Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2213

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
03/167441-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in de strafzaak tegen een 25-jarige man uit Midden-Limburg, die op 30 juli 2016 te Ysselsteyn (gemeente Venray) betrokken was bij een dodelijk ongeval.

Deze man – hierna aangeduid als verdachte – reed met zijn landbouwtrekker over de weg en over diezelfde weg naderde uit tegenovergestelde richting een groep van zeven fietsers/wielrenners. Bij het passeren is een vrouwelijke wielrenner ten val gekomen tegen het linker voorwiel van de trekker en is daarbij om het leven gekomen.

De verdachte is door de officier van justitie vervolgd wegens dood door schuld dan wel het veroorzaken van gevaar op de weg.

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van ‘dood door schuld’, maar hem wel veroordeeld wegens het veroorzaken van gevaar op de weg.

Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de verdachte te hard heeft gereden (ongeveer 35 km per uur in plaats van de maximaal toegestane snelheid van 25 km per uur) en dat hij weinig ruimte heeft geboden aan de wielrenners om veilig te passeren.

De verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met aftrek van de tijd dat hij zijn rijbewijs heeft moeten inleveren naar aanleiding van het ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/167441-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. W.P.N. Remie, advocaat kantoorhoudende te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 februari 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte met een landbouwtrekker (met aangekoppelde zaaimachine) een ongeval heeft veroorzaakt door zich zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend te gedragen, waarbij een ander is omgekomen, dan wel dat hij met dit voertuig gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daarbij gewezen op de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij harder heeft gereden met het landbouwvoertuig dan wettelijk was toegestaan, niet heeft geremd toen hij de tegemoetkomende fietsers zag naderen maar alleen het gaspedaal heeft losgelaten en pas een noodstop heeft gemaakt nadat het slachtoffer tegen de band van de tractor was gevallen. Op grond van de verklaringen van de verschillende getuigen acht de officier van justitie aannemelijk dat verdachte 65 kilometer per uur heeft gereden. De officier van justitie heeft gesteld dat de gedragingen van de verdachte zijn aan te merken als verkeersgedrag in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte heeft immers met een breed landbouwvoertuig op een smalle weg veel te hard gereden en de fietsers onvoldoende ruimte gegeven om veilig te kunnen passeren, met als gevolg dat een fietsster ten val is gekomen en is komen te overlijden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte integraal vrij te spreken van de tenlastelegging.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De bewijsmiddelen

Op 30 juli 2016 kreeg verbalisant [verbalisant] de melding om te gaan naar de Kempkensberg te Ysselsteyn, waar een verkeersongeval zou hebben plaatsgevonden. Ter plaatse gekomen zag de verbalisant een slachtoffer op de grond liggen. Op enig moment werd door het traumateam doorgegeven dat het slachtoffer was overleden.2

Het verkeersongeval, waarbij als voertuigen een landbouwtrekker van het merk Fendt en een fiets van het merk Bulls waren betrokken, had plaatsgevonden op de voor het verkeer openstaande weg, de Kempkensberg, gelegen buiten de bebouwde kom van Ysselsteyn, in de gemeente Venray. Vanuit de rijrichting van de Fendt had het ongeval plaatsgevonden kort na een flauwe bocht naar rechts. De rijbaan had daar een breedte van circa drie meter en was niet verdeeld in rijstroken. Naast het asfalt lag aan beide zijden een strook, variërend tussen 0,6 à 0,7 meter, bestaande uit zand en grint. Naast die betreffende stroken was een grasberm met struiken en bomen.

Voor landbouwvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 25 kilometer per uur.3

Aan de achterzijde van de Fendt was een zaaimachine aangebracht.4

Op de buitenzijde van de profilering en de ‘wang’ van de linker voorband van de Fendt werden recente veegsporen aangetroffen, waarschijnlijk veroorzaakt door het contact met de wielrenfiets, dan wel de bestuurster van de fiets.5

De wielrenfiets had de volgende schade:

  • -

    de rechter kromming van het wielrenstuur was dubbel gevouwen;

  • -

    de linker kromming van het wielrenstuur was ontzet;

  • -

    de rem-/schakelhendels aan de voorzijde van het stuur waren naar binnen verdraaid;

  • -

    het zadel was beschadigd;

  • -

    de linker zijde van de snelspanner van de achteras was bekrast.6

Op de voorzijde van het balhoofd van de Bulls werd een zwart veegspoor aangetroffen. Dit was waarschijnlijk veroorzaakt door contact met de linker voorband van de Fendt. Het veegspoor vertoonde optisch qua substantie en kleur overeenkomsten met de samenstelling van de linker voorband van de Fendt.7

Met de Fendt is een remproef gehouden op een weg met een soortgelijke weg- en bermverharding als op de locatie van het ongeval. Aan de hand van de aangetroffen vage bandenprofielsporen met een lengte van ongeveer 1,2 meter, het aangetroffen remblokkeerspoor met een lengte van ongeveer 5,5 meter, en de uitloop tot de eindpositie met een afstand van ongeveer 2,4 meter, werd een snelheidsberekening gemaakt. Uit deze berekening blijkt dat het landbouwvoertuig over de afstand van de aangetroffen sporen en uitloop, met een totale lengte van ongeveer 9,1 meter, waarschijnlijk een snelheid tussen de ongeveer 35,3 en 36,6 kilometer per uur zou hebben afgebouwd.8

De bestuurder van de Fendt had voldoende zicht in de richting van en op de naderende groep fietsers. De wegverharding is ongeveer drie meter breed. De breedte van de Fendt, in casu de zaaimachine, was drie meter. Naast de weg stonden aan beide zijden bomen in de berm. Om ruimte aan de fietsers te laten moest de bestuurder van de Fendt met de rechter wielen in de berm gaan rijden. Uit de reconstructie, aan de hand van de aanvang van het aangetroffen remblokkeerspoor, bleek dat de Fendt tussen het rechter voorwiel en de in de berm staande boom ongeveer 1,1 meter ruimte had. De ruimte op de wegverharding ter hoogte van het linker voorwiel van de Fendt, ter beschikking voor de fietsers, was ongeveer 1,05 meter. Dit is onvoldoende voor twee fietsers naast elkaar en zelfs erg smal voor één fietser. Ter hoogte van de achter de Fendt gekoppelde zaaimachine zou de vrije ruimte nog beperkter worden.9

De verdachte heeft ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard. Op 30 juli 2016 reed hij met een tractor over de Kempkensberg in Ysselsteyn. Hij reed harder dan de toegestane maximumsnelheid. Toen hij een groepje fietsers hem over de weg tegemoet zag komen, is hij naar rechts uitgeweken en heeft hij het gas losgelaten. Hij heeft niet geremd.10 Op het moment dat hij zag dat er fietsers ten val kwamen, heeft hij een noodstop gemaakt.

Getuige [getuige 1] heeft onder meer het volgende verklaard.

Op 30 juli 2016 fietste [getuige 1] met zes andere personen over de Kempkensberg in Ysselsteyn. Zij fietsten twee aan twee. Op het moment dat zij de tractor zagen, zijn ze gaan invoegen, zodat ze allemaal achter elkaar zouden fietsen. [getuige 1] fietste als tweede koppel aan de linkerkant met naast hem [slachtoffer] . Bij het invoegen reed [getuige 1] als vierde. [slachtoffer] fietste als derde. De tractor kwam hard aanrijden en vlak voor de fietsers verminderde deze nog steeds geen vaart.11 Doordat de snelheid van de tractor hoog was, moesten de fietsers versneld achter elkaar gaan fietsen. [getuige 1] zag dat [slachtoffer] met haar voorband de achterband van de persoon voor haar raakte en hierdoor ten val kwam en richting de tractor viel.12

Getuige [getuige 2] heeft onder meer het volgende verklaard.

