Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2327

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
AWB 17/1088, 17/1089, 17/1091 en 17/1092
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Duurzaam gescheiden leven onder de AOW; terugvordering AOW pensioen naar de norm voor ongehuwden met terugwerkende kracht onterecht vanwege onduidelijk aanvraagformulier

Dat heeft de rechtbank bij uitspraak van 13 maart 2018 besloten. Eisers waren gehuwd, maar woonden apart. De kosten van elkaars woningen werden betaald van een gezamenlijke bankrekening en ook werden er in beperkte mate nog samen sociale activiteiten ondernomen. Bij het aanvragen van de AOW in 2009 hebben eisers bij de meerkeuzevraag “hoe is uw woonsituatie” op het aanvraagformulier AOW “ik ben gehuwd, maar leef gescheiden” aangevinkt. Vervolgens is door de SVB aan ieder afzonderlijk een AOW pensioen naar de norm voor ongehuwden toegekend. In augustus 2016 heeft de SVB besloten dat eisers eigenlijk een AOW pensioen naar de norm voor gehuwden hadden moeten krijgen. Vanwege de financiële verwevenheid en omdat eisers nog samen sociale activiteiten ondernamen kon hun leefsituatie niet worden aangemerkt als duurzaam gescheiden levend als bedoeld in de AOW. Eisers moesten het teveel ontvangen AOW pensioen vanaf juni 2012 tot augustus 2016 terugbetalen.

Dat laatste is naar het oordeel van de rechtbank onterecht vanwege strijd met de rechtzekerheid. Eisers leefsituatie heeft de SVB weliswaar vanaf augustus 2016 terecht aangemerkt als duurzaam gescheiden leven. De voortzetting van het AOW pensioen vanaf die maand naar de norm voor gehuwden is daarom eveneens terecht. Het besluit van de SVB dat eisers het teveel betaalde pensioen vanaf juni 2012 moeten terugbetalen is niet terecht. Dit omdat niet kan worden gezegd dat eisers het aanvraagformulier onjuist hebben ingevuld. De door eisers aangevinkte optie “ik ben gehuwd, maar leef gescheiden” was, gelet op de overige voorgedrukte antwoorden, de enige juiste. Een mogelijkheid om meer duidelijkheid te geven over de leefsituatie ontbrak op het aanvraagformulier. Ook de toenmalige brochure bood geen duidelijke toelichting. Dat eisers dus voor het antwoord “ik ben gehuwd, maar leef gescheiden” hebben gekozen, terwijl dit niet overkwam met de juridische invulling van het begrip “duurzaam gescheiden leven”, kan eisers niet worden verweten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 17/1088,17/1089, 17/1091 en 17/1092

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, en [eiser] te Venlo, eiser, gezamenlijk te noemen eisers,

(gemachtigde: mr. J.I.L. Laumans),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. Sturmans).

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de pensioenuitkering van eiseres ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) vanaf augustus 2016 voortgezet op basis van de norm voor een pensioen voor gehuwden.

Het eerder toegekende AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande is met terugwerkende kracht vanaf juni 2012 herzien naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 15 augustus 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder van eiseres een bedrag van € 17.784,98 teruggevorderd.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen primaire besluiten 1 en 2.

Bij besluit van 10 augustus 2016 (het primaire besluit 3) heeft verweerder de pensioenuitkering van eiser ingevolge de AOW vanaf augustus 2016 voortgezet op basis van de norm voor een pensioen voor gehuwden.

Het eerder toekende AOW-pensioen naar de norm voor alleenstaanden is met terugwerkende kracht vanaf mei 2010 herzien naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 15 augustus 2016 (het primaire besluit 4) heeft verweerder van eiser een bedrag teruggevorderd van € 7.332,22.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen primaire besluiten 3 en 4.

Bij onderscheiden besluiten van 2 maart 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 31 januari 2018.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij daartoe ingericht formulier van 6 januari 2012 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een AOW-pensioen. Op het formulier heeft zij uit de diverse voorgedrukte mogelijkheden bij paragraaf 3 “woonsituatie” aangekruist: “ik ben gehuwd maar leef gescheiden sinds”, en er met de hand bijgeschreven: “01-01-2009”. Bij besluit van

18 januari 2012 is aan eiseres met ingang van juni 2012 een AOW-pensioen voor een ongehuwde toegekend. Eiser had eerder op een soortgelijk formulier dezelfde gegevens ingevuld, waarna aan hem ook een AOW-pensioen naar de norm van ongehuwde is toegekend bij besluit van 27 november 2009 ingaande mei 2010. In april 2016 heeft verweerder het dossier van beiden geselecteerd voor een onderzoek ingevolge het project “duurzaam gescheiden leven”. Op 30 juni 2016 heeft een huisbezoek plaatsgevonden op het adres van eiseres. Tijdens dit huisbezoek is een zogenaamd DGL-formulier ingevuld; een lijst met standaardvragen ter bepaling van het antwoord op de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven.

2. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder de pensioenuitkering van eisers ingevolge de AOW vanaf augustus 2016 omgezet naar een gehuwdenpensioen. Verder zijn de pensioenuitkeringen met volledige terugwerkende kracht tot juni 2012 herzien naar een ongehuwdenpensioen.

Duurzaam gescheiden leven.

3. Eisers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Tijdens de hoorzitting op

9 februari 2017 is samen nogmaals het DGL-formulier ingevuld.

Eisers hebben verklaard dat in eerste instantie een echtscheidingsprocedure in gang was gezet, maar dat deze niet is doorgezet. Verder is verklaard dat geen tijd samen wordt doorgebracht, maar dat één keer per week telefonisch contact is over praktische zaken. Er is verder contact bij verjaardagen van (klein)kinderen. De situatie, zoals die al bestaat sinds 2002, is als duurzaam bedoeld. Beide woningen zijn gezamenlijk eigendom, maar worden niet gezamenlijk gebruikt; ieder gebruikt zijn/haar woning voor zichzelf. De hypotheek en overige vaste woonlasten, energiekosten, kosten voor het waterverbruik en telefoon worden betaald van de gezamenlijke bankrekening. Ook de kosten voor het huishouden worden voldaan van de gezamenlijke bankrekening. De pinpas van de ander wordt niet gebruikt. Eiseres doet de administratie voor eiser. Eisers hebben de sleutel van elkaars woning, maar deze wordt niet gebruikt. Zij gaan samen maximaal vijf dagen op vakantie, om bij te praten. Verder worden de (klein)kinderen samen bezocht en één keer per jaar wordt een gezamenlijke vriendin bezocht. Eiseres doet geen was/strijk, boodschappen, klusjes voor eiser en zij verleent hem geen zorg. Zij presenteren zich naar buiten als duurzaam gescheiden. Er wordt geen post ontvangen op het adres van de ander. Er is een testament waarin over en weer de langstlevende als erfgenaam is vernoemd. Er is sprake van fiscaal partnerschap.

4. Verweerder heeft de bezwaarschriften ongegrond verklaard omdat volgens verweerder op grond van de feiten en omstandigheden zoals die zich bij eisers voordoen, niet gesteld kan worden dat ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij/zij niet met de ander gehuwd.

5. Eisers hebben aangevoerd dat zij wel degelijk duurzaam gescheiden leven. Omdat het huwelijk nooit ontbonden is, heeft het verdelen en splitsen van de financiën geen effect. Daarom storten zij hun inkomen op de gezamenlijke rekening en betalen zij hun lasten hiervan. Omdat eisers nog gehuwd zijn, is er automatisch sprake van fiscaal partnerschap. Het feit dat zij samen met de (klein)kinderen eens per jaar een uitstapje maken van maximaal vijf dagen per week doet niet af aan het feit dat zij duurzaam gescheiden leven.

6. Artikel 1, derde lid, van de AOW luidt:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. (…);

b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.”.

Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden leven sprake indien wat betreft gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de wijze waarop eisers, als wettelijke echtgenoten van elkaar, hun leven hebben ingericht en geregeld, niet kan worden aangemerkt als duurzaam gescheiden levend in de zin van de wet- en regelgeving. De rechtbank begrijpt dat de bedoeling en de beleving van eisers een andere is en dat ook in het normale spraakgebruik de situatie, zoals die zich bij eisers al sinds 1 januari 2009 voordoet, als gescheiden levend zal worden gezien en geduid, terwijl deze situatie (onbestreden) bovendien als duurzaam is beoogd, maar dit laat onverlet dat de van toepassing zijnde jurisprudentie een andere invulling geeft aan het wettelijk begrip “duurzaam gescheiden levend”, zoals neergelegd in artikel 1, derde lid, onder b van de AOW en dat andere criteria dan waarvan eisers zijn uitgegaan daarbij maatgevend en doorslaggevend zijn. Het criterium zoals opgenomen onder 6 moet volgens de CRvB streng worden opgevat. De rechtbank verwijst bij wijze van voorbeeld van deze vaste jurisprudentie naar CRvB d.d. 13-01-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:172. De rechtbank acht in dit geval van belang het gegeven dat sprake is van financiële verwevenheid. De bankrekening waarvan alle vaste lasten en ook de overige kosten worden afgeschreven is een gezamenlijke rekening, die ook dienst doet als huishoudpotje voor beiden. Daarnaast zijn er contacten die niet als zakelijk zijn te beschouwen, zoals de gezamenlijke familiebezoeken en het gezamenlijk uitstapje, ook al is dat kort en maar eens per jaar. Voorts heeft verweerder terecht mee laten wegen dat eiseres de administratie voor eiser doet en dat zij over en weer een testament op de langstlevende hebben. De rechtbank volgt eisers in hun betoog dat verweerder de feiten dat er sprake is van fiscaal partnerschap en de gemeenschap van goederen nog bestaat, ten onrechte aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, nu dit een direct gevolg is van de omstandigheid dat eisers wettelijk gehuwd zijn (gebleven) met elkaar. Daarnaast heeft verweerder niet op goede gronden aan het besluit ten grondslag gelegd dat eisers zich naar buiten als huwelijkspartners van elkaar presenteren. De daarover gegeven uitleg is dermate plausibel dat niet louter kan worden vastgehouden aan de letterlijke tekst zoals die op het formulier terecht is gekomen. Echter, het niet meewegen van deze “weggestreepte” feiten en omstandigheden, maakt niet dat het oordeel anders wordt. De overige feiten en omstandigheden zijn voldoende voor de conclusie dat eisers niet een leven leid(d)en als waren zij ongehuwd.

Herziening en terugvordering.

8. Eisers hebben aangevoerd dat zij van aanvang aan volkomen open en eerlijk geweest zijn tegen verweerder. Zij hadden geen andere keuze dan de multiple choice vraag op het aanvraagformulier in te vullen zoals zij gedaan hebben. Ook gelet op de (toenmalige) informatiebrochure mochten zij ervan uit gaan dat zij op correcte wijze en naar waarheid hadden ingevuld. Door verweerder zijn ook nooit aanvullende vragen gesteld. Eisers hebben niets fout gedaan.

9. De rechtbank leest met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aangevoerde gronden aldus dat de vraag voorligt of verweerder, gelet op de feiten en omstandigheden, niet had moeten afzien van herziening met volledige terugwerkende kracht.

10. Voorop wordt gesteld dat uit artikel 17a, eerste lid, van de AOW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, verweerder gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 17a, eerste lid, van de AOW is volgens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld. Verweerder voerde ten tijde van de primaire besluiten een beleid (SB1078) ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening werd gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid was dat verweerder niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overging als de betrokkene al zijn verplichtingen was nagekomen en hij voorts niet had kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. Verder werd met toepassing van artikel 3:4 van de Awb geheel of gedeeltelijk van herziening afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leidden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk was. Dit beleid is met de inwerkingtreding van Besluit Beleidsregels SVB 2016 (gepubliceerd in de Staatscourant op 5 september 2016, nr 45608) met ingang van 7 september 2016 vervallen. De reden voor het vervallen van het beleid is blijkens de tekst van het Besluit Beleidsregels 2016 dat de toets aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur al onderdeel uitmaakt van de toets aan dringende redenen en ook het beleid over toepassing van artikel 3:4 van de Awb overbodig wordt geacht omdat ook dit al getoetst wordt in het kader van de dringende redenen. Dit maakt dat ten tijde van de bestreden besluiten het zogeheten 3:4 beleid weliswaar - naar de letter - niet meer van toepassing was, maar de rechtbank leidt uit de daaraan in het Besluit Beleidsregels 2016 gewijde tekst af dat ten materiële geen wijziging is beoogd.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in deze zaken ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tot herziening met volledige terugwerkende kracht moest worden overgegaan en geen bijzonder geval heeft aangenomen. Daartoe overweegt de rechtbank, dat de vraag op het aanvraagformulier AOW: “hoe is uw woonsituatie; ik ben gehuwd maar leef gescheiden sinds,“ niet helder is geformuleerd. De vraagstelling sluit immers niet aan bij de wettelijke term “duurzaam gescheiden leven” als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder b van de AOW. Daarenboven ontbreekt op het aanvraagformulier een verdere vraagstelling om meer (voor de toekenning van het pensioen relevante) informatie te kunnen verschaffen en op die manier meer helderheid te (kunnen) verschaffen over de feitelijke woon- en leefsituatie van de aanvrager in relatie tot de in het licht van de wet en de van toepassing zijnde jurisprudentie relevante criteria. Verweerder heeft na ontvangst van de aanvraagformulieren een nader onderzoek achterwege gelaten naar de woon- en leefsituatie van eisers, terwijl daartoe wegens de verplichting om een besluit zorgvuldig voor te bereiden wel reden bestond, gelet op de summiere informatiemogelijkheid op het aanvraagformulier. Een lijst met vragen die de leefsituatie nauwkeuriger in beeld brengen en gericht is op toetsing aan de uit de wet en jurisprudentie voortvloeiende relevante criteria is eisers pas voor het eerst voorgelegd bij de controle op 28 juni 2016, die ten grondslag ligt aan de thans bestreden besluiten. Van het vorenstaande is verweerder een verwijt te maken dat verweerder ook is toe te rekenen. Eisers kan daarentegen geen verwijt gemaakt worden van de ontstane situatie. Op het vragenformulier stond de volgende meerkeuzevraag voor gehuwden:

1. Ik ben gehuwd of heb een geregistreerde partner en woon bij mijn

partner.

2. Ik ben gehuwd maar leef gescheiden sinds…

3. Ik ben gehuwd maar leef gescheiden en woon met iemand anders.

Slechts de tweede optie kon door eisers naar waarheid worden ingevuld, zoals eisers ook (afzonderlijk van elkaar) hebben gedaan. De andere opties waren immers op hen niet van toepassing.

De (toenmalige) brochure van verweerder “Samenwonen…of niet” bevatte op dit punt de navolgende informatie:

“U BENT GETROUWD MAAR U WOONT NIET SAMEN MET UW PARTNER

Als u getrouwd bent kunt u om verschillende redenen niet (meer)

samenwonen met uw partner. Dat kan weer gevolgen hebben voor uw

AOW-pensioen. Bent u officieel nog wel getrouwd, maar woont u

alleen omdat uw huwelijk is stukgelopen, dan beschouwt de SVB u als

ongehuwd. In plaats van AOW-pensioen voor een gehuwde ontvangt u

het pensioen voor een alleenstaande.”.

Deze tekst biedt – objectief bezien - geen enkel aanknopingspunt voor twijfel bij eisers dat zij mogelijk de aanvraag onjuist zouden hebben ingevuld en dat er geen aanspraak zou bestaan op een pensioen naar de norm van een alleenstaande.

12. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verweerder heeft miskend dat er sprake is van zodanige schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel dat dit moet worden beschouwd als dringende redenen in de zin van het beleid als weergegeven in 10. Verweerder heeft in die zin zijn beleid niet consequent toegepast. De rechtbank is voorts, los van verweerders beleid, van oordeel dat de omstandigheden in dit geval met zich brengen dat verweerder door terugwerkende kracht aan de herziening van de pensioenuitkeringen te geven, zozeer in strijd handelt met de beginselen van vertrouwen en rechtszekerheid, dat strikte toepassing van de wet op dit punt geen rechtsplicht meer kan zijn.

De terugvordering.

13. Gelet op het oordeel met betrekking tot de herziening met terugwerkende kracht, kunnen de bestreden besluiten die zien op de terugvordering evenmin in stand blijven. De rechtbank zal deze besluiten dan ook vernietigen.

Conclusie.

14. Concluderend is het oordeel van de rechtbank dat de leefsituatie van eisers niet als “duurzaam gescheiden levend” kan worden aangemerkt, zodat verweerder terecht de AOW-pensioenen vanaf augustus 2016 heeft voortgezet naar de norm voor gehuwden. Echter een herziening met volledige terugwerkende kracht is niet gerechtvaardigd. Dit oordeel brengt met zich dat niet gezegd kan worden dat over de periode van juni 2012 tot augustus 2016 teveel aan AOW-pensioen is uitbetaald, zodat er dus ook geen sprake is van een terug te vorderen bedrag.

15. Hieruit volgt dat de beroepen gericht tegen de onderscheiden bestreden besluiten voor zover deze zien op de herziening met terugwerkende kracht en de terugvordering gegrond zijn, dat deze besluiten zullen worden vernietigd en verweerder met in achtneming van het overwogene in deze uitspraak nieuwe beslissingen dient te nemen op de bezwaren.

16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eisers de door hen betaalde griffierechten ad € 46,= per persoon vergoedt.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.753,50 (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gericht tegen de besluiten van 2 maart 2017 voor zover deze zien op voortzetting van de uitkering per augustus 2016 naar de norm voor gehuwden ongegrond;

  • -

    verklaart de beroepen gericht tegen de besluiten van 2 maart 2017 voor zover deze zien op de herziening met terugwerkende kracht gegrond en vernietigt de besluiten in zoverre;

  • -

    verklaart de beroepen gericht tegen de besluiten van 2 maart 2017 voor zover deze zien op de terugvordering gegrond en vernietigt deze besluiten;

  • -

    draagt verweerder op de betaalde griffierechten aan eisers te

vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een totaal bedrag van € 1.753,50 ,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.H.M. Moonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 maart 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.