Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2054

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-03-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
03/720751-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft haar destijds 2 jarige dochter mishandeld. Kinderen behoren op te groeien in een veilige en liefdevolle omgeving. Een veilig thuis, zonder fysiek geweld, is immers de basis voor een gezonde ontwikkeling van een kind. Geweld heeft absoluut geen plek in die ontwikkeling. De rechtbank zal de verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/720751-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr J.C. Oudijk, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 februari 2018. De verdachte en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

- haar dochtertje van destijds ruim 2,5 jaar oud heeft mishandeld.

3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte wegens vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, die bovendien een structureel karakter hebben, bestaande uit het opzettelijk onthouden van consultatiebijstand en bijstand bij verhoor alsmede het ten onrechte inzetten van bijzondere opsporingsmiddelen door te majoreren.

De rechtbank heeft geconstateerd dat aan het verweer, voor zover het betreft de communicatie met de raadsman in het kader van de consultatie- en verhoorbijstand alsmede de bijzondere opsporingsmiddelen, dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd zoals aangevoerd bij preliminair verweer, voorgedragen ter terechtzitting van 4 april 2017. Naar het oordeel van de rechtbank is dit herhaald verweer, onder verwijzing naar en overeenkomstig de beslissing en gronden daartoe van de rechtbank d.d. 4 april 2017, ongegrond en de rechtbank zal het aldus verwerpen.

De raadsman heeft in dit verband voorts aangevoerd dat sprake is van een kwetsbare verdachte, die naar huidig recht geen consultatiebijstand had mogen worden onthouden.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de raadsman kennelijk doelt op artikel 28b in combinatie met artikel 28c van het Wetboek van Strafvordering, welke in werking zijn getreden op 1 maart 2017. Uit deze artikelen volgt – kort gezegd – dat consultatiebijstand niet mag worden onthouden aan kwetsbare verdachten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt hieromtrent onder meer het volgende:

Bij andere kwetsbare verdachten dan jeugdigen - verdachten met een psychische stoornis of een verstandelijke beperking - geldt […] het volgende. Omdat over de rechtsbijstand bij de voorgeleiding snel een beslissing moet worden genomen, is het niet mogelijk (en ook niet vereist) dat in dit vroege stadium van de strafprocedure de kwetsbaarheid van de verdachte aan de hand van rapportages wordt vastgesteld, en/of met toepassing van artikel 509a Sv. Het gaat in dit stadium dus om de kennelijke kwetsbaarheid van de verdachte (Kamerstukken II 2014/15, 34157, 3, p. 66).

Nog los van de vraag of de verdachte een beroep toekomt op de waarborgen vermeld in de artikelen 28b en 28c van het Wetboek van Strafvordering gelet op de datum van inwerkingtreding daarvan, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat ten tijde van de voorgeleiding sprake was van een “kennelijk” kwetsbare verdachte, noch dat hiertoe op dat moment aanwijzingen waren. Voor zover dit achteraf wellicht anders moge zijn, doet dit niet af aan de oordeelsvorming op het moment van de voorgeleiding.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen in al zijn onderdelen en de rechtbank verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Tenslotte heeft de raadsman voorwaardelijk, te weten onder de voorwaarde dat de rechtbank overweegt om het ten laste gelegde bewezen te verklaren, verzocht om het horen van de getuigen die hij eerder tijdens de terechtzitting van 4 april 2017 heeft opgevoerd, alsmede verbalisant mevrouw [getuige 1] - hulpofficier van justitie - en dhr. [getuige 2] , parketmedewerker.

De rechtbank zal dit verzoek onmiddellijk – dus onafhankelijk van de vraag of aan de gestelde voorwaarde is voldaan – beoordelen, omdat dit in sterke mate in relatie staat tot het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.

De rechtbank heeft geconstateerd dat ook het verzoek tot het horen van getuigen een (gedeeltelijke) herhaling is van het verzoek zoals ingediend ter terechtzitting van 4 april 2017. Aan het verzoek zijn thans geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Ook ambtshalve acht de rechtbank het horen van de getuigen waar reeds eerder om was verzocht, alsmede het horen van mevr. [getuige 1] en dhr. [getuige 2] niet noodzakelijk.

De rechtbank wijst aldus het (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de getuigen waar reeds eerder om was verzocht, alsmede tot het horen van mevr. [getuige 1] en dhr. [getuige 2] af, ongeacht de gestelde voorwaarde mede gelet op de onvoldoende onderbouwing.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het ten laste gelegde bewezen zal verklaren. Zij heeft haar standpunt – kort gezegd – gebaseerd op de conclusies zoals vermeld in de rapportage van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling (hierna: het FPKM), de omstandigheid dat in de betreffende periode sprake was van één verzorger, namelijk verdachte en dat het onaannemelijk is dat iets in de peuterspeelzaal is gebeurd dat het letsel verklaart.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft telkens ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan mishandeling.

De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken. Daartoe heeft hij, kort gezegd, aangevoerd dat enerzijds niet valt uit te sluiten dat het letsel wel degelijk verklaarbaar is met een val in een hoek van de douche, mogelijk gepaard met een val op een kraan of flessen, ook in combinatie met de eerdere val tegen de deurpost, de val van de trap en het karakter van het slachtoffer, omschreven als een ‘wervelwind’. Anderzijds, mocht de rechtbank al van oordeel zijn dat sprake is van mishandeling, ontbreekt bewijs dat de verdachte de persoon is geweest die het slachtoffer heeft mishandeld; daarvoor is het slachtoffer met te veel personen in aanraking geweest.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Op 25 maart 2015 deed [aangever] namens [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum meisje] , aangifte2van mishandeling. Zij verklaarde als volgt:

Ik doe aangifte van mishandeling van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum meisje] . De moeder van [slachtoffer] is [verdachte] . Op 10 maart 2015 is door kinderarts [naam arts 1] , van het VieCuri MC te Venlo, bij Veilig Thuis gemeld dat [slachtoffer] was opgenomen in het ziekenhuis met letsel. Het letsel was volgens de arts mogelijk niet passend bij het verhaal van moeder.

[slachtoffer] werd vervolgens lichamelijk onderzocht. De rapportage3 hiervan, opgesteld door forensisch arts [naam arts 2] , verbonden aan het FPKM, vermeldt onder meer het volgende:

(pg. 73) Volgens per brief door de huisarts verstrekte informatie bevat het huisartsdossier van [slachtoffer] vóór 10 maart 2015 “geen letselbeschrijving van enig door ons waargenomen letsel; noch door mij, noch door mijn associé, noch door onze waarnemer” en betrof de eerste melding van letsel bij [slachtoffer] een contact met de huisartsenpost op 10 maart 2015.

Lichamelijk letselonderzoek

(pg. 77) Op 11 maart 2015 werd door de rapporteur een lichamelijk letselonderzoek verricht bij [slachtoffer] .

(pg. 78) Bij [slachtoffer] werden [onder meer, rb.] de volgende afwijkende bevindingen gedaan:

- Op de rand van de linker oorschelp waren twee onscherp begrensde rode huidverklaringen zichtbaar. Het betroffen onderhuidse bloeduitstortingen.

- Op de achterzijde van de linker oorschelp was een matig scherp begrensde puntvormige rode huidverkleuring zichtbaar. Het betrof een puntvormige bloeduitstorting in de huid.

- Op vrijwel de gehele rechter wang tot aan het rechter oor en op de rechter slaap waren meerdere onscherp begrensde paarsrode huidverklaringen zichtbaar. Deze huidverkleuringen betroffen onderhuidse bloeduitstortingen.

- In de randen van de blauwpaarse huidverkleuringen waren gebieden met meerdere scherp begrensde puntvormige rode huidverkleuringen zichtbaar. Deze puntvormige rode huidverkleuringen betroffen puntvormige bloeduitstortingen in de huid.

(pg. 79)

- Op de linker wang was een onscherp begrensde streepvormige horizontaal verlopende blauwe huidverkleuring zichtbaar van circa 2 centimeter lang. Op de linker wang waren onder en ter zijde van de linker mondhoek drie onscherp begrensde ronde rode huidverkleuringen, elk met een diameter van circa 0,5 centimeter zichtbaar. Deze huidverkleuringen betroffen onderhuidse bloeduitstortingen.

- Onder beide ogen, op het rechter bovenste ooglid en op het linker onderste ooglid waren gebieden zichtbaar met scherp begrensde puntvormige rode huidverkleuringen. Het betroffen gebieden met puntvormige bloeduitstortingen in de huid.

(pg. 80)

- In het midden van het borstbeen was een onscherp begrensde ronde bruine huidverkleuring zichtbaar met een diameter van circa 0,5 centimeter.

