Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:1804

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
C/03/228116 / HA ZA 16-671
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

2. Eisers zijn bessentelers en spreken het waterschap aan omdat zij als gevolg van hevige regenval in 2014 schade hebben opgelopen door mindere oogsten. Zij verwijten het waterschap schending van de zorgplicht. De rechtbank oordeelt dat het aan eisers is om de omstandigheden van het geval te schetsen op een wijze die toetsing aan de zorgplicht mogelijk maakt. Daarbij dienen zij tot feitelijk uitgangspunt te nemen dat er schade is veroorzaakt, maar ook hoe die schade is veroorzaakt en welke maatregelen die schade hadden kunnen voorkomen. Eisers hebben daar niet aan voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/228116 / HA ZA 16-671

Vonnis van 28 februari 2018

in de zaak van

1. maatschap

MAATSCHAP [eiser sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats eiser sub 1] ,

2. maatschap

MAATSCHAP H. [eiser sub 2],

gevestigd te [vestigingsplaats eiser sub 2] ,

eisers,

advocaat mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

WATERSCHAP LIMBURG,

(als rechtsopvolger van Waterschap Peel en Maasvallei)

zetelend te Venlo,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Jacobse te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en het Waterschap genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    pleitaantekeningen van mr. Goorts en mr. Crooijmans, met productie

  • -

    pleitnotities van mr. Jacobse.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In deze procedure wordt uitgegaan van de navolgende feiten. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] telen blauwe bessen. Hun percelen bevinden zich onder meer aan de [weg perceel] te [plaats perceel] .

2.2.

Het gebied waar de percelen zich bevinden is het landbouwgebied Dorperpeel dat grenst aan het natuurgebied Mariapeel. Het gebied wordt beheerd door het Waterschap Limburg, voorheen Waterschap Peel en Maasvallei.

2.3.

In de periode van 9 tot 21 juli 2014 is er extreem veel regen gevallen waardoor in het gebied rondom de [weg perceel] wateroverlast is ontstaan. Ook de percelen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben wateroverlast ondervonden doordat percelen onder water hebben gestaan. Als gevolg daarvan is er schade ontstaan aan de bessenstruiken van [eiser sub 1] en van [eiser sub 2] .

2.4.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben het waterschap daarvoor aansprakelijk gesteld. Ter onderbouwing van hun claims hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] rapportages overgelegd van Agro Expertiseburo waarin is gerapporteerd over de schade en van ingenieursbedrijf Aveco de Bondt over de oorzaken van de wateroverlast. Laatstgenoemd bureau heeft een rapport en een aanvullend rapport opgesteld. Het aanvullend rapport vermeldt onder meer:

“3.1.1

[…]

Conclusie

Het watersysteem van de Dorperpeel is gevoeliger voor korte hevige buien dan voor

lange natte periodes. Dit blijkt ook uit het feit dat de wateroverlast is ontstaan na een extreme neerslagpiek op 11 juli, terwijl de maand juni een relatief droge maand was. De

dagen voorafgaand aan de extreme neerslag is de geringe aanwezige buffer gevuld door

een aantal flinke buien. De bui van 11 juli kwam waarschijnlijk volledig oppervlakkig tot

afstroming wat tot een overbelasting van het watersysteem heeft geleid. De

maatgevende bui is in dit geval een vijfdaagse periode geweest van 7 juli t/m 11 juli

waarin in totaal 139 mm neerslag is gevallen. De situatie met betrekking tot de

grondwaterstanden was voor deze periode niet uitzonderlijk, doordat peilgestuurde

drainage in de zomer altijd zorgt voor een relatief hoge grondwaterstand en weinig

buffercapaciteit voor het systeem. De herhalingstijd van deze gebeurtenis is daarmee

volledig toe te dichten aan de neerslag in de dagen 7 juli t/m 11 juli en bedraagt, zoals

ook in het rapport van HKV genoemd ca. eens in de 550 jaar. De driedaagse neerslagsom

kwam overeen met een bui die eens in de 650 jaar voorkomt.

3.1.2

Overstromingsnorm

De overstromingsnorm die in de NBW21 benoemd staat en van toepassing is op de watersystemen van de waterschappen focust zich op inundatienormen. Het is niet goed mogelijk een link te leggen met buivolumes/-intensiteiten en de terugkeerperiode hiervan. De norm die tijdens de toetsing in 2010 (en in 2014) gold gaat uit van een afvoer die 1 à 2 dagen per jaar wordt bereikt of wordt overschreden. Een T=1 afvoer. Deze afvoer wordt de maatgevende afvoer genoemd (MA). Watersystemen worden getoetst met verschillende scenario’s. Het watersysteem moet functioneren tijdens een MA. De knelpunten die optreden bij 1,4 MA (1x /10 jaar) en 1,6 MA (1x /25 jaar) worden geïnventariseerd om te bepalen welke maatregelen getroffen zouden worden bij overschrijding van de MA.

[…]

Om in kaart te brengen of de wateroverlast (deels) kan worden toegeschreven aan een onvoldoende gedimensioneerd watersysteem dient onderbouwd te worden of het systeem in staat is de maatgevende afvoer zonder overlast te verwerken. Wat niet geanalyseerd hoeft te worden, is of de wateroverlast die tijdens een calamiteit plaatsvond (zoals in 2014 het geval was) te voorkomen was. Het staat buiten kijf dat het watersysteem niet te dimensioneren is op zo’n extreme gebeurtenis. De vraag die rest, is of er meer gedaan had kunnen worden om de schade zoveel mogelijk te beperken. Deze vraag richt zich op het handelen tijdens de overlastperiode, maar ook op de fysieke staat waarin het watersysteem zich ten tijde van de overlast bevond.

2.5.

Het Waterschap wijst aansprakelijkheid af en legt aan zijn stellingen een rapportage ten grondslag van expertisebureau Lemkes en Velthuijs BV., die is opgesteld op verzoek van de verzekeraar van het Waterschap. Daarin is onder meer vermeld:

29. De neerslag van juli 2014 is aantoonbaar meer dan de stelseldimensionering hoeft te kunnen en het stelsel in kwestie kon verwerken. Bovendien speelt in de gegeven situatie mee dat een naburige teler water loosde zonder over de daarvoor benodigde vergunning te beschikken. In dit verband kon dus zeker gesproken worden van een onvoorziene omstandigheid. Bovendien bevestigt HKV op blz. 53 dat [het waterschap] zich bewust was van de extremiteit van de neerslaggebeurtenis. [Het waterschap] heeft daar ook naar gehandeld. Volgens HKV is vooral ingespeeld op inspectiebeelden van gebiedsbeheerders, meldingen en locale incidenten. Het waterschap deed dus alles wat verwacht mocht worden en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogelijk was.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen – samengevat – een verklaring voor recht, dat het Waterschap jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hen geleden schade, alsmede veroordeling van het Waterschap tot een schadevergoeding, op te maken bij staat, en tot betaling van kosten.

3.2.

Het Waterschap voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, althans tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] leggen aan hun vordering ten grondslag dat het Waterschap onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Het Waterschap heeft zich onvoldoende van de wettelijke taak gekweten om overstromingen en wateroverlast te voorkomen. Meer precies verwijten zij het Waterschap dat het er niet voor heeft gezorgd dat in een periode van zware neerslag het water snel genoeg van de percelen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] kon worden afgevoerd. Ter onderbouwing van dat verwijt voeren [eiser sub 1] en [eiser sub 2] verschillende omstandigheden aan. Het wateraan- en afvoersysteem voldeed niet aan de geldende normen. Het model op basis waarvan dat systeem is ontwikkeld schoot bovendien tekort, althans werd verkeerd toegepast. Er is niet adequaat gereageerd op klachten over wateroverlast. Ten eerste is er, nadat na enkele dagen het calamiteitenplan was afgeschaald, ten onrechte niet opnieuw opgeschaald. Ten tweede heeft het Waterschap de stuw Gra-1 bij café Boëms Jeu te weinig en te laat geopend, waardoor het waterpeil te hoog is gebleven en het water onvoldoende afgevoerd kon worden. Ten slotte heeft er onvoldoende maaionderhoud plaatsgevonden in het gebied.

4.2.

Het Waterschap heeft de stellingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gemotiveerd betwist en aangevoerd dat in de betreffende periode sprake was van een extreme situatie die de stelselcapaciteit, zowel in werkelijkheid als volgens de normen van de watergangen, ruimschoots oversteeg. Verder voert het Waterschap aan dat het watersysteem voldeed en nog steeds voldoet aan de normen voor wateroverlast en dat de watergangen conform beleid gemaaid zijn. Het Waterschap is van mening adequaat gehandeld te hebben. Verder betwist het Waterschap het vereiste causale verband tussen het onrechtmatig handelen en de geleden schade. Ook de hoogte van de gevorderde schade wordt betwist.

4.3.

De rechtbank dient in deze procedure de vraag te beantwoorden of het Waterschap onrechtmatig heeft gehandeld door de op het Waterschap rustende zorgplicht niet na te leven. In dit verband is een aantal in de jurisprudentie ontwikkelde maatstaven van belang. Overeenkomstig die maatstaven stelt de rechtbank het volgende voorop.

4.4.

Een waterschap hoeft het uitblijven van overstromingen niet te garanderen op grond van het enkele feit dat een bepaald water in onderhoud is bij dat waterschap. Hoe ver de onderhoudsplicht van een waterschap gaat ter vermijding van het onder water lopen van laag gelegen gronden door verstopping van de waterwegen, hangt van verschillende factoren af. Bij het uitoefenen van zijn onderhoudsplicht kan aan het waterschap een zekere beleidsvrijheid niet worden ontzegd (Hoge Raad 9 oktober 1981, Bargerbeek, ECLI:NL:HR:1981:AG4240). Anders dan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] menen, biedt deze norm voor de algemene zorgplicht voldoende ruimte om te verdisconteren dat de technische middelen waarvan een waterschap zich kan bedienen inmiddels sterk zijn veranderd.

4.5.

In een latere uitspraak is de toepasselijke norm in het geval specifieke schade dreigt als volgt geformuleerd: van een waterschap mag worden verlangd dat, wanneer een klacht binnenkomt over het waterpeil, een waterschap daarop adequaat reageert door naar aanleiding van die klacht een onderzoek in te stellen en zo nodig, afhankelijk van de uitkomst daarvan, de noodzakelijke en mogelijke maatregelen te treffen. Ook in dat geval komt het waterschap een zekere beleidsvrijheid toe om te bepalen hoe het waterschap aan de zorgplicht voldoet (Hoge Raad 9 januari 1999, (West-Friesland) ECLI:NL:HR:1999, ZC2813).

4.6.

Een waterschap hoeft verder niet steeds uit eigen beweging te onderzoeken of een ingeland last heeft van te hoge of te lage waterstanden en op basis daarvan reeds maatregelen te nemen vooruitlopend op een aangekondigde weersomstandigheid. Een waterschap heeft een zekere beleidsvrijheid, maar die beleidsvrijheid gaat niet zo ver dat het optreden van een waterschap slechts marginaal zou kunnen worden getoetst (Hoge Raad 9 november 2001 (Rijnstromen), ECLI:NL:HR:2001:AD5302).

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat getoetst dient te worden of het waterschap bij de uitvoering van de taken van het waterschap beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven. Bij die toetsing worden de concrete omstandigheden van het geval en de verschillende bij het beleid van het waterschap betrokken belangen en zijn beperkte middelen betrokken. Deze toets op zorgvuldigheid dient vol plaats te vinden. Op het waterschap rust echter geen resultaats- maar een inspanningsverplichting.

4.8.

De rechtbank stelt bij de verdere beoordeling voorop dat het aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is om de omstandigheden van het geval te schetsen op een wijze die de hiervoor beschreven toetsing mogelijk maakt. Daarbij dienen zij tot feitelijk uitgangspunt te nemen dat er schade is veroorzaakt, maar ook hoe die schade is veroorzaakt en welke maatregelen die schade hadden kunnen voorkomen.

4.9.

