot 35 uur per week, waarbij aan eiser een pgb wordt toegekend om voor 2 uur per week een professional in te huren om te zien of en hoe er een veranderingsgerichte behandeling kan worden opgestart. Ten aanzien van de gehanteerde tarieven merkt verweerder op dat deze niet door de gemeenteraad zijn vastgesteld, maar dat deze marktconform zijn en zijn vastgesteld aan de hand van de betreffende CAO’s.

6. In beroep stelt eiser zich op het standpunt dat het onrealistisch is van verweerder om te verwachten dat een professional eiser kan aanleren om zelf hulp te vragen, omdat hij goed overweg kan met een telefoon en computer. Eiser is autistisch en kan geen hulp vragen, niet in persoon en niet via een computer. Verweerder motiveert ook niet hoe tot het aantal uren van de indicatie is gekomen. Eiser heeft een verklaring van een verpleegkundig specialist, H.Mos, overgelegd, waarin is aangegeven dat problemen voorzien worden wanneer de verstrekte zorg wordt verminderd. Er is immers reeds eerder met zeer gespecialiseerde hulpverlening geprobeerd om meer zelfstandigheid te bewerkstelligen en dit was niet haalbaar. Het voetbalteam voor gehandicapten van Roda waar eiser een keer in de twee weken heen gaat is verder volgens eiser geen dagbesteding, want hij heeft begeleiding nodig voor, tijdens en na de training. Het toegekende budget is te weinig om de begeleiding bij voetbaltrainingen voort te zetten. De ouders van eiser dreigen bij het moeten verlenen van nog meer zorg overbelast te worden, ze hebben ook nog de zorg voor hun kleinkind. Eiser voert voorts aan dat er contact is geweest met GGD-arts [Arts] die advies heeft gegeven aan de gemeente. De arts geeft aan dat maandelijks 2 uur per week afbouw niet geleidelijk is, zoals hij heeft bedoeld. De afbouw zal zeer behoedzaam moeten gebeuren met veel evaluatie-momenten. Daarnaast stelt eiser dat de door de gemeente gehanteerde tarieven voor een pgb niet juist zijn vastgesteld, omdat het college niet bevoegd is bij nadere regels de hoogte vast te stellen, dat moet de gemeenteraad doen in de verordening. Tot slot stelt eiser dat in de bezwaarprocedure verzocht is om de indicatie voor langere tijd toe te kennen, in ieder geval tot 1 januari 2020. Verweerder heeft hierop niet meer gereageerd in de beslissing op bezwaar.

7. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat volgens verweerder de afbouwregeling van het aantal uren begeleiding strookt met het medisch rapport van de GGD van 17 oktober 2017. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat het onderzoek door de GGD heeft aangetoond dat eiser leerbaar is. In het rapport wordt volgens de voorzieningenrechter echter aangegeven dat eiser in de toekomst wellicht zal leren om zorg korte tijd uit te stellen, maar dat dit afhangt van de effectiviteit van het behandelplan en niet op korte termijn kan worden verwacht. De door verweerder toegepaste afbouwregeling van maandelijks 2 uur per week kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter - zeker gelet op de nadere reactie van de GGD-arts [Arts] van 21 december 2017 - dan ook geen stand houden nu een zorgvuldige onderbouwing hiervoor ontbreekt. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven en dient te worden vernietigd op grond van artikel 7:12, eerste lid van de Awb.

9. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet in overeenstemming is met het GGD-rapport om met betrekking tot het totaal aantal toegekende uren een professional verplicht te stellen met een specifieke taak voor 2 uur per week, nu uit het GGD-rapport blijkt dat het aan de psychiater samen met de casemanager is om tot (kleine) veranderingen te komen en/of mogelijk nieuwe inzichten in het gehanteerde systeem te brengen. In het GGD-rapport staat aangegeven dat de dagelijkse begeleiding en ondersteuning in handen blijft van de ouders en het zorgteam, die weliswaar geen opleiding hebben op dit vlak, maar wel open staan voor adviezen van de psychiater.

10. De voorzieningenrechter overweegt verder dat verweerder 7 uur dagbesteding tegen

€ 11,- per uur aan eiser heeft toegekend. Verweerder heeft niet nader gemotiveerd waarom ter zake niet eveneens begeleiding is toegekend. Het is de vraag of in casu wel terecht onderscheid wordt gemaakt tussen dagbesteding en begeleiding, nu eiser voor het deelnemen aan het voetbalteam voor gehandicapten van Roda, waar hij een keer in de twee weken heen gaat, begeleiding nodig heeft voor, tijdens en na de training.

11.De voorzieningenrechter overweegt met betrekking tot de wijze waarop de hoogte van het pgb is vastgesteld het volgende.

In artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015 is bepaald dat verweerder in een verordening dient te bepalen op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn.

Ingevolge artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015 bepaalt de raad bij verordening onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de pgb-houder de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2017 (Verordening) verstrekt het college een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

In artikel 7, derde lid, van de Verordening is bepaald dat het college bij nadere regeling de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld bepaalt alsmede de voorwaarden waaronder het pgb verstrekt wordt.

Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de Verordening bepaalt het college bij nadere regeling onder welke voorwaarden betreffende het tarief, een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk.

In artikel 14, tweede lid, van de Nadere regels Wmo zelfredzaamheid en participatie Heerlen 2017 (Nadere regels) is bepaald dat de hoogte van het pgb ten behoeve van persoonlijke begeleiding, uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk, per uur dienstverlening, € 13,74 bedraagt. Hierin is een vaste toeslag van € 1,90 per uur vanwege kosten verband houdend met het werkgeverschap inbegrepen.

Ingevolgde artikel 14, derde lid, van de Nadere regels bedraagt de hoogte van het pgb ten behoeve van persoonlijke begeleiding, uitgevoerd door anderen dan een persoon uit het sociaal netwerk, per uur dienstverlening, € 32,00 in het geval van basisondersteuning en

€ 40,00 in het geval van ondersteuning waarvoor bijzondere deskundigheden zijn vereist. Hierin is een vaste toeslag van € 1,90 per uur vanwege kosten verband houdend met het werkgeverschap inbegrepen.

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat de door verweerder gehanteerde pgb-tarieven niet conform de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803 zijn vastgesteld. Uit artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015 leidt de voorzieningenrechter af dat de wijze van tarifering en in ieder geval het daarin gemaakte onderscheid bij verordening dient te worden geregeld. De voorzieningenrechter constateert dat dit in de Verordening niet is gebeurd. De tariefdifferentiatie is opgenomen in de Nadere regels.

Dit betekent dat in de Verordening ten onrechte is bepaald dat het college nadere regels kan stellen over de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Het college is daartoe niet bevoegd nu artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015, in verbinding met artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015, daarvoor geen grondslag biedt.

13. De voorzieningenrechter overweegt ten slotte dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, nu verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op het verzoek van eiser in de bezwaarprocedure om de indicatie in ieder geval tot 1 januari 2020 toe te kennen.

14. Het beroep is gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen gelet op de aard van de gebreken.

15. Omdat het beroep gegrond is en verweerder wordt opgedragen om een nieuw besluit te nemen, bestaat er aanleiding om in afwachting van dat nieuwe besluit een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorlopige voorziening dat vanaf de datum van de uitspraak tot de datum van de nieuwe beslissing op bezwaar aan eiser een pgb voor beschermd wonen toekomt voor 53 uur per week ad € 13,74 per uur, waarvan 6 uur per week tegen een tarief van € 32,- per uur, en een pgb van € 75, - per dag voor 21 dagen in verband met vakantie van zijn ouders.

16. Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart en een voorziening treft, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

17. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1503,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De door eiser vermelde reiskosten die zijn gemaakt voor het bijwonen van de zitting komen voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten bedragen

€ 15,40.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    treft de voorlopige voorziening, inhoudende de toekenning aan eiser van 53 uur per week beschermd wonen in de vorm van een pgb á € 13,74,- per uur, waarvan 6 uur per week tegen een tarief van € 32,- per uur, en een pgb van € 75, - per dag voor 21 dagen in verband met vakantie van zijn ouders;

  • -

    bepaalt dat deze voorziening door verweerder dient te worden verstrekt vanaf de datum van de uitspraak en vervalt op de datum van de nieuwe beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 92,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1518,40,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.K.M. Bohnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 19 maart 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.