Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:1638

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
6003371 \ CV EXPL 17-4283
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heeft ABP een (verzwaarde) informatieplicht of zorgplicht met betrekking tot de uitruilmogelijkheid van een deel van het ouderdomspensioen in nabestaandenpensioen voor de partner na einde van het dienstverband en overlijden van de gewezen deelnemer voordat deze de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt?

De enkele stelling van de partner dat hij de (V)UPO’s niet in de administratie van de overleden deelnemer heeft aangetroffen leidt niet tot de gevolgtrekking dat zij die documenten niet heeft ontvangen.

De informatie die ABP verstrekt heeft in de (V)UPO’s is in overeenstemming met art. 7.15 PR.

Op ABP rust geen verzwaarde informatieplicht of zorgplicht, zij hoeft voor einde van de beslistermijn geen rappel te sturen naar de gewezen deelnemer.

Ernstige ziekte van de gewezen deelnemer ten tijde van de beslistermijn is een omstandigheid in haar risicosfeer, is niet aan te merken als een bijzonder geval en leidt niet tot een onredelijke uitkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6003371 \ CV EXPL 17-4283

Vonnis van de kantonrechter van 21 februari 2018

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. L. Hellinga,

tegen:

de stichting STICHTING PENSIOENFONDS ABP,

gevestigd te Heerlen,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. E. Lutjens.

Partijen worden hierna [eiser] en ABP genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding met twaalf producties

  • -

    de conclusie van antwoord met zes producties

  • -

    de rolbeslissing waarbij een comparitie na antwoord is gelast

  • -

    de aantekeningen voorgelezen door mr. Hellinga op de comparitie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 december 2017

  • -

    de brief van mr. Hellinga van 9 januari 2018 met commentaar op het proces-verbaal

  • -

    de brief van mr. Lutjens van 31 januari 2018 met commentaar op het proces-verbaal en het commentaar van mr. Hellinga in haar brief van 9 januari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Mevrouw [naam echtgenote] (hierna: [naam echtgenote] ), de partner van [eiser] , is van 1 september 2011 tot 1 augustus 2014 in dienst geweest van de stichting Stichting ZAAM (hierna: ZAAM), een onderwijsinstelling in Amsterdam. In die periode bouwde zij pensioen op bij ABP.

2.2.

Begin 2014 was al bekend dat het dienstverband van [naam echtgenote] bij ZAAM niet kon worden verlengd en uiterlijk per 1 september 2014 zou worden beëindigd.

2.3.

Op 23 april 2014 werd bij [naam echtgenote] uitgezaaide kanker vastgesteld in haar buik. Kort daarna werd gestart met een chemokuur.

2.4.

[eiser] en [naam echtgenote] zijn op 5 juli 2014 gehuwd, maar zij zijn geen gemeenschappelijke huishouding gaan voeren. [eiser] behield zijn woning in [woonplaats 1] , [naam echtgenote] behield haar woning in [woonplaats 2] .

2.5.

[naam echtgenote] trad op 1 augustus 2014 uit dienst van ZAAM. Op dat moment eindigde haar pensioenopbouw bij ABP.

2.6.

Begin november 2014 werd duidelijk dat [naam echtgenote] ongeneeslijk ziek was en op korte termijn zou komen te overlijden.

2.7.

[naam echtgenote] is op [overlijdensdatum] overleden.

2.8.

Op 17 juni 2015 ontving [eiser] een brief van ABP met de mededeling dat hij niet in aanmerking kwam voor een ABP nabestaandenpensioen met daarbij de volgende toelichting:

“Als een gewezen deelnemer komt te overlijden vóór het bereiken van de 65jarige leeftijd, heeft de partner alleen recht op het nabestaandenpensioen dat is opgebouwd over de diensttijd gelegen vóór 1 juli 1999. Bij uw partner is enkel sprake van opgebouwde diensttijd van 1 september 2011 tot 1 augustus 2014. Dit betekent dat u niet in aanmerking komt voor ABP nabestaandenpensioen.”

Navraag leerde dat ABP bij brief van 3 november 2014 [naam echtgenote] geïnformeerd zou hebben dat zij voor 15 december 2014 door het indienen van een ingevuld aanvraagformulier bij ABP kenbaar had moeten maken dat zij een deel van haar keuzepensioen wilde bestemmen voor het nabestaandenpensioen als zij wenste dat [eiser] na haar overlijden een nabestaandenpensioen zou ontvangen.

2.9.

[eiser] heeft bij brief van 10 juli 2015 van zijn rechtsbijstandsverzekeraar ARAG bezwaar gemaakt tegen de weigering om hem een nabestaandenpensioen toe te kennen. Hij stelt dat hij pas eind juni 2015 kennis heeft genomen van de brief van ABP van 3 november 2014, dat [naam echtgenote] deze brief niet heeft gezien (wellicht was die niet eerder bij haar bezorgd) of destijds niet op deze brief heeft kunnen reageren omdat zij in die periode ernstig ziek was en in het ziekenhuis verbleef. Als zij wel kennis had genomen van die brief had zij zeker van de keuzemogelijkheid gebruik gemaakt omdat zij destijds aan [eiser] had aangegeven dat zij ervan overtuigd was dat na haar dood het nabestaandenpensioen van hem prima was geregeld. Gelet op haar persoonlijke omstandigheden kan het [naam echtgenote] niet worden aangerekend dat zij niet tijdig op de keuzemogelijkheid van 3 november 2014 heeft gereageerd. ARAG verzoekt ABP om haar standpunt te herzien en [eiser] alsnog een nabestaandenpensioen toe te kennen vanaf [overlijdensdatum] , zonodig onder toepassing van de hardheidsclausule.

2.10.

Stichting APG Algemene Pensioen Groep N.V. (hierna: APG) heeft bij brief van 19 augustus 2015 gericht aan ARAG meegedeeld dat het bezwaar van [eiser] ongegrond is verklaard omdat: “Uit de aanwezige gegevens blijkt dat mevrouw [naam echtgenote] via het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) einde deelneming van 3 november 2014 is gewezen op de mogelijkheid om een deel van haar ouderdomspensioen (ABP KeuzePensioen) om te zetten in een partnerpensioen (ABP NabestaandenPensioen). Haar keuze daarvoor kon zij tot 15 december 2014 aan ABP kenbaar te maken. Dat heeft zij echter niet gedaan.

Het vorenstaande betekent dat ook op grond van artikel 8.2, derde lid, van het PR geen recht op een partnerpensioen bestaat.

Op basis van artikel 18.2 van het Pensioenreglement kan ABP in bijzondere gevallen waarbij de toepassing van dit reglement tot een onredelijke uitkomst leidt ten gunste van een betrokkene een beslissing nemen die met de strekking van het PR overeenkomt.

Wij zijn van mening dat dit niet aan de orde is. De echtgenote van uw cliënt is via genoemd UPO gewezen op de mogelijkheid een deel van haar ouderdomspensioen te bestemmen voor een aanspraak op partnerpensioen. Door gebruik te maken van dat aanbod had de vervelende situatie die nu ontstaan is, voorkomen kunnen worden. Door geen gebruik te maken van die mogelijkheid die het PR biedt blijft weliswaar sprake van een vervelende uitkomst, maar wel van een uitkomst die overeenkomt met de strekking van het reglement. De feiten en omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de echtgenote van uw cliënt geen gebruik heeft gemaakt van meergenoemde omzetting van het ouderdomspensioen in partnerpensioen, kunnen daar helaas geen verandering in brengen.

ABP vindt het bijzonder spijtig dat aan uw cliënt geen partnerpensioen kan worden toegekend, maar wij hopen dat hij er begrip voor heeft dat niet mag worden afgeweken van de geldende regelgeving.

2.11.

[eiser] heeft bij brief van zijn gemachtigde van 23 september 2015 beroep ingesteld tegen voormelde beslissing van APG. De commissie van beroep heeft op 12 oktober 2016 het bestreden besluit bevestigd. Zij overweegt als volgt (witregels zijn weggelaten, kantonrechter):

“Niet in discussie is dat APG de bepalingen van het PR op een juiste wijze heeft toegepast. Het PR gaat ervan uit dat deelnemers op onderdelen hun eigen keuzes kunnen maken over de aanwending van hun pensioenaanspraken. Tot 1 juli 1999 werden alle voorwaardelijke aanspraken op partnerpensioen op grond van het PR gefinancierd op basis van kapitaaldekking. Ingaande 1 juli 1999 is de systematiek ingrijpend gewijzigd. Het partnerpensioen bij overlijden vóór 65 jaar, inmiddels vóór 67 jaar, is toen opgezet als een risicoverzekering gefinancierd op basis van rentedekking. Er vindt dan ook geen tijdsevenredige opbouw plaats, maar de lasten ingeval van overlijden worden ineens en volledig gefinancierd. Voor wat betreft het overlijden op of na het bereiken van de leeftijd van 67 jaar wordt de aanspraak daarentegen op dezelfde wijze als bij het ouderdomspensioen nog steeds tijdsevenredig opgebouwd en gefinancierd op basis van kapitaaldekking.

Indien de deelnemer voor het bereiken van de leeftijd van 67 jaar zijn deelneming in de pensioenregeling heeft beëindigd en vervolgens voor het bereiken van die leeftijd komt te overlijden, heeft de partner geen aanspraak op partnerpensioen, tenzij die deelnemer bij einde deelneming zijn vanaf 1 juli 1999 opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen gedeeltelijk heeft omgezet in aanspraken op partnerpensioen bij overlijden vóór 67 jaar. APG biedt de vertrekkende deelnemer die keuze met het Uniform Pensioenoverzicht Einde Deelneming. In de brief van 3 november 2014 is die keuze aan uw echtgenote voorgelegd. Zij heeft daar niet op gereageerd en APG heeft daaruit opgemaakt dat zij niet heeft gekozen voor het omruilen van aanspraken. Het is de commissie niet gebleken dat ABP tekort is geschoten in haar informatieverplichting of anderszins nalatig is geweest.

Het betoog van uw gemachtigde dat mevrouw [naam echtgenote] het pensioenoverzicht bij einde deelneming van 3 november 2014 niet heeft ontvangen en dat ook de overige pensioenoverzichten niet in haar administratie zijn aangetroffen en zij daarom geacht moet worden niet te zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot uitruil van haar ouderdomspensioen naar partnerpensioen, kan de commissie niet volgen. Door APG is uiteengezet dat de pensioenoverzichten zijn verzonden naar het woonadres ingevolge het GBA, zoals dat bij ABP bekend is. Hierbij is niet gebleken dat de stukken naar een ander adres zijn verzonden of onbesteld retour zijn gekomen. De commissie heeft dan ook geen reden om aan te nemen dat mevrouw [naam echtgenote] de pensioenoverzichten niet zou hebben ontvangen. Het is onder die omstandigheden niet redelijk om van ABP te eisen dat zij de stukken (dan maar) aangetekend had moeten verzenden. Daarbij moet ook niet uit het oog worden verloren dat rechten worden ontleend aan het PR. Dat geldt ook voor de plichten die voortvloeien uit het PR. ABP heeft daar terecht ook op gewezen. Uit het PR vloeien niet alleen rechten voort maar ook verplichtingen o.a. om gebruik te kunnen maken van rechten. ABP kan gehouden worden tot een correcte uitvoering als het gaat om het toekennen van rechten, maar dat geldt natuurlijk ook omgekeerd. En ook in andere, eerdere pensioenoverzichten worden melding gemaakt van uitruil/omzetting Dat die overzichten niet zijn aangetroffen in de administratie van mevrouw [naam echtgenote] is geen bewijs dat ook die overzichten niet zouden zijn ontvangen.

Er bestaat geen twijfel over de bedoeling van de regelgevers van het PR om in dit soort gevallen alleen dan aanspraken op partnerpensioen toe te kennen als daarvoor een duidelijke keuze is gemaakt. Dat wil niet zeggen dat nimmer afwijkingen mogelijk zouden zijn. De commissie heeft uitdrukkelijk oog gehad voor eventuele bijzondere omstandigheden die een afwijking van de regelgeving zouden kunnen rechtvaardigen. (…)De commissie heeft die omstandigheden echter niet aanwezig geacht, in elk geval geen omstandigheden van een zodanig gewicht dat afwijking van regelgeving gerechtvaardigd kan worden geacht.

De commissie wil wel van u aannemen dat de gezondheidstoestand van uw echtgenote in de periode voorafgaand aan haar overlijden al in ernstige mate was verslechterd. De commissie heeft echter niet kunnen vaststellen dat uw echtgenote vanaf einde deelneming op geen enkel moment meer in staat was haar belangen te behartigen en tevens, ware zij daar wel toe in staat geweest, met grote waarschijnlijkheid zou hebben gekozen voor omzetting. Uit het feit dat mevrouw [naam echtgenote] in juli 2014 nog gehuwd is en bovendien daarna nog een nieuwe dienstbetrekking is aangegaan, leidt de commissie af mevrouw [naam echtgenote] wel degelijk in staat was keuzes te maken en dat er ook tijd is geweest om orde op zaken te stellen. Dat dat niet op alle momenten het geval zal zijn geweest, bijvoorbeeld bij een ziekenhuisopname, wil niet zeggen dat er geen enkel moment is geweest om haar belangen te behartigen of te laten behartigen. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – veroordeling van ABP tot betaling aan hem van:

I. het ABP nabestaandenpensioen vanaf [overlijdensdatum] van € 1.133,-- bruto per jaar tot het overlijden van [eiser] , te vermeerderen met indexatie;

II. de compensatie sociale premies van € 85,-- per jaar tot uiterlijk de 65e verjaardag van [eiser] , te vermeerden met indexatie;

III. de wettelijke rente over het onder 1 en 2 gevorderde vanaf het opeisbaar worden van de bedragen tot de dag der algehele voldoening;

IV. de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten.

3.2.

[eiser] onderbouwt zijn vorderingen als volgt.

3.2.1.

Hij stelt primair dat ABP haar zorg- en/of informatieplicht voortvloeiend uit art. 39 Pensioenwet (hierna: PW) en art. 2.7 lid 6 van het pensioenreglement (hierna: PR) heeft geschonden en daarom schadeplichtig is jegens [eiser] . [naam echtgenote] heeft de brief van 3 november 2014 nooit ontvangen. Indien dat wel was gebeurd had zij zeker de keuze gemaakt haar keuzepensioen deels aan te wenden voor een nabestaandenpensioen voor [eiser] .

[eiser] heeft de voor 3 november 2014 verzonden uitgebreide pensioenoverzichten (hierna: UPO’s) ook niet in de administratie van [naam echtgenote] aangetroffen, enkel de jaarlijkse brieven van het ABP. Bovendien was [naam echtgenote] bij het laatste UPO van 24 mei 2014 nog niet met [eiser] gehuwd en dus was een uitruil toen niet aan de orde. Omdat er voor 15 december 2014 een keuze moest worden gemaakt ten gunste van een nabestaandenpensioen om daarvoor na beëindiging van de pensioenopbouw in aanmerking te komen, geldt een verzwaarde informatieplicht, aldus [eiser] . ABP had de brief van 3 november 2014 aangetekend moeten verzenden want het was een eenmalig aanbod met een vervaltermijn, althans had zij - gelet op het belang van het eenmalige aanbod - [naam echtgenote] voor 15 december 2014 moeten rappelleren. ABP heeft er onvoldoende op toegezien dat deze belangrijke informatie [naam echtgenote] bereikte. ABP is verplicht de schade die [eiser] lijdt door dit tekortschieten in de informatieplicht te vergoeden.

Op grond van art. 3:37 BW rust op ABP de bewijslast dat [naam echtgenote] de brieven en pensioenoverzichten van ABP heeft ontvangen. ABP verschuilt zich te gemakkelijk achter de in art. 143 PW bedoelde beheerste bedrijfsvoering.

Daar komt nog bij dat de informatie omtrent het nabestaandenpensioen na einde deelneming niet eenvoudig op de website van ABP te vinden is. Daar had het eenmalig aanbod met vervaltermijn expliciet moeten worden vermeld.

3.2.2.

[eiser] stelt subsidiair dat het nabestaandenpensioen hem alsnog dient te worden toegekend op grond van de anti-hardheidsbepalingen in het pensioenreglement:

“ 18.2 De toepassing van dit reglement kan in bijzondere gevallen tot een onredelijke uitkomst leiden. ABP kan dan ten gunste van de betrokkene een beslissing nemen die met de strekking van dit reglement overeenkomt.

18.3

ABP beslist in de gevallen waarin dit reglement niet voorziet”.

[eiser] stelt dat zijn echtgenote begin november ernstig ziek was en te horen had gekregen dat zij binnen enkele maanden zou komen te overlijden juist in de periode dat zij de keuze voor de uitruil had kunnen maken. Zij had het ook mentaal erg zwaar en moest antidepressiva gaan slikken. Deze gezondheidstoestand had ook grote invloed op zaken waar [naam echtgenote] en haar man zich mee bezig moesten houden. Vanaf begin november had [naam echtgenote] geen belang meer bij haar ouderdomspensioen en er dient dan ook te worden aangenomen dat, als zij op de hoogte was geweest van het feit dat zij een keuze moest maken om ervoor te zorgen dat [eiser] een nabestaandenpensioen toekwam en zij daartoe fysiek en mentaal in staat was geweest, dit had gedaan. Dit volgt uit het feit dat [eiser] en [naam echtgenote] in juli 2014 zijn gehuwd, mede om ervoor te zorgen dat [eiser] na het overlijden van [naam echtgenote] goed achter zou blijven. Zij waren in de veronderstelling dat door hun huwelijk de zaken, waaronder het pensioen, geregeld waren. Dit ligt ook voor de hand want de website van ABP vermeldt: “Uw partner is automatisch aangemeld voor ABP NabestaandenPensioen als u trouwt (…)”. De uitkomst van het feit dat [naam echtgenote] de benodigde keuze, die zij gelet op de omstandigheden met zekerheid wel had willen maken, niet heeft gemaakt, waardoor [eiser] op grond van het reglement geen pensioen toekomt, is voor [eiser] buitengewoon onredelijk. Omdat het reglement niet voorziet in gevallen waarin door ziekte geen keuze is gemaakt, is dit een bijzonder geval.

3.2.3.

[eiser] stelt voorts dat hij zich afvraagt in hoeverre de beslissing van de Commissie van Beroep correct tot stand is gekomen omdat de heer [naam] eerst op de stellingen van [eiser] heeft gereageerd in het kader van zijn functie bij Bestuursadvisering APG en vervolgens als plaatsvervangend secretaris van de Commissie van Beroep de beslissing van 12 oktober 2016 naar [eiser] heeft verzonden. Dit moet bij de beoordeling van deze zaak worden betrokken, aldus [eiser] .

3.2.4.

[eiser] verwijst ter onderbouwing van zijn schadevordering naar bladzijde 3 van de brief van 3 november 2014, waaruit volgt dat hij, had [naam echtgenote] de keuze wel tijdig gemaakt, vanaf haar overlijden tot zijn 65e jaar jaarlijks € 1.133,-- zou hebben ontvangen te vermeerderen met € 85,-- voor compensatie sociale premies en vanaf zijn 65e jaar tot aan zijn overlijden een bedrag van € 1.133,-- per jaar, vermeerderd met € 85,-- wegens compensatie sociale premies. Deze schade komt al snel uit op circa € 50.000,-- zo stelt hij ter comparitie.

3.3.

ABP voert verweer.

3.3.1.

ABP stelt dat deelneming in haar pensioenfonds voor overheids- en onderwijspersoneel verplicht is op grond van art. 21 Wet Privatisering ABP. Deelnemers worden jaarlijks geïnformeerd met een UPO.

De verplichtingen uit de pensioenovereenkomst met een deelnemer vloeien voort uit de PW en het PR, vastgesteld door vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers overeenkomstig de Wet privatisering ABP. In art. 7.15 lid 4 PR is de keuzemogelijkheid voor omzetting (hierna: uitruil) van ouderdomspensioen in nabestaanden pensioen binnen een reactietermijn van zes weken vastgelegd. ABP vermeldt deze keuzemogelijkheid in het pensioenoverzicht na einde dienstverband (hierna: VUPO).

ABP heeft meer dan een miljoen deelnemers en zij verzendt jaarlijks 80.000 tot 85.000 informatieberichten aan deelnemers van wie de deelneming eindigt. Daarbij moet voor een uitvoerbare werkwijze worden gekozen. Slechts 1 tot 1,4 % van de aangeschrevenen reageert op een (V)UPO. De financiële opzet van het pensioenfonds is een voortdurend aandachtspunt, onder andere in verband met de negatieve dekkingsgraad veroorzaakt door de financiële crisis van 2008. De pensioenen zijn daardoor al jaren niet meer geïndexeerd. Kostenreductie is daardoor een belangrijk speerpunt van beleid. Het versturen van een aangetekende brief kost € 8,35. Indien wordt geoordeeld dat ABP uit zorgvuldigheids-overwegingen de VUPO’s aangetekend zou moeten versturen of zou moeten rappelleren lopen de extra kosten op tot miljoenen euro’s. De uitvoering van de pensioenregeling is niet individueel gericht en de informatie bij einde deelneming is bijgevolg een standaard mededeling. Daarbij mag de reflexwerking naar andere - vergelijkbare - gevallen niet uit het oog worden verloren in verband met de grote groepen deelnemers. In verband met de in art. 143 PW bedoelde beheerste bedrijfsvoering is het van fundamenteel belang dat ABP korte tijd na einde deelneming weet welke pensioenverplichtingen zij heeft of kan krijgen. Dit rechtvaardigt een eenmalige keuzemogelijkheid met een keuzetermijn van zes weken, mede om calculerend gedrag te voorkomen. Pas na ommekomst van de beslistermijn vervalt de dekking van het nabestaandenpensioen. De sociale partners bij de overheid hebben dit redelijk gevonden.

3.3.2.

ABP wijst vervolgens op het belang van het arrest van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, waarin is bepaald dat een redelijke uitleg van art. 3:37 lid 3 BW op de behoeften van de praktijk moet worden afgestemd, waarbij in beginsel moet worden aangenomen dat een schriftelijke mededeling de geadresseerde heeft bereikt indien de verzender feiten en omstandigheden stelt en zo nodig bewijst waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een recent adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde daar kon worden bereikt. Door gerechtshof Amsterdam is hieraan nader invulling gegeven door te eisen dat het pensioenfonds in die zaak concreet inzicht moet verschaffen in de wijze waarop haar bedrijfsproces te dezen is ingericht en hoe een en ander werd vastgelegd, zodat met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de normale procedure ook in de relevante periode is gevolgd (ECLI:NL:GHAMS: 2016:975). ABP wijst voorts op uitspraak 200905562/1/H1 van de Raad van State van 10 februari 2010, waarin werd geoordeeld dat de verzender inzicht dient te geven in zijn verzendadministratie.

3.3.3.

ABP stelt dat zij voldoet aan de in voormelde jurisprudentie opgestelde regels. APG verricht voor ABP de verzending van de mededelingen aan haar (gewezen) deelnemers en gepensioneerden. In het GeneriekPensioenSysteem (hierna: GPS) wordt vastgelegd welke informatie wordt verzonden en op welke datum. Het GPS is gekoppeld aan de Basisregistratie Personen van de gemeenten. In het GPS is te zien dat aan [naam echtgenote] op 2 november 2014 het VUPO is verzonden. ABP heeft onder 4.20 van haar CvA uiteengezet hoe de uitgebreide procesbeschrijvingen/werkinstructies van APG zijn opgesteld en heeft dit onderbouwd met de gegevens in producties 2 (instructie XZ05), 3 (instructie XZ06), 4 (processchema selecties stopbrief XZ05) en 5 (processchema selecties stopbrief XZ06). Als er volgens deze procesbeschrijving geen blokkades worden geconstateerd betekent dit dat de VUPO voor automatische verzending in aanmerking komt. Zijn er wel blokkades dan wordt het VUPO niet automatisch verzonden maar handmatig. APG heeft het printen en daadwerkelijk verzenden uitbesteed aan een externe leverancier die de automatisch te verzenden brieven krijgt aangeboden op een StreamServelijst. Binnen APG zijn beheersmaatregelen opgesteld en vastgelegd in BWise, volgens welk systeem een bevoegd medewerker controleert of de brieven juist en volledig zijn aangemaakt, tijdig zijn verzonden en of daarover juist is gerapporteerd. Afwijkingen worden geanalyseerd en besproken en indien nodig wordt actie ondernomen.

Bij automatische verzending staat onder de adresgegevens een soort ‘barcode’. Dit is ook bij de VUPO en UPO’s van [naam echtgenote] het geval. ABP merkt op dat [eiser] de (V)UPO’s kennelijk wel in de administratie van [naam echtgenote] heeft aangetroffen omdat hij ze als productie 4 heeft overgelegd.

3.3.4.

ABP betoogt verder dat zij aan [naam echtgenote] steeds de juiste informatie heeft verstrekt. In het VUPO is duidelijk vermeld dat het partnerpensioen bij overlijden van [naam echtgenote] voor haar 65ste € 0,-- is, zowel voor als na het 65ste jaar van haar echtgenoot en dat er aanvullend binnen zes weken een keuzeoptie is geboden. Ook in eerdere UPO’s was duidelijk vermeld dat het partnerpensioen nihil zou zijn (zie productie 4 bij dagvaarding) onder het kopje:

“Nabestaandenpensioen na beëindiging van uw dienstverband

Let op: (…) Overlijdt u na beëindiging van uw dienstverband en voor uw 65ste dan ontvangt uw partner € 0,--. (…)”

[naam echtgenote] noch [eiser] heeft gedurende de keuzetermijn informatie opgevraagd en een aanvraag voor uitruil gedaan. De aangevoerde fysieke en psychische redenen waarom niet is gereageerd liggen in de risicosfeer van [naam echtgenote] . ABP heeft art. 7.15 van het PR correct toegepast.

De keuzemogelijkheid voor uitruil leidt niet tot een verzwaarde informatieplicht voor ABP, zoals aangetekend verzenden. De termijn is duidelijk meegedeeld en nodig om ongewenste risico-selectie te voorkomen. Het PR is geschreven voor de grote aantallen deelnemers in het pensioenfonds en de regels mogen en moeten generiek worden toegepast, ook om ongewenste precedentwerking te voorkomen. Dat is een redelijk en gerechtvaardigd belang van ABP.

3.3.5.

Ook de website van ABP vermeldde de juiste informatie. Onder de knop ‘uw situatie verandert’ en de keuze ‘werkloos’ is uitdrukkelijk aangegeven dat het nabestaandenpensioen daardoor lager kan uitvallen en wordt verwezen naar het individuele pensioenoverzicht voor specifieke op de deelnemer gerichte informatie. Uiteraard bevat de algemene website geen op de persoon toegesneden informatie. ABP biedt te bewijzen aan dat alle informatie die aan [naam echtgenote] per post is toegezonden meteen daarna ook op haar domein “Mijn ABP” te zien was.

3.3.6.

ABP betoogt voorts dat de artikelen 18.2 en 18.3 van het PR niet van toepassing zijn in de situatie van [naam echtgenote] , want het niet uitbrengen van een keuze bij einde dienstverband is in art. 7.15 van het PR geregeld. Ook betreft het geen bijzonder geval en is de uitkomst - mede gelet op de financiële belangen van het ABP - niet onredelijk, ook al ervaart [eiser] dat anders. Bij het niet uitbrengen van een keuze is de uitkomst immers voor alle gewezen deelnemers hetzelfde: er vindt geen uitruil plaats. Daar komt nog bij dat een rechter de bestuurlijke vrijheid van het ABP om in dit geval niet af te wijken van het PR slechts marginaal kan toetsen.

3.4.

ABP stelt ten slotte dat de secretaris van de beroepscommissie inderdaad daaraan voorafgaand eerst voor APG werkte en vervolgens voor ABP. Dat kan een rare indruk maken maar de secretaris neemt geen deel aan de beraadslagingen.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft ter comparitie zijn stelling ingetrokken dat ABP hem ook afzonderlijk over de keuzemogelijkheid die zij [naam echtgenote] moest aanbieden had moeten informeren, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist. Het partijdebat daarover is dan ook niet vermeld.

4.2.

De informatieplicht/zorgplicht van ABP

4.2.1.

[eiser] stelt primair dat ABP haar informatieplicht/zorgplicht jegens [naam echtgenote] heeft geschonden en dat hij daardoor schade heeft geleden omdat zij de keuze voor een uitruil niet tijdig heeft gemaakt. De grondslag van deze vordering heeft vier onderdelen:

a. [naam echtgenote] heeft de (V)UPO's niet ontvangen

b. de door ABP verstrekte informatie in de (V)UPO’s is niet in overeenstemming met het PR

c. op ABP rust een verzwaarde informatieplicht/zorgplicht op grond waarvan zij [naam echtgenote] voor 15 december 2014 een rappel had moeten sturen

d. de informatie over de (termijn voor de keuze van de) uitruil is niet (duidelijk) op de website van A vermeld.

4.2.2.

De Pensioenwet bepaalt met betrekking tot de informatieplicht bij einde deelneming het volgende:

Art. 39:

“1. De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming:

a. een opgave van de opgebouwde pensioenaanspraken op grond van artikel 55;

b. (…)

c. informatie die voor de deelnemer specifiek in het kader van de beëindiging relevant is;

(…).

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.”

In art. 2.7 lid 6 PR (2014) is over de informatieplicht bij einde dienstverband bepaald:

“ 6. ABP verstrekt aan de gewezen deelnemer binnen vier maanden na het einde van zijn deelnemerschap een opgave van de opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen, informatie over indexatieverlening, informatie over omstandigheden die betrekking hebben op het functioneren van ABP, informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten op grond van artikel 134 PW alsmede overige informatie die in het kader van de beëindiging van het deelnemerschap relevant is.”

In art. 7.15 lid 1 en lid 4 PR (2014) is de (informatie over de) uitruiloptie als volgt vastgelegd:

“1. De gewezen deelnemer kan op moment van beëindigen van het deelnemerschap anders dan door het ingaan van het ouderdomspensioen of overlijden, de vanaf 1 juli 1999 opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen omzetten in een aanspraak op partnerpensioen bij overlijden voor 65 jaar. (…)

4. ABP informeert de gewezen deelnemer binnen vier maanden na het einde van het deelnemerschap over de mogelijkheid als bedoeld in het eerste lid. De Gewezen deelnemer dient zijn keuze binnen een beslistermijn van zes weken na ontvangst van deze mededeling schriftelijk aan ABP mee te delen (…)”.

a. heeft [naam echtgenote] de (V)UPO’s ontvangen?

4.2.3.

Uitgangspunt is het bepaalde in art. 3:37 lid 3 BW:

“Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Nochtans heeft ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.”

In beginsel rust dan ook op ABP de bewijslast van ontvangst door [naam echtgenote] van voor haar bestemde mededelingen. Deze norm is nader ingevuld in de jurisprudentie vermeld door ABP, zie hiervoor onder 3.3.2.

4.2.4.

De enkele stelling van [eiser] dat hij de (V)UPO’s niet in de administratie van [naam echtgenote] heeft aangetroffen leidt niet tot de gevolgtrekking dat [naam echtgenote] die documenten niet heeft ontvangen.

4.2.5.

ABP heeft voormelde stelling betwist en in dit kader gesteld dat [eiser] zelf de (V)UPO’s in het geding heeft gebracht en dat deze alle zijn voorzien van een barcode. ABP heeft daaromtrent uitvoerig uiteengezet hoe zij haar verzendprocedures met betrekking tot de (V)UPO’s heeft ingericht (zie 3.3.1. tot en met 3.3.3.), dat die bedrijfsprocessen voldoen aan de regels die de jurisprudentie daar thans in het licht van art. 3:37 lid 3 BW aan stelt en dat, nu alle door [eiser] overgelegde (V)UPO’s een barcode bevatten, aangenomen moet worden dat deze onbelemmerd ter verzending zijn aangeboden en correct zijn verzonden.

4.2.6.

[eiser] heeft hier tegen ingebracht dat de StreamServelijsten ten onrechte niet zijn overgelegd en dat de enkele mededelingen van ABP op het punt van verzending niet voldoende zijn om aan te nemen dat zij aan de regels zoals in de jurisprudentie nader zijn geformuleerd heeft voldaan. ABP heeft hierop gereageerd met het aanbod die StreamServelijsten nog over te leggen maar heeft opgemerkt dat deze niets toevoegen omdat de barcodes al aantonen dat de (V)UPO’s correct zijn verzonden.

4.2.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat op alle in het geding gebrachte (V)UPO’s het juiste adres van [naam echtgenote] is vermeld. Op grond van de invulling in de jurisprudentie van de regel van 3:37 lid 3 moet het er voor worden gehouden dat de (V)UPO’s namens ABP correct zijn verzonden en door [naam echtgenote] zijn ontvangen, te meer nu [eiser] niet heeft toegelicht hoe het mogelijk is dat hij de (V)UPO’s, alle voorzien van barcode, in het geding heeft kunnen brengen.

Voor zover al uit de stellingen van [eiser] moet worden begrepen dat hij de VUPO eind juni 2015 door ABP toegezonden heeft gekregen nadat hij daar zelf om heeft verzocht, is deze stelling niet voldoende concreet en onvoldoende onderbouwd: [eiser] stelt immers niet wanneer en hoe hij dat verzoek dan heeft gedaan, noch stelt hij wanneer hij dat VUPO dan van ABP heeft ontvangen en hij heeft ter zake ook geen bewijsaanbod gedaan.

4.2.8.

Op grond van al het hiervoor overwogene moet het ervoor worden gehouden dat [naam echtgenote] de (V)UPO’s heeft ontvangen kort na de datum waarop deze aan haar zijn verzonden. De stellingen van [eiser] met betrekking tot onvoldoende inzicht in de verzendprocessen en de plicht van ABP de (V)UPO’s aangetekend aan [naam echtgenote] te verzenden hoeven in dat licht geen bespreking meer wegens gebrek aan belang.

b. de door ABP verstrekte informatie in de (V)UPO’s is niet in overeenstemming met het PR

4.2.9.

De informatie die ABP verstrekt heeft in de (V)UPO’s is in overeenstemming met art. 7.15 PR, zo heeft zij onbetwist gesteld. Op dit punt is een schending van haar informatieplicht door ABP niet aan de orde.

c. rust op A een verzwaarde informatieplicht/zorgplicht?

4.2.10.

[eiser] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat ABP aan [naam echtgenote] voor het verstrijken van de beslistermijn een rappel had moeten sturen. Dit is niet in art. 2.7 of art. 7.15 lid 4 van het PR vermeld en ABP stelt terecht dat ook van de (gewezen) deelnemers in het pensioenfonds enige inspanning mag worden verwacht ter uitoefening van haar rechten. De kantonrechter stelt vast dat in de (toelichting van) de overgelegde (V)UPO’s van 2013 en 2014 duidelijk is vermeld dat het nabestaandenpensioen voor [eiser] nihil zou zijn en in de bijbehorende toelichting is ook de keuzemogelijkheid voor de uitruil al vermeld: “

“Nabestaandenpensioen na beëindiging van uw dienstverband

Let op: (…) Overlijdt u na beëindiging van uw dienstverband en voor uw 65ste dan ontvangt uw partner € 0,--. (…) Gaat u uit dienst? Dan kunt u ervoor kiezen om een deel van uw ouderdomspensioen om te zetten in een recht op uitkering bij uw overlijden voor uw partner.”

[naam echtgenote] wist althans behoorde te weten op grond van deze informatie dat van haar een tijdige aanvraag voor uitruil mocht worden verwacht indien zij [eiser] van een nabestaandenpensioen wilde voorzien. Mede gelet haar verplichting op grond van art. 143 PW tot beheerste bedrijfsvoering en de grote aantallen beëindigingen van deelneming – door [eiser] niet betwist – kan van ABP in redelijkheid niet worden verlangd dat zij haar gewezen deelnemers een rappel stuurt indien zij voor einde van de beslistermijn geen reactie heeft ontvangen. ABP heeft in dit kader voorts onbetwist gesteld dat zij niet op de hoogte was van de slechte gezondheidstoestand van [naam echtgenote] en daar ook geen rekening mee kan houden omdat deze omstandigheden in de risicosfeer van [naam echtgenote] liggen.

De stelling van ABP dat bij haar voor het einde van de beslistermijn ook geen telefonische informatie is opgevraagd door [naam echtgenote] of door [eiser] , heeft [eiser] evenmin betwist.

d. is de door ABP op haar website geplaatste informatie over de (termijn voor de keuze van de) uitruil juist en voldoende duidelijk?

4.2.11.

[eiser] heeft voorts betoogd dat de informatie op de website van ABP niet juist was, omdat daaruit niet bleek dat het nabestaandenpensioen nihil was. ABP heeft dit betwist en heeft gesteld dat de (V)UPO’s meteen beschikbaar waren in het persoonlijke domein van [naam echtgenote] in “Mijn ABP”. Zij stelt dat ook bij de algemene informatie op www.abp.nl te vinden was dat het nabestaandenpensioen na einde dienstverband bij overlijden voor 65 jaar van de deelnemer lager is of zelfs geheel zou vervallen en dat individuele informatie in “Mijn ABP” te vinden was. De betwisting daarvan door [eiser] is niet onderbouwd zodat daaraan voorbij wordt gegaan, te meer omdat [eiser] op de comparitie heeft verklaard dat hij niet in “Mijn ABP” heeft gekeken maar in “Mijn Pensioen”, ten aanzien waarvan partijen het eens zijn dat dit een verschil in actualiteit van de informatie kan verklaren.

4.2.12.

Al hetgeen hiervoor is overwogen kan niet leiden tot de conclusie dat ABP niet heeft voldaan aan de op haar rustende informatieverplichting jegens [naam echtgenote] . De vorderingen van [eiser] kunnen dan ook op deze grondslag niet worden toegewezen.

4.3.

Is artikel 18.2 of 18.3 PR in dit geval van toepassing?

4.3.1.

In art. 7.15 PR is geregeld dat de gewezen deelnemer binnen 6 weken na de mededeling van ABP dat hij de uitruilmogelijkheid heeft, deze kan realiseren door de keuze daarvoor schriftelijk aan ABP bekend te maken. Het uitblijven van een keuze voor uitruil leidt er automatisch toe dat deze niet plaatsvindt. In die zin is het uitblijven van een keuze geen geval waarin het reglement niet voorziet als bedoeld in art. 18 lid 3 PR.

Dat de ziekte van [naam echtgenote] verhinderde dat zij deze keuze kon maken is niet een bijzonder geval als bedoeld in art. 18 lid 2 PR. Deze omstandigheid – indien al juist – ligt immers geheel in de risicosfeer van [naam echtgenote] zelf. Daar komt nog bij dat niet is onderbouwd waarom deze uitkomst voor [eiser] onredelijk zou zijn, deze was immers voorzienbaar, want in de (V)UPO’s duidelijk vermeld. Ook mag niet uit het oog worden verloren dat het bestuur van ABP – als wel aan de voorwaarden van art. 18 lid 2 PR zou zijn voldaan – dan een beslissing zal nemen die met de strekking van dit reglement overeenkomt. Die strekking is, zo stelt ABP terecht, dat bij een niet kenbaar gemaakte keuze voor uitruil geen omzetting plaatsvindt. Ten slotte stelt ABP met juistheid dat de toetsing van de beslissing van het bestuur van ABP door een rechter slechts marginaal kan zijn.

Ook deze grondslag kan niet leiden tot toewijzing van de vorderingen van [eiser] .

De rol van de heer [naam]

4.4.

Ook de door [eiser] geschetste rol van de heer [naam] als werknemer van APG en ABP en als secretaris van de beroepscommissie kan niet leiden tot een ander oordeel. Deze rol hoeft hier niet verder te worden onderzocht omdat [eiser] zijn vordering jegens ABP in deze procedure integraal ter beoordeling heeft voorgelegd. [eiser] heeft ook niet betoogd dat een mogelijk onzorgvuldige procedure bij de beroepscommissie een zelfstandige grond kan zijn voor toekenning van een nabestaandenpensioen.

4.5.

Dit alles leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.

4.6.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van ABP, tot op dit vonnis begroot op € 1.200,00 voor salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 600,00). De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten met een maximum van € 100,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van de procedure aan de zijde van ABP, tot op dit vonnis begroot op € 1.200,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen twee weken na aanschrijving door ABP volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van dit vonnis,

5.4.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken.1

1 Type: WE