- Op de linker bil, links van de bilspleet, waren twee onscherp begrensde min of meer ovale geelpaarse huidverkleuringen zichtbaar. De bovenste was circa 1,5 centimeter breed en circa 1 centimeter hoog. De onderste was circa 2 centimeter hoog en circa 1,5 centimeter breed.

- Alle hierboven beschreven huidverkleuringen betroffen onderhuidse bloeduitstortingen.

Forensische-medische beoordeling

(pg. 85) Bij het ontbreken van een onderliggende medische (stollings)stoornis, die de onderhuidse bloeduitstortingen en de puntvormige bloeduitstortingen in de huid bij [slachtoffer] zou kunnen verklaren, hebben de onderhuidse bloeduitstortingen en de puntvormige bloeduitstortingen in de huid een traumatische oorzaak die niet accidenteel is.

Uit de diverse lokalisaties van de letsels op het lichaam van [slachtoffer] kan worden afgeleid dat bij [slachtoffer] sprake moet zijn geweest van een stomp inwerkende kracht vanuit meerdere richtingen op meerdere momenten. De diversiteit in aard van de letsels (onderhuidse bloeduitstortingen en puntvormige bloeduitstortingen in de huid) wijzen op verschillende letselmechanismen. De combinatie van de letsels bij [slachtoffer] is verdacht voor een niet-accidentele oorzaak.

De moeder van [slachtoffer] meldde een toedracht omtrent de letsels in het gelaat van [slachtoffer] , namelijk dat deze waren ontstaan als gevolg van een val in de douche. Een enkelvoudige val in de douche vormt, op basis van de lokalisatie van de letsels van [slachtoffer] , geen plausibele verklaring voor de combinatie van letsel bij [slachtoffer] . In tweede instantie werd gemeld dat (een deel van) de letsels in het gelaat van [slachtoffer] ontstaan waren als gevolg van een val tegen een deurpost na een duw. Ook een val tegen een deurpost na een duw vormt, al dan niet in combinatie met een val in de douche, geen plausibele verklaring voor de combinatie van letsels bij [slachtoffer] .

De onderhuidse bloeduitstorting op de linker bil, links van de bilspleet, zijn bij het ontbreken van een plausibele verklaring, op basis van de lokalisatie op het lichaam in het gebied dat bij een luierdragend kind bedekt wordt door de luier, verdacht voor een niet-accidentele oorzaak.

Getuige [getuige 3] 4, medewerkster Kinderdagverblijf “ [naam] ” in Velden, verklaarde het volgende:

[slachtoffer] komt op dinsdag en donderdag naar het kinderdagverblijf. [slachtoffer] is op 1 januari 2015 geplaatst. Ik zie in de stukken dat [slachtoffer] op 24 en 26 februari en 3 maart ziek was gemeld. Op 5 maart was ze er wel. De week voor 24 februari hadden we carnavalsvakantie en was [slachtoffer] er dus ook niet. (…) Als er letsel zou zijn van meer dan geringe betekenis, zou er een ongevallenformulier zijn opgemaakt, maar van [slachtoffer] hebben wij geen enkel ongevallenformulier. (…) Ik heb geen letsel gezien, ook niet tijdens het verschonen van de luier. (…) Ik kan mij niet herinneren dat de moeder met mij besproken heeft dat ze blauwe plekken had ontdekt op de billen van [slachtoffer] . Ik zou mij dat zeker herinneren. (…) Ik heb ook niet gemerkt dat [slachtoffer] pijn had, anders had ik gekeken waarom [slachtoffer] pijn had.

In het dossier bevindt zich voorts een rapportage van Veilig Thuis5, welke is gevoegd bij voormelde aangifte. Deze rapportage vermeldt onder meer het volgende:

(pg. 39) Contact met huisarts [naam arts 3] .

In het dossier kan hij niet vinden dat er bij het contact van moeder met vervangend huisarts gesproken is over een val van de trap. Moeder is geweest voor iets voor haarzelf en vanwege langdurige verkoudheid van [slachtoffer] op 27 februari 2015. Deze afspraak is gemaakt op 23 februari 2015. Moeder had eerder een afspraak staan en wel op 18 februari 2015, maar is toen niet verschenen zonder bericht.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij [slachtoffer] een duw heeft gegeven toen zij treuzelde met eten. Door de duw kwam [slachtoffer] tegen een deurpost aan.6

De Informatiestaat SKDB-persoon7 vermeldt – kort gezegd – dat de verdachte in de periode van 31 juli 2014 tot 20 september 2016 ingeschreven stond aan de [adres] .

Overwegingen van de rechtbank

i. mishandeling?

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of sprake is van mishandeling van [slachtoffer] , de dochter van verdachte.

Bij [slachtoffer] werden op 11 maart 2015, een dag nadat zij opgenomen werd in het ziekenhuis, bij forensisch medisch onderzoek diverse letsels in haar gelaat en op haar lichaam aangetroffen. De letsels in het gelaat konden – kort gezegd – niet verklaard worden met de toedracht zoals die door de verdachte werd gegeven, namelijk een val in de douche al dan niet in combinatie met een val tegen deurpost, aldus de deskundige. Deze conclusie baseerde zij in het bijzonder op de diverse lokalisaties van de letsels en de diversiteit in aard van de letsels. Ook de onderhuidse bloeduitstortingen op de linker bil zijn volgens de deskundige op basis van de lokalisatie verdacht voor een niet-accidentele oorzaak. Ter terechtzitting heeft de deskundige overigens gepersisteerd bij de door haar in het rapport weergegeven conclusies.

De rechtbank verenigt zich met de hierboven weergegeven overwegingen en daaraan verbonden conclusies van deze deskundige over de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels, neemt deze over en maakt deze tot de hare. Aldus concludeert de rechtbank dat er bij [slachtoffer] sprake was van meer letsel dan verklaarbaar door een val in de douche al dan niet in combinatie met een val tegen een deurpost. De rechtbank merkt hierbij op dat zij geen reden heeft te twijfelen aan de gestelde val in de douche. Deze vindt immers steun in de verklaring van getuige [getuige 4] (pg. 143-148) en het door de huisartsenpost, spoedeisende hulp en kinderarts geconstateerde bloed in de neus van [slachtoffer] (pg. 73-74). De kern is juist dat er meer letsel is aangetroffen dan verklaarbaar is. Nu een andere, accidentele, oorzaak niet aannemelijk is geworden, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van toegebracht letsel in de vorm van geweld.

de rol van de verdachte?

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte diegene is geweest die dit letsel heeft toegebracht.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat het hier gaat om feiten en omstandigheden die vragen om een plausibele en verifieerbare verklaring van de verzorgende ouder over hoe en wanneer het letsel is ontstaan, dan wel ontdekt.

De verdachte heeft bij de politie (pg. 20-28) en ter terechtzitting ontkend dat zij degene is geweest die haar dochter heeft mishandeld. Ter adstructie van die verklaring heeft zij onder meer aangevoerd dat zij diverse blauwe plekken gemeld heeft bij enerzijds de (vervanger van de) huisarts en anderzijds het kinderdagverblijf. Deze verklaring van de verdachte vindt echter geen steun in het dossier. Integendeel, deze wordt juist weersproken door de hierboven weergegeven verklaring van getuige [getuige 3] en informatie van de huisarts. Deze verklaring van de verdachte schuift de rechtbank dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde.

Wat resteert is het feit dat [slachtoffer] is mishandeld en dat haar moeder – verdachte – geen plausibele en verifieerbare verklaring heeft gegeven over de toedracht daarvan. Integendeel, uit het voorgaande volgt dat zij zelfs onware verklaringen heeft gegeven over wanneer het letsel is ontdekt en wanneer en waar het zou (moeten) zijn veroorzaakt. Nu enerzijds de verklaring van de verdachte terzijde is geschoven en anderzijds de rechtbank van oordeel is dat door het ontbreken van een andere plausibele en verifieerbare verklaring van verdachte niet aannemelijk is geworden dat een ander dan de verdachte zelf, aan wie op dat moment de zorg van haar dochter was toevertrouwd, het letsel heeft of moet hebben toegebracht, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het letsel is toegebracht door de verdachte zelf. De rechtbank wordt in die overtuiging gesterkt door het feit dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat zij haar dochter heeft geduwd toen zij niet goed at.

De vraag is vervolgens wanneer de mishandeling moet hebben plaatsgevonden. Daartoe overweegt de rechtbank dat [slachtoffer] – na een afwezigheid van ruim twee weken – op donderdag 5 maart 2015 weer naar het kinderdagverblijf ging. Door het kinderdagverblijf zijn echter op dat moment geen bijzonderheden geconstateerd. Ook de huisarts (dan wel een vervanger) heeft geen letsels waargenomen vóór die tijd. De letsels zijn waargenomen op 10 maart 2015. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de letsels bij [slachtoffer] dan ook ontstaan in de periode van 5 tot en met 10 maart 2015.

Concluderend acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de mishandeling plaatsvond in de periode van 5 tot en met 10 maart 2015 en bestond uit het meermalen uitoefenen van geweld tegen het hoofd en/of lichaam.

De rechtbank overweegt hierbij nog als volgt. De diverse lokalisaties van de letsels en de diversiteit in aard van de letsels impliceren dat sprake is geweest van meerdere geweldsuitoefeningen en –mechanismen. Ter terechtzitting is echter ook gebleken dat de datering van de onderhuidse bloeduitstortingen als de puntvormige bloedingen in de huid bij kinderen niet mogelijk is. Aldus laat zulks de mogelijkheid open dat diverse letsels, naast die ten gevolge van de val in de douche en de val tegen de deurpost, (nagenoeg) gelijktijdig zijn ontstaan en sprake was van één complex van geweldsuitoefening, bestaande uit meerdere handelingen. Mede gelet op de omstandigheid dat niet concreet kan worden vastgesteld met welke handelingen en wanneer de verdachte het letsel heeft toegebracht, neemt de rechtbank laatstgenoemd scenario als uitgangspunt, namelijk dat sprake is van enkelvoudige mishandeling die bestond uit diverse geweldshandelingen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

in de periode van 5 maart 2015 tot en met 10 maart 2015 te Velden, haar kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum meisje] ) heeft mishandeld door meermalen enig geweld tegen het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer] uit te oefenen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

mishandeling, begaan tegen zijn kind

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf en/of de maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft verzocht dat de rechtbank zal volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft haar destijds 2 jarige dochter mishandeld. Kinderen behoren op te groeien in een veilige en liefdevolle omgeving. Een veilig thuis, zonder fysiek geweld, is immers de basis voor een gezonde ontwikkeling van een kind. Geweld heeft absoluut geen plek in die ontwikkeling. De rechtbank acht een taakstraf van 40 uren een gerechtvaardigd uitgangspunt voor onderhavig feit.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een schuldigverklaring van verdachte zonder het opleggen van een straf als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zoals bepleit door de verdediging, omdat daarmee de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking wordt gebracht.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdachte blijkens haar strafblad d.d. 24 januari 2018, weliswaar eerder is veroordeeld voor bedreiging met geweld, maar niet voor mishandeling. Mede gelet op hetgeen verder ter terechtzitting naar voren is gekomen, heeft de rechtbank de indruk – hoewel de daadwerkelijke achtergrond van onderhavig feit niet is gebleken – dat sprake is geweest van een incident. De verdachte is sindsdien niet meer in aanraking gekomen met politie en/of justitie en lijkt haar leven inmiddels redelijk op orde te hebben: zij is samenwonend, werkzaam en zorgend voor de kinderen van haar partner. Daarmee lijkt ook het reclasseringsadvies d.d. 16 maart 2017 enigszins achterhaald door de actualiteit. Onder deze omstandigheden is de rechtbank – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat een voorwaardelijke straf, al dan niet in combinatie met bijzondere voorwaarden, niet geïndiceerd is.

De rechtbank zal de verdachte aldus veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.L.A.M. van Doveren, voorzitter, mr. V.P. van Deventer en mr. I.C.A. Wilschut, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 maart 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 25 februari 2015 tot en met 10 maart 2015 te Velden, in de gemeente Venlo, haar kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum meisje] ) heeft mishandeld door haar, [slachtoffer] , een of meermalen met kracht op/tegen haar hoofd en/of elders op haar lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of door met het hoofd van voornoemde [slachtoffer] tegen een (hard) voorwerp te stoten/slaan, in elk geval door enig geweld op/tegen het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer] uit te oefenen.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2015055548, gesloten d.d. 26 februari 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 148.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 25 maart 2015, pg. 33-35.

3 Een geschrift, te weten een rapportage aangaande [slachtoffer] , opgemaakt door [naam arts 2] , forensische arts bij het FPKM, d.d. 13 oktober 2015, pg. 66-88.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 26 mei 2015, pg. 108-111.

5 Een geschrift, te weten “Rapportage Veilig Thuis t.b.v. aangifte politie betreffende [slachtoffer] , geboren [geboortedatum meisje] , d.d. 24 maart 2015, pg. 36-40.

6 Proces-verbaal van de terechtzitting van 16 februari 2018.

7 Een geschrift, te weten “Informatiestaat SKDB-persoon” betreffende [verdachte] d.d. 24 januari 2018.