Op de desbetreffende dag fietste hij met zes andere personen in de formatie 2-2-2-1. [getuige 2] fietste in zijn eentje achteraan. Op enig moment zag hij dat er vooraan gezwaaid werd dat er een tegenligger kwam en dat men moest ritsen. Hij zag de tractor voor het eerst toen deze 15 meter van hem vandaan was. De tractor was er ineens. [getuige 2] kon de hele groep overzien en dacht nog dat ze mooi in een rij zaten.

De tractor kwam grotendeels over de helft van de weg. Ze konden niet met tweeën naast elkaar fietsen.

[getuige 2] zag dat de tractor in de berm reed, maar dat deze voor een boom in de berm moest uitwijken, waardoor deze weer de weg op kwam.

[getuige 2] zag dat [slachtoffer] opzij viel richting de tractor. Zij viel tegen het voorwiel van de tractor aan. Ze werd door het wiel van de tractor meegenomen.13

Vaststellingen op grond van de bewijsmiddelen

De rechtbank stelt op grond van de bevindingen en berekeningen van de VOA vast dat de verdachte bij naderen en passeren van de groep fietsers met een snelheid heeft gereden van minimaal 35,3 kilometer per uur, terwijl voor het door hem bestuurde voertuig een maximumsnelheid geldt van 25 kilometer per uur. Bij het naderen van een groepje fietsers is hij naar rechts uitgeweken. Hij heeft toen niet geremd, maar wel het gas losgelaten. Deze gedragingen zijn als onvoorzichtig aan te merken, gelet op de volgende, uit de bewijsmiddelen voortvloeiende, feiten:

  • -

    De verdachte kwam net uit een flauwe bocht naar rechts.

  • -

    De rijbaan had een breedte van circa drie meter. Naast de rijbaan lag een strook met zand en grint. Hiernaast stonden struiken en bomen in het gras.

  • -

    De breedte van het door de verdachte bestuurde landbouwvoertuig met zaaimachine bedroeg drie meter. De groep fietsers had – ondanks uitwijken door de verdachte - slechts een beperkte ruimte (ongeveer 1,05 meter) om het landbouwvoertuig te passeren.

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), waardoor het slachtoffer is komen te overlijden. Van schuld in deze zin is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Bij de beantwoording van die vraag komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Verder is van belang dat niet al uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld.

Uit de bewijsmiddelen vloeit voort dat de verdachte op 30 juli 2016 met het door hem bestuurde landbouwvoertuig op de Kempkensberg te Ysselstein een tegemoetkomende groep fietsers is genaderd. Deze fietsers bevonden zich ten opzichte van de verdachte links van de weg, twee aan twee fietsend. Verdachte heeft zijn voertuig deels rechts de berm in gestuurd zodat de fietsers hem konden passeren.

Uit de bevindingen van de VOA volgt dat deze ruimte, gelet op de breedte van de Kempkensberg, de breedte van de zaaimachine en de benodigde ruimte voor een passerende fietser beperkt was, te weten 1,05 meter. Uit de verklaring van de getuige [getuige 1] volgt dat het slachtoffer – derde in rij na invoegen van de daarvoor twee aan twee rijdende fietsers – tijdens het passeren van de tractor met haar voorband de achterband van de persoon voor haar raakte en hierdoor ten val kwam en richting de tractor viel.14

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte te hard heeft gereden. Op grond van de bevindingen en berekeningen van de VOA kan worden aangenomen dat de verdachte bij passeren van de groep fietsers met een snelheid heeft gereden van minimaal 35,3 kilometer per uur, terwijl 25 kilometer per uur de maximum snelheid bedroeg.

Voorts staat vast dat verdachte is uitgeweken voor de groep naderende fietsers. Daarbij heeft verdachte de fietsers ruimte gelaten te passeren, zij het beperkte ruimte. De mate van de door de rechtbank bewezen geachte snelheidsoverschrijding acht de rechtbank onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van ‘zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend’ verkeersgedrag in de zin van artikel 6 WVW 1994. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde feit.

Wel komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het subsidiair aan verdachte ten laste gelegde. Verdachte heeft te hard gereden en heeft de hem tegemoetkomende fietsers, gelet op de omstandigheden ter plaatse, weinig ruimte gelaten om hem te passeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte hiermee gevaar op de weg veroorzaakt. Dit gevaar heeft zich verwezenlijkt in het noodlottige ongeval waarbij het slachtoffer [slachtoffer] is overleden

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

subsidiair

op 30 juli 2016, te Ysselsteyn, in de gemeente Venray, als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker met aangekoppelde zaaimachine), daarmee rijdende op de weg, de Kempkensberg, met genoemd motorrijtuig gezien zijn, verdachtes, rijrichting in en kort na een flauwe bocht naar rechts, onvoorzichtig heeft gereden met een snelheid van ongeveer 35,3 kilometer per uur en vervolgens met genoemde snelheid een groep (bestaande uit zeven personen, grotendeels twee aan twee naast elkaar rijdend) hem, verdachte, tegemoetkomende fietsers is genaderd, zulks terwijl de ruimte op de wegverharding ter beschikking voor voornoemde fietsers ongeveer 1,05 meter was, en daarbij zijn snelheid onvoldoende heeft verminderd of zijn voertuig niet tot stilstand heeft gebracht teneinde die fietsers een (ruimere) vrije doorgang te verlenen mede waardoor een botsing is ontstaan met één van die fietsers, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

subsidiair

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, geheel subsidiair, een straf bepleit conform de geldende oriëntatiepunten van het LOVS in de vorm van een taakstraf en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft op 30 juli 2016 gevaar op de openbare weg veroorzaakt door met een breed landbouwvoertuig harder dan de toegestane maximum snelheid te rijden bij slechts een beperkte passeerruimte voor een tegemoetkomende groep wielrenners. Bij het passeren is een fietsster zijwaarts ten val gekomen en heeft een fatale botsing plaatsgevonden tussen het door verdachte bestuurde landbouwvoertuig en de fietsster.

Het slachtoffer heeft haar leven verloren. Het verlies en het verdriet dat het gezin van het slachtoffer en verdere familie en vrienden heeft getroffen, is enorm. De echtgenoot van het slachtoffer heeft daaraan in zijn op de zitting voorgelezen verklaring op indrukwekkende wijze woorden gegeven.

Het strafrecht is in de eerste plaats gericht op het bestraffen van de ernst van de verkeersovertreding. De ernst van de gevolgen heeft een rol, maar een minder prominente. De rechtbank heeft geoordeeld dat schuld in de zin van artikel 6 WVW niet bewezen kan worden verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte wel een verkeersfout heeft gemaakt waardoor gevaar op de weg is veroorzaakt.

De rechtbank rekent verdachte deze verkeersfout aan. Verdachte is bovendien kort voor het ongeval eerder veroordeeld voor een snelheidsovertreding.

Rekening houdend met verdachtes strafblad, de mate van overtreding van de maximumsnelheid en het feit dat de verdachte de verkeersgevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen ten aanzien van kwetsbare verkeersdeelnemers, te weten fietsers, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, passend en geboden is.

Gezien de verkeersrecidive en de aard van het door de verdachte gepleegde strafbare feit acht de rechtbank voorts een (deels) onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geëigend. De rechtbank zal aldus aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevorderd en/of ingehouden is geweest.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank voorts acht geslagen op het uitgebrachte (beknopte) reclasseringsadvies van 17 januari 2018 en het omtrent verdachte verstrekte uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 oktober 2016.

De rechtbank is zich bewust van het feit dat deze ontzegging ingrijpende gevolgen heeft voor het werk van verdachte, maar is van oordeel dat de belangen van de verkeersveiligheid zwaarder wegen dan de persoonlijke belangen van verdachte bij het behoud van zijn rijbewijs.

Door de ontzegging van de rijbevoegdheid deels voorwaardelijk op te leggen wordt enerzijds de bijzondere ernst van het bewezenverklaarde niet uit het oog verloren en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het subsidiair bewezenverklaarde tot een taakstraf voor de duur van 80 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

Rijontzegging

  • -

    ontzegt de verdachte voor het subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de ontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop deze bijkomende straf ingaat, ingevorderd en/of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering wordt gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. W.L.J. Voogt, voorzitter, mr. C. Wapenaar en mr. J.M.G. Gunsing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.C.M. Müller, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 maart 2018.

Buiten staat

Mr. W.L.J. Voogt en mr. J.M.G. Gunsing zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

primair

hij op of omstreeks 30 juli 2016 te Ysselsteyn, in de gemeente Venray, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker met aangekoppelde zaaimachine), daarmede rijdende over de weg, de Kempkensberg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood,

welke gedragingen zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte,

met genoemd motorrijtuig gezien zijn, verdachtes, rijrichting in en/of kort na een flauwe bocht naar rechts, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 35,3 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 25 kilometer per uur, althans een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse

en/of (vervolgens) (met genoemde snelheid) een groep (bestaande uit zeven personen, grotendeels twee aan twee naast elkaar rijdend) hem, verdachte, tegemoetkomende fietsers is genaderd, zulks terwijl de ruimte op de wegverharding ter beschikking voor de fietsers ongeveer 1,05 meter was, althans beperkt was, en/of (daarbij) niet tijdig zijn snelheid heeft verminderd en/of zijn snelheid onvoldoende heeft verminderd en/of niet is uitgeweken en/of zijn voertuig niet tot stilstand heeft gebracht teneinde die fietsers een (ruimere) vrije doorgang te verlenen waardoor althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met één van die fietsers, te weten voornoemde [slachtoffer] , althans de door die [slachtoffer] bestuurde fiets;

subsidiair

hij op of omstreeks 30 juli 2016, te Ysselsteyn, in de gemeente Venray, als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker met aangekoppelde zaaimachine), daarmee rijdende op de weg, de Kempkensberg, met genoemd motorrijtuig gezien zijn, verdachtes, rijrichting in en/of kort na een flauwe bocht naar rechts,

zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig heeft gereden met een snelheid van ongeveer 35,3 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 25 kilometer per uur, althans een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse

en/of (vervolgens) (met genoemde snelheid) een groep (bestaande uit zeven personen, grotendeels twee aan twee naast elkaar rijdend) hem, verdachte, tegemoetkomende fietsers is genaderd, zulks terwijl de ruimte op de wegverharding ter beschikking voor voornoemde fietsers ongeveer 1,05 meter was, althans beperkt was,

en/of (daarbij) niet tijdig zijn snelheid heeft verminderd en/of zijn snelheid onvoldoende heeft verminderd en/of niet is uitgeweken en/of zijn voertuig niet tot stilstand heeft gebracht teneinde die fietsers een (ruimere) vrije doorgang te verlenen waardoor althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met één van die fietsers, althans de door haar bestuurde fiets,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Dienst Regionale Operationele Samenwerking, proces-verbaalnummer PL2300-2016139851-1, gesloten d.d. 26 januari 2017, gedeeltelijk doorgenummerd, te weten van pagina 1 tot en met pagina 68. Vanaf het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse is het proces-verbaal niet meer doorgenummerd.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 januari 2017 op de pagina’s 50 en 51.

3 De pagina’s 4 en 5 van het afzonderlijk genummerde proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse met BVH-nummer 2016139851.

4 Pagina 13 van het afzonderlijk genummerde proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse met BVH-nummer 2016139851.

5 Pagina 10 van het afzonderlijk genummerde proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse met BVH-nummer 2016139851.

6 Pagina 14 van het afzonderlijk genummerde proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse met BVH-nummer 2016139851.

7 Pagina 18 van het afzonderlijk genummerde proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse met BVH-nummer 2016139851.

8 Pagina 20 van het afzonderlijk genummerde proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse met BVH-nummer 2016139851.

9 Pagina 21 van het afzonderlijk genummerde proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse met BVH-nummer 2016139851.

10 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 22 februari 2018.

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 1 augustus 2016 op de pagina’s 32 en 33.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 30 juli 2016 op pagina 35.

13 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 2 augustus 2016 op de pagina’s 40-42.

14 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 30 juli 2016 op pagina 35.