Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:1465

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
03/866200-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor vervaardigen van amfetamine samen met anderen. Verduistering van bestelbus. Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866200-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 februari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.M.C. Wessels, vervangende mr. E.J . van Pelt, beiden advocaat kantoorhoudende te Zwijndrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 23 en 24 januari 2018. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 29 januari 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn op 23 en 24 januari 2018 verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: in de periode van 23 april 2015 tot en met 21 mei 2015 in Etten-Leur samen met een ander of anderen opzettelijk heeft vervaardigd/verkocht/afgeleverd/verstrekt/vervoerd/ aanwezig gehad een hoeveelheid van een materiaal amfetamine en/of MDMA.

Feit 2: in de periode van 12 mei 2015 tot en met 21 mei 2015in Breda een bus van [benadeelde] heeft verduisterd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde is bewezen. Zij baseert haar oordeel op het volgende.

In de bedrijfsruimte, gelegen aan de [adres 2] te Etten-Leur, is op 21 mei 2015 een drugslaboratorium aangetroffen. In het bedrijfspand waar het laboratorium is aangetroffen, waren behalve de verdachte meerdere personen aanwezig, die als medeverdachte zijn gedagvaard. De officier van justitie is van oordeel dat er sprake is van medeplegen.

Zij heeft geconcludeerd dat in het aangetroffen laboratorium gedurende een periode van vier weken amfetamine en/of MDMA is geproduceerd. Zij heeft in het kader daarvan verwezen naar de bevindingen van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmanteling (hierna: LFO) en het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Deze conclusie omtrent de pleegperiode heeft zij gebaseerd op een aantal getuigenverklaringen, te weten:

-de verklaringen van getuige [getuige 1] , werkzaam bij het naastgelegen loodgietersbedrijf, een maand eerder materialen was komen halen bij het loodgietersbedrijf die te linken zouden kunnen zijn aan het laboratorium respectievelijk dat hij 1,5 week voordat hij werd verhoord door zes mensen werd tegengehouden toen hij naar het achterste deel van het pand [adres 2] wilde lopen en sinds 1,5 à 2 weken een vreemde lucht werd geroken door de medewerkers van het loodgietersbedrijf;

-getuige [getuige 2] , verhuurder van het pand, die heeft verklaard dat hij 4 weken vóór 23 mei 2015 in het pand is geweest, dat er toen een wandje werd geplaatst en er verder niets aan de hand was;

-getuige [getuige 3] die enkele weken na 1 april 2015 niet meer overal in het pand mocht komen en drie weken vóór 21 mei 2015 een blauw vat zag staan;

-getuige [getuige 4] die heeft verklaard dat hij een paar weken voor zijn verhoor een grote tank voor het pand van de buren zag staan;

-de verdachte heeft verklaard dat 4 weken voor zijn verhoor op 24 mei 2015 een RVS ketel is aangeleverd.

Voorts heeft de officier van justitie haar oordeel gebaseerd op het volgende;

-de verdachte werd aangehouden terwijl hij bezig is met het schoonmaken van de bus van het merk Mercedes, type Vito, kenteken [kenteken 1] ; deze bus ruikt naar de chemische stoffen die gebruikt worden bij de productie van verdovende middelen;

-de verdachte huurde het pand, gelegen aan [adres 2] te Etten-Leur, sinds 16 maart 2015;

-getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de verdachte deel uitmaakt van de groep Limburgers;

-getuige [getuige 4] heeft verklaard dat [verdachte] (zijnde de verdachte) en de jongens samen enkele weken geleden een boor kwamen lenen om een afvoer te maken;

-er is vanaf 26 februari 2015 veelvuldig telefoonverkeer - met gebruikmaking van versluierd taalgebruik - tussen het nummer van [verdachte] en het telefoonnummer met als contactvermelding “ [medeverdachte 2] ”, waaronder het sms-verkeer waarbij is vermeld dat “die F er pas om 1 uur is”; het vermoeden bestaat dat daarmee wordt geduid op formamide en een bericht van 27 maart 2015 waarin de verzender, zeer waarschijnlijk zijnde de verdachte, zich aan [medeverdachte 2] aanbiedt als zijn assistent;

-in de telefoon van de verdachte zijn meerdere zoekopdrachten aangetroffen betreffende zaken die zijn te relateren aan de inrichting van laboratoria, zoals de zoekopdrachten van

6 en 9 mei 2015 en er is een lijst van notities aangetroffen van zoekopdrachten naar bedrijven, mogelijk in verband met de inrichting van het laboratorium, gedateerd tussen 22 april 2015 en 13 mei 2015;

-de verdachte heeft op 24 mei 2015 verklaard dat hij een week of vier geleden een metalen ketel heeft uitgeladen, dat hij meermalen spullen heeft binnengezet en dat hij huurder van de bus is waarin ter plaatse een aantal jerrycans is aangetroffen.

De officier van justitie acht ook het onder 2 tenlastegelegde bewezen. Zij baseert zich hierbij op:

- de aangifte van [benadeelde] ;

- het aantreffen van de bus op 21 mei 2015 bij [adres 2] te Etten-Leur in het bijzijn van de verdachte, terwijl hij geen zichtbare bewegingen heeft gemaakt waaruit zou kunnen blijken dat hij voornemens was de bus terug te brengen;

- de verklaring van de verdachte inhoudende dat hij degene was die de bus heeft gehuurd en meermalen is gebeld door het bedrijf van de verhuurder met het verzoek de bus te retourneren.

De officier van justitie is dan ook van mening dat er sprake is van wederrechtelijke toe-eigening van de bus, nu de huurtermijn was verlopen en de verdachte nog steeds beschikte over de bus. Ondanks meermalen te zijn gesommeerd heeft hij deze niet teruggebracht naar het verhuurbedrijf.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman voert met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde aan dat de verdachte ontkent op enigerlei wijze bij de productie van harddrugs betrokken te zijn geweest. Hij heeft slechts het gedeelte van het door hem gehuurde pand waar zaken zijn aangetroffen die volgens politie en justitie mogelijk duiden op het produceren van harddrugs, doorverhuurd.

Dat de verdachte inderdaad niets met de productie van drugs te maken had, is volgens de raadsman logisch omdat pas met de productie daarvan is begonnen nadat een tussenwand is geplaatst in de bedrijfsruimte en de sloten waren vervangen.

Getuige [getuige 2] , verhuurder van het pand, heeft verklaard dat vier weken vóór 23 mei 2015 het wandje is geplaatst en er toen nog niets aan de hand was. Het achterste deel van de bedrijfsruimte was afgesloten met de tussenwand en de verdachte heeft nooit een sleutel van de deur van de tussenwand gehad.

Verder hebben de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] niets belastends over de verdachte verklaard en levert het onderzoek aan/in de telefoon van de verdachte niets belastends op. Ook zijn er geen DNA-sporen of vingerafdrukken van de verdachte aangetroffen in het drugslaboratorium. Uit de sms-contacten met [medeverdachte 2] kan niet worden afgeleid dat de verdachte betrokken was bij het drugslaboratorium of ervan op de hoogte was dat dit laboratorium aanwezig was in de door hem onderverhuurde ruimte. Dat de auto die door de verdachte werd schoongemaakt op het moment dat hij werd aangehouden rook naar chemicaliën, was niet te wijten aan drugs, maar had te maken met chemicaliën die gebruikt worden door het dakdekkersbedrijf waarvan de auto eigendom was. Het onder

1 tenlastegelegde kan alleen al daarom niet worden bewezen.

Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat de officier van justitie heeft aangevoerd dat de verdachte volgens [getuige 3] deel uitmaakte van “de groep Limburgers”. De raadsman acht dit niet juist, hetgeen blijkt uit het feit dat [getuige 3] de verdachte op 21 mei 2015 heeft aangesproken als huurder van een deel van het bedrijfspand en niet ten aanzien van het gehele pand.

Van versluierd taalgebruik in het sms-verkeer tussen [medeverdachte 2] en de verdachte is volgens de raadsman geen sprake. Er wordt in de berichten nergens gesproken over drugs en de verdachte kan uitleg geven over alle termen waarvan de officier van justitie heeft aangevoerd dat dit verhullend taalgebruik betreft, bijvoorbeeld over wat “zakkers” zijn. De raadsman heeft aangegeven dat hij de officier van justitie niet heeft horen zeggen wat “zakkers” zou betekenen in drugsjargon. Bovendien heeft zij niet aangegeven in welke passages verhullend taalgebruik is gebezigd.

Dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft medegepleegd kan evenmin worden bewezen. Uit het dossier blijkt niet dat gesproken kan worden van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten.

De verdediging verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte op 12 mei 2015 de bus heeft gehuurd. De huurperiode liep tot 14 mei 2015. Op deze datum heeft de verdachte met de verhuurder afgesproken dat de bus op 18 mei 2015 zou worden teruggebracht. Dat heeft hij niet gedaan, maar hij is niet meer in de gelegenheid geweest om de bus te retourneren, omdat hij op 21 mei 2015 is aangehouden. De verdachte heeft de huurauto niet verduisterd, nu de verdachte ten gevolge van overmacht - hij was aangehouden dor de politie – niet in staat was de bus terug te brengen.

De raadsman verzoekt de rechtbank de verdachte om deze reden te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Subsidiair verzoekt de raadsman de verdachte vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde, nu niet bewezen kan worden dat de verdachte het opzet had op wederrechtelijke toe-eigening van de bus.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

Met betrekking tot het onder 1. tenlastegelegde

Ten aanzien van het bewijs

Inleiding

Op 21 mei 2015 meldde de getuige [getuige 3] (hierna te noemen: [getuige 3] ) zich aan het politiebureau te Etten-Leur. [getuige 3] verklaarde dat er op het adres [adres 2] te Etten-Leur mogelijk illegale praktijken plaatsvonden, met betrekking tot het dealen, produceren en/of vervaardigen van drugs.2

De rechtbank merkt op dat aan het procesdossier een plattegrond van de loods is toegevoegd, waarbij in ‘ruimte A’ en ‘ruimte B’ het drugslaboratorium en de productieruimte is aangetroffen. Daarnaast is aan het procesdossier een aanvullende fotomap toegevoegd. Op deze foto’s is de gehele situatie ter plaatse in kaart gebracht. Op foto 14 is de deur naar het laboratoriumoratorium in ruimte A zichtbaar. Op foto 36 is de toegang naar laboratoriumruimte B zichtbaar. Op de foto’s 38 en 39 is de nooduitgang aan de zijkant van de loods zichtbaar.3

Ter plaatse

Verbalisant [verbalisant 1] is met collega’s naar aanleiding van bovenstaande melding naar vorengenoemd adres gegaan. Toen zij ter plaatse kwamen, trof verbalisant [verbalisant 1] een bestelbus van het merk Mercedes Sprinter met het kenteken [kenteken 2] aan. Deze bestelbus stond met de voorzijde richting de straat en de achterzijde stond met de geopende laadruimte voor een opening van het bedrijfspand. Verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben vervolgens het bedrijfspand betreden. [verbalisant 1] rook in de loods een penetrante chemische lucht en herkende deze lucht ambtshalve als de geur van een drugslaboratorium. Op de zolderverdieping van de loods was een afzuiginstallatie aanwezig, die boven de afgesloten ruimte op de begane grond stond.4

Verbalisant [verbalisant 4] is eveneens ter plaatse gegaan en heeft gerelateerd dat hij in het pand een chemische lucht rook, welke chemische lucht sterker werd naarmate hij verder het pand betrad. In het achterste gedeelte van het pand was een wand geplaatst, met daarin een deur. Deze deur was afgesloten. De verbalisant is hierop naar de achterzijde van het pand gelopen. Via de achterzijde is hij vervolgens naar de rechterzijdekant gelopen. Hij zag dat aan de rechterzijde, bijna tegen de achterwand, een toegangsdeur naar het pand was. Deze deur stond open. Uit deze deur kwam een chemische walm die naar zoutzuur rook. Hij zag drie blauwe 100-litervaten en 50 zwarte en 20 blauwe 20-liter jerrycans met gevaaretiketten. Hij hoorde een zoemend geluid dat erop duidde dat een chemisch proces werkzaam was. Aan de achterzijde van het pand was het bedrijfsterrein afgezet met een gaashekwerk. Dit gaashekwerk was kapot getrokken, kennelijk doordat iemand in grote haast erover heen was geklommen. Er lag een bruine werkschoen van het merk Cat onder het hek. Kennelijk had een verdachte, vanuit de achterdeur gevlucht over het hek, een schoen verloren. Deze schoen lag er duidelijk nog niet lang.5

Verbalisant [verbalisant 5] is ter plaatse gegaan. Hij zag aan de voorzijde van het pand op de oprit een witte Sprinter voor een openstaande roldeur staan. Aan de linkerzijde van het pand stond een Mercedes Vito, kenteken [kenteken 1] , geparkeerd met de neus richting straatzijde, naast een openstaande roldeur. Hij zag dat de verdachte bezig was met het uitspuiten van de laadruimte van de Vito met een hogedrukspuit. Verbalisant rook een enorm sterke chemische lucht. Hij herkende deze lucht als mogelijk een lucht die ontstaat bij het produceren van harddrugs door het gebruik van chemische stoffen. De verdachte werd aangehouden.

Verbalisant zag in de loods van het bedrijfspand een Mazda 323F, kenteken [kenteken 3] en een Seat Ibiza, kenteken [kenteken 4] , staan.6

[expert 1] , senior LFO-expert, heeft, vergezeld van LFO-collega’s [expert 2] en [expert 3] op 21 mei 2015 een onderzoek ingesteld op de betreffende locatie. Zij zagen:

-links naast de entree aan de voorzijde van [adres 2] te Etten-Leur een witte Mercedes bestelbus, kenteken [kenteken 2] waar achterin negen witte jerrycans met een onbekende heldere vloeistof tegen de achterwand en de zijdeur waren opgesteld. (Indicatief) onderzoek met identificatieapparatuur van de LFO leverde op dat het zeer waarschijnlijk om formamide ging, zijnde een basisstof voor de vervaardiging van amfetamine, samen met de precursor BMK en mierenzuur;

-achter de roldeur een grote open ruimte waarin twee personenauto’s stonden met kenteken [kenteken 3] respectievelijk [kenteken 4] ;

-nabij de Seat ( [kenteken 4] ) een buitendeur in de zijgevel die open stond. Daar die deur liep een slang van een stoomcleaner naar buiten richting een Mercedes Vito, kenteken [kenteken 1] . Zomer rook in de laadruimte een amfetamine-achtige geur; in de Seat stonden op de achterbank en in de laadruimte drie propaangasflessen en vier jerrycans met heldere vloeistof met de letter F op de jerrycan. (Indicatief) onderzoek met identificatieapparatuur van de LFO leverde op dat het zeer waarschijnlijk formamide betreft;

-achter deze personenauto een smalle opening in de wand die toegang gaf tot een tweede deel van de loods waarin een aanhanger met afval stond en een rode heftruck;

-op de eerste verdieping een flinke damp;

-twee luchtzuivering afvoerpompen die via twee pijpen en afvoerslangen vervuilde lucht uit de ruimte achter koelceldelen op de begane grond naar buiten leidden;

-in de ruimte achter de koelcelpaneeldelen een synthetisch laboratorium. Daarin was een kleinere ruimte gecreëerd waarin twee blauwe kunststof 200-litervaten stonden waarin zich een chemische reactie afspeelde en die verwarmd werden met industriële dekens. Er hing een witte zoutzuurdamp.

-naast de kleinere ruimte een stalen ketel in een refluxopstelling, inhoud 600 à 700 liter, twee werkbanken met hardware, een opvangtank en een ketel, twee 25-kilogramzakken met fijn wit poeder, door Zomer herkend als APAAN, vaten en gaspropaanflessen die gebruikt worden in het amfetamineproces en stoffen die qua proces thuishoren bij MDMA.

Er zijn spoedmonsters genomen ter identificatie van de stoffen middels FirstDefender en TruNarc. Daaruit bleek dat de aangetroffen stoffen APAAN, (driemaal) amfetamineolie,

N-formylamfetamine of amfetaminesulfaat betroffen. Monsternummering: A-1, A-2, A-3, A-4, B-1, B-2.

De conclusie van de LFO luidt dan ook dat in de loods aan de [adres 2] te Etten-Leur in de achterste ruimte op de begane grond een afgeschermd amfetamine drugslaboratorium ofwel een productieruimte in bedrijf was. In deze ruimte was de tweede fase van het amfetamineproductieproces in twee 200-liter gevulde vaten gaande. Mogelijk dat enkele honderden liters amfetamineolie in de vaten dan wel jerrycans aanwezig waren. De aanwezigheid van een professioneel laboratorium van deze (grote) schaalgrootte in een loods zeer nabij belendende percelen van buurbedrijven en dichtbij gelegen woningen aan de overzijde is zeer risicovol in verband met brand, explosie, explosie en het vrijkomen van grote hoeveelheden giftige en bijtende dampen, aldus de verbalisant van de LFO.7

Het NFI heeft geconcludeerