Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2112

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
03/866149-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering in dienstbetrekking en diefstal door bankmedewerkster

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866149-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is op 15 maart 2017 en 29 november 2017 aangehouden door de politierechter. Op beide data is de verdachte verschenen. Op 29 november 2017 heeft de politierechter de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. De zaak is vervolgens door de meervoudige kamer inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 februari 2018. De verdachte is op deze dag niet verschenen. De officier van justitie heeft haar standpunt kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De –ter terechtzitting van 20 februari 2018 gewijzigde– tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: in dienstbetrekking € 5.500,00 heeft verduisterd van de ABN AMRO Bank;

Feit 2, primair: in dienstbetrekking ruim € 45.000,00 heeft verduisterd van de ABN AMRO Bank en/of van [benadeelde] ;

Feit 2, subsidiair: ruim € 45.000,00 heeft gestolen van [benadeelde] door middel van een valse sleutel.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van de ABN AMRO Bank en de bekennende verklaring van de verdachte.

Ten aanzien van feit 2 acht de officier van justitie de subsidiaire tenlastegelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen. Zij stelt dat de verdachte meermalen geld heeft gestolen van [benadeelde] en baseert zich daarbij op de verklaring van die [benadeelde] en de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat zij geen geld van [benadeelde] rekening had mogen overboeken en dat zij niet juist heeft gehandeld met zijn geld.

3.2

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1

Op 10 februari 2015 doet [naam fraude-onderzoeker] , als fraude-onderzoeker werkzaam bij de afdeling Security & Intelligence Management van ABN AMRO Bank N.V. (hierna: de bank), aangifte namens de bank van verduistering in dienstbetrekking door de verdachte. Verdachte is als medewerker commerciële ondersteuning in loondienst bij de bank en werkt bij het filiaal te [vestigingsplaats] .2 Uit het onderzoek van [naam fraude-onderzoeker] blijkt dat verdachte tijdens werktijd in het systeem dat beschikbaar is voor daartoe geautoriseerde medewerkers van de bank en in strijd met de binnen de bank geldende gedragsregels, op 20 augustus 2014 een bankrekening op naam van haar echtgenoot [naam echtgenoot] heeft geopend. Op 14 november 2014 opende verdachte een bankrekening op naam van haarzelf. Na opening van deze rekeningen heeft zij via de klantapplicaties ‘Internet Bankieren’ dan wel ‘Mobiel Bankieren’ tussen 20 augustus 2014 en 25 november 2014 diverse betalingsopdrachten ingebracht ten laste en ten gunste van deze door haar geopende rekeningen. Deze betalingsopdrachten werden in eerste instantie geweigerd vanwege een ontoereikend saldo. Voor geautoriseerde medewerkers van de bank bestaat echter de mogelijkheid om betalingsopdrachten ondanks een negatief saldo toch te fiatteren. De verdachte beschikte vanwege haar functie over deze autorisatie en heeft (op één overboeking na) tijdens werktijd en in het systeem dat beschikbaar is voor daartoe geautoriseerde medewerkers van de bank, alle door haar opgegeven betalingsopdrachten zelf gefiatteerd waardoor uiteindelijk een niet toegestane debetstand ontstond. Dit cumuleerde op 25 november 2014 tot een bedrag van € 5.500,00.3

De verdachte heeft bij de politie bevestigd dat zij die bankrekeningen heeft geopend, terwijl zij dat zelf niet mocht. Zij had geld nodig en kon dit verkrijgen via deze rekeningen. Zij boekte geld van de rekeningen af en boekte het daarna weer terug. Even later had zij echter weer geld nodig en dan boekte ze weer een geldbedrag af. Dit is vier of vijf keer gebeurd, denkt zij. Het restbedrag is wat de bank aangeeft, zij meent dat dit rond de € 5.000,00 is.4

Gelet op de aangifte van de ABN AMRO Bank N.V. en de bekennende verklaring van de verdachte bij de politie, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een bedrag van

€ 5.500,00 heeft verduisterd uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als medewerker commerciële ondersteuning bij ABN AMRO Bank N.V.

Feit 2

In de al aangehaalde aangifte doet [naam fraude-onderzoeker] namens ABN AMRO Bank N.V. ook aangifte van een tweede verduistering door verdachte.5 Uit het onderzoek van de bank blijkt dat de verdachte op 5 oktober 2012 tijdens werktijd en in het systeem dat beschikbaar is voor daartoe geautoriseerde medewerkers van de bank, de bankrekening van een klant van de bank, [benadeelde] , heeft toegevoegd aan haar eigen rekeningomgeving. Van deze uitgevoerde handeling is geen onderliggend en ondertekend contract voor deze handeling getraceerd. Via de klantapplicaties ‘Internet Bankieren’ dan wel ‘Mobiel Bankieren’ heeft de verdachte in de periode van 5 oktober 2012 tot en met 25 mei 2014 zestien betalingsopdrachten uitgevoerd. Totaal is een bedrag van € 45.570,50 van de bankrekening van [benadeelde] overgeschreven naar de privébankrekening van de verdachte en haar echtgenoot met het nummer [bankrekeningnummer] .6 Uit de zich in het dossier bevindende bankafschriften van [benadeelde] blijkt dat de overboekingen naar deze bankrekening ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.7

[benadeelde] is vervolgens – naar aanleiding van een rechtshulpverzoek – gehoord op het Federal Bureau of Investigation (hierna: FBI) te Punta Gorda, Florida (Verenigde Staten van Amerika). Dit verhoor vond plaats in de Engelse taal en is ook in de Engelse taal vastgelegd. [benadeelde] heeft in dit verhoor verklaard dat hij in april 2015 er door de bank van op de hoogte werd gesteld dat verdachte zijn gehele bankrekening van $ 44.000,00 (euro) had leeggehaald. Hij heeft nooit met de verdachte gesproken over haar financiële problemen en heeft haar ook nooit toestemming gegeven om geld van zijn rekening op te nemen. De bank heeft hem schadeloos gesteld voor het gehele ontvreemde bedrag.8

De verdachte is op 23 februari 2016 gehoord bij de politie. Tijdens dit verhoor is haar de verklaring van [benadeelde] bij de FBI voorgehouden en deels voorgelezen. De verdachte heeft in dit verhoor bevestigd dat zij een totaalbedrag van € 45.570,50 heeft afgeboekt van de rekening van [benadeelde] naar haar eigen rekening.9

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte zestien keer bedragen heeft overgeboekt, tot een totaalbedrag van € 45.570,50, van de rekening van [benadeelde] naar haar eigen bankrekening.

De verklaring van verdachte

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij toestemming had van [benadeelde] om geld over te maken naar haar eigen bankrekening. Tijdens een gesprek bij de bank werd door haar en [benadeelde] gesproken over verdachtes financiële problemen. [benadeelde] heeft toen tegen haar gezegd dat zij gebruik mocht maken van zijn geld en zijn bankrekening als zij in de problemen zat. [benadeelde] heeft volgens verdachte toen een machtiging getekend zodat de verdachte toestemming zou hebben om te internetbankieren met zijn rekening.

De rechtbank hecht geen geloof aan deze verklaring van verdachte. De fraude-onderzoeker van de bank heeft immers aangegeven dat hij geen onderliggend en ondertekend contract heeft getraceerd voor de overboekingen die zijn gedaan door verdachte van [benadeelde] bankrekening. Bovendien heeft [benadeelde] zelf uitdrukkelijk verklaard geen toestemming te hebben gegeven aan verdachte voor het door haar afboeken van geld van zijn rekening.

Verduistering of diefstal?

De handelingen die verdachte heeft gepleegd zijn haar primair tenlastegelegd als verduistering in dienstbetrekking en subsidiair als diefstal door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van verduistering in dienstbetrekking. Verdachte was immers niet in dienst bij [benadeelde] , maar bij de bank. Verdachte was als bankmedewerkster niet gerechtigd om te beschikken over de bankrekening van [benadeelde] en had de gelden op die bankrekening niet rechtmatig onder zich. Zij heeft zonder toestemming van [benadeelde] via internetbankieren of mobiel bankieren diverse malen geld van zijn bankrekening overgeboekt naar haar eigen rekening. Zij kon beschikken over de bankrekening van [benadeelde] , en dus geld overboeken van die rekening, omdat zij die rekening – zonder toestemming – had toegevoegd aan haar eigen rekeningomgeving. De rechtbank is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat de verdachte meermalen, te weten zestien keer, geld heeft gestolen van [benadeelde] door middel van een valse sleutel. Het voorgaande betekent dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en zal worden veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde.

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1:

in het tijdvak van 23 november 2014 tot en met 27 november 2014 te Heerlen opzettelijk een hoeveelheid geld, te weten een geldbedrag van 5.500 euro, dat toebehoorde aan ABN AMRO Bank, en welk goed verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als medewerker commerciële ondersteuning bij de ABN AMRO Bank N.V. onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 2, subsidiair:

meermalen in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 25 december 2014 te Heerlen een hoeveelheid geld (totaalbedrag 45.570,50 euro), dat aan een ander toebehoorde dan aan verdachte, te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de verdachte dat weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking onder zich heeft.

T.a.v. feit 2, subsidiair:

diefstal, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarnaast een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Zij acht de door verdachte gepleegde feiten zeer ernstig, omdat de verdachte door haar handelen misbruik heeft gemaakt van haar functie als bankmedewerker en daarmee ook het vertrouwen dat de maatschappij moet kunnen hebben in banken heeft geschaad. Ook heeft de verdachte de feiten over een langere periode gepleegd. In beginsel is daarom een gevangenisstraf op zijn plaats, maar de officier van justitie ziet voldoende redenen om daarvan af te wijken. De verdachte is namelijk een first offender en is als gevolg van de door haar gepleegde feiten door de bank op staande voet ontslagen. Verder betreft het feiten die al wat langer geleden zijn gepleegd. Naast de taakstraf is een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats om herhaling te voorkomen.

6.2

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte werkte als medewerker commerciële ondersteuning bij de ABN AMRO Bank N.V. In die hoedanigheid heeft zij zowel de bank maar meer nog een cliënt van de bank, [benadeelde] , flink benadeeld.

Verdachte kon als bankmedewerker bankrekeningen openen en betalingsopdrachten die normaal gesproken geweigerd worden als het saldo op de rekening onvoldoende of nihil is, toch fiatteren. Zij boekte naar rekeningen die zij had geopend op naam van haar echtgenoot en van haar zelf geld dat van de bank was. Dat geld gebruikte ze om er een luxere levensstijl op na te kunnen houden, dan met haar normale inkomen mogelijk was. Ze boekte ook wel weer geld terug als ze dat kon missen, maar begon weer opnieuw als ze geld nodig had. Uiteindelijk heeft zij zichzelf op deze slinkse wijze verrijkt met een bedrag van

€ 5.500,00. Alsof dat nog niet genoeg was, heeft verdachte in de daaraan voorafgaande twee jaren ook nog geld gestolen van een klant van de ABN AMRO Bank N.V. Zij boekte in die periode tot zestien keer toe verschillende bedragen van de rekening van [benadeelde] naar haar eigen bankrekening. Dit is opgelopen tot een totaalbedrag van € 45.570,50. Geld waar zij geen recht op had, overboekingen waar zij geen toestemming voor had en geld dat de bank heeft moeten vergoeden aan [benadeelde] .

De rechtbank vindt dit zeer ernstige feiten. In banken in het algemeen en in bankmedewerkers in het bijzonder moet je vertrouwen kunnen hebben. De bank mag er op vertrouwen dat haar medewerkers hun werk goed doen en de gedragsregels naleven. Dit vertrouwen heeft de verdachte op grove wijze geschaad door het misbruiken van haar positie. Het is dan ook niet voor niets dat de verdachte op staande voet is ontslagen. Ook klanten van de bank moeten erop kunnen vertrouwen dat het geld dat zij bij de bank stallen veilig is en dat daar zorgvuldig mee wordt om gegaan. Het is zeker niet de bedoeling dat dat geld door een medewerker ten eigen bate wordt aangewend. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte de integriteit van het bankwezen en het financiële verkeer geschonden.

De verdachte heeft alleen gedacht aan haar eigen inhaligheid en niet aan de problemen die dit oplevert voor haar werkgever en [benadeelde] . Als je ruimer wilt leven dan past bij je inkomen, zul je andere legale middelen moeten zoeken om dat leven te kunnen leiden. En als dat niet lukt, zul je je levensstijl aan je inkomen moeten aanpassen. Het is zeker niet de bedoeling om dat luxe leventje te leiden van geld dat niet aan jou toebehoort.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Uit deze oriëntatiepunten volgt dat fraude met een benadelingsbedrag tot € 70.000,00 doorgaans bestraft wordt met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden, al dan niet in voorwaardelijke zin gecombineerd met een taakstraf.

De rechtbank houdt echter ook rekening met het feit dat de verdachte als gevolg van de door haar gepleegde feiten op staande voet is ontslagen. Daarnaast zijn de feiten niet recent door haar gepleegd en heeft de officier van justitie ervoor gekozen om de feiten die in 2014 zijn ontdekt, pas in 2017 bij de rechtbank aan te brengen. Dat brengt de rechtbank er toe om aan verdachte nu geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte moet ook de kans krijgen om haar (financiële) leven weer op de rails te krijgen en haar schulden af te lossen. Dat kan alleen als zij in de gelegenheid is om te blijven werken.

Gelet hierop, zal de rechtbank aan de verdachte dan ook de maximale taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, opleggen. Naast deze taakstraf acht de rechtbank het van belang om ook een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren op te leggen. Verdachte moet immers weten wat haar boven het hoofd hangt als zij nog een tweede keer op het idee komt om strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V., vertegenwoordigd door [naam] , vordert een schadevergoeding van € 55.070.50 terzake van feit 1 en feit 2. Het gevorderde bedrag bestaat uit het ontvreemde bedrag van € 51.570,50, inclusief het gedeelte van het rekeningsaldo van de klant [benadeelde] ad € 45.570,50, en de onderzoekskosten ad

€ 3.500,00 (20 x € 175,00). Daarnaast vordert de benadeelde partij de wettelijke rente.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij is van mening dat de vordering te onduidelijk is en een onevenredige belasting vormt voor het strafproces. Het is immers niet helder of (een deel van) de schade reeds is terugbetaald door de verdachte, nu zij heeft verklaard een betalingsregeling te hebben getroffen met ABN AMRO Bank N.V. Daarnaast heeft de rechtbank, ondanks de eerdere opdracht van de politierechter daartoe, geen akte van cessie ontvangen van de benadeelde partij.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de vordering van de benadeelde partij niet volledig is.

Zo ontbreekt de vereiste akte van cessie, die overgelegd moet worden omdat een deel van de vordering van de benadeelde partij ziet op het weggenomen bedrag van [benadeelde] , een klant van ABN AMRO Bank N.V. Ten aanzien hiervan heeft de politierechter ter terechtzitting van 15 maart 2017 aan de vertegenwoordiger van de benadeelde partij de opdracht gegeven om deze akte van cessie, alsmede een machtiging voor het vertegenwoordigen van ABN AMRO Bank N.V., ter terechtzitting te overleggen. De benadeelde partij heeft hier echter geen gehoor aangegeven. Naast de ontbrekende akte van cessie blijkt ook dat de gevolmachtigden die de vordering hebben ingediend niet gezamenlijk bevoegd zijn om de benadeelde partij te vertegenwoordigen.

Het bovenstaande maakt dat de rechtbank in beginsel de behandeling van de strafzaak dient aan te houden om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen alsnog de akte van cessie en een juiste volmacht te overleggen. De rechtbank ziet echter redenen om hiervan af te wijken. De strafzaak is namelijk al twee keer eerder om niet inhoudelijke redenen aangehouden, terwijl de rechtbank van oordeel is dat de zaak gereed was om af te worden gedaan. Daarnaast blijkt nergens uit de dat benadeelde partij een volgende keer wel stukken zal aanleveren, nu deze tijdens de laatste twee behandelingen van de zaak ook niet is verschenen. De rechtbank is gelet op voorgaande van oordeel dat het nogmaals aanhouden van de behandeling van de strafzaak een onevenredige belasting oplevert van het strafproces. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zal haar vordering slechts kunnen aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 310, 311, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder feit 2, primair, tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.3 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte voor feit 1 en feit 2, subsidiair, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    veroordeelt de verdachte voor feit 1 en feit 2, subsidiair, tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij, ABN AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 maart 2018.

Buiten staat

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks het tijdvak van 23 november 2014 tot en met 27 november 2014 te Heerlen, in elk geval in het arrondissement Limburg opzettelijk een hoeveelheid geld, te weten een geldbedrag van 5.500 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan ABN Amro bank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerker commerciële ondersteuning bij de ABN Amro bank NV, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

Primair:

zij een of meermalen in of omstreeks het tijdvak van 1 oktober 2012 tot en met 25 december 2014 te Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht en/of Limburg, (telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld (totaalbedrag ongeveer 45.570,50 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde] of de ABN Amro bank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerker commerciële ondersteuning bij de ABN Amro bank NV, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Subsidiair:

zij meermalen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2012 tot en met 25 december 2014 te Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht en/of Limburg, (telkens) een hoeveelheid geld (totaalbedrag ongeveer 45.570,50 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n) dan aan verdachte, te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de verdachte dat/die weg te nemen goed/goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Parkstad-Limburg, Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2015027473, gesloten d.d. 14 maart 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 107.

2 Aangifte van ABN AMRO Bank N.V – Security & Intelligence Management d.d. 10 februari 2015, pagina 8 en 9. Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 12 februari 2015, pagina 91.

3 Aangifte van ABN AMRO Bank N.V – Security & Intelligence Management d.d. 10 februari 2015, pagina 10, (bijlage 2) pagina 29, 30, 32 en 33, (bijlage 3) pagina 35, (bijlage 4) pagina 37 en 39 en (bijlage 5) pagina 43, 44, 47 en 48.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 februari 2016, pagina 98.

5 Aangifte van ABN AMRO Bank N.V – Security & Intelligence Management d.d. 10 februari 2015, pagina 8 en 9.

6 Aangifte van ABN AMRO Bank N.V – Security & Intelligence Management d.d. 10 februari 2015, pagina 11 en (bijlage 8) pagina 86, 87 in samenhang met het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 februari 2016, pagina 96.

7 Aangifte van ABN AMRO Bank N.V – Security & Intelligence Management d.d. 10 februari 2015, (bijlage 6) pagina 50 tot en met 72.

8 Results from the Federal Bureau of Investigation in the Matter of [verdachte] , U.S. Department of Justice d.d. 3 december 2015, pagina 93 en 94.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 februari 2016, pagina 98 en 99.