Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2134

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
6399810 CV EXPL 17-7830
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Interne reorganisatie bij zorginstelling. Door bedrijfsorganisatorische wijzigingen zal oudere werknemer zijn functie verliezen. In voorfase van definitieve besluitvorming gaat hij deelnemen aan een mobiliteitsprogramma dat geregeld is in het op dat moment vigerende sociaal plan (afgesloten met OR) .

Plaatsing in een lager ingeschaalde functie is de door hem geaccepteerde uitkomst. Er bestaat geen beding tot eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden. Voor financiële gevolgen van de functiewijziging beroept werknemer zich op rechtstreekse of afgeleide toepasselijkheid van een nieuw sociaal plan (afgesloten met twee vakbonden). Rechter gaat daar niet in mee. Wel wordt nagegaan of hardheidsclausule nog uitkomst biedt. Belangenafweging leidt - bij marginale toetsing van toepassing van die clausule - niet tot het oordeel dat de wijze van compensatie van achteruitgang in inkomsten onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0322
XpertHR.nl 2018-20001335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 6399810 CV EXPL 17-7830

Vonnis van de kantonrechter van 7 maart 2018 (bij vervroeging)

in de zaak

[eiser]

wonend in [woonplaats] aan de [adres]

verder ook aan te duiden als “ [eiser] ”

eisende partij

gemachtigde (via procesvolmacht d.d. 5 januari 2018) mr. D.C.L. Hermans-Dassen

wonend in (6245 TH) Eijsden, gemeente Eijsden-Margraten aan de Pinksterbloem 25

tegen

STICHTING MOSAE ZORGGROEP

gevestigd en kantoor houdend in Maastricht met postadres 6201 CA (Postbus 2135)

verder ook aan te duiden als “Mosae”

gedaagde partij

gemachtigde mr. M.M.F. Sijben, advocaat in Heerlen

1 De procedure

[eiser] heeft Mosae bij dagvaarding van 5 oktober 2017 in rechte betrokken voor een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding. Tegelijk zijn aan Mosae negentien - deels meervoudige en soms omvangrijke - producties zonder nummering betekend.

Mosae heeft - na zuivering van verstek en verkregen uitstel - op 6 december 2017 van antwoord gediend. Zij heeft de vordering op alle fronten bestreden onder verwijzing naar slechts één harerzijds aan het procesdossier toegevoegde productie.

Vervolgens heeft [eiser] op 10 januari 2018 voor repliek geconcludeerd.

Mosae heeft het voortgezette debat op 7 februari 2018 met conclusie van dupliek afgerond.

Hierna is vonnis bepaald. De uitspraak is - bij vervroeging - op vandaag gesteld.

2 Het geschil

2.1

[eiser] vordert de veroordeling van Mosae - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot:

  • -

    (Primair) zodanige toepassing van het oude bij Mosae toegepaste sociaal plan (art. 3.2), dat aan [eiser] maandelijks ook na 1 mei 2018 tot (in) september 2020 een persoonlijke toelage voldaan wordt die op dit moment € 471,83 bruto bedraagt, te vermeerderen met emolumenten zoals (maar niet uitsluitend) ‘vakantiegeld’, eindejaarsuitkering en ‘pensioenafdrachten’;

  • -

    (Subsidiair) zodanige toepassing van het nieuwe bij Mosae toegepaste sociaal plan (art. 7.5 onder d.) dat aan [eiser] maandelijks na 1 mei 2018 gedurende twee jaren het loon met een bedrag van € 471,83 bruto aangevuld wordt, gedurende het daaropvolgende jaar met de helft van dat bedrag en gedurende het vierde jaar met een kwart, eveneens te vermeerderen met de hiervoor bedoelde emolumenten.

Daarnaast vraagt [eiser] de veroordeling van Mosae tot betaling van de aan zijn kant te liquideren kosten van de procedure en de eventuele nadere uitvoeringskosten bij executie van een veroordelend vonnis. Indien verder aan een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten niet binnen veertien dagen na betekening van een daartoe strekkend vonnis voldaan wordt, verlangt [eiser] met ingang van de vijftiende dag een rentevergoeding.

2.2

[eiser] baseert zijn vordering (samengevat) op de volgende omstandigheden en/of stellingen. Sedert 20 maart 2006 is [eiser] krachtens arbeidsovereenkomst onder de werking van de cao vvt (verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg en jeugdgezondheidszorg) in dienst van Mosae - althans haar rechtsvoorgangster - werkzaam geweest als ‘teamleider financiële en salarisadministratie’ tot hij wegens interne reorganisatie - waarop een sociaal plan van toepassing was - per 1 juni 2017 geplaatst is in de lager ingeschaalde functie van ‘salarisadministrateur’. Het oorspronkelijke sociaal plaan had een werkingsduur van een halfjaar en gold van 30 juni 2016 tot en met 31 december 2016. Met de inwerkingtreding van een nieuw sociaal plan op 1 maart 2017 is het oude plan vervallen verklaard. Inmiddels had de Raad van Bestuur van Mosae op 3 februari 2017 het reorganisatieplan als voorgenomen besluit vastgesteld en aan de ondernemingsraad om advies voorgelegd. De or adviseerde daarover bij besluit van 16 maart 2017 positief, met uitzondering van de regeling van de personele consequenties, doch het Mosae-bestuur heeft het plan bij besluit van 9 mei 2017 gehandhaafd. Door Mosae is als relevant voor de toekomstige situatie van reorganisatie aangemerkt dat aan [eiser] reeds op 11 oktober 2016 aangekondigd is dat een aanvang zou worden gemaakt met een fase van pre-mobiliteit. Op 15 mei 2017 heeft [eiser] uiteindelijk te horen gekregen dat zijn functie per 1 juni 2017 die van salarisadministrateur zou worden, met het daarmee corresponderende lagere maandloon (€ 3 002,57 bruto i.p.v. € 3 474,40 bruto). Dat verschil zou volgens de regeling in het oude sociaal plan gedurende elf maanden aangevuld worden en voor de aanvulling (‘persoonlijke nominale toeslag’) is door Mosae een einddatum 30 april 2018 bepaald. [eiser] acht opvallend dat op die manier elf in plaats van de per 11 oktober 2016 aan de orde zijnde tien volledige dienstjaren in aanmerking genomen zijn. Namens [eiser] is (desondanks) tegen die beperkte aanvullingsduur per brief van 22 mei 2017 op billijkheidsgronden bezwaar aangetekend met een verzoek tot een voor hem positiever uitvallende herziening van het besluit. Na een voor [eiser] gunstig advies van de Begeleidingscommissie Sociaal Plan heeft Mosae op 9 augustus 2017 het eerdere besluit tot toepassing van het oude sociaal plan weliswaar gehandhaafd, maar daarop een aanvulling gemaakt in de vorm van een toekomstige pensioenopbouw als ware er geen sprake van een loonvermindering per 1 mei 2018. [eiser] heeft zich in een e-mailbericht van 16 augustus 2017 daarmee niet akkoord / tevreden betoond en aangekondigd juridische stappen te ondernemen. Mosae was echter niet te vermurwen, ook niet na een compromisvoorstel van [eiser] in een gesprek van 18 september 2017. [eiser] acht de door Mosae op basis van toepassing van de hardheidsclausule gedane handreiking (bovenop de beperkte ‘compensatieregeling’) in de vorm van extra pensioenopbouw zelfs onwenselijk omdat dit gebaar er op neerkomt dat tegenover een ‘geringe pensioenopbouw’ het nadeel staat van een netto ‘achteruitgang’ van € 35,80 per maand (te weten het door [eiser] te fourneren werknemersdeel van de pensioenpremie).

2.3

[eiser] wijst er verder op dat tussen partijen geen beding tot eenzijdig wijzigen van (primaire) arbeidsvoorwaarden (loon en functie) gold en dat een loonreductie van ruim 13% drastisch is in het licht van de (persoonlijke) omstandigheden van [eiser] - waaronder leeftijd en kostwinnerschap alsmede de wijze van functioneren - enerzijds en het belang en de (financiële) mogelijkheden van Mosae anderzijds. [eiser] hecht er aan dat het nieuwe sociaal plan (in werking per 1 maart 2017) een voor hem gunstiger regeling bevat die voorziet in een persoonlijke toeslag voor een langere tijdsduur dan elf maanden. [eiser] bepleit toepassing van dit nieuwe sociaal plan op zijn situatie, omdat ook het definitieve reorganisatiebesluit eerst op 9 mei 2017 tot stand gekomen is.

2.4

In voortgezet debat heeft [eiser] de bij antwoord tegen de vordering ingebrachte stellingen en verweren weersproken en is hij zich op het standpunt blijven stellen dat het sociaal plan voor de periode 1 maart 2017 tot 1 januari 2019 en niet het voorafgaande plan toepassing dient te krijgen. Daarvoor is mede bepalend welk methode van uitleg op een dergelijk plan toegepast wordt. De uitleg die Mosae wenst te geven aan de bewoordingen van het sociaal plan in de volledige context strookt niet met de op papier gezette werkelijkheid en houdt daarom in de visie van [eiser] geen stand. Hij kent voor zijn standpunt mede belang toe aan het feit dat de vakbonden niet betrokken geweest zijn bij de totstandkoming van dat oude plan, zodat het niet de status van cao heeft en niet rechtstreeks doorwerkt in de arbeidsverhouding van Mosae en [eiser] . Dit ligt geheel anders met het nieuwe plan dat de medewerking van de vakorganisaties CNV en Nu’91 gekregen heeft. Tot slot pareert [eiser] de tegenwerping van Mosae dat er ongeoorloofd onderscheid zou dreigen als Mosae tegemoet zou komen aan de wens van [eiser] tot minimalisering van de financiële gevolgen. Hij vestigt de aandacht op de realiteit van twee door deze reorganisatie financieel getroffen werknemers van de afdeling AED. Met een van de twee (een collega van [eiser] ) is al een regeling getroffen. [eiser] verkeert dus naar eigen zeggen in een ‘unieke’ positie.

2.5

Mosae heeft zich gemotiveerd verweerd tegen hetgeen bij exploot aan de vordering ten grondslag gelegd is en tegen de omvang en samenstelling van het gevorderde.

Dit verweer komt - samengevat - op het volgende neer. De feitenweergave van de kant van [eiser] wijkt merendeels niet fundamenteel af van die zoals Mosae de werkelijkheid ziet en is hoogstens anders gekleurd dan Mosae deze benadert. Mosae schetst doel en intentie van het met de ondernemingsraad bij wijze van anticipatie op toekomstige reorganisatie(s) op 23 juni 2016 overeengekomen sociaal plan (oud). Dat plan zou voor de tweede helft van 2016 van toepassing worden op alle werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur wier rechtspositie (rechtstreeks) gevolgen zou ondervinden van reorganisaties die in de inleiding van het stuk omschreven waren. Vervolgens is in september 2016 het ‘verbeterplan financiële functie’ opgesteld dat rechtstreeks gevolgen had voor de rechtspositie van [eiser] binnen de EAD (Economisch Administratieve Dienst) waar hij werkzaam was. Op 30 september 2016 is [eiser] in een personeelsbijeenkomst geïnformeerd over de inleidende ‘mobiliteitsfase’ die voor hem en andere betrokkenen aanbrak en over de mogelijkheden die het sociaal plan te dezen bood, in het bijzonder op het vlak van herplaatsing en mobiliteitsbevordering. De fase ‘preventieve mobiliteit’ nam voor [eiser] een aanvang op 11 oktober 2016 onder de werking van het Sociaal Plan 2016 door een formele aanzegging (door [eiser] als prod.9 ingebracht). De reorganisatie zelf heeft in 2017 de zegen gekregen van de ondernemingsraad, zij het dat hij (partijen duiden de raad steeds als een vrouwelijk orgaan aan ….) vraagtekens geplaatst heeft bij de wijze van regeling van de personele gevolgen. Met de aldus doorgezette reorganisatie is de functie van [eiser] (ingedeeld in functiegroep 50) vervallen verklaard en daarvoor in de plaats is hem de in functiegroep 45 ingedeelde functie ‘salarisadministrateur’ aangeboden. Ter compensatie van het hiermee gemoeide loonverschil is [eiser] conform het Sociaal Plan 2016 een tijdelijke persoonlijke toeslag (voor elf maanden) toegekend, bevestigd per brief van 15 mei 2017 (prod.12 bij exploot). In zijn bezwaar tegen deze wijze van compensatie maakt [eiser] volgens Mosae een aantal fundamentele denkfouten.

2.6

Mosae heeft een andere benadering van het juridische kader van de aldus geschetste bedrijfsorganisatorische wijzigingen en de financiële gevolgen voor de individuele werknemer. Zij acht de gebondenheid van zichzelf en [eiser] aan het Sociaal Plan een logisch uitvloeisel van de bij deze reorganisatie gevolgde stappen en van het feit dat Mosae daarbij zorgvuldig en in overleg met de ondernemingsraad geopereerd heeft. Mosae is zelfs van oordeel dat de ondernemingsraad niet alleen de werknemers in de onderneming bij het overleg op collectief niveau met de bestuurder vertegenwoordigt, maar hen ook rechtstreeks kan ‘binden’ aan afspraken met de ondernemer / bestuurder. Dit argument is later uitgewerkt in de dupliek met verwijzing naar de toepasselijke cao waarin aan de ondernemingsraad de bevoegdheid gedelegeerd is met de ondernemer een sociaal plan overeen te komen. Daarnaast acht Mosae [eiser] gehouden een redelijk voorstel van Mosae (als hoedanig in de concrete situatie plaatsing in een andere functie te kwalificeren valt) te aanvaarden. Voldaan is immers aan de drie achtereenvolgens te toetsen criteria die in de rechtspraak voor zo’n verandering in de arbeidsverhouding ontwikkeld zijn.

2.7

In voortgezet debat heeft Mosae de discussie teruggebracht tot waar het in dezen om gaat: [eiser] valt nu eenmaal - gelet op de tijdslijn - onder de werking van het Sociaal Plan 2016 en kan dus niet (omdat hem dat beter uitkomt) de financiële gevolgen van het vervallen van zijn functie en de plaatsing in een andere functie laten bepalen door de regeling in het Sociaal Plan 2017. Dat zou een vorm van ‘cherrypicking’ zijn die mede door vergelijking met het lot van zijn directe collega geen pas geeft. Zijn persoonlijke omstandigheden, hoe begrijpelijk deze als argument ook mogen zijn, rechtvaardigen niet om op deze regel inbreuk te maken. Mosae heeft zich jegens [eiser] in alle opzichten zorgvuldig opgesteld en zij heeft de norm van art. 7:611 BW gerespecteerd. Ook het feit dat Mosae het advies van de Begeleidingscommissie Sociaal Plan (mede ingegeven door de leeftijd van [eiser] ) ter harte genomen heeft door toepassing te geven aan de hardheidsclausule in dat plan en [eiser] een aanvullend voorstel over verdere pensioenopbouw te doen, is in dit verband relevant. Dat [eiser] dit aanbod, met een in de ogen van Mosae onbegrijpelijk argumentatie, verwerpt, doet hier niet aan af. De met de directe collega van [eiser] getroffen regeling waaraan [eiser] refereerde, is tot slot (ook) volledig gebaseerd op het Sociaal Plan 2016.

2.8

Waar nuttig en nodig zullen specifiekere en/of meer in detail tredende stellingen van partijen aan de orde komen en gewogen worden bij de overwegingen in het volgende onderdeel van deze uitspraak (‘de beoordeling’)

3 De beoordeling

3.1

Het beroep dat [eiser] doet op rechtstreekse of afgeleide toepasselijkheid van het Sociaal Plan 2017 gaat niet op. Van rechtstreekse toepassing kan geen sprake zijn omdat het door reorganisatiemotieven ingegeven besluit tot vervallenverklaring van zijn functie van teamleider en de eerste stappen in het kader van de daaruit voorvloeiende begeleiding naar een andere functie in de tweede helft van het jaar 2016 zich geheel onder de vigeur van dit ‘oude’ sociaal plan voltrokken hebben. Dat plan voorzag er in dat voor de te vervallen functies zo spoedig mogelijk een preventief mobiliteitsprogramma gestart zou worden om boventalligheid in de toekomst zo veel mogelijk te voorkomen / te beperken. Dit allemaal vooruitlopend op een definitief reorganisatiebesluit in brede zin (dat ten aanzien van de EAD eerst op 9 mei 2017 tot stand kwam). Gesteld noch gebleken is dat [eiser] zich verzet heeft tegen de hem op 11 oktober 2016 gedane aanzegging van het in werking treden van de preventieve mobiliteitsfase of anderszins bezwaar aangetekend heeft tegen het (onder voorbehoud van formalisering van het reorganisatiebesluit) vervallen verklaren van zijn functie. Voor zover er al twijfel bij [eiser] mocht hebben bestaan over de consequenties van deze eerste stappen, is hem bij brief van 3 maart 2017 (prod.9 bij exploot) verzekerd dat het Sociaal Plan 2016 op zijn situatie van toepassing verklaard was per 11 oktober 2016 en dat de duur van de premobiliteit voor wat betreft de reorganisatie van EAD verlengd zou worden tot 1 mei 2017. Bijgevolg kunnen ook de financiële aspecten van de plaatsing in een andere functie (ook al is deze pas per 1 juni 2017 geëffectueerd) niet opeens beheerst worden door een in 2017 met twee vakbonden aangegaan sociaal plan voor een volgende fase van de reorganisatie. In dat Sociaal Plan 2017 is immers niet afgesproken dat de werking daarvan (of van de financiële paragrafen) zich mede zou uitstrekken tot ‘lopende gevallen’. Het is dan ook inconsequent (en zoals Mosae dit typeert: een geval van ‘cherrypicking’) dat [eiser] zich enerzijds verenigt met de in het Sociaal Plan 2016 voorziene eerste fases van het interne mobiliteitsproces dat moest leiden én geleid heeft tot interne herplaatsing bij Mosae in een aanvaardbare, voldoende passend geachte andere functie, maar anderzijds de financiële gevolgen wenst te onttrekken aan de werking van datzelfde plan. Evenzeer geforceerd is de eerst bij repliek ontplooide redenering dat het met de ondernemingsraad overeengekomen ‘oude’ plan de werknemer [eiser] in geen enkel opzicht bindt. Als het al niet zo is, zoals Mosae in haar dupliek verdedigt, dat de ondernemingsraad handelde overeenkomstig een bij cao gedelegeerde bevoegdheid, zodat hij met het aangaan van een sociaal plan (als ondernemingsovereenkomst) werknemers die aan de cao gebonden waren, ook onder de werking van aan een dergelijke overeenkomst bracht, dan moet uit vrijwillige medewerking van [eiser] aan de persoonlijke implementatie van onderdelen van dat plan afgeleid worden dat hij ook de consequentie dient te aanvaarden: niet het latere sociaal plan, maar het plan van 2016 reguleert de wijze van financiële compensatie van een achteruitgang in beloningsniveau in de aanvaarde nieuwe functie.

3.2

Het feit dat de ondernemingsraad in zijn advisering over het voorgenomen besluit tot reorganisatie aandacht gevraagd heeft voor de personele gevolgen (aanvankelijk slechts gericht op de tabellen voor het bepalen van uitwisselbaarheid van functies, later toegespitst op de financiële aspecten van de functieverandering van de twee EAD-medewerkers), maakt dit niet anders. De OR heeft daarmee niet gezegd dat op deze twee medewerkers (daarom) de compensatieregeling van het Sociaal Plan 2017 toegepast moet worden. Nog daargelaten dat de OR daar niet bindend over kon beslissen. Net zo min was Mosae gehouden om na het aantekenen van bezwaar door [eiser] tegen de wijze van compensatie die vervat was in het besluit van 15 mei 2017 (prod.12 bij exploot), het oordeel d.d. 10 juli 2017 te volgen van de Begeleidingscommissie Sociaal Plan voor zover deze commissie de ondernemer adviseerde om de financiële gevolgen van de herplaatsing van [eiser] te verzachten door toepassing te geven aan art.3.2 van het Sociaal Plan 2016. Toch heeft Mosae dit advies ter harte genomen, waarover later. Niet geheel van belang ontbloot is dat de commissie als haar oordeel uitsprak dat Mosae in het geval van [eiser] dit plan ‘in strikte zin’ correct toegepast had. De door de commissie substantieel geachte effecten die dit voor [eiser] had, zouden in de ogen van de commissie - met aandacht voor leeftijd en kostwinnerschap - via de hardheidsclausule van art.3.2 - verzacht kunnen worden. Een niet nader afgebakende mogelijkheid tot afwijken van de hoofdregel ter voorkoming van een onbillijke situatie is aldus in overweging gegeven.

3.3

Terecht heeft de begeleidingscommissie geen of weinig aandacht besteed aan het ook in de bezwaarfase door / namens [eiser] gedane beroep op het ontbreken van een beding tot eenzijdige wijziging van de arbeid / functie / arbeidsvoorwaarden (art. 7:613 BW). [eiser] bestrijdt immers niet dat de doorgevoerde maatregelen in het kader van reorganisatie ingegeven waren door omstandigheden die de werkgever noodzaakten tot diepgaande organisatorische ingrepen. Evenmin weerspreekt hij dat dit in zijn geval tot een redelijk te achten functieverandering op een iets lager ingeschaald niveau heeft moeten leiden. Toetsing aan de twee eerste criteria van de op art. 7:611 BW gebaseerde Taxi Hofman-doctrine leidt dan ook tot een ten aanzien van de opstelling van werkgever Mosae tot een tweevoudige beoordeling ‘redelijk’. De werkgever mocht in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs tot wijziging besluiten en haar voorstel tot functieverandering als zodanig was eveneens als redelijk te kwalificeren. Het derde te onderzoeken redelijkheidscriterium behelst de vraag in hoeverre van [eiser] gevergd kon worden dat hij in redelijkheid ook de voor hem aan de functieverandering verbonden financiële nadelen zou aanvaarden. Die vraag, in de praktijk neerkomend op afweging van de wederzijds bij de functieverlaging en dito beloningsreductie betrokken belangen, was kennelijk ook voor de begeleidingscommissie leidend en vormde voor Mosae richtsnoer bij de heroverweging van haar besluit op basis van dat advies.

3.4

[eiser] neemt Mosae kwalijk dat zij in die heroverweging niet ver genoeg gegaan is door het op 15 mei 2017 gedane compensatievoorstel tot integrale inkomensaanvulling gedurende elf maanden (via een persoonlijke toeslag) op billijkheidsgronden ‘slechts’ aan te vullen met een extra voorziening in de sfeer van pensioenopbouw. Wel onderkent hij dat Mosae, strikt redenerend langs de lijnen van het Sociaal Plan 2016, slechts tien in plaats van elf volledige dienstjaren in aanmerking had kunnen nemen. Omdat de bij brief van 9 augustus 2017 na heroverweging aangeboden aanvulling van die toeslagregeling weliswaar impliceert dat ongewijzigde pensioenopbouw tot de pensioenleeftijd gegarandeerd kan worden, maar van de werknemer vraagt dat deze daaraan van zijn kant bijdraagt met de werknemersbijdrage in de daarvoor verschuldigde extra pensioenpremie, heeft [eiser] die geste afgewezen. Zijn redenering luidt dat hij dan niet alleen met ingang van 1 mei 2018, als de toeslagbetaling stopt, maandelijks ongeveer 13,6% aan loon minder ontvangt maar ‘daar bovenop nog eens € 35,80 netto maandelijks achteruitgaat’ in besteedbaar inkomen (tot of tot en met september 2020 als [eiser] AOW-gerechtigd wordt).

3.5

De te beantwoorden vraag is of [eiser] het met zijn kritiek bij het juiste eind heeft, althans of van Mosae te vergen ware dat zij hem in nog verdergaande mate tegemoetkomt. De kantonrechter gaat er in dit verband van uit dat Mosae het na verwerping door [eiser] niet ingetrokken voorstel ook nu nog gestand wil en kan doen. Hij kan immers niet meegaan in de opvatting dat een tijdelijke (extra) reductie van het besteedbare inkomen met € 35,80 aan premie voor ongewijzigde pensioenopbouw het aanvullende voorstel van Mosae onredelijk maakt. Noch dat de twee elkaar aanvullende vormen van compensatie in deze vorm bij afweging van de wederzijds betrokken belangen de balans in het nadeel van Mosae doen doorslaan. [eiser] had zich moeten realiseren dat met dit compromisvoorstel uitzicht ontstaat op een hoger uitgesteld inkomen in het najaar van 2020 en dat het redelijk te achten is dat hij daarvoor een periode van goed twee jaar een beperkte extra werknemerspremie opzijzet (de rest wordt door Mosae gefinancierd). Hij doet zichzelf tekort als hij deze mogelijkheid zou verwerpen, maar de keuze is nu eenmaal aan hem. Als hij de voorkeur geeft aan tijdelijk een iets hoger netto maandinkomen, handhaaft hij het tot nu toe betrokken standpunt, maar daarvoor in de plaats krijgt hij dan van de kant van Mosae niets extra’s aangeboden. De kantonrechter respecteert deze opstelling van Mosae omdat hij de wijze van hantering van de in het sociaal plan opgenomen hardheidsclausule slechts marginaal toetst en ook overigens van oordeel is dat met het belang van [eiser] in voldoende mate rekening gehouden is. De aangepaste tewerkstelling maakt dat [eiser] kort voor zijn pensioen niet brodeloos geworden is en de betrekkelijk ruime (aan de duur van de arbeidsovereenkomst gerelateerde) overgangsperiode van elf maanden houdt in dat met het aan de ‘demotie’ verbonden inkomensverlies - zij het niet onbeperkt - rekening gehouden is. De leeftijd van [eiser] maakt dit niet anders, juist omdat die leeftijd de voornaamste aanleiding gevormd heeft voor de ontwikkeling van een aanvullend pensioenvoorstel dat op betrekkelijk korte termijn effect gaat hebben. Wellicht zal [eiser] zich het nut daarvan bij nader inzien ook realiseren en opnieuw in overleg treden met Mosae over de invulling.

3.6

De voorgaande overwegingen resulteren tezamen in een algehele afwijzing van de vorderingen van [eiser] . Om billijkheidsredenen en in verband met de aard van de vooralsnog te continueren relatie van partijen zullen desondanks de proceskosten in het geheel gecompenseerd worden.

4 De beslissing

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

- De vorderingen van [eiser] , zowel in de primaire als in de subsidiaire gedaante, worden afgewezen.

- De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS