Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2525

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
03/866470-15
Formele relaties
Veroordeling feit: ECLI:NL:RBLIM:2018:2526, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hennepteelt en stroomdiefstal. De verdachte huurde een bedrijfspand waarin nadien een hennepkwekerij van 3.400 planten werd aangetroffen. Overwegingen in het kader van opzet en medeplegen bij ontbreken van uitvoeringshandelingen bij daadwerkelijke teelt en diefstal. Veroordeling tot maximale taakstraf i.c.m. voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden alsmede (hoofdelijke) toewijzing vordering benadeelde partij. Tevens ontneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866470-15

Tegenspraak (gemachtigde raadsman)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.D. Maessen, advocaat kantoorhoudende te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 maart 2018. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met een ander of anderen, 3.400 hennepplanten en 312 hennepstekken heeft geteeld/bereid/bewerkt/verwerkt, dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

Feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen, elektriciteit heeft gestolen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het medeplegen van hennepteelt (feit 1) en het medeplegen van elektriciteitsdiefstal (feit 2) wettig en overtuigend bewezen zal verklaren. Daartoe heeft hij aangevoerd dat – kort gezegd – de omvang van kwekerij meerdere betrokkenen impliceert, waarbij de verdachte een rol als medepleger heeft gehad gelet op zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van de huur van de loods en gelet op zijn onjuist gebleken verklaringen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de rechtbank de verdachte integraal zal vrijspreken. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Voor wat betreft feit 1 bevat het dossier enerzijds geen bewijs voor actieve betrokkenheid van de verdachte bij de hennepteelt en anderzijds blijkt uit het dossier niet van feitelijke beschikkingsmacht over de hennep. Voor wat betreft feit 2 kan enerzijds de pleegperiode, zowel de start- als einddatum, niet bewezen worden en anderzijds ontbreekt ook hier bewijs dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Hennepkwekerij en diefstal stroom: bewijs.

Op 24 december 2014 werd in een loods op het perceel [adres] te Beek in verschillende ruimtes een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.2 Na ruiming bleek dat sprake was van (156 + 156 =) 312 hennepstekken en (960 + 752 + 768 + 460 + 460 =) 3.400 hennepplanten.3 Er is sprake van hennep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.4

Volgens een monteur van Enexis werd de stroom ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal afgenomen vanuit twee meterkasten.5 De aangifte van Enexis B.V. vermeldt dat sprake was van een illegale aansluiting op de onderzijde van de zekeringhouders, van een illegale aansluiting op de bovenzijde van de zekeringhouders en van manipulatie / verzwaring van de hoofdbeveiliging. Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij niet correct geregistreerd.6 Het voegingsformulier benadeelde partij van Enexis B.V. vermeldt dat sprake is van 143.199 kWh illegaal afgenomen energie.7

De rol van de verdachte: bewijs.

Perceel [adres] te Beek betreft een vrijstaand bedrijfspand. Aan de voorzijde van dit bedrijfspand is een [naam BV] gevestigd met daarachter grenzend een grote loods. In de loods werden de ruimtes met de hennepkwekerij aangetroffen. Tijdens het onderzoek in en om het bedrijfspand werd een woongedeelte op de bovenste verdieping aangetroffen. In deze woning werd post aangetroffen gericht aan [verdachte] , [adres] te Beek. Op dit adres stond ingeschreven [verdachte] , geboren op [geboortegegevens verdachte] .8 In de woning op de tweede verdieping werd tevens een bankpas ten name van [verdachte] aangetroffen.9

Het perceel [adres] te Beek was eigendom van Artha Beheer N.V.10 en door Artha Beheer N.V. met ingang van 1 augustus 2014 verhuurd aan [naam BV] B.V., vertegenwoordigd door [verdachte] , geboren op [geboortegegevens verdachte] .11

Informatie van de Kamer van Koophandel vermeldt dat op het adres [adres] te Beek sinds 4 juli 2014 [naam BV] B.V. gevestigd was. [verdachte] , geboren op [geboortegegevens verdachte] stond geregistreerd als enig aandeelhouder en bestuurder en het bedrijf was opgericht op 4 juli 2014.12

Getuige [getuige] , directeur van Artha Beheer N.V., verklaarde onder meer het volgende:

Als Artha Beheer N.V. hadden wij perceel [adres] te Beek in onze portefeuille. Medio begin juni 2014 werden wij benaderd door dhr. [naam 1] . Hij deelde ons mede dat hij belde voor een klant die interesse toonde voor ons pand.

