Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2077

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
C/03/238434 / HA ZA 17-390
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid op grond van artikelen 3:296 BW, 3:302 BW en 3:303 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/238434 / HA ZA 17-390

Vonnis van 7 maart 2018

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STREEP WERK B.V.,

gevestigd te Venlo,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARBEN VENLO B.V.,

gevestigd te Venlo,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LIBRA II B.V.,

gevestigd te Venlo,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUCH ENNE B.V.,

gevestigd te Venlo,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOTARISKANTOOR [X] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats eiser sub 5] ,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZEVEN ERVEN B.V.,

gevestigd te Venlo,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOVARE B.V.,

gevestigd te Roermond,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TARDE VENIENTIBUS OSSA B.V.,

gevestigd te Venlo,

9. [eiser sub 9],

wonende te [woonplaats eiser sub 9] ,

10. [eiser sub 10],

wonende te [woonplaats eiser sub 10] ,

eisers,

advocaat mr. P.H. Kramer te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde sub 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.M.J. Weijers te Valkenswaard,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats gedaagde sub 2]

gedaagde,

advocaat mr. W.M.J. Weijers te Valkenswaard,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde sub 3] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.M.J. Weijers te Valkenswaard,

4. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam en mede kantoorhoudende te Venlo,

gedaagde,

advocaat mr. H.A.J. Wessel-Krijger te Doesburg,

5. de naamloze vennootschap

RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. H.A.J. Wessel-Krijger te Doesburg.

Partijen zullen hierna de notaris en gedaagden genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord van gedaagden 1 tot en met 3

  • -

    de conclusie van antwoord van gedaagden 4 en 5

  • -

    de brief waarbij is bepaald dat een comparitie zal worden gehouden van 29 november 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 februari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

De notaris vordert:

1. Te verklaren voor recht dat gedaagde sub 1, zijnde [gedaagde sub 1] , op grond van zijn

persoonlijke borgstelling uit de overeenkomst van 12 januari 2010 gehouden is om

als borg aan de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen van HvE aan Hos

jegens Hos te voldoen en hem daartoe te veroordelen;

2. Te verklaren voor recht dat gedaagde sub 1, zijnde [gedaagde sub 1] , hoofdelijk

aansprakelijk is jegens Hos, Alukol en Janans voor de door hen geleden schade;

3. Te verklaren voor recht dat gedaagde sub 2, zijnde [gedaagde sub 2] , hoofdelijk

aansprakelijk is jegens Hos, Alukol en Janans voor de door hen geleden schade;

4. Te verklaren voor recht dat gedaagde sub 3, zijnde [A] , hoofdelijk

aansprakelijk is jegens Hos, Alukol en Janans voor de door hen geleden schade;

5. Te verklaren voor recht dat gedaagden sub 4 en/of 5, zijnde de Rabobank,

hoofdelijk aansprakelijk is jegens Hos, Alukol en Janans voor de door hen geleden

schade;

6. Te verklaren voor recht dat in de onderlinge verhouding tussen de notaris en

gedaagden sub 1, 2, 3, 4 en/of 5 ex artikel 6:10 jo. 6:102 jo. 6:101 BW de door Hos,

Alukol en Janans geleden schade - op basis van een eventuele door uw rechtbank

in goede justitie te bepalen verhouding - volledig door gedaagden sub 1, 2, 3, 4

en/of 5 gedragen dient te worden, althans om in goede justitie een onderlinge

draagplicht tussen partijen vast te stellen;

7. Gedaagden sub 1, 2, 3, 4 en/of 5 te veroordelen om aan de notaris (hoofdelijk)

te vergoeden hetgeen de notaris aan Hos, Alukol en Janans heeft of zal moeten

betalen;

8. Gedaagden sub 1, 2, 3, 4 en/of 5 te veroordelen in de kosten van deze procedure,

waaronder driemaal explootkosten aangezien aan ieder der gedaagden afzonderlijk een afschrift is gelaten.

2.2.

Gedaagden voeren verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank is van oordeel dat de notaris in zijn vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De motivering van dit oordeel wordt hieronder nader uitgewerkt. Gegeven de formele aard van de beslissing en de motivering daarvan, heeft de rechtbank afgezien van het vaststellen van vaststaande feiten in een afzonderlijk onderdeel van het vonnis. Voor zover feiten van belang zijn, gaat het om door de notaris gestelde feiten. Of die feiten ook rechtens vaststaan, is voor de beslissing van de rechtbank niet van belang.

3.2.

De gronden voor de niet-ontvankelijkverklaring zijn de volgende.

3.2.1.

De vordering onder 1 strekt tot veroordeling van een partij, niet zijnde de notaris, aan een andere partij, niet zijnde de notaris. Artikel 3:296 BW bepaalt dat hij die jegens een ander verplicht is iets te geven daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, wordt veroordeeld. In dit geval is echter geen sprake van een vordering van de gerechtigde, maar van een derde. Dat betekent dat de notaris dit deel van het gevorderde onbevoegdelijk heeft ingesteld en dat de notaris in zoverre niet in zijn vordering kan worden ontvangen.

3.2.2.

De vordering onder 1 strekt daarnaast tot het geven van een verklaring van recht, evenals de vorderingen onder 2 tot en met 5. Deze vorderingen strekken telkens tot het geven van een verklaring van recht met betrekking tot rechtsverhoudingen tussen partijen, niet zijnde de notaris. Artikel 3:302 BW bepaalt dat op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon de rechter omtrent die rechtsverhouding een verklaring van recht uitspreekt. De notaris kwalificeert hier evenwel niet als een onmiddellijk bij de betrokken rechtsverhoudingen betrokken persoon, zodat de notaris dit deel van het gevorderde eveneens onbevoegdelijk heeft ingesteld.

3.2.3.

De vordering onder 6 strekt kort samengevat tot het vaststellen van de onderlinge verhouding tussen de notaris en de gedaagden onder 1 tot en met 5, uitgaande van de veronderstelling dat deze partijen alle kunnen worden aangemerkt als gezamenlijk jegens een ander uit hoofde van schadevergoeding aansprakelijke schuldenaren. De wetsartikelen waarop het gevorderde onder 6 betrekking heeft zijn geplaatst in afdeling 10 van titel 1 van boek 6 BW, welke afdeling regels geeft betreffende de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding. Het gaat bij de vordering onder 6 met andere woorden om het vaststellen van de interne draagplicht met betrekking tot te betalen schadevergoeding. Op basis van de stellingen van de notaris kan echter niet worden aangenomen dat sprake is van schade, omdat wat kennelijk als schade wordt aangemerkt in wezen neerkomt op vorderingen uit overeenkomst (borgtocht), die vooralsnog onbetaald zijn gebleven. Door het enkele feit dat die vorderingen nog niet zijn voldaan, neemt evenwel het vermogen van de betrokken schuldeiser niet af. De betrokken vordering maakt immers nog steeds deel uit van diens vermogen en zolang niet is komen vast te staan of in voldoende mate aannemelijk is geworden dat deze vordering blijvend oninbaar is, kan het onbetaald zijn van die vordering niet worden opgevat als schade. Op basis van de stellingen van de notaris kan echter blijvende oninbaarheid van de vorderingen niet worden aangenomen, zodat moet worden geconcludeerd dat de notaris bij de onder 6 gevorderde verklaring voor recht thans geen belang heeft als bedoeld in artikel 3:303 BW.

De vordering onder 7 strekt tot veroordeling van de gedaagden sub 1 tot en met 5 tot betaling aan de notaris van hetgeen de notaris aan drie andere partijen (Hos, Alukol en Janans) heeft of zal moeten betalen. Dit deel van de vorderingen draagt aldus materieel het karakter van een vrijwaring, maar is echter formeel geen vrijwaring als bedoeld in de artikelen 210 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De in een reguliere vrijwaring gebruikelijk gehanteerde formulering van de vrijwaringsvordering biedt een directe link tussen het onderwerp van de procedure in de vrijwaring en het onderwerp van de procedure in de betrokken hoofdzaak. In die zin is zo altijd duidelijk waarover in de vrijwaringszaak wordt geprocedeerd. Dat is gegeven de ruime formulering van de vordering onder 7 hier niet het geval. Dit levert een probleem op. Gegeven de formulering van de vordering onder 7 zelf en de inhoud van de dagvaarding, is voor de rechtbank in onvoldoende mate vast te stellen op welke rechtsbetrekkingen het gevorderde betrekking heeft of in potentie betrekking zou kunnen hebben. Met andere woorden: onduidelijk is wat de notaris mogelijk aan Hos, Alukol en Janans zou moeten betalen en op grond waarvan. Op basis van hetgeen de notaris in de dagvaarding heeft aangevoerd, kan de rechtbank niet zelf een werkbare afbakening vaststellen. Dat is niet alleen feitelijk niet althans niet goed mogelijk, maar is bovendien ook niet de bevoegdheid of de taak van de rechtbank: het is aan partijen om de omvang van het geschil af te bakenen. Om die reden moet worden geoordeeld dat het gevorderde onder 7 op grond van strijd met de goede procesorde moet leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring.

3.3.

De beslissing van de rechtbank is gebaseerd op de overwegingen die hierboven zijn weergegeven. Hetgeen partijen meer of anders naar voren hebben gebracht, kan als niet langer ter zake doende verder buiten beschouwing blijven.

3.4.

De notaris zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van gedaagden sub 1 t/m 3 worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1522,00

De kosten aan de zijde van gedaagden sub 4 en 5 worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

€ 1522,00

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verklaart de notaris niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,

4.2.

veroordeelt de notaris in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden sub 1 t/m 3 tot op heden begroot op € 1522,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt de notaris in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden sub 4 en 5 tot op heden begroot op € 1522,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2018.1

1 type: RK coll: