Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2119

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
03/661068-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt vrijgesproken van het telkens samen met een ander of anderen beroeps- of bedrijfsmatig hennep telen. Er is onvoldoende bewijs dat de verdachte bij de bedrijfsmatige hennepteelt een zodanig significante rol heeft gehad en zodanig nauw en bewust met de teler(s) heeft samengewerkt, dat hij als medepleger moet worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/661068-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. K. Bruns, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 februari 2018. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er bij de feiten 1 tot en met 3, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte telkens samen met een ander of anderen beroeps- of bedrijfsmatig hennep heeft geteeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de feiten 1 tot en met 3 bewezen kunnen worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit.

De verdachte dient volgens de raadsvrouw van feit 1 te worden vrijgesproken, nu hij niet als medepleger kan worden aangemerkt. Ten aanzien van feit 2 en 3 heeft zij aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat volgens haar niet is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum, zoals neergelegd in artikel 341, vierde lid, van het wetboek van Strafvordering.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer anderen. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte daarbij, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De officier van justitie baseert zich ten aanzien van het bewijs op de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] dat hij de hennepplantages samen met een ander heeft opgebouwd. In de visie van de officier van justitie is de verdachte “die ander”. De officier van justitie is van mening dat de verdachte zijn eigen rol bagatelliseert door te verklaren dat hij alleen voor een ongeloofwaardig lage vergoeding heeft geholpen met het knippen van de hennepplanten. De verdachte weet dat voor het knippen van hennep zware straffen opgelegd kunnen worden en hij probeert, zo redeneert de officier justitie, door het bagatelliseren van zijn rol onder de feiten uit te komen. De officier van justitie stelt op grond daarvan dat de verdachte een significante rol heeft gehad bij de bedrijfsmatige hennepteelt en om die reden als medepleger dient te worden aangeduid.

Op basis van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan de rechtbank slechts vaststellen dat de verdachte knipwerkzaamheden heeft verricht in drie hennepplantages op verzoek van zijn vriend [medeverdachte] . Er is onvoldoende bewijs dat de verdachte bij de bedrijfsmatige hennepteelt een zodanig significante rol heeft gehad en zodanig nauw en bewust met de teler(s) heeft samengewerkt, dat hij als medepleger moet worden beschouwd. Dat wordt niet anders door de redenering van de officier van justitie, die gebaseerd is op algemene ervaringsregels.

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten in het dossier aangetroffen om de verklaring van de verdachte als onaannemelijk ter zijde stellen. De rol van verdachte kan hooguit als medeplichtigheid worden aangemerkt, maar de steller van de tenlastelegging heeft ervoor gekozen deze deelnemingsvorm niet ten laste te leggen.

Dit betekent dat de verdachte van de hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

4 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Beije, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en

mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmeets, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 maart 2018.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 20 januari 2016 te Baexem, in elk geval in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk -in de uitoefening van een beroep of bedrijf- heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan de [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 38 kilogram hennep en/of een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 78, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2015 tot en met 21 januari 2016 te Haler, in elk geval in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk -in de uitoefening van een beroep of bedrijf- heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan de [adres 2] ) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in

elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op of omstreeks 21 januari 2016 te Neeritter, in elk geval in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk -in de uitoefening van een beroep of bedrijf- heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan [adres 3] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 179, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.