Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2145

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
C/03/246106 / KG ZA 18-65
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Belangenafweging door de voorzieningenrechter in kort geding. De enige grondslag van de vorderingen is gelegen in de ontstane noodsituatie van N en de door de voorzieningenrechter in dat kader te maken belangenafweging. Is er sprake van een noodsituatie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/246106 / KG ZA 18-65

Vonnis bij vervroeging in kort geding van 6 maart 2018

in de zaak van

[eiseres] , in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde],

domicilie kiezende te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. R.W.C. Vranken te Heerlen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. D. Dronkers te Roermond.

Partijen zullen hierna [naam onderbewindgestelde] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 februari 2018 met producties;

  • -

    de brief van mr. Dronkers van 23 februari 2018 met producties;

  • -

    de brief van mr. Vranken van 26 februari 2018 met producties;

  • -

    de brief van Dronkers van 26 februari 2018 met één productie;

  • -

    de mondelinge behandeling, waarbij [gedaagde] pleitaantekeningen heeft overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam onderbewindgestelde] is onder bewind gesteld. Haar huidige bewindvoerster is met ingang van 1 april 2016 benoemd tot bewindvoerder en mentor van [naam onderbewindgestelde] .

2.2.

[gedaagde] en [naam onderbewindgestelde] hebben een affectieve relatie gehad en zijn de biologische ouders van het op [geboortedatum] te [geboorteplaats] geboren meisje [minderjarige 1] . [naam onderbewindgestelde] heeft nog twee kinderen waarvan [gedaagde] niet de biologische vader is en die uit huis zijn geplaatst. [gedaagde] en [naam onderbewindgestelde] zijn niet met elkaar gehuwd noch is sprake van een geregistreerd partnerschap noch van enige ander schriftelijk tussen hen gesloten samenlevingscontract. [gedaagde] en [naam onderbewindgestelde] hebben samengewoond in de door hen als gezamenlijke huurders, met ingang van 1 mei 2017, gehuurde woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Zij huurden de woning tezamen van de verhuurder [naam verhuurder] .

2.3.

Op of omstreeks 31 december 2017 is sprake geweest van fysiek geweld tussen [gedaagde] en [naam onderbewindgestelde] . Hun relatie is toen verbroken. [minderjarige 1] is uithuisgeplaatst en geplaatst in een pleeggezin. [gedaagde] is in de woning blijven wonen. [naam onderbewindgestelde] heeft de woning verlaten en heeft zich op het betreffende adres uitgeschreven. Zij is gaan wonen in [B.] .

2.4.

[gedaagde] heeft als productie 4 overgelegd een met ingang van 18 januari 2018 gesloten huurovereenkomst ter zake de woning waarin hij alleen als huurder is vermeld.

3 Het geschil

3.1.

[naam onderbewindgestelde] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal bepalen dat [naam onderbewindgestelde] alleen en met uitsluiting van [gedaagde] de woning staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , kan huren, althans kan bewonen,

2. zal bevelen dat [gedaagde] , ter uitvoering van het onder 1 gevorderde binnen één week na betekening van het te wijzen vonnis, de woning moet ontruimen en verlaten en bezemschoon achter te laten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen,

3. [gedaagde] zal verbieden om - na uitvoering van de onder sub 2 gevorderde veroordeling - zich te begeven in de woning en in een straal van 1 km rond de woning, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, althans een straatverbod aan [gedaagde] zal opleggen in een straal en op straffe van een dwangsom zoals in goede justitie te bepalen,

4. in het geval dat de vorderingen sub 1 en 2 worden afgewezen, [gedaagde] zal bevelen om binnen één week na betekening van het te wijzen vonnis de goederen van [naam onderbewindgestelde] zoals genoemd in productie 4 bij de dagvaarding, af te geven aan [naam onderbewindgestelde] , op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft,

5. een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[naam onderbewindgestelde] stelt - samengevat - dat zij een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevorderde voorzieningen. Zij voert daartoe aan dat zij sinds het beëindigen van de relatie met [gedaagde] niet meer in de woning kan, dat zij hierdoor geen vaste verblijfplaats heeft en dat zij de woning nodig heeft om de door haar gewenste omgangsregeling met haar drie dochtertjes (in de woning) te kunnen uitvoeren. In dat kader is volgens [naam onderbewindgestelde] mede van belang dat het gevorderde straatverbod wordt toegewezen, gelet op de dreigende houding van [gedaagde] jegens haar. Zij voert verder aan dat de huurovereenkomst van 1 mei 2017 niet rechtmatig is opgezegd en dat zij nog steeds (mede)huurder is van de woning. Ook op die grond heeft zij recht en belang bij de bovenstaande vorderingen.

3.3.

Op de mondelinge behandeling heeft de raadsvrouw van [naam onderbewindgestelde] , desgevraagd door de voorzieningenrechter, meegedeeld dat de enige grondslag van de vorderingen is gelegen in de ontstane noodsituatie van [naam onderbewindgestelde] en de door de voorzieningenrechter in dat kader te maken belangenafweging. Een belangenafweging door de voorzieningenrechter dient haars inziens te resulteren in toewijzing van de gevraagde voorzieningen.

3.4.

[gedaagde] betwist - kort gezegd - het spoedeisende belang en de gestelde noodsituatie.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de gevorderde voorzieningen en de gestelde noodsituatie ter zake de huisvesting van [naam onderbewindgestelde] .

4.2.

De door partijen geschetste situatie, betreffende het beëindigen van hun relatie en het daardoor niet meer kunnen samenwonen in de woning, maakt dat [naam onderbewindgestelde] uit die woning is vertrokken. Toewijzing van de vordering sub 1 van [naam onderbewindgestelde] betekent dat [gedaagde] zonder huisvesting komt te zitten. Ook [gedaagde] wenst omgang met de dochter van partijen en ook hij heeft hiervoor te zijner tijd een vast adres nodig. De voorzieningenrechter weegt verder mee dat [naam onderbewindgestelde] de woning al twee maanden geleden heeft verlaten en dat zij - al dan niet tijdelijk - een verblijfplaats heeft gevonden in [B.] . Zij heeft zich kennelijk in die gemeente kunnen inschrijven en heeft haar WAJONG uitkering kunnen blijven ontvangen. [naam onderbewindgestelde] heeft verder zelf aangevoerd dat zij geen netwerk van familie in de regio [woonplaats] heeft (dagvaarding, pagina drie, derde alinea), zodat er niet van kan worden uitgegaan dat [naam onderbewindgestelde] een speciale binding heeft met [woonplaats] en/of de woning. Evenmin is voldoende komen vast te staan dat er sprake is van een omgangsregeling tussen [naam onderbewindgestelde] en haar dochters op grond waarvan noodzakelijk is dat [naam onderbewindgestelde] specifiek beschikt over de woning te Heerlen. De voorzieningenrechter dient er bovendien - gelet op de door [gedaagde] overgelegde huurovereenkomst van 18 januari 2018 - voorshands vanuit te gaan dat [gedaagde] thans de enige huurder is van woning. Gelet op al het vorenstaande dienen de vorderingen sub 1 en 2 te worden afgewezen.

4.3.

Betreffende het gevorderde straatverbod (vordering sub 3) overweegt de voorzieningenrechter dat [naam onderbewindgestelde] de gestelde (voortdurende) bedreigingen van [gedaagde] aan haar adres nà de beëindiging van hun relatie, niet voldoende met feiten heeft onderbouwd. Nu een straatverbod een inbreuk vormt op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen is voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel noodzakelijk dat in voldoende mate feiten en omstandigheden aannemelijk moeten zijn die zo'n inbreuk kunnen rechtvaardigen. Van dergelijke feiten en omstandigheden is in dit kort geding onvoldoende gebleken. Reeds daardoor moet de vordering sub 3 als ongegrond worden verworpen.

De voorzieningenrechter laat in het midden welke invloed de afwijzingen van het onder 1 en 2 gevorderde zouden kunnen hebben op het gevorderde straatverbod.

4.4.

De grondslag van de sub 4 in het petitum van de dagvaarding gevorderde afgifte van goederen heeft [gedaagde] niet bestreden en tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] zich bereid verklaard tot afgifte van die goederen aan [naam onderbewindgestelde] . Gelet hierop en op het verzoek van partijen aan de voorzieningenrechter om een en ander zo feitelijk mogelijk te regelen, zal de vordering sub 4 op de hierna te bepalen wijze worden toegewezen.

4.5.

Gelet op de affectieve relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.1.

veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de hierna te noemen zaken van [naam onderbewindgestelde] , aan een daartoe door [naam onderbewindgestelde] ingeschakelde persoon of bedrijf:

- servies en bestek

- handdoeken en washandjes

- Panasonic tv en nog 2 kleine tv’s (erfstuk van overgrootoma van [naam onderbewindgestelde] )

- pannenset

- gasfornuis

- droger

- magnetron

- boxspring bed

- éénpersoonsbed van/voor [minderjarige 2]

- kledingkast roze van [minderjarige 1]

- babybed

- commode

- dekbedden

- dekbedovertrekken

- papieren van [naam onderbewindgestelde]

- speelgoed van de kinderen van [naam onderbewindgestelde]

- drie kinderarmbandjes met de naam [minderjarige 2] respectievelijk [minderjarige 3] respectievelijk [minderjarige 1]

- roze bijzetkastje (voor het speelgoed van de kinderen)

- dvd’s en dvd-spelers

- kleren van [naam onderbewindgestelde]

- dorpjes van overgrootoma / de erfstukken kerstdorpjes

- kapstok (erfstuk van overgrootoma van [naam onderbewindgestelde] )

- afzuigkap

- stofzuiger

- hoofdkussens van [naam onderbewindgestelde] ,

5.1.2.

bepaalt dat [naam onderbewindgestelde] deze zaken moet (laten) ophalen op de vijfde werkdag

nadat dit vonnis aan [gedaagde] is betekend en wel tussen 13:00 uur en 17:00 uur waarbij die

zaken uiterlijk om 17:00 uur uit de woning moeten zijn, dan wel dat de afgifte van die zaken

zal plaatsvinden op een door de advocaten van [naam onderbewindgestelde] en [gedaagde] gemeenschappelijk te

bepalen datum en tijdstip, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een

maximum van € 50.000,- dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft,

5.2.

wijst het overige af,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: CM