Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:2024

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
04 6527448 CV EXPL 17-9586
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van verplichte premies aan bedrijfstakpensioenfonds. In verzet is het vonnis gedeeltelijk vernietigd in verband met een vermindering van de vordering. Voor het overige is het verstekvonnis bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/67
PR-Updates.nl PR-2018-0038
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6527448 \ CV EXPL 17-9586

Vonnis van de kantonrechter van 7 maart 2018

in de zaak van:

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting STICHTING AANVULLINGSFONDS BOUW & INFRA,
gevestigd te Harderwijk,

2. de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting STICHTING OPLEIDINGS- en ONTWIKKELINGSFONDS BOUW & INFRA ,
gevestigd te Harderwijk,

3. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE BOUWBIJVERHEID ,
gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

gedaagde partij in verzet,

gemachtigde Vesting Finance Incasso B.V..

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] BV,

gevestigd te [vestiginhsplaats gedaagde partij, eisende partij in verzet] ,

gedaagde partij,

eisende partij in verzet,

gemachtigde mr. J.J. Patelski,

Partijen zullen hierna Bouw & Infra (mannelijk enkelvoud) en [gedaagde partij, eisende partij in verzet] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het navolgende:

  • -

    het door de kantonrechter op 25 oktober 2017 tussen Bouw & Infra als eisende partij en [gedaagde partij, eisende partij in verzet] als gedaagde partij bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer 6369476 CV EXPL 17-7962

  • -

    de verzetdagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in verzet tevens akte vermindering van eis

  • -

    de conclusie van repliek in verzet.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra en Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra zijn ingesteld door cao-partijen in de bouwnijverheid. De statuten en reglementen maken deel uit van de cao BTER. Deze cao is algemeen verbindend verklaard voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 januari 2017.

Naast de cao BTER bestaat de cao voor de Bouwnijverheid. Deze cao is algemeen verbindend verklaard voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 januari 2017.

De verplichting tot het doen van premieafdrachten aan de BTER-fondsen vloeit voort bouwondernemingen voort uit artikel 15 cao BTER en de statuten en reglementen van de BTER-fondsen die zijn opgenomen in hoofdstuk 5 en 6 van de cao BTER.

2.2.

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (BPF Bouw) is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds ingevolge het bepaalde in de Wet verplichte deelneming bedrijfstakpensioenfonds 2000. De verplichting tot het doen van premieafdrachten vloeit voor bouwondernemingen voort uit de Verplichtstellingsbeschikking, welke beschikking is gebaseerd op artikel 2 Wet bpf 2000. Op grond van artikel 4 van deze wet is de werkgever die valt onder de werkingssfeer van de Verplichtstellingsbeschikking gehouden de Statuten, Reglementen en Besluiten van BPF Bouw na te leven en derhalve gehouden om haar werknemers aan te melden bij en pensioenpremie af te dragen aan BPF Bouw.

2.3.

Bouw & Infra heeft haar administratie uitbesteed aan haar administrateur (APG).

Laatstgenoemde heeft een aantal facturen aan [gedaagde partij, eisende partij in verzet] gestuurd (zie productie 2 bij inleidende dagvaarding).

2.4.

Op 4 september 2017 heeft [gedaagde partij, eisende partij in verzet] een bedrag van € 3.412,44 betaald. Met dit bedrag heeft Bouw & Infra haar vordering verminderd.

3 Het geschil

3.1.

Bouw & Infra heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde partij, eisende partij in verzet] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 19.953,93, vermeerderd met proceskosten.

3.2.

Bij verstekvonnis van 25 oktober 2017 is de vordering toegewezen, met veroordeling van [gedaagde partij, eisende partij in verzet] in de proceskosten.

3.3.

[gedaagde partij, eisende partij in verzet] vordert in het verzet dat zij zal worden ontheven van de tegen haar bij het verstekvonnis uitgesproken veroordeling en dat de vordering van Bouw & Infra alsnog wordt afgewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uit de overgelegde processtukken blijkt dat het verzet tijdig is ingesteld, zodat [gedaagde partij, eisende partij in verzet] in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

4.2.

In de inleidende dagvaarding heeft Bouw & Infra betaling gevorderd van de openstaande facturen. Na vermindering van eis bedraagt de openstaande hoofdsom € 8.589,04 (€ 36.989,49 -\- € 18.862,86 -\- € 9.537,69 -/- € 3.412,44). Dit bedrag correspondeert met de opsomming van [gedaagde partij, eisende partij in verzet] in punt 8 van de verzetdagvaarding, zodat dit tussen partijen vaststaat en aan Bouw & Infra kan worden toegewezen.

4.3.

Het verweer van [gedaagde partij, eisende partij in verzet] richt zich enkel nog tegen de gevorderde incassokosten en handelsrente. Bouw & Infra hebben terzake incassokosten betaling gevorderd van een bedrag van € 5.548,35 en de daarover verschuldigde btw ad € 1.165,08. De incassokosten zijn gebaseerd op artikel 6 lid 5 sub c van het uitvoeringsreglement en bedragen 15% van de oorspronkelijk hoofdsom ad € 36.989,49. [gedaagde partij, eisende partij in verzet] stelt zich in deze procedure op het standpunt dat hooguit een bedrag van € 1.144,89 en de btw ad € 219,43 kunnen worden toegewezen, gebaseerd op artikel 2 BIK.

4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten voortvloeit uit het toepasselijke uitvoeringsreglement. In artikel 6 lid 5 onder c staat onder meer vermeld dat de buitengerechtelijke kosten worden vastgesteld conform de staffel in het Rapport Voorwerk II voor de verschuldigde premie tot een bedrag van € 5.000,00, en op maximaal 15% van de verschuldigde premie indien de verschuldigde premie € 5.000,00 of meer bedraagt. Gelet hierop is [gedaagde partij, eisende partij in verzet] derhalve gehouden incassokosten te betalen, welke 15% van de openstaande hoofdsom bedragen. In hetgeen [gedaagde partij, eisende partij in verzet] hiertegen aanvoert, ziet de kantonrechter geen aanleiding anders te beslissen.

4.5.

Met betrekking tot de gevorderde handelsrente voert [gedaagde partij, eisende partij in verzet] aan dat er geen sprake is van een handelsovereenkomst. Bouw & Infra is daarom niet gerechtigd wettelijke handelsrente te vorderen. Zij verwijst ter zake naar een uitspraak van het Gerechtshof in Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:977). Infra & Bouw verwijst ten aanzien van de handelsrente naar het uitvoeringsreglement en naar een uitspraak van eveneens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 mei 2017 (ECLI:NL:GRARL:2017:3886).

4.6.

De kantonrechter overweegt met betrekking tot de gevorderde rente als volgt. In artikel 6 lid 5 onder b is vermeld dat de rente gevorderd kan worden over de verschuldigde premie vanaf de dag volgende op de dag dat de premie betaald had moeten zijn, waarbij de rente wordt berekend naar het percentage van de wettelijke rente als bedoeld in de artikelen 6:119a en 6:120, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek, dat geldt op de dag waarop het fonds (kantonrechter: lees Bouw & Infra ) de rente vordert. Gelet hierop heeft Bouw &Infra terecht vergoeding van de wettelijke handelsrente gevorderd. Het beroep op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden baat [gedaagde partij, eisende partij in verzet] niet, omdat in deze zaak de vordering tot betaling van de rente was gegrond op artikel 6:119 BW, terwijl in onderhavige procedure artikel 6:119a BW de grondslag vormt.

4.7.

Gelet op het vorenstaande zal aan Bouw & Infra aan hoofdsom een bedrag van € 8.589,04 worden toegewezen. De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen over de oorspronkelijke hoofdsom van € 36.989,49 vanaf de vervaldag van de facturen tot aan de dag van algehele betaling omdat ook rente is berekend over het reeds betaalde bedrag van € 3.412,44. Verder zullen de incassokosten inclusief btw worden toegewezen zoals gevorderd in de inleidende dagvaarding. Het verstekvonnis zal daarom worden vernietigd ten aanzien van rechtsoverweging 3.1. van dat vonnis en zal voor het overige in stand blijven.

4.8.

[gedaagde partij, eisende partij in verzet] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verzetprocedure worden verwezen. De kosten van het uitbrengen van de verzetdagvaarding zullen op grond van het bepaalde in art. 141 Rv voor rekening van [gedaagde partij, eisende partij in verzet] komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat [gedaagde partij, eisende partij in verzet] in eerste instantie niet is verschenen. De kosten aan de kant van Bouw & Infra worden begroot op € 300,00 als salaris voor de gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

vernietigt het door de kantonrechter op 25 oktober 2017 onder zaaknummer 6369476 CV EXPL 17-7962 gewezen verstekvonnis, voor zover [gedaagde partij, eisende partij in verzet] daarbij is veroordeeld tot betaling van € 19.953,93, vermeerderd met de vertragingsrente over € 12.001,48 vanaf 20 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening,

en opnieuw beslissend

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij, eisende partij in verzet] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Bouw & Infra te betalen een bedrag van € 15.302,47, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 36.989,49 vanaf de vervaldag van de facturen tot aan de dag van algehele betaling,

bekrachtigt het verstekvonnis voor het overige,

5.3.

veroordeelt [gedaagde partij, eisende partij in verzet] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van Bouw & Infra tot op heden begroot op € 300,00,

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

type: PL

coll: