Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:1960

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
6664745 CV EXPL18-1016
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil. Geen sprake van feitelijke of juridische misslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6664745 \ CV EXPL 18-1016

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 28 februari 2018

in de zaak van:

[eiseres] ,

wonend te wonend [adres] ,

[woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. H. Kraimi,

tegen:

de stichting

STICHTING WELLER WONEN,

gevestigd te Brunssum,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. L.P. Paffen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Weller Wonen genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    het verweerschrift en een volmacht van Weller Wonen voor haar gemachtigde Paffen

  • -

    de mondelinge behandeling op 26 februari 2018 waarbij mr. Kraimi voornoemd en [naam incassomedewerker] en [naam relatiebeheerder] , incassomedewerker respectievelijk relatiebeheerder bij Weller Wonen, bijgestaan door mr. Paffen voornoemd zijn verschenen

  • -

    het proces-verbaal van voormelde mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 12 januari 2018 heeft de kantonrechter een vonnis tussen Weller Wonen als eiseres en [eiseres] als gedaagde gewezen. Bij dit vonnis is de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en is [eiseres] veroordeeld tot het ontruimen van de gehuurde woning, tot betaling van achterstallige huurpenningen van € 2.418,08 tot en met januari 2017, de gebruikersvergoeding van € 579,11 vanaf februari 2017 tot het tijdstip van de ontruiming en de proceskosten.

2.2.

Weller Wonen heeft de ontruiming aangezegd tegen 20 februari 2018 en na onderling overleg tussen de gemachtigden van partijen is de ontruiming opgeschort in afwachting van de mondelinge behandeling van dit kort geding.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert Weller Wonen te verbieden om de woning aan het [adres] te [woonplaats] te laten ontruimen, althans zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter zal vermenen te behoren, met veroordeling van Weller Wonen in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] stelt daartoe dat de ontruiming geen doorgang kan vinden nu het te executeren vonnis een feitelijke en een juridische misslag bevat waardoor de executie van het vonnis een misbruik van recht en een noodtoestand bij [eiseres] zal opleveren.

3.3.

Weller Wonen voert verweer.

3.4.

Op de stelling van partijen zal de kantonrechter, in nodig, nader ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad,

geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. De voorzieningenrechter overweegt dat het vonnis van 12 januari 2018 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. In het thans aanhangige executiegeschil kan [eiseres] met succes inhoudelijke argumenten tegen dat vonnis aanvoeren indien dat vonnis berust op een juridische of feitelijke misslag.

Feitelijke misslag

4.1.1.

[eiseres] stelt dat de feitelijke misslag bestaat uit de veroordeling van de achterstallige huurpenningen tot en met januari 2017 terwijl de huurachterstand betrekking heeft op de periode die in/na juni 2017 is ontstaan.

4.1.2.

Weller Wonen voert hiertegen aan dat sprake is van een kennelijke verschrijving bestaande uit de in het vonnis onder 4.2 en 4.3 vermelde “januari 2017” respectievelijk “februari 2017” terwijl dat “januari 2018” respectievelijk “februari 2018” moet zijn. De executerende deurwaarder heeft bij de betekening van het vonnis al met die verschrijving rekening gehouden door de hoofdsom te berekenen tot en met januari 2018 en de te betalen huur vanaf februari 2018, aldus Weller Wonen.

4.2.

Met inachtneming van de stellingen van partijen en de inhoud van de producties constateert de voorzieningenrechter dat de feitelijke misslag zich voor eenvoudig herstel leent nu evident is dat sprake is van een kennelijke schrijffout. Dat betekent dat de vordering van [eiseres] niet op deze grond zal worden toegewezen.

Juridische misslag

4.3.

[eiseres] stelt dat de juridische misslag in r.o. 3.3. in het vonnis staat vermeld en dat in het verlengde daarvan de huurachterstand de ontbinding en ontruiming ten onrechte als gerechtvaardigd is beoordeeld. Op de dag van de dagvaarding (17 oktober 2017) was de huurachterstand nog geen drie maanden en voor de huurpenningen van juli 2017 heeft [eiseres] met Weller Wonen een betalingsregeling getroffen die op de dag van de dagvaarding nog niet opeisbaar was omdat zij die is nagekomen. Die huurpenningen zijn wel bij de beoordeling in het vonnis meegenomen. Volgens Weller Wonen zou de huurachterstand bestaan uit de maanden augustus, september en oktober 2017. De huur van oktober 2017 zou pas ná de eerste van de maand zijn betaald waardoor er op het moment van dagvaarden (19 oktober 2017) een achterstand van drie maanden bestond. Dat klopt volgens [eiseres] echter niet omdat zij op 29 september 2017, naast de lopende betalingsregeling, nog een extra betaling van € 144,77 heeft gedaan waardoor de huurachterstand op 1 oktober 2017 noch op de dag van dagvaarding geen drie maanden bedroeg. Daarbij komt dat de huurpenningen van november 2017, die bij het uitbrengen van de dagvaarding nog niet verschuldigd waren, ook al in het vonnis zijn opgenomen terwijl de gemeente sedert oktober 2017 rechtstreeks de huur aan Weller Wonen betaalt en de huurachterstand niet verder is opgelopen.

4.3.1.

Weller Wonen stelt dat de huurachterstand op de dag van de dagvaarding

€ 3.629,01 bedroeg en ruim drie maanden besloeg. [eiseres] was bij vonnis van 19 april 2017 al veroordeeld voor een huurachterstand van € 1.146,58 en heeft na dat vonnis een nieuwe huurachterstand laten ontstaan van € 2.482,43. Voor de betalingsregeling voor de maand juli 2017 waarnaar [eiseres] verwijst, is inderdaad met Weller Wonen overleg gevoerd. Voorwaarde bij die regeling was dat [eiseres] de achterstand van juli 2017 én de huurpenningen ingaande augustus 2017 voor de eerste dag van de maand zou voldoen. Nu [eiseres] sedert augustus 2017 slechts periodiek extra betalingen van € 64,35 heeft gedaan is de voorwaarde niet vervuld. Bovendien heeft Weller Wonen de door [eiseres] akkoord bevonden betalingsregeling niet retour ontvangen waardoor ook om die reden de betalingsregeling niet tot stand is gekomen c.q. is komen te vervallen. Dat de gemeente inderdaad de huurpenningen vanaf oktober 2017 rechtstreeks aan Weller Wonen betaalt, maakt niet dat het vonnis van 12 januari 2018 geen ontbinding en ontruiming rechtvaardigt, aldus Weller Wonen.

4.3.2.

Met Weller Wonen is de voorzieningenrechter van oordeel dat van een juridische misslag evenmin sprake is. Hetgeen [eiseres] ter mondelinge behandeling heeft gesteld, dat in het vonnis van 12 januari 2018 de huurachterstand van het vonnis van april 2017 niet bij de beoordeling is meegenomen en er daardoor evenmin sprake kan zijn van een huurachterstand van drie maanden, is niet relevant. Vaststaat immers dat de huurpenningen bij vooruitbetaling dienden te worden voldaan waardoor er bij dagvaarding van 19 oktober 2017 een huurachterstand (inclusief oktober 2017) van € 2.482,43 is ontstaan die ter comparitie, waarbij [eiseres] niet is verschenen, na een betaling van € 64,35 is bijgesteld naar € 2.418,08 en bij de beoordeling in het vonnis van 12 januari 2018 is meegenomen. Gelet op de hoogte van de verschuldigde huurpenningen van € 579,11 per maand volgt onomstotelijk dat beide bedragen zijn ontstaan uit een huurachterstand van op het moment van dagvaarden meer dan 3 maanden. Dat betekent dat de vordering van [eiseres] ook niet op deze grond zal worden toegewezen.

Noodsituatie

4.4.

Aangezien de ontruiming voor [eiseres] bijzonder zwaar weegt omdat zij psychiatrische patiënte is en niet kan ontruimen omdat zij thans opgenomen (Bopz) is, heeft [eiseres] , die verder niemand heeft, er belang bij dat haar woning en eigendommen na haar behandeling nog beschikbaar zijn, aldus [eiseres] .

4.4.1.

Weller Wonen voert aan dat [eiseres] bij vonnis van 19 april 2017 al is veroordeeld tot betaling van een huurachterstand die, ondanks een ter incasso van dit vonnis gelegd beslag, niet door of namens [eiseres] is betaald. [eiseres] had naar aanleiding dat en van het vonnis van 12 januari 2018 rekening moet houden met een gerechtelijke ontruiming van het gehuurde. De legitimiteit van de ontruiming vloeit voort uit de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis van 12 januari 2018. Nu daarbij komt dat [eiseres] hulpverlening geniet is geen sprake van een noodsituatie waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.4.2.

De voorzieningenrechter oordeelt dat [eiseres] haar stelling, dat er bij voortzetting van executiemaatregelen voor haar een noodsituatie zal ontstaan, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Onweersproken staat vast dat [eiseres] een zogenoemde zorgmijder is en dat zij hulpverlening geniet. Verder geldt in dit verband dat geen sprake is van na het vonnis van 12 januari 2018 aan het licht gekomen feiten. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, zijn de stellingen van [eiseres] , dat zij kennelijk niemand heeft (alleen is) en dat zij is opgenomen, onvoldoende grond om van een noodsituatie te kunnen spreken die Weller Wonen zou moeten weerhouden van verdere executie van het vonnis van 12 januari 2018.

4.5.

Al het vorenoverwogene in samenhang bezien met het enkele gegeven dat Weller Wonen een eventuele uitkomst van een (nog te entameren) hoger beroep tegen het vonnis van 12 januari 2018 niet wil afwachten en op korte termijn wil overgaan tot verdere executie van dat vonnis leidt derhalve niet tot misbruik van executiebevoegdheid. Dat betekent dat op grond van voorgaande overwegingen zowel de primaire als subsidiaire vordering van [eiseres] worden afgewezen.

4.6.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Weller Wonen worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 98,01

  • -

    griffierecht 79,00

  • -

    salaris gemachtigde 600,00

totaal € 777,01.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Weller Wonen tot op heden begroot op € 777,01.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.

YT