Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:1671

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
6391943 CV EXPL 17-8229
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kan voor de terugbetaling van de borg worden verwezen naar de opvolgend verhuurder? Nee, aan de huurovereenkomst tussen partijen is een einde gekomen en met de nieuwe verhuurder is een nieuwe huurovereenkomst gesloten. De gestelde borg is door de voormalige verhuurder erkend en dient door deze aan de huurder te worden terugbetaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6391943 \ CV EXPL 17-8229

Vonnis van de kantonrechter van 21 februari 2018

in de zaak van:

[eisende partij] ,

domicilie hebbende te [woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

verder te noemen [eisende partij] ,

gemachtigde mr. M.J. Gommans,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde partij] ,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij huurovereenkomst van 26 juni 2015 heeft [eisende partij] van [gedaagde partij] gehuurd twee kamers (tweede verdieping) in de woning/het pand aan de [adres twee verhuurde kamers] te [plaatsnaam twee verhuurde kamers] .

2.2.

[gedaagde partij] huurde de betreffende twee kamers (als onderdeel van een groter geheel) zelf van de eigenaar van het pand, [X] .

2.3.

Bij aanvang van de huur heeft [eisende partij] , conform artikel 3 van de huurovereenkomst, een borgsom ter grootte van € 900,00 (2 x de maandhuur) aan [gedaagde partij] betaald.

2.4.

Onder artikel 1 lid 4 van de huurovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat [eisende partij] de gehuurde kamers dient te verlaten bij einde huurovereenkomst eigenaar en [gedaagde partij] .

2.5.

Medio augustus 2015 is de huurrelatie tussen de eigenaar en [gedaagde partij] geëindigd.

2.6.

Op 22 september 2015 heeft [eisende partij] met de eigenaar van het pand een gebruiksovereenkomst voor de bewuste twee kamers gesloten.

2.7.

De door [eisende partij] betaalde borgsom is door gedaagde niet aan [eisende partij] terugbetaald, noch is dit bedrag (door)betaald aan de eigenaar van het pand.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 1.088,96, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Aan haar vordering legt [eisende partij] ten grondslag de door [gedaagde partij] nog niet terugbetaalde borg, bij einde huurovereenkomst.

3.3.

[gedaagde partij] voert verweer en stelt zich op het standpunt dat [eisende partij] niet akkoord is gegaan met een crediteurenregeling en zij bovendien met de eigenaar van het gehuurde de huurovereenkomst heeft voortgezet. [eisende partij] dient zich tot de huidige verhuurder te wenden, aldus [gedaagde partij] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vast staat dat [eisende partij] aan [gedaagde partij] een borgsom heeft betaald. Eveneens kan worden vastgesteld, voor zover dit niet reeds vast staat, dat de huurovereenkomst tussen partijen is geëindigd door de beëindiging van de (hoofd)huurovereenkomst tussen [gedaagde partij] en de eigenaar van het gehuurde. Gesteld noch gebleken is dat het gehuurde aan het einde van de huurovereenkomst gebreken vertoonde, die voor rekening van [eisende partij] komen en waarmee de borg eventueel verrekend zou kunnen worden.

4.2.

Uit de door [gedaagde partij] overgelegde e-mail van 6 oktober 2015 van (namens) [gedaagde partij] aan [eisende partij] , kan niet anders dan afgeleid worden dat [gedaagde partij] de verschuldigdheid van de borg aan [eisende partij] erkent. [gedaagde partij] biedt aan om de wasmachine en droger in het gehuurde te laten staan voor een korting op de terug te betalen borg. [eisende partij] gaat met het gedane aanbod niet akkoord. [gedaagde partij] is dan ook gehouden de gehele borgsom aan [eisende partij] terug te betalen.

4.3.

In het in de e-mail van 6 oktober 2015 aan [eisende partij] gedane voorstel, ziet de kantonrechter geen voorstel in het kader van een crediteurenregeling. Op geen enkel wijze is hiervan melding gemaakt, noch is aan [eisende partij] kenbaar gemaakt dat [gedaagde partij] niet de gehele borgsom aan [eisende partij] zou kunnen terugbetalen (wegens financiële redenen/dreigend faillissement). [gedaagde partij] biedt aan [eisende partij] eigenlijk enkel een wasmachine en droger aan voor de prijs van € 300,00, waarna (terug)betaling van het restant van € 600,00 zou moeten plaatsvinden. Aldus de volledige som van € 900,00. Bovendien is een schuldeiser nimmer verplicht om akkoord te gaan met een (buitengerechtelijke) crediteurenregeling.

4.4.

Het verweer dat [eisende partij] zich tot de nieuwe verhuurder dient te wenden wordt verworpen. De huurovereenkomst tussen partij is geëindigd en tussen die partijen dient afgerekend te worden. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] hiervoor met de eigenaar van het gehuurde afspraken heeft gemaakt en als onweersproken staat vast dat [gedaagde partij] de borg niet aan de opvolgend verhuurder heeft doorbetaald.

4.5.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde partij] toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.6.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de vordering van [eisende partij] aan haar dient te worden toegewezen. De gevorderde rente over de rentepost zal worden afgewezen nu in deze rentepost ook rente van het lopende jaar is opgenomen.

4.7.

[eisende partij] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

De kantonrechter stelt vast dat [eisende partij] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.8.

[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 98,91

  • -

    griffierecht 223,00

  • -

    salaris gemachtigde 200,00 ( 2 x tarief € 100,00)

totaal € 521,91

4.9.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 1.088,96, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.063,35 vanaf 19 juli 2017 tot aan de voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] gevallen en tot op heden begroot op € 521,91,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: ksf

coll: