Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:150

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-01-2018
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
C/03/236031 / HA ZA 17-285
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering ex artikel 2:15 BW. Geldig ontslag bestuurder B.V.? Gevolgen vennootschapsrechtelijk ontslag rechtspersoon-bestuurder voor onderliggende overeenkomst van opdracht. Onmiddellijke beëindiging of opzegtermijn?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/210

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/236031 / HA ZA 17-285

Vonnis van 10 januari 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] VENLO B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. M.J.W. van Ingen te 's-Hertogenbosch,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASPARAGUS BEHEER B.V.,

gevestigd te Horst,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LIMGROUP B.V.,

gevestigd te Horst,

gedaagden,

advocaat mr. D. Hoff te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en voor wat betreft gedaagden gezamenlijk Asparagus c.s. dan wel afzonderlijk Asparagus Beheer en Limgroup genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is (was) sinds 1 november 2003 bestuurder van Asparagus Beheer. Asparagus is bestuurder van haar werkmaatschappij Limgroup.

In dat kader trad voor [eiseres] feitelijk op de bestuurder van [eiseres] , de heer [X] (hierna: [X] ), die aldus feitelijk optrad als (enig) bestuurder van zowel Asparagus Beheer als Limgroup.

2.2.

Hieraan lag - in het tijdvak van belang - ten grondslag een op 21 december 2009 tussen Asparagus Beheer en Limgroup (toen nog genaamd Limseeds) aan de ene kant en [eiseres] aan de andere kant gesloten managementovereenkomst. Daarin is onder meer bepaald dat [eiseres] vanaf 1 januari 2009 het management over Asparagus Beheer zal voeren en dat Asparagus Beheer in verband met het te voeren management aan [eiseres] een fee verschuldigd is op basis van 0,5 fte inzet (hierna: de managementovereenkomst).

De managementovereenkomst is aangegaan voor de duur van drie jaren en eindigde op 31 december 2011. Partijen hebben de managementovereenkomst na laatstgenoemde datum stilzwijgend voortgezet.

2.3.

De (in het tijdvak van belang geldende) statuten van Asparagus Beheer luiden (voor zover hier inhoudelijk van belang):

Artikel 16: “(…)

2. Bestuurders worden door de algemene vergadering benoemd en kunnen te allen tijde door de algemene vergadering worden (…) ontslagen. De algemene vergadering kan één of meer bestuurders de titel algemeen directeur verlenen (…) .”

Artikel 26: “Alle besluiten die in een algemene vergadering genomen kunnen worden, kunnen ook buiten vergadering genomen worden, mits alle aandeelhouders zich per brief of langs elektronische weg voor het voorstel hebben verklaard en de bestuurders zijn gehoord. (…).”

2.4.

Enig aandeelhouder van Asparagus Beheer is de stichting “Stichting Agrarische Research” (hierna: SAR). Het bestuur van SAR bestaat uit de heren [bestuurder B] (hierna: [bestuurder B] ), [bestuurder C] en [bestuurder A] , die uitsluitend gezamenlijk bevoegd zijn.

Het bestuur van SAR vormt aldus feitelijk de algemene vergadering van aandeelhouders van Asparagus Beheer.

De door SAR gehouden aandelen zijn gecertificeerd. De certificaten worden gehouden door de Stichting Agrarisch Limburg (hierna te noemen: SAL). SAL heeft bevoegdheden ten aanzien van de benoeming van de bestuurders van SAR, waaronder de bevoegdheid tot benoeming van één van de drie bestuurders, genaamd bestuurder A (zie hieronder).

2.5.

De (in het tijdvak van belang geldende) statuten van SAR luiden (voor zover hier van belang):

Artikel 4 lid 7: “Tot bestuurders kunnen niet worden benoemd:

- Een persoon in dienst van de vennootschap hiermee wordt volgens die statuten Asparagus bedoeld, noot rechtbank) of een groepsmaatschappij daarvan;

- (…)”

Artikel 8 lid 1: “Bestuursbesluiten strekkende tot bepaling van de wijze waarop in de algemene vergadering van aandeelhouders van Asparagus wordt gestemd met betrekking tot voorstellen aangaande: (…); m. de benoeming en ontslag van een bestuurder in Asparagus; (…); moeten worden genomen met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd zijn, zonder dat in het bestuur een vacature bestaat. Het is bestuurder A niet toegestaan anders te besluiten dan als besloten in het bestuur van de Stichting Agrarisch Limburg (hierna: SAL).”

[bestuurder A] is bestuurder A.

2.6.

Eind november 2016 heeft [bestuurder B] in een gesprek aan [X] medegedeeld dat Asparagus c.s. de managementovereenkomst met [eiseres] wenste te beëindigen.

2.7.

Op 25 november 2016 is in een vergadering van SAR besloten [bestuurder B] te benoemen tot algemeen directeur a.i. (met bevoegdheden als statutair directeur) van Asparagus Beheer. Asparagus Beheer heeft [eiseres] voorafgaand aan deze besluitvorming niet in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen.

2.8.

Met ingang van 28 november 2016 heeft [eiseres] alle werkzaamheden voor Asparagus c.s. gestaakt.

2.9.

Bij brief van 30 november 2016 aan [eiseres] heeft [bestuurder B] namens Asparagus en Limgroup de managementovereenkomst opgezegd tegen 1 maart 2017.

2.10.

In december 2016 heeft Asparagus Beheer vastgesteld dat er mogelijk een gebrek kleeft aan het besluit van 25 november 2016 (genoemd hierboven onder 2.7) omdat [eiseres] voorafgaand aan het nemen van dat besluit niet in de gelegenheid is gesteld om haar raadgevende stem uit te brengen en gehoord te worden. SAR heeft daarop besloten dit gebrek te herstellen door middel van een te nemen bevestigingsbesluit van de aandeelhouders van Asparagus Beheer buiten algemene vergadering, waarbij [eiseres] tevens formeel zou moeten worden ontslagen als bestuurder van Asparagus Beheer.

2.11.

Ter uitvoering van het onder 2.10 vermelde voornemen heeft Asparagus Beheer op 22 december 2016 het concept van het hierna onder 2.13. te noemen besluit aan [eiseres] toegezonden en haar daarbij in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze daarover kenbaar te maken. De termijn daarvoor is uiteindelijk verlengd tot en met 17 januari 2017. [eiseres] heeft van de mogelijkheid om advies uit te brengen niet direct gebruik gemaakt; wel heeft de advocaat van [eiseres] in een e-mail van 16 januari 2017 kort enig inhoudelijk commentaar geleverd op het voorgenomen besluit.

2.12.

Op 27 december 2016 heeft (het bestuur van) SAL het besluit genomen dat, voor zover nodig, bij wijze van instemming wordt bevestigd dat de heer [bestuurder A] als bestuurder van SAR namens SAL mocht besluiten tot ontslag met onmiddellijke ingang van [eiseres] als bestuurder van Asparagus.

2.13.

Op 18 januari 2017 hebben de aandeelhouders van Asparagus Beheer buiten vergadering - nadat [eiseres] voorafgaand in de gelegenheid was gesteld om advies uit te brengen en conform het onder 2.11 genoemde concept - het volgende besluit genomen (kort samengevat):

1. bevestiging van het op 25 november 2016 genomen besluit om met onmiddellijke ingang [bestuurder B] als (interim) bestuurder van Asparagus Beheer te benoemen;

2. ontslag met onmiddellijke ingang van [eiseres] als bestuurder van Asparagus Beheer.

2.14.

Op 26 januari 2017 heeft (het bestuur van) SAL het besluit genomen, voor zover nodig bij wijze van bekrachtiging, dat de heer [bestuurder A] als bestuurslid van SAR mag /mocht besluiten om namens SAR stemrecht uit te oefenen op de aandelen in het kapitaal van Asparagus teneinde te kunnen besluiten tot - zakelijk weergegeven -:

- ontslag van [eiseres] als bestuurder van Asparagus per 18 januari 2017, althans met onmiddellijke ingang;

- bevestiging van de benoeming van [bestuurder B] als bestuurder van Asparagus per 25 november 2016;

- (…).

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - :

1. vernietiging van het aandeelhoudersbesluit van Asparagus Beheer van 18 januari 2017 op

grond van art. 2:15 lid 1 sub a dan wel b BW;

2. een verklaring voor recht dat Asparagus Beheer en Limgroup bij de opzegging van de

managementovereenkomst een opzegtermijn van één jaar dan wel een andere, door de

rechtbank vast te stellen redelijke opzegtermijn in acht moesten nemen;

3. Limgroup te veroordelen om haar verplichtingen uit de managementovereenkomst na te komen,

4. Asparagus Beheer en Limgroup hoofdelijk te verwijzen in de proces- en nakosten.

Bovenstaande weergave van de vorderingen is een samenvatting. De volledige formulering van de vordering sub 3 komt hieronder nader ter sprake onder 4.4.

3.2.

Asparagus c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering sub 1 strekt tot vernietiging van het aandeelhoudersbesluit van Asparagus Beheer van 18 januari 2017 op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a dan wel b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het eerste lid van dit artikel luidt (voor zover hier van belang): “Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is (…) vernietigbaar: a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen; b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist.”

De rechtbank is van oordeel dat voor de gevorderde vernietiging geen plaats is en heeft daartoe als volgt overwogen.

4.1.1.

[eiseres] heeft gesteld sinds 1 november 2003 statutair bestuurder van Asparagus Beheer te zijn. Asparagus c.s. heeft daarop aangevoerd dat haar niet is gebleken (in de zin van: niet hebben gevonden) van een benoemingsbesluit tot statutair bestuurder, maar dat wel duidelijk is dat [eiseres] feitelijk als (enig) bestuurder heeft gefunctioneerd. Ofschoon het de rechtbank niet helemaal duidelijk is of Asparagus c.s. met haar stellingen heeft willen betwisten dat [eiseres] statutair bestuurder is althans was, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval geen sprake is van een voldoende betwisting, zodat als vaststaand feit moet worden aangenomen dat [eiseres] statutair bestuurder is althans is geweest tot de datum van het ontslag in geschil.

4.1.2.

De feitelijke gang van zaken rond de besluitvorming die heeft geleid tot het besluit in geschil van 18 januari 2017, staat in essentie vast en is vermeld hierboven onder de vaststaande feiten. Bij de beoordeling van die besluitvorming zal de rechtbank waar nodig ingaan op hetgeen door partijen is aangevoerd. Aspecten van de besluitvorming die niet in geschil zijn en die de rechtbank - waar nodig ambtshalve toetsend - niet onrechtmatig voorkomen, worden verder onbesproken gelaten.

4.1.3.

Uitgangspunt bij de beoordeling van de besluitvorming is dat zowel op grond van de wet als op grond van de statuten van Asparagus Beheer (a) de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van de bestuurders van de vennootschap in handen is van de algemene vergadering van aandeelhouders en (b) dat de mogelijkheid bestaat van besluitvorming van de aandeelhouders buiten vergadering.

In geval van besluitvorming buiten vergadering dient - op grond van artikel 2:238 lid 2 BW en artikel 26 van de statuten - de bestuurder in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. Daarnaast eisen de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW, dat de bestuurder wiens ontslag onderwerp is van een (al dan niet buiten vergadering) te nemen besluit daarover wordt gehoord alvorens tot besluitvorming wordt overgegaan.

Vaststaat dat alle aandelen in het kapitaal van Asparagus Beheer worden gehouden door SAR en dat het bestuur van SAR daardoor feitelijk de wil van de enig aandeelhouder bepaald. Ook staat vast dat het aandeelhoudersbesluit van 18 januari 2017 is tot stand gekomen op een vergadering van het voltallige bestuur van SAR. In die zin staat buiten twijfel wat de wil van de enig aandeelhouder in Asparagus Beheer in deze kwestie is.

Vaststaat dat [eiseres] niet in de gelegenheid is gesteld om advies uit te brengen voorafgaand aan het op 25 november 2016 genomen aandeelhoudersbesluit buiten vergadering om [bestuurder B] te benoemen tot algemeen directeur ad interim. Aldus zou dit besluit vernietigbaar zijn op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW indien herstel van het gesignaleerde rechtmatigheidsgebrek achterwege gebleven zou zijn, wat niet het geval is. Immers, na constatering van bedoeld rechtmatigheidsgebrek is binnen Asparagus Beheer besloten dit te herstellen door middel van een te nemen bevestigingsbesluit buiten algemene vergadering, waarbij [eiseres] tevens formeel zou moeten worden ontslagen als bestuurder van Asparagus Beheer. Daartoe is [eiseres] bij brief van 22 december 2016 in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken op een bij die brief gevoegd concept-aandeelhoudersbesluit (tot onderscheidenlijk bevestiging van de benoeming van [bestuurder B] tot bestuurder en het ontslag van [eiseres] als bestuurder). Vaststaat dat deze brief en het daarbij gevoegde concept-besluit [eiseres] hebben bereikt en dus dat [eiseres] daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken voor het moment van besluitvorming. De daarbij uiteindelijk gegeven tijd acht de rechtbank voldoende. Daarmee is voldaan aan de (reeds hierboven vermelde) eisen die voortvloeien uit de artikelen 2:8 en 2:238 lid 2 BW. Of en hoe [eiseres] van de geboden gelegenheid gebruik heeft gemaakt is voor de beoordeling van de voorliggende vordering dan verder niet relevant.

