Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2455

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
03/700039-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 120 uren met een proeftijd van 3 jaren voor het medeplegen van een poging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte heeft verklaard één keer ter verdediging op de rug van het slachtoffer te hebben geslagen en beroept zich op noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700039-17

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.E.L. Teerling, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 februari 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Primair: samen met een ander heeft geprobeerd om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem meermalen met een honkbalknuppel en/of een ploertendoder te slaan;

Subsidiair: openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] door hem meerdere malen met een honkbalknuppel en/of ploertendoder te slaan;

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde bewezen is. De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij [slachtoffer 1] met een honkbalknuppel heeft geslagen. Blijkens de aangiftes van [slachtoffer 1] en [naam aangever] heeft de verdachte [slachtoffer 1] , anders dan verdachte heeft verklaard, meerdere malen met een honkbalknuppel geslagen. De verdachte heeft dit feit samen met de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) gepleegd, die [slachtoffer 1] meerdere malen met een ploertendoder heeft geslagen. Van noodweer is volgens de officier van justitie geen sprake, omdat uit de verklaringen van de verdachte bij de politie blijkt dat de verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk gewapend de confrontatie zijn aangaan met [slachtoffer 1] en hem meerdere malen hebben geslagen met een ploertendoder respectievelijk een honkbalknuppel.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde gesteld dat de verdachte [slachtoffer 1] één keer met de honkbalknuppel op de rug heeft geslagen om [medeverdachte] van [slachtoffer 1] te ontzetten, hetgeen wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte] als getuige ter terechtzitting afgelegd en het bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsel. Gelet hierop heeft de verdediging primair gesteld dat geen sprake is van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] . Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger, omdat zijn bijdrage van onvoldoende gewicht was. De verdachte heeft zich in eerste instantie onttrokken aan de situatie door op afstand te kijken naar het gevecht tussen [medeverdachte] en [slachtoffer 1] en heeft pas gehandeld nadat de aangever boven op [medeverdachte] zat. Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging primair gesteld dat de verdachte geen opzet had op de geweldpleging, omdat hij niet betrokken was bij een plan daartoe of de uitvoering daarvan. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt, omdat hij afstand heeft gehouden, niet als een entiteit met [medeverdachte] heeft opgetreden en hij het geweld niet heeft bevorderd. De verdachte heeft pas ingegrepen op het moment dat [medeverdachte] ernstig werd belaagd. Ten slotte heeft de verdediging gesteld dat sprake was van noodweer en dat de verdachte integraal moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte heeft [medeverdachte] op proportionele en gepaste wijze verdedigd tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer 1] . Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de verdachte vooral bij angst niet goed in staat is de juiste keuzes te maken, zoals ook blijkt uit het rapport van de psycholoog J. Nys van 14 april 2017.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 26 december 2016 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van poging tot zware mishandeling. Hij heeft - zakelijk weergegeven- als volgt verklaard:

Op 25 december 2017 werd hij vanaf 19.30 uur meerdere keren telefonisch en via WhatsApp door [medeverdachte] benaderd met de vraag of hij zijn gereedschap kon krijgen dat zich in de loods van [naam aangever] bevond. Daarop heeft de aangever geantwoord dat [medeverdachte] op een later moment zijn gereedschap kon halen. Toen aangever om 22.00 uur die dag bij de loods kwam zag hij dat de ruit geforceerd was en dat het gereedschap niet meer in de loods lag. De aangever is samen met zijn vader [naam aangever] naar de [adres] te Heerlen gegaan, waar [medeverdachte] verbleef. Toen de aangever op 26 december 2016 om 00:50 uur had aangebeld, deed niemand open. Uit woede heeft de aangever het glas van de voordeur met een hamer kapot geslagen. De aangever wilde teruglopen naar zijn auto en was halverwege toen hij zag dat [medeverdachte] en de verdachte uit de woning renden. [medeverdachte] had iets in zijn rechterhand. De aangever herkende het geluid van dit voorwerp als een ploertendoder. De verdachte had een honkbalknuppel in zijn handen. De aangever bleef staan en [medeverdachte] en de verdachte liepen zijn kant op. De aangever werd door [medeverdachte] meerdere keren met de ploertendoder op zijn hoofd geraakt. Daarna kwam hij bovenop [medeverdachte] te liggen of te zitten. De aangever sloeg [medeverdachte] met zijn vuisten. De verdachte sloeg de aangever met de honkbalknuppel op zijn hoofd en op zijn rug. Hierdoor nam aangever afstand van de verdachte. Aangever is vervolgens samen met zijn vader in de auto gestapt en weggereden.2

Op 26 januari 2017 heeft [verdachte] - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

[slachtoffer 1] kwam op 26 december 2016 met zijn vader langs bij de woning aan de [adres] te Heerlen. Eén van de twee heeft met een hamer de ruit van de voordeur ingeslagen. De verdachte hoorde die klappen en heeft de honkbalknuppel gepakt. Dit voorwerp lag al op de bank in de woonkamer, omdat zij al een beetje waren voorbereid op de hele situatie. De verdachte heeft boven aan de trap met de honkbalknuppel in zijn handen gewacht totdat [slachtoffer 1] en [naam aangever] binnen zouden komen, maar ze kwamen niet binnen. Toen zijn de verdachte en [medeverdachte] naar buiten gelopen en begonnen met schelden. [slachtoffer 1] en [medeverdachte] zijn begonnen met vechten. [slachtoffer 1] vloog op [medeverdachte] af, duwde hem op de grond en stompte hem herhaaldelijk in het gezicht. De verdachte heeft [slachtoffer 1] met de honkbalknuppel geslagen.3

[naam aangever] heeft onder meer - zakelijk weergegeven - verklaard dat:

Hij zag dat [medeverdachte] op 26 december 2016 met iets in zijn handen op [slachtoffer 1] in was aan het slaan. Daarna gaf [slachtoffer 1] een klap met zijn vuist aan [medeverdachte] waardoor deze op de grond kwam te liggen. Daarna begon de verdachte, met een honkbalknuppel op [slachtoffer 1] in te slaan. [slachtoffer 1] was enorm aan het schelden op [medeverdachte] . Terwijl [medeverdachte] en [slachtoffer 1] aan het vechten waren, was de verdachte nog steeds aan het slaan op

[slachtoffer 1] .4

Uit informatie van de huisarts van 26 december 2016 blijkt het volgende:

[slachtoffer 1] heeft vier barstwonden op het behaarde hoofd en twee rode zwellingen op de rug naast de mediaanlijn.5

Bewijsoverwegingen
De rechtbank acht, gelet op de aangifte van [slachtoffer 1] , de verklaring van [naam aangever] en de medische informatie over het letsel van [slachtoffer 1] , bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] op 26 december 2016 meerdere malen met een honkbalknuppel heeft geslagen. Voorts overweegt de rechtbank dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen is bewezen dat [medeverdachte] [slachtoffer 1] meerdere malen met een ploertendoder heeft geslagen. [slachtoffer 1] is met de ploertendoder en de honkbalknuppel zowel op het hoofd als op de rug geslagen.

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat tussen de verdachte en [medeverdachte] van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking sprake is geweest om van medeplegen te kunnen spreken. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat de verdachte en [medeverdachte] , blijkens de verklaring van de verdachte op 25 december 2016 in de woning aan de [adres] te Heerlen samen aanwezig waren, voorbereid waren op de komst van [slachtoffer 1] , samen naar buiten zijn gegaan, gewapend met een ploertendoder en een honkbalknuppel en de confrontatie zijn aangaan met [slachtoffer 1] en hem meerdere malen hebben geslagen met een honkbalknuppel respectievelijk een ploertendoder.

Vervolgens is het de vraag of het handelen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] is aan te merken als een poging tot zware mishandeling. Op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is minst genomen sprake geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard van de voorwerpen waarmee de verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer 1] (op het hoofd) hebben geslagen, te weten een honkbalknuppel en een ploertendoder, de aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] . Deze aanmerkelijke kans hebben de verdachte en [medeverdachte] willens en wetens aanvaard. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met [medeverdachte] heeft geprobeerd aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Primair

op 26 december 2016 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen met een honkbalknuppel en een ploertendoder heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ten aanzien van het tenlastegelegde heeft de verdediging namens verdachte aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hij gehandeld heeft uit zelfverdediging (noodweer) en derhalve het feit niet strafbaar is.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding ".

In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden zowel de zogenoemde subsidiariteits - als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

Naar het oordeel van de rechtbank is het volgende vast komen te staan. [slachtoffer 1] is op

25 december 2016 naar de woning van [medeverdachte] gegaan en heeft met een hamer het glas van de voordeur kapot geslagen. Toen de aangever wilde teruglopen naar zijn auto en halverwege was renden de verdachte en [medeverdachte] voorzien van een ploertendoder en een honkbalknuppel uit de woning naar [slachtoffer 1] . [medeverdachte] sloeg [slachtoffer 1] meerdere keren met een ploertendoder op zijn hoofd. Daarna zat of lag [slachtoffer 1] bovenop [medeverdachte] en sloeg hij [medeverdachte] met zijn vuisten. De verdachte sloeg [slachtoffer 1] meerdere malen met een honkbalknuppel. Hierdoor nam [slachtoffer 1] afstand van [medeverdachte] en de verdachte. [slachtoffer 1] is vervolgens samen met zijn vader in de auto gestapt en weggereden.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat voor alle partijen in deze strafzaak geldt dat zij zich niet onbetuigd hebben gelaten in de zin van de confrontatie zoeken en agressief optreden. [slachtoffer 1] is naar de woning van [medeverdachte] gegaan en heeft het glas van de voordeur kapot geslagen. Op het moment dat [slachtoffer 1] terug liep naar zijn auto en reeds halverwege was, kozen de verdachte en [medeverdachte] de aanval door gewapend met een honkbalknuppel en een ploertendoder vanuit de woning naar [slachtoffer 1] te rennen. [medeverdachte] begint [slachtoffer 1] met de ploertendoder te slaan. Vervolgens komt [slachtoffer 1] in het daarop volgend gevecht op [medeverdachte] te zitten en slaat hem met de vuisten. Dat leidt tot een situatie waarin de verdachte naar eigen zeggen [medeverdachte] probeert te ontzetten van [slachtoffer 1] . Van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van [medeverdachte] door [slachtoffer 1] kan in de gegeven situatie naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden gesproken. De wederrechtelijke aanranding was er veeleer eerder tegen [slachtoffer 1] die door [medeverdachte] met een ploertendoder werd geslagen, terwijl [slachtoffer 1] slechts zijn vuisten had om zich te verdedigen. Verdachte heeft op dat moment niet ingegrepen. De wijze waarop de verdachte overigens heeft gehandeld te weten door het meerdere malen slaan met een honkbalknuppel op het lichaam van [slachtoffer 1] , valt naar het oordeel van de rechtbank ook niet binnen de grenzen van de subsidiariteit en proportionaliteit. Dit handelen van de verdachte kan daarom niet worden aangemerkt als een noodzakelijke verdediging van zijn eigen of een anders lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank verwerpt het verweer op noodweer. Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten levert het bewezenverklaarde derhalve het volgende strafbare feit op:

medeplegen van poging tot zware mishandeling

5 De strafbaarheid van de verdachte

De psycholoog J. Nys heeft over de geestvermogens van de verdachte op 14 april 2017 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in DSM-termen te diagnosticeren als een autismespectrumstoornis, hetgeen ook ten tijde van het tenlastegelegde het geval was. Deze gebrekkige ontwikkeling heeft de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. Zijn autistische stoornis gaat gepaard met significante beperkingen op de voornaamste domeinen van het psychisch functioneren. De verdachte heeft moeite zich een voorstelling te maken van de gedachten en motieven van anderen. Zijn empathische vermogens zijn geringer dan doorsnee. Het geheel maakt dat hij weinig afgestemd is op zijn sociale omgeving. Hij kan zich daardoor in situaties (laten) begeven en gedragingen stellen waarvan hij de gevolgen onvoldoende kan overzien. De stoornis van de verdachte gaat ook gepaard met een verminderd vermogen om een probleem van verschillende alternatieve oplossingen te overwegen. Zijn vermogen om impulsen af te remmen of te weerstaan is ook geringer dan een doorsnee persoon. Wanneer emoties als angst oplopen is dit nog minder het geval. De verdachte verliest sneller de controle over de situatie, is minder in staat om bewuste keuzes te maken en handelt impulsiever. Het geheel van deze disfuncties speelden in de delictcontext en worden bij het advies aangaande de mate van toerekeningsvatbaarheid in overweging genomen. Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de autistische stoornis van de verdachte de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte zodanig hebben beïnvloed dat het ten laste gelegde, indien bewezen, hieruit in sterke mate kan worden verklaard waardoor wordt geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt op basis van de in voornoemd rapport vervatte bevindingen en het daarin vervatte advies de conclusie over om de verdachte het ten laste gelegde feit in verminderde mate toerekeningsvatbaar te achten. Er is overigens geen sprake van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, mede in aanmerking genomen de inhoud van voornoemd rapport, en op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zeven maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, onder oplegging van reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte een ambulant forensisch behandelprogramma volgt voor personen met een autismespectrumstoornis, zoals geadviseerd in het eerdergenoemde rapport van psycholoog J. Nys.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft onder verwijzing naar het reclasseringsadvies van 8 februari 2018, waarin lovend wordt geschreven over de verdachte, verzocht aan de verdachte, bij een bewezenverklaring van het feit en strafbaarheid van de verdachte, een (gedeeltelijk) voorwaardelijke taakstraf met toezicht van de reclassering op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte is zonder noodzaak samen met [medeverdachte] gewapend de confrontatie aangegaan met [slachtoffer 1] . Hoewel [slachtoffer 1] al aanstalten maakte te vertrekken, zijn [medeverdachte] met verdachte in zijn kielzog, bewapend met een ploertendoder en een honkbalknuppel naar beneden gegaan en hebben daar de confrontatie gezocht met [slachtoffer 1] . Vervolgens heeft de verdachte samen met [medeverdachte] [slachtoffer 1] meerdere malen geslagen met een honkbalknuppel respectievelijk ploertendoder. [slachtoffer 1] is als gevolg van dit gevecht aan zijn hoofd en rug gewond geraakt. De fysieke gevolgen zijn gelukkig beperkt gebleven, maar hadden, gelet op de voorwerpen waarmee de verdachte en [medeverdachte] op het hoofd en de rug van het slachtoffer heeft geslagen, veel ernstiger kunnen zijn.

Bij voornoemd rapport van de psycholoog J. Nys is de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar verklaard. De rechtbank zal met dit gegeven rekening houden bij het bepalen van de strafmaat. De rechtbank houdt tevens rekening met de positieve wijze waarop verdachte zijn leven op dit moment gestalte geeft en de begeleiding die hij daarbij heeft van M. Smeijtsters van Zekerheid en Zorg, zoals daarvan blijkt uit de reclasseringsrapportage

De rechtbank heeft verder acht geslagen op strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte first-offender is ten aanzien van geweldsdelicten.

De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren passend. De rechtbank acht het ter verkleining van de kans op recidive geboden dat daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden wordt opgelegd, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsadvies van 8 februari 2017.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.000,- voor de door hem geleden immateriële schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat rekening moet worden gehouden met alle feiten en omstandigheden, waaronder het eigen aandeel van de benadeelde partij in de ruzie tussen hem en onder meer de verdachte. De officier van justitie acht de vordering tot een bedrag van € 500,- toewijsbaar, inclusief wettelijke rente en met toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de verdachte moet worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de verdediging onder verwijzing naar artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek gesteld dat, gelet op het eigen aandeel van de benadeelde partij in de ruzie tussen hem en [medeverdachte] , en de geringe rol van de verdachte daarin, de schadevergoeding dient te worden afgewezen dan wel fors te worden gematigd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 1] immateriële schade heeft geleden als direct gevolg van het bewezenverklaarde. De rechtbank stelt deze schade, gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan, naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,-. De rechtbank zal de vordering voor dit bedrag derhalve toewijzen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 december 2016 en wijst de vordering voor het overige af.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met de medeverdachte [medeverdachte] heeft gepleegd. De rechtbank zal daarom de vordering hoofdelijk toewijzen.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor de toegewezen bedragen hoofdelijk aangewezen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde feit tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de verdachte gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

a. de verdachte moet zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij de Reclassering Nederland, locatie Heerderweg 25 te Maastricht (telefoonnummer 088-804102). Hierna moet de verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

de verdachte mag, zonder toestemming van de reclassering en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht , geen direct of indirect contact op nemen met [slachtoffer 1] , [medeverdachte] , [naam 1] , [naam aangever] en [naam 2] ;

de verdachte is verplicht de reeds tot stand gekomen dagbesteding te continueren, in overleg met de uitkerende instantie, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt de verdachte voorts voor het bewezenverklaarde feit tot een taakstraf voor de duur van 120 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , wonende te Heerlen, toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 26 december 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening, met dien verstande dat, indien de verdachte of diens mededader dit bedrag heeft betaald, de ander zal zijn gekweten;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot op heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 500,- bij niet betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 26 december 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening:

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, voorzitter, mr. F.L.G. Geisel en mr. R.A.M.M. Gijselaers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A.J. Wenders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 maart 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 december 2016 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen met een honkbalknuppel en/of een ploertendoder heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 december 2016 in de gemeente Heerlen openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de Eikstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het met een honkbalknuppel en/of ploertendoder slaan van die [slachtoffer 1] .

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummers 2016227032 en 2016230939, gesloten d.d. 1 juli 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 443.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] met foto’s, doorgenummerde dossierpagina’s 273 tot en met 283.

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , doorgenummerde dossierpagina’s 372 tot en met 386.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [naam aangever] , doorgenummerde dossierpagina’s 286 tot en met 289.

5 Een geschrift, medische informatie van de huisarts betreffende de verdachte d.d. 26 december 2016, doorgenummerde dossierpagina’s 284 en 285.