Enkele dagen later hebben wij een bezichtiging georganiseerd waarbij dhr. [naam 1] , een medewerker van Artha Beheer en de potentiële huurder gemaand: [verdachte] , geboren op [geboortegegevens verdachte] en een NN-vriend van hem aanwezig waren.

Bij deze bezichtiging gaf dhr. [naam 1] aan dat de potentiële huurder voornemens was

om een [naam BV] te starten en deze eerste bezichtiging was vooral bedoeld om te beoordelen of ons pand daarvoor geschikt was. Na deze eerste bezichtiging zijn nog 2 andere bezichtigingen waarbij dhr. [naam 1] , dhr. [verdachte] en zijn vriend aanwezig waren.

Op 22 juli 2014 werd door mij, als vertegenwoordiging van Artha Beheer N.V., en de huurder dhr. [verdachte] een huurovereenkomst ondertekend. Bij het ondertekenen van deze huurovereenkomst waren tevens aanwezig dhr. [naam 1] en de NN-vriend van dhr. [verdachte] . Met de huurder werd afgesproken dat het huurcontract op 01 augustus 2014 zou ingaan voor de duur van 3 jaren.

De huurder kreeg de beschikking over de sleutel zodra de eerste huur en waarborgsom (2 maanden huur + btw) was betaald. Door dhr. [verdachte] is het bedrag dat betaald diende te worden op ons rekeningnummer gestort. Bij de sleuteloverdracht hebben wij in gezamenlijkheid nogmaals door het pand gelopen, waarna de sleutel werd overgegeven aan dhr. [verdachte] .

Nadat de huurder de beschikking had over de sleutels van het door hem gehuurde pand, betaalde hij de huur middels een overschrijving naar het rekeningnummer van Artha Beheer N.V., zijnde rekeningnummer: [rekeningnummer 1] . Conform afspraak betaalde de huurder een huurprijs van 3.500 euro per maand (exclusief btw). De betaling van het huurbedrag dient altijd vóór of op de eerste van die betreffende maand te worden voldaan door de huurder. In de afgelopen periode dat de huurder dit pand van ons huurde, heeft hij aan die betalingsverplichting voldaan.13

In het dossier bevindt zich een bankafschrift, welke een overboeking weergeeft van 4.290 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 2] naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. Artha Beheer N.V. met als omschrijving onder meer “huur December.” 14 Informatie van de ING-bank vermeldt dat rekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam staat van [naam BV] , [adres] te Beek.15

De overwegingen van de rechtbank.

In een loods aan de [adres] te Beek werd op 24 december 2014 een hennepkwekerij aangetroffen. De verdachte bleek dit pand, via zijn onderneming [naam BV] , te huren sinds 1 augustus 2014. Bovendien was de verdachte ingeschreven op genoemd adres en is hij – mede gelet op de op zijn naam gestelde bankpas die in de woning is aangetroffen – ook aanwezig geweest in de woning boven het bedrijfspand.

i. opzet?

Onder deze omstandigheden had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de verdachte gelegen om een aannemelijke verklaring te geven voor het hiervoor genoemde belastende bewijs. Een verklaring van de verdachte derhalve waaruit blijkt dat hij niet betrokken is geweest bij de hennepkwekerij die in de loods stond, die door hem werd gehuurd en betaald. Zulks heeft de verdachte echter nagelaten.

Enerzijds heeft hij zich tegenover de politie - ook nadat hem uitdrukkelijk belastend bewijs werd voorgehouden - grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen (pg. 260-268) en heeft hij ervoor gekozen om ter terechtzitting niet te verschijnen.

Anderzijds heeft hij toch getracht de verdenking te weerleggen, door in zijn eerste (telefonisch) contact met de politie te verklaren dat hij de woning en loods onderverhuurde aan een persoon genaamd [naam 2] (pg. 255) en door bij zijn verhoor bij de politie (pg. 263) een huurovereenkomst (pg. 290-292) te overleggen waaruit die verhuur zou moeten blijken. Allereerst valt echter op dat, anders dan de verdachte eerder telefonisch verklaarde, het de verhuur van alleen de “achterste loods” betrof en de verhuur aan [naam 3] in plaats van de eerder genoemde [naam 2] . Bij die huurovereenkomst is een kopie van een identiteitskaart ten name van [naam 3] gevoegd (pg. 293). Deze blijkt echter ten tijde van het opmaken van de huurovereenkomst op 1 september 2014 reeds ruim 2 jaren verlopen te zijn, namelijk sinds 24 juli 2012, de handtekening onder de huurovereenkomst is volstrekt anders dan op de identiteitskaart en bovendien blijkt de identiteitskaart al sinds 4 juli 2008 als vermist/gestolen geregistreerd te staan (pg. 9). Een en ander in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank ervan overtuigd dat deze huurovereenkomst vals is en enkel is opgemaakt en overgelegd om de verdachte onschuldig te doen lijken. De rechtbank hecht dan ook volstrekt geen geloof aan de door de verdachte gestelde onderverhuur van (een deel van) het bedrijfspand aan de [adres] te Beek en ziet de valse verklaring eerder als een bevestiging dan als een ontkrachting van het tegen de verdachte voorhanden zijnde bewijs.

Verder neemt de rechtbank in haar overweging mee dat het ongeloofwaardig is dat de verdachte, die ten tijde van het ten laste gelegde naar eigen zegge werkloos was en geen uitkering genoot, in staat zou zijn om een borg van 7.000 euro en de maandelijkse forse huursom van 3.500 euro te betalen.

De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, terwijl dat van hem onder de eerder genoemde belastende omstandigheden wel gevergd mocht worden. Integendeel, de verdachte heeft zelfs getracht zichzelf via een valse huurovereenkomst vrij te pleiten. Onder deze omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de verdachte wel degelijk wetenschap had van en opzet op de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het door hem gehuurde pand. De rechtbank deelt overigens niet de visie van de verdediging dat de verdachte ondanks wetenschap geen feitelijke beschikkingsmacht had over de hennepkwekerij. De verdachte was immers de huurder van het bedrijfspand, inclusief de woning, heeft de sleutel van de verhuurder gekregen, stond daar ingeschreven en is daar ook aanwezig geweest.

ii. medeplegen?

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict, dat wil zeggen bij de daadwerkelijke teelt van de hennepplanten, zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij het volgende af.

De aangetroffen hennepkwekerij kan gelet op zijn omvang van meer dan 3.400 planten, de aangetroffen stroomvoorziening en automatische verzorgingsinstallaties zonder meer als buitengewoon professioneel worden aangemerkt. Een dergelijke grote en professionele kwekerij kan simpelweg niet door een persoon alleen opgezet en geëxploiteerd zijn. Het kan dan ook niet anders dan dat het feit door "verenigde personen" is begaan.

De verdachte heeft als enig aandeelhouder en bestuurder van de onderneming genaamd [naam BV] het bedrijfspand aan de [adres] te Beek gehuurd. De verdachte heeft in de voorbereiding van die huur samen met twee anderen driemaal het pand bezichtigd en heeft uiteindelijk zelf de huurovereenkomst ondertekend. Voorts is vanaf de bankrekening ten name van de [naam BV] de huur voor het bedrijfspand ad 3.500 euro per maand overgeboekt. Direct of kort na de aanvang van deze huur is met de opbouw van de hennepkwekerij begonnen, mede uitgaande van de stelling van de verdediging dat de opbouw van een dergelijke hennepkwekerij een relatief lange tijd in beslag neemt en gelet op de datum van aantreffen van de kwekerij met een teelt van minstens 56 dagen oud (p. 223). Dat rechtvaardigt de conclusie dat het pand specifiek met het doel van het opzetten van de hennepkwekerij is gehuurd.

De beschikbaarheid van de loods was een cruciaal onderdeel voor deze grootschalige, professionele hennepkwekerij. Een kwekerij van deze omvang kan niet op elke locatie worden geëxploiteerd. Er is een gebouw van voldoende omvang op een zorgvuldig uitgekozen locatie nodig. Gelet op de benodigde investeringen in geld en menskracht voor een dergelijke omvangrijke hennepkwekerij is een goede dekmantel, een bonafide-ogend bedrijf of –huurder, noodzakelijk. De kwekerij moet immers enige tijd draaien om geld te verdienen. De verdachte heeft een onmisbare rol vervuld in het zoeken naar en beschikbaar houden van een geschikt gebouw speciaal voor de hennepkwekerij en in de huur daarvan, blijkens zowel zijn rol bij de bezichtigingen als zijn rol als huurder/exploitant van (een deel van) de loods. Verdachte heeft een essentiële rol vervuld in het optrekken en in stand houden van de dekmantel die de onderneming van de [naam BV] kennelijk was.

Naar het oordeel van de rechtbank was de rol van de verdachte dus onmisbaar om de hennepkwekerij op te zetten én te exploiteren. Hoewel niet gebleken is dat de verdachte zelf actieve handelingen ten aanzien van de hennepplanten heeft verricht, wordt dit meer dan voldoende gecompenseerd door de hiervoor weergegeven gedragingen. Verdachte heeft veel meer gedaan dan enkel een zolder of schuur in een eigen woning ter beschikking te stellen, zoals dat wel het geval was in de door de raadsman aangehaalde zaken. Gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat de bijdrage van de verdachte aan de hennepkwekerij van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken.

iii. medeplegen diefstal stroom?

Hetgeen de rechtbank in het voorgaande heeft overwogen ten aanzien van de wetenschap van de verdachte van en zijn rol bij de hennepkwekerij, geldt eveneens voor de diefstal van elektriciteit. Het is een feit van algemene bekendheid dat de elektriciteit van een hennepkwekerij veelal illegaal wordt afgenomen. Dit geldt zeker nu sprake is van een zeer omvangrijke hennepkwekerij, waarvoor de elektriciteitskosten blijkens de vordering van Enexis B.V. gedurende de ten laste gelegde periode ruim 8.000 euro zouden hebben bedragen. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de verdachte als medepleger van de hennepteelt eveneens – in ieder geval in voorwaardelijke zin – het opzet had op de diefstal van elektriciteit ten behoeve van die hennepteelt. Daarmee acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen het medeplegen van diefstal van elektriciteit.

Nu uit de aangifte van Enexis B.V. naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk blijkt wat en op welke manier verbroken zou zijn om die stroomdiefstal mogelijk te maken, acht de rechtbank braak en verbreking niet bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

1.op 24 december 2014 in de gemeente Beek in vereniging met een ander / anderen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) 3400 hennepplanten en 312 hennepstekken, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 24 december 2014 in de gemeente Beek in vereniging met een ander / anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, toebehorende aan Enexis B.V..

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

  1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

  2. diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft daarbij overwogen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 tot 8 maanden in beginsel passend is voor hennepteelt in deze omvang, maar omdat het een oude zaak is, komt hij tot een lichtere eis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de rol van de verdachte als een typisch medeplichtige, welke rol doorgaans tot minder strafoplegging leidt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan hennepteelt en elektriciteitsdiefstal. De verdachte maakte deel uit van een samenwerkingsverband, waarbij hij verantwoordelijk was voor de huur van het bedrijfspand waarin de hennepkwekerij geëxploiteerd werd en het ophouden van een dekmantel in de vorm van een legale onderneming in dat pand. Het betrof hier bovendien een zeer omvangrijke en professionele hennepkwekerij van meer dan 3.700 hennepplanten en –stekken. Hennep berokkent gezondheidsschade aan de gebruikers ervan. De teelt ervan gaat veelal gepaard met andere vormen van criminaliteit zoals de handel van die hennep, witwassen, maar ook geweld. De verdachte heeft zich daar echter niets van aangetrokken en heeft kennelijk enkel gedacht aan zijn eigen financieel gewin.

In het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is voor de bestraffing van hennepteelt in een kwekerij met 500 tot 1.000 hennepplanten als oriëntatiepunt een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden in combinatie met een taakstraf van 180 uren vastgesteld. In deze hennepkwekerij was sprake van een veel groter aantal planten. Evenals de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maanden gerechtvaardigd is. Ten nadele van de verdachte weegt de rechtbank verder mee dat hij blijkens zijn strafblad ten tijde van het ten laste gelegde nog in een proeftijd verkeerde in het kader van een voorwaardelijk sepot. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw het criminele pad op te gaan.

Anderzijds constateert de rechtbank dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Verder zal de rechtbank rekening houden met overschrijding van de redelijke termijn. De hennepkwekerij werd op 24 december 2014 ontdekt en de verdachte werd op 30 maart 2015 als verdachte gehoord, terwijl eerst op 16 augustus 2017 een regiezitting plaatsvond en heden, bijna drie jaren later, vonnis wordt gewezen. Dit is niet of slechts in zeer beperkte mate (te weten het verzoek van de raadsman om twee getuigen te horen) aan de verdediging te wijten.

De rechtbank zal gelet hierop geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar een maximale taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. De rechtbank geeft daarmee iets minder ‘korting’ voor de overschrijding van de redelijke termijn dan de officier van justitie. Simpel gezegd omdat de rechtbank het gat tussen 8 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden in combinatie met 240 uur taakstraf wel erg groot vindt als reactie op de overschrijding van de redelijke termijn. In de (overige) persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals gebleken uit zijn verhoor bij de politie en uit het reclasseringsadvies d.d. 14 april 2017, ziet de rechtbank geen aanleiding tot verdere matiging van de op te leggen straf.

De rechtbank zal de verdachte dan ook veroordelen tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij Enexis B.V. vordert een schadevergoeding van 10.821,05 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 december 2014, en kosten rechtsbijstand van 600 euro ter zake van feit 2.

De officier van justitie acht de vordering integraal toewijsbaar.

De verdediging acht de vordering te complex gelet op de betrokkenheid van derden en daarom ook onredelijk, onder welke omstandigheden de vordering een onevenredige belasting vormt van het strafgeding, hetgeen tot de niet-ontvankelijkheid van Enexis B.V. dient te leiden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken – hetgeen overigens ook niet inhoudelijk is weersproken door de verdediging – dat de benadeelde partij Enexis B.V. als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van 10.821,05 euro. Anders dan de verdediging is de rechtbank niet van oordeel dat – kort gezegd – de omstandigheid dat sprake is van medeplegen met onbekende derden leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding bij de beoordeling van de vordering. Verdachte is dan ook – samen met zijn mededader(s) – tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering tot het bedrag van 10.821,05 euro toewijsbaar is.

De verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededader(s), aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, thans begroot op 600 euro. De rechtbank heeft daarvoor net als de benadeelde partij aansluiting gezocht bij de “Salarissen voor rolzaken kanton” en de kosten rechtsbijstand gewaardeerd op twee punten van elk 300 euro.

De rechtbank ziet aanleiding de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen en zal aldus tevens aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van 10.821,05 euro bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 89 dagen te betalen ten behoeve van Enexis B.V.

8 Het beslag

De in beslag genomen hennepkwekerij is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, omdat het bewezenverklaarde met betrekking tot de daarvan deel uitmakende voorwerpen is begaan en omdat deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor feiten 1 en 2 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt de verdachte voor feiten 1 en 2 tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- wijst de vordering van de benadeelde partij Enexis B.V. ten aanzien van feit 2 toe;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij Enexis B.V. te betalen 10.821,05 euro te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 24 december 2014 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededader(s) is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op 600,00 euro;

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer Enexis B.V. van 10.821,05 euro, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 89 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 24 december 2014 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededader(s) is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen;

Beslag

- onttrekt aan het verkeer: 1st. hennepkwekerij (531207).

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Snijders, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 maart 2018.

Buiten staat

Mr. A. Snijders en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 24 december 2014 in de gemeente Beek in vereniging met een ander / anderen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer) 3400 hennepplanten en/of (onegveer) 312 hennepstekken, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.hij in of omstreeks 22 juli 2014 tot en met 24 december 2014 in de gemeente Beek in vereniging met een ander / anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, basisteam Westelijke Mijnstreek, registratienummer PL2300-2014171211 gesloten d.d. 4 november 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 314.

2 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 4 november 2015, pg. 4-6.

3 Ruimlijsten, gevoegd bij de kennisgeving van inbeslagneming d.d. 25 december 2014, pg. 245-257.

4 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 4 november 2015, pg. 6.

5 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 4 november 2015, pg. 6.

6 Geschrift, te weten een schriftelijke aangifte van Enexis B.V. d.d. 31 maart 2015, pg. 221-223.

7 Geschrift, te weten voegingsformulier benadeelde partij van Enexis B.V. d.d. 19 februari 2016.

8 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 4 november 2015, pg. 4-7.

9 Geschrift, te weten een foto, weergegeven op pg. 216 i.c.m. een geschrift, te weten een plattegrond van de tweede verdieping, weergegeven op pg. 17.

10 Geschrift, te weten een Kadastraal bericht d.d. 7 januari 2015, pg. 269-270.

11 Geschrift, te weten huurovereenkomst d.d. 22 juli 2014, pg. 275-279.

12 Geschrift, te weten een online uittreksel KvK d.d. 8 januari 2015, pg. 256-257.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 6 februari 2015, pg. 271-274.

14 Geschrift, te weten een elektronisch dagafschrift, pg. 282.

15 Geschrift, te weten een brief van de ING-Bank d.d. 28 oktober 2015, pg. 306.