Vaststaat dat ingevolge het bepaalde in artikel 30 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) aan de ondernemingsraad is gevraagd te adviseren over het voorgenomen besluit tot ontslag van [eiseres] , dat de ondernemingsraad daarop negatief heeft geadviseerd en dat de aandeelhouder heeft besloten dit advies niet te volgen. Nu de aandeelhouder niet verplicht is een dergelijk advies van de ondernemingsraad te volgen, is een en ander voor de voorliggende vordering tot vernietiging van het besluit van 18 januari 2017 verder niet relevant.

Vaststaat dat het aandeelhoudersbesluit van 18 januari 2017 aan [eiseres] is medegedeeld bij brief van 19 januari 2017 en dat deze brief haar heeft bereikt.

4.1.4.

Kort samengevat komen de bovenstaande overwegingen erop neer dat [eiseres] voorafgaande aan het nemen van het besluit van 18 januari 2017 in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken, dat het besluit is genomen door het daartoe bevoegde orgaan, dat het besluit de wil van de enig aandeelhouder tot uitdrukking brengt en dat het besluit aan [eiseres] is medegedeeld.

Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat in ieder geval geen plaats is voor vernietiging van het besluit van 18 januari 2017 op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW, omdat niet kan worden geoordeeld dat wettelijke of statutaire bepalingen die het totstandkoming van besluiten regelen, zijn geschonden.

Ook is geen plaats voor vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW. In de eerste plaats niet omdat uit de bovenstaande overwegingen volgt dat er geen gebreken kleven aan de totstandkoming van het besluit (bij de beoordeling waarvan in dit geval geen betekenis toekomt aan het verschil in grondslag van de a- en de b- grond van lid 1 van artikel 2:15 BW). In de tweede plaats niet omdat voor wat betreft de inhoud van het besluit van 18 januari 2017 niet kan worden gezegd dat de algemene vergadering van aandeelhouders bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen. Met de (wettelijke en statutaire) toekenning van de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van bestuurders aan de algemene vergadering van aandeelhouders, wordt tot uitdrukking gebracht dat het aan de aandeelhouders is te bepalen wie de vennootschap bestuurt. Dat het daarbij gaat om een vergaande bevoegdheid komt tot uiting in de (wettelijke en statutaire) bevoegdheid tot ontslagverlening met onmiddellijke ingang. Kortom: uitgangspunt is hier dat de aandeelhouder bepaalt wie op enig moment bestuurder van de vennootschap is. Zoals reeds hierboven is overwogen is in dit geval buiten twijfel wat de wil van de aandeelhouder is. Door Asparagus c.s. is aangevoerd dat de aanleiding tot het ontslag van [eiseres] respectievelijk de benoeming van [bestuurder B] was gelegen in - kort samengevat - verschil van inzicht en de wens de vennootschap te laten besturen door een voltijds bestuurder die zich volledig zou richten op het bestuur van de vennootschap. [eiseres] heeft betwist dat sprake is van een geldige ontslagreden en heeft - kort samengevat - aangevoerd dat over haar functioneren nooit klachten zijn geuit. De rechtbank stelt bij dit debat tussen partijen voorop dat de rechtbank zich in deze terughoudend dient op te stellen. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank geconstateerd dat door Asparagus c.s. correspondentie is overgelegd, waaruit in ieder geval blijkt dat enige tijd voor de gewraakte besluitvorming sprake is geweest van gesprekken met [eiseres] waarin de genoemde aanleiding tot het ontslag aan de orde is geweest. Vaststaat dat [eiseres] op grond van de managementovereenkomst 0,5 fte beschikbaar was en ook staat - als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken - vast dat [eiseres] voornemens was in de loop van de komende jaren de bestuurswerkzaamheden te gaan afbouwen. Reeds op grond daarvan is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat niet kan worden geoordeeld dat de aandeelhouder niet in redelijkheid tot het besluit van 18 januari 2017 heeft kunnen komen.

4.2.

Hierboven is geoordeeld dat er geen gronden zijn om over te gaan tot vernietiging van het besluit van 18 januari 2017. Dat betekent dat dat besluit in stand blijft en dat [eiseres] door dat besluit met onmiddellijke ingang als bestuurder is ontslagen. Dit is een belangrijk uitgangspunt bij de beoordeling van de vordering sub 2 die strekt tot verkrijging van een verklaring voor recht dat bij de opzegging van de managementovereenkomst een opzegtermijn van een jaar in acht genomen had moeten worden. De rechtbank is van oordeel dat ook dit deel van de vordering moet worden afgewezen en heeft daartoe als volgt overwogen.

4.3.

Uitgangspunt is dat [eiseres] bij het besluit van 18 januari 2017 met onmiddellijke ingang is ontslagen als statutair bestuurder van Asparagus Beheer. Ontslagverlening aan een statutair bestuurder heeft in beginsel tevens het einde tot gevolg van de overeenkomst op grond waarvan de bestuurder zijn of haar werkzaamheden uitvoert. Veelal is dat een arbeidsovereenkomst maar in het geval van een rechtspersoon als bestuurder - zoals hier het geval is - moet worden aangenomen dat de bestuurder optreedt op grond van een overeenkomst van opdracht. Tussen partijen is in debat de toepasselijkheid van de jurisprudentie van de Hoge Raad als vervat in de zogenoemde “15 april-arresten” (HR 15 april 2005, LJN AS 2713 en HR 15 april 2005, LJN AS 2030), waarin de Hoge Raad - kort samengevat - heeft geoordeeld dat vanwege de verwevenheid van de vennootschaps- en de arbeidsrechtelijke betrekking, het vennootschapsrechtelijke ontslag van de statutair bestuurder tevens de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst betekent. De rechtbank is van oordeel dat deze benadering ook dient te worden gevolgd waar in plaats van een arbeidsovereenkomst met een natuurlijke persoon sprake is van een overeenkomst van opdracht met een rechtspersoon. Daarbij is niet van belang dat de Hoge Raad zich niet met zoveel woorden over de laatstgenoemde situatie heeft uitgelaten. Wel van belang is het volgende. Door de bedoelde jurisprudentie heeft de Hoge Raad vastgesteld dat bij samenloop van het vennootschapsrecht en het arbeidsrecht het primaat dient te liggen bij het vennootschapsrecht in die zin dat de vennootschapsrechtelijke regel, dat een bestuurder onmiddellijk kan worden ontslagen, gaat boven de arbeidsrechtelijke regels die normaliter een verdergaande ontslagbescherming inhouden. Deze rangorde past bij de reeds hierboven genoemde omstandigheid dat de wetgever het aan de aandeelhouders heeft willen laten om te bepalen wie op enig moment de vennootschap bestuurt. Samenloop van het vennootschapsrecht en het deel van het overeenkomstenrecht dat de overeenkomst van opdracht beheerst is op het punt van beëindiging van de rechtsbetrekkingen tussen vennootschap en bestuurder minder problematisch, omdat in het vennootschapsrecht in beginsel onmiddellijk ontslag aan de bestuurder kan worden verleend terwijl de regels die de overeenkomst van opdracht beheersen erin voorzien dat een opdrachtgever (in verhoudingen als de onderhavige: de vennootschap) te allen tijde de opdracht kan opzeggen. Waar de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de verdergaande rechtsbescherming van de bestuurder die het arbeidsrecht zou bieden al terzijde moet worden gesteld ten gunste van het vennootschapsrecht, moet naar het oordeel van de rechtbank ook worden aangenomen dat het vennootschapsrecht prevaleert boven het aanmerkelijk minder bescherming biedende recht dat de overeenkomst van opdracht beheerst. Een andere benadering zou immers leiden tot de ongerijmde uitkomst dat een rechtspersoon-bestuurder een grotere bescherming zou genieten tegen ontslag dan een natuurlijke persoon-bestuurder. Aan dit oordeel kan niet afdoen dat in het algemeen wordt aangenomen dat uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat bij eenzijdige beëindiging van een duurovereenkomst een redelijke opzegtermijn in acht genomen moet worden. De rechtbank ziet voor de toepassing van die regel in dit geval geen ruimte, omdat de beëindiging van het bestuurderschap en de daaraan verbonden overeenkomst van opdracht in de wet is geregeld, terwijl door partijen geen daarvan afwijkende afspraken zijn gemaakt. De in de aanvankelijke overeenkomst opgenomen afspraak omtrent de opzeggingstermijn kan hier niet als afwijkende afspraak worden gekwalificeerd, reeds omdat deze niet een minimale maar slechts een maximale opzeggingstermijn bevat. Anders gezegd: er is geen aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid af te wijken van de wettelijk geregelde mogelijkheid van onmiddellijke opzegging.

Kort samengevat is de slotsom dat aangenomen moet worden dat in beginsel met het ontslag als statutair bestuurder het einde van de betrokken overeenkomst van opdracht is gegeven. Asparagus c.s. heeft evenwel uitdrukkelijk aan [eiseres] medegedeeld die overeenkomst te willen beëindigen met ingang van 1 maart 2017, zodat in dit geval van die datum moet worden uitgegaan.

4.4.

De hierboven gegeven oordelen raken ook direct de vordering sub 3 die strekt tot een veroordeling tot nakoming van de managementovereenkomst. Dit deel van de vordering dient namelijk in ieder geval te worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op verplichtingen na de datum 1 maart 2017. De rechtbank is van oordeel dat de vordering ook voor het overige moet worden afgewezen en heeft daartoe als volgt overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] de vordering sub 3 op een zodanige wijze gepresenteerd dat zij heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en daarnaast heeft zij bij de onderbouwing van dit deel van het gevorderde niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht.

Met betrekking tot de presentatie van de vordering heeft de rechtbank meer in het bijzonder het volgende overwogen. In de dagvaarding heeft [eiseres] het gevorderde sub 3 als volgt in het petitum geformuleerd:

Limgroup te veroordelen om haar verplichtingen uit hoofde van de Managementovereenkomst na te komen en haar in dat kader te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] Venlo te voldoen een bedrag ad € 17.653,= exclusief BTW per maand, bestaande uit achterstallige managementfee-betalingen, alsmede tot betaling van de overeengekomen bonussen. Zulks vanaf 1 februari 2017 tot aan de datum van rechtsgeldige beëindiging van de Managementovereenkomst en te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW, zulks vanaf de dag dat Limgroup deze bedragen uit hoofde van de Managementovereenkomst aan [eiseres] Venlo verschuldigd is, tot aan de datum van algehele voldoening;”

De rechtbank begrijpt deze tekst - uitgaande van de formulering op zichzelf en de toelichting in het lichaam van de dagvaarding - aldus, dat hier van Limgroup wordt gevorderd betaling van fees en bonussen, die verschuldigd zijn vanaf 1 februari 2017, waarbij de grondslag van het gevorderde sub 3 blijkens de onderbouwing in het lichaam van de dagvaarding kennelijk is gelegen in de stelling van [eiseres] dat bij de opzegging van de managementovereenkomst een langere opzeggingstermijn dan drie maanden in acht genomen moet worden.

Deze interpretatie komt evenwel door de inhoud van het volgende processtuk van [eiseres] geheel in het luchtledige te hangen. In het lichaam van de conclusie van repliek heeft [eiseres] het gevorderde sub 3 namelijk als volgt omschreven:

Nakoming van het bepaalde in de Managementovereenkomst door gedaagden, meer specifiek betaling van een bedrag ad € 17.653,= exclusief BTW per maand vanaf 1 februari 2017 tot aan de datum van rechtsgeldige beëindiging van de Managementovereenkomst alsmede betaling van de nog verschuldigde bonussen ad € 105.142,=, te vermeerderen met de nog toe te kennen bonussen vanaf 1 januari 2017.”

De onderbouwing die [eiseres] in de conclusie van repliek hieraan heeft gegeven is vervolgens gebaseerd op de omschrijving van het gevorderde in die conclusie en niet op de omschrijving van het gevorderde in de dagvaarding. Van een eisvermeerdering conform de daaraan gestelde eisen in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering is geen sprake.

De rechtbank is van oordeel dat door de hierboven weergegeven wijze van presentatie in de conclusie van repliek wordt gesproken over een wezenlijk andere vordering dan in de dagvaarding, hoewel de weergave met zoveel woorden wordt gepresenteerd als een zakelijke weergave van het petitum. Dat laatste is het zeker niet. In de eerste plaats schrijft [eiseres] nu dat de vordering niet alleen wordt ingesteld tegen Limgroup maar tegen beide gedaagden. In de tweede plaats wil [eiseres] nu kennelijk een concreet bedrag aan bonussen vorderen, waar dat in de dagvaarding nog niet het geval was. In de derde plaats wil [eiseres] nu kennelijk (ook) betaling van bonussen vorderen welke betrekking hebben op het tijdvak gelegen vóór 1 februari 2017.

Deze wijze van presentatie levert naar het oordeel van de rechtbank een schending op van de beginselen van een behoorlijke procesorde omdat in de tekst van de conclusie wordt gesuggereerd dat een samenvatting wordt gegeven van de bij dagvaarding ingestelde vordering, wat op meerdere punten niet het geval is, en waardoor uiteindelijk onduidelijk is wat nu wordt gevorderd, waarom dat wordt gevorderd, over welk tijdvak dat wordt gevorderd en van wie dat wordt gevorderd. Dit staat op zichzelf al aan toewijzing in de weg.

Daarnaast wordt door deze inconsistente wijze van stellingname ook niet voldaan aan de op [eiseres] rustende stelplicht. Het oordeel dat niet aan de stelplicht is voldaan, wordt bovendien ingegeven door de wijze waarop de in de conclusie van repliek geponeerde som aan bonussen van € 105.142,- is onderbouwd. Onder randnummer 114 van die conclusie stelt [eiseres] welke toekenningscriteria zouden gelden voor de vaststelling van de haar toekomende bonussen. De weergave van die toekenningscriteria op zichzelf roept al zoveel vragen op, dat deze niet toetsbaar zijn. Afgezien daarvan suggereert [eiseres] onder randnummer 115 zelf niet te kunnen vaststellen hoe hoog de haar toekomende bonussen precies zijn, omdat op die plek de rechtbank wordt gevraagd de gedaagden te gelasten de concept-jaarrekening over 2016 in het geding te brengen. Het kennelijk daarover niet beschikken staat er vervolgens weer niet aan in de weg dat onder randnummers 120 en 121 toch concrete bedragen worden geponeerd, waarbij dan in randnummer 120 wel weer wordt geschreven dat “uit het voorgaande zal blijken dat”, wat er weer op lijkt te duiden dat de begrote cijfers een voorlopig karakter dragen. Tenslotte verwijst [eiseres] onder randnummer 125 naar haar productie 35 - een overzicht van de bonussen - met de mededeling dat dit een geactualiseerde versie is van de eerder door haar overgelegde productie 22, waarbij [eiseres] niet uiteenzet op basis waarvan die geactualiseerde versie is gemaakt nu in de voorgaande randnummers kennelijk wordt betoogd dat [eiseres] niet over alle benodigde informatie beschikt. Wat daar verder ook van zij, voor de rechtbank is in ieder geval niet duidelijk wat nu ter beoordeling wordt voorgelegd.

Bij dit alles komt dan nog dat [eiseres] ook in een ander opzicht niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht. Asparagus c.s. heeft in de conclusie van antwoord bij wijze van verweer gemotiveerd aangevoerd dat er - los van andere verweren - in ieder geval geen sprake kan zijn van reeds opeisbare vorderingen betreffende bonussen. [eiseres] heeft aan het aspect van opeisbaarheid van het gevorderde (daargelaten de onduidelijkheid aan haar zijde over wat nu eigenlijk precies gevorderd wordt) in de conclusie van repliek geen woord gewijd, waarna Asparagus c.s. opnieuw gemotiveerd uiteengezet heeft dat van opeisbaarheid geen sprake kan zijn. De slotsom op dit punt moet zijn dat [eiseres] in het licht van het gemotiveerde verweer van Asparagus c.s. niet aan de op haar rustende stelplicht heeft voldaan.

Kortom: het gevorderde sub 3 ligt om een reeks van redenen voor afwijzing gereed.

4.5.

De bovenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de vorderingen van [eiseres] integraal voor afwijzing gereed liggen. Hetgeen partijen meer of anders hebben aangevoerd kan als niet langer ter zake doende verder buiten beschouwing blijven.

4.6.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Asparagus c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 4.766,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Asparagus c.s. tot op heden begroot op € 4.766,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2018.1

1 type: RK coll: