Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2062

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 950u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Strafontslag politiemol. De korpschef heeft drie gedragingen als plichtsverzuim opgenomen in het ontslagbesluit. Het plichtsverzuim bestaat onder meer uit het zeer frequent raadplegen van de politiesystemen naar personen en/of onderzoeken waar eiser geen betrokkenheid bij had, het exporteren en kopiëren van de bestanden naar externe gegevensdragers en het vervolgens buiten het politiedomein brengen van deze gegevens. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen deze gedraging, zodat het tussen partijen niet in geschil is dat eiser deze gedraging heeft begaan. De rechtbank is van oordeel dat alleen deze gedraging al zeer ernstig plichtsverzuim oplevert op grond waarvan de korpschef eiser kon ontslaan. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/950

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),

en

De korpschef van Politie, verweerder

(gemachtigden: [naam 2, 3 en 4]).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser op grond van

artikel 77, eerste lid, onder j, juncto artikel 82 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) in verband met zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag met onmiddellijke tenuitvoerlegging opgelegd.

Bij besluit van 14 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2017.

Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is per 26 januari 2009 in dienst bij de politie getreden. Bij brief van

14 oktober 2011 heeft de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) verweerder medegedeeld dat eiser een verklaring van geen bezwaar is geweigerd, omdat over hem nadelige gegevens bekend zijn geworden. Vanaf 1 februari 2012 heeft eiser op grond van artikel 3, derde lid, van het Barp een vaste aanstelling in de functie van Generalist Tactische Recherche gekregen. Laatstelijk is eiser werkzaam geweest bij de Dienst Infrastructuur.

2. Op 12 juni 2015 is een oriënterend onderzoek naar eiser gestart naar aanleiding van het feit dat uit een onderzoek van de eenheid Oost-Brabant was gebleken dat een verdachte ( [naam 5] ) met antecedenten op het gebied van heling, oplichting, vervalsing en verboden wapenbezit in het bezit was van een grote hoeveelheid politiegegevens (Blue View export-documenten) die opgevraagd waren vanuit eisers politie-account. Het vooronderzoek heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek.

3. Eiser is op 29 september 2015 aangehouden op grond van verdenking van schending van het ambtsgeheim, het aannemen van steekpenningen en witwassen. Aansluitend is eiser in het belang van het onderzoek in voorlopige hechtenis genomen.

4. Bij besluit van 1 oktober 2015 is eiser op grond van artikel 83 van het Barp per

29 september 2015 van rechtswege geschorst.

5. Op 11 december 2015 is eiser medegedeeld dat zijn bezoldiging op grond van artikel 85, eerste lid, van het Barp voor één derde wordt ingehouden. Op diezelfde datum is tevens

een intern disciplinair onderzoek gestart naar eisers gedragingen. Aanleiding hiervoor was het vermoeden dat eiser veelvuldig gedurende de periode van 29 augustus 2011 tot

28 september 2015 onbevoegd de politiesystemen heeft geraadpleegd en politie-informatie heeft gedeeld met derden.

6. In het kader van het intern onderzoek is eiser op 15 december 2015 gehoord.

Eiser heeft gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Het intern onderzoek is op 11 januari 2016 afgesloten. Naar aanleiding van het ingediende rapport zijn nadere vragen gesteld.

Op 29 februari 2016 is het strafrechtelijk dossier overgedragen ten behoeve van het intern onderzoek.

7. Bij besluit van 1 maart 2016 is eiser medegedeeld dat zijn volledige bezoldiging wordt ingehouden op grond van artikel 85, eerste lid, van het Barp.

8. Op 30 maart 2016 is eiser opnieuw door medewerkers van de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten van de Landelijke eenheid (VIK) gehoord. Eiser heeft wederom gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Het aanvullend intern onderzoek is op 5 april 2016 afgerond.

9. Bij brief van 9 mei 2016, uitgereikt aan eisers (toenmalige) advocaat Kuijpers en door hem in ontvangst genomen op 11 mei 2016 is eiser in kennis gesteld van het voornemen tot onvoorwaardelijk strafontslag wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid zijn zienswijze te geven.

10. In verband met de opheffing van de voorlopige hechtenis per 1 juni 2016 is eiser op grond van artikel 84, eerste lid, onder b, van het Barp met onmiddellijke ingang, tot aan de bekendmaking van het definitieve strafbesluit, geschorst. Tevens is, gelet op de ernst en de aard van de (mogelijke) strafbare gedragingen, zoals beschreven in het voornemen van

9 mei 2016, op grond van artikel 85, eerste lid, van het Barp besloten tot (voortzetting van) het inhouden van eisers volledige bezoldiging en is eiser op grond van artikel 73, eerste lid, van het Barp de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, dienstgebouwen en/of dienstterreinen van de politie, tenzij eiser hiertoe door of namens verweerder zou worden uitgenodigd.

De hiervoor genoemde maatregelen zijn met onmiddellijke ingang in werking getreden.

11. Bij het primaire besluit is eiser wegens zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder j, juncto artikel 82, van het Barp, opgelegd. Het plichtsverzuim bestaat uit:

- het zeer frequent raadplegen van de politiesystemen naar personen en/of onderzoeken waar eiser geen betrokkenheid bij had, het exporteren en kopiëren van de bestanden naar externe gegevensdragers en het vervolgens buiten het politiedomein brengen van deze gegevens;

- het geen openheid geven van zaken tijdens het intern onderzoek en

- het onderhouden van risicovolle contacten, waaronder het contact met een oom die (mogelijk) betrokken is bij in ieder geval twee hennepkwekerijen, zonder daarvan melding te doen bij eisers leidinggevenden.

Eiser heeft door zijn handelwijze het vertrouwen, dat te allen tijde in de integriteit en betrouwbaarheid van politiefunctionarissen dient te kunnen worden gesteld, geschonden. Eiser heeft een zeer aanzienlijk aantal malen de systemen geraadpleegd voor niet functionele doeleinden en heeft deze informatie gedeeld met personen binnen het criminele circuit. Daarnaast heeft eiser door de risico’s die hij heeft genomen bij het aangaan en verheimelijken van bepaalde contacten ernstig afbreuk gedaan aan zijn betrouwbaarheid bij collega’s en de buitenwereld. Eiser heeft daarbij niet het korpsbelang, maar zijn eigen belang laten voorgaan en heeft gehandeld in strijd met de Beroepscode politie. Gelet op de aard en de ernst van de verweten gedragingen is het strafontslag niet onevenredig te achten. Verweerder hecht een zwaarder belang aan het handhaven van een integer en betrouwbaar korps dan aan eisers persoonlijk belang. Er zijn verweerder geen feiten en/of omstandigheden bekend, waardoor eiser de verweten gedragingen niet aan te rekenen zijn. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

12. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

13. Eiser heeft in beroep gesteld dat:

- uitreiking van de besluiten niet heeft plaatsgevonden conform de wettelijke voorschriften omdat deze niet zijn toegezonden, dan wel uitgereikt aan eiser. Mr. Kuijpers was eisers gemachtigde voor het strafrechtelijk traject; de gemachtigde voor het bestuursrechtelijk traject heeft zich pas op 18 juli 2017 gesteld. Weliswaar heeft de gemachtigde erkend dat eiser door de wijze van uitreiking niet in zijn belangen is geschaad, dit doet echter niet af aan het feit dat dat volgens artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen voorwaarde is voor het al dan niet vaststellen of de uitreiking conform de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden;

- het besluit niet in stand kan blijven, omdat verweerder niet zelfstandig en onafhankelijk van het strafrechtelijk onderzoek, de feiten en omstandigheden heeft onderzocht;

- eiser ten onrechte wordt verweten dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven. Nergens uit het dossier blijkt bijvoorbeeld dat eiser op de hoogte was of dat van hem verwacht mocht worden dat hij op de hoogte was van een familielid dat zich bezighield met een Opiumwetdelict;

- er in strijd met de richtlijnen inzake communicatie is gehandeld, omdat hij herkenbaar in beeld is gebracht. Hierdoor is hij door de publieke opinie al veroordeeld voordat het strafrechtelijk of disciplinair onderzoek is aangevangen;

- hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten of ander laakbaar gedrag.

Er is geen sprake van enige vorm van plichtsverzuim.

14. De rechtbank overweegt als volgt.

15. Met betrekking tot eisers betoog dat uitreiking van het primaire besluit niet conform de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden overweegt de rechtbank dat eiser op

24 februari 2016 met betrekking tot het aan hem uit te reiken besluit inzake korting van de bezoldiging met kenmerk 1081dic/PDC/DHRM/JZ zelf heeft aangegeven: “Komen jullie post brengen? Er worden hier vieze spelletjes gespeeld. Ik word hier afgeluisterd. Ik werk nergens aan mee. Jullie doen het maar via de post. Ik neem niets aan. Alles loopt via mijn advocaat.” (zie productie 10). Uit de brief van 1 maart 2016 (zie productie 11) blijkt voorts dat verweerder op 29 februari 2016 telefonisch met het kantoor van eisers toenmalige gemachtigde in de strafrechtelijke procedure (mr. Kuijpers) heeft afgesproken dat het besluit inzake stopzetting van de bezoldiging d.d. 1 maart 2016 aan mr. Kuijpers kon worden toegezonden. Gelet hierop, maar ook op het feit dat mr. Kuijpers in het vervolg van de onderhavige (bestuursrechtelijke) procedure op geen enkel moment heeft aangegeven dat hij niét als eisers gemachtigde aangemerkt diende te worden en de opvolgende besluiten voor eiser in ontvangst heeft genomen, heeft verweerder mogen aannemen dat mr. Kuijpers (eveneens) als eisers gemachtigde in het bestuursrechtelijk traject optrad. Gelet hierop zijn zowel het primaire als het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze aan eiser (conform het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb) kenbaar gemaakt.

16. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op grond van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

17. Eiser heeft betoogd dat geen sprake is van een zelfstandige feitenvaststelling door de korpschef, omdat de korpschef zich alleen op het strafrechtelijk onderzoek heeft gebaseerd. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen, nu verweerder via de dienst Landelijke Recherche onderzoek heeft laten verrichten, hetgeen geresulteerd heeft in het Rapport intern onderzoek met zaaknummer 2015-032-A van 11 januari 2016 van de Landelijke eenheid, afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK), aangevuld met het rapport van 5 april 2016. Verweerder heeft het ontslagbesluit wegens het onder 11. vermelde plichtsverzuim gebaseerd op dit rapport, waarbij tevens de strafrechtelijke informatie is betrokken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

18. De rechtbank is van oordeel dat de aan eiser verweten gedraging zoals opgenomen onder het eerste gedachtestreepje bij overweging 11: het zeer frequent raadplegen van de politiesystemen naar personen en/of onderzoeken waar eiser geen betrokkenheid bij had, het exporteren en kopiëren van de bestanden naar externe gegevensdragers en het buiten het politiedomein brengen van deze gegevens, ook gelet op de omvang daarvan dusdanig ernstig is dat deze alleen al zeer ernstig plichtsverzuim oplevert op grond waarvan verweerder gerechtigd was de disciplinaire maatregel van strafontslag op te leggen. De rechtbank stelt vast dat eiser deze gedraging niet heeft weersproken. Eiser heeft enkel in algemene zin gesteld dat hij geen plichtsverzuim heeft gepleegd, maar hij heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen de verweten gedraging onder het eerste gedachtestreepje. Nu eiser hiertegen geen beroepsgronden heeft aangevoerd, stelt de rechtbank vast dat dit punt niet in geschil is tussen partijen. De rechtbank neemt daarom aan dat eiser deze gedraging heeft begaan. Gesteld noch gebleken is verder dat eiser deze gedraging niet kan worden verweten.

19. Niet kan worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Terecht heeft verweerder zwaar laten meewegen dat van een politieambtenaar wordt verwacht dat hij onder alle omstandigheden de voor deze functie vereiste integriteit, geloofwaardigheid en betrouwbaarheid moet bezitten en tonen.

20. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen houdt het strafontslag stand in beroep. De beroepsgrond van eiser dat verweerder in strijd met de communicatierichtlijnen heeft gehandeld, tast dit oordeel niet aan. Bovendien is de rechtbank niet gebleken dat verweerder in strijd met de communicatierichtlijnen heeft gehandeld.

21. Het beroep is ongegrond.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs (voorzitter), en mr. M.A.H. Span-Henkens en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.T. Wijnands, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 05 maart 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.