Vast staat, dat er over de periode van 11 tot en met 21 juli 2012 sprake geweest van zoveel neerslag dat het watersysteem hier niet tegen bestand is geweest zodat het water niet snel genoeg kon worden afgevoerd en er in het gebied Dorperpeel overstromingen en andere vormen van wateroverlast optraden. Het Waterschap heeft zich op het standpunt gesteld dat het systeem daar ook niet tegen bestand hoefde te zijn. Volgens het Waterschap was de hoeveelheid water die het systeem diende te verwerken groter dan waar het systeem volgens de norm T=25 op berekend diende te zijn, waarbij het overigens primair betwist dat deze norm al in 2014 gold. De onder 2.4 en 2.5 geciteerde rapportages van Aveco de Bondt en van Lemkes en Velthuijs onderbouwen de stelling van het Waterschap dat er sprake was van een normoverschrijdende hoeveelheid water, namelijk een calamiteit waar het systeem niet op berekend hoefde te zijn ook wanneer met de T=25 norm wordt gerekend. Zo vermeldt Aveco de Bondt: “Het staat buiten kijf dat het watersysteem niet te dimensioneren is op zo’n extreme gebeurtenis”. De rechtbank concludeert hieruit dat wateroverlast, met mogelijk schade tot gevolg, onvermijdelijk was.

4.10.

Daar er sprake is van een extreme neerslaghoeveelheid die de normatieve stelselcapaciteit te boven gaat, is het mogelijk dat de gestelde schade ook (deels) zou zijn opgetreden als het Waterschap niet nalatig is geweest. Omgekeerd volgt, dat voor het vaststellen van aansprakelijkheid van het Waterschap onvoldoende is dat mogelijke schendingen van de zorgplicht door het Waterschap vast zouden komen te staan. Anders gezegd, ook wanneer vast staat dat het Waterschap onvoldoende adequaat heeft gereageerd, is daarmee niet gezegd dat de schade is veroorzaakt als gevolg daarvan. Mogelijk was die immers reeds opgetreden als gevolg van de feitelijk tekortschietende stelselcapaciteit, die op zichzelf niet verwijtbaar is.

4.11.

Uit het voorgaande vloeit voort dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet hebben voldaan aan hun stelplicht. Zij hebben immers niet feitelijk en concreet uiteen gezet op welke wijze en in welke mate de wateroverlast als gevolg van nalatigheid van het Waterschap tot schade heeft geleid. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen die zien op twee samenhangende onderdelen van de stelplicht.

4.12.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben in de eerste plaats te weinig aanknopingspunten gegeven over wat de feitelijk opgetreden schade aan de struiken precies inhoudt. Zij laten in het midden waar de schade is opgetreden op hun percelen en na welke periode van neerslag schade is opgetreden of heeft kunnen optreden. Onduidelijk blijft welke neerslagperiode tot schadelijke gevolgen heeft geleid en op welke wijze de wateroverlast als gevolg van die neerslag zich heeft gemanifesteerd, met schade tot gevolg. In de dagvaarding vermelden eisers dat het water vijf dagen ‘op de percelen’ of ‘boven het maaiveld’ heeft gestaan. Zij vermelden echter tevens dat het water in juli 2014 ‘anderhalf tot twee weken’ op de percelen is blijven staan. Bij repliek vermelden zij dat er na de neerslag van 9 en 10 juli van 11 tot 21 juli ‘wateroverlast’ is geweest ‘over een groot deel van het stroomgebied’, maar dit is niet toegespitst op de percelen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Onduidelijk blijft voorts of de wateroverlast op de percelen op enig moment is veroorzaakt doordat de waterlopen overstroomden met water afkomstig van hoger gelegen percelen of doordat de op het perceel gevallen neerslag niet snel genoeg weg kon stromen naar de waterlopen, of beide, en of en zo ja in welke mate de beperkte doordringbaarheid van de percelen daarbij een rol heeft gespeeld. Zo zijn bijvoorbeeld op enig moment de waterlopen kennelijk weer zover gezakt dat de percelen daarop weer konden afwateren. Wanneer dit het geval is geweest en wat dit eerder heeft verhinderd, blijft onduidelijk. Doordat onvoldoende concreet wordt gemaakt wat er precies is gebeurd op de percelen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , blijft eveneens onvoldoende concreet waardoor de schade is opgetreden en hoe deze voorkomen had moeten worden.

4.13.

Nog steeds aangaande de wijze waarop de schade is opgetreden, heeft de rechtbank evenmin aan de stellingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] kunnen ontlenen op welke wijze het overlastgevende water schade aan de struiken en daarmee aan de opbrengsten van de grond heeft veroorzaakt. Dat is niet vanzelfsprekend, omdat de schade kan zijn veroorzaakt door het onder water staan van de akker voor een duur langer dan een bepaald aantal dagen of meer precies door het onder water staan van de wortels, of door de gevolgen van wateroverlast op de kwaliteit van de teeltaarde of anderszins. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gaan evenmin voldoende concreet in op de aard van de schade die aan hun gewassen is opgetreden. De enkele verwijzing naar de expertise door Agro volstaat daarvoor niet en evenmin volstaat het om andere producties in te dienen waaruit mogelijkerwijze valt af te leiden wat de schade heeft veroorzaakt, indien een precieze verwijzing daarnaar in de processtukken ontbreekt. Wat precies schade heeft veroorzaakt aan de gewassen, is wel van belang voor een oordeel over de vraag hoe de schade voorkomen of beperkt had kunnen worden. De enkele, herhaalde stelling dat de schade is opgetreden door wateroverlast (in het gebied) en dat de maatregelen die het Waterschap had kunnen nemen, zouden hebben geleid tot minder wateroverlast, is niet voldoende, want door zijn algemeenheid niet of nauwelijks controleerbaar.

4.14.

In de tweede plaats hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] onvoldoende geconcretiseerd welke maatregelen het Waterschap had kunnen en moeten treffen en vooral wat daarvan het effect op de schade zou zijn geweest. Zo had mogelijk het eerder openen van alle stuwen ertoe geleid dat er minder wateroverlast in het gebied was opgetreden. Maar daarmee is nog niet gezegd wat het effect hiervan zou zijn geweest op de percelen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , laat staan dat daarmee dan vast komt te staan dat de schade geheel of gedeeltelijk zou zijn voorkomen.

4.15.

Ter verduidelijking van de overweging in 4.14 wijst de rechtbank op de stelling dat het eerder openen van stuw Gra-1 onder café Boëms Jeu ertoe zou hebben geleid dat het gebied eerder leeggestroomd zou zijn. Dat is uitvoerig betoogd, maar die stelling is niet gekoppeld aan het gedrag van het water op de percelen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , anders dan dat het ‘effect’ zou hebben gehad op die percelen (ondanks het feit dat de percelen twee kilometer bovenstrooms van de stuw liggen en er nog een stuw tussen zit). Het is voor de rechtbank niet duidelijk voor welke percelen precies, na hoeveel tijd en op welke manier, het verder openzetten van de stuw Gra-1 na 11 juli 2014 zou hebben geleid tot minder wateroverlast op de percelen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , laat staan dat de rechtbank kan beoordelen of en zo ja op welke wijze en in welke mate dat dan de schade zou hebben voorkomen of beperkt. De stellingen laten hierover te veel ongewis. Zo wordt niet uitgewerkt waardoor het water in de dagen voorafgaand aan 18 juli 2014 niet van de velden is weggelopen, ondanks het feit dat deze stuw toen wel (gedeeltelijk) open stond. Dat is wel een vraag, omdat de stelling is dat ‘het water’ – maar er is niet gesteld in welke mate dit gold voor de percelen van eisers – binnen 36 uur na het openen van Gra-1 op 21 juli 2014 was weggestroomd, waarbij ergens (maar onduidelijk blijft waar) een niveauverschil zou zijn opgetreden van 65 cm, althans ‘meer dan 60 centimeter’, terwijl in de periode van 11 tot 18 juli 2014 dat effect kennelijk niet was opgetreden.

4.16.

Samenvattend hadden de stellingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] concreet dienen in te houden welke oorzaak van wateroverlast op welke wijze tot de schade heeft geleid, welke maatregelen het Waterschap heeft nagelaten te treffen en tot welke beperking van de schade die maatregelen zouden hebben geleid, wanneer zij waren genomen.

4.17.

Doordat de stellingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hier niet aan voldoen, hebben zij niet voldaan aan hun stelplicht en was een gericht verweer van het Waterschap over het al dan niet kunnen nemen van concrete maatregelen niet mogelijk. Dat moet voor rekening blijven van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . De rechtbank zal de vorderingen dan ook afwijzen.

4.18.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Waterschap worden begroot op:

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 1.808,00 (4,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.426,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van het Waterschap tot op heden begroot op € 2.426,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de zevende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Verkijk, mr. R. Kluin en mr. D.D. Kock en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2018.1

1 type: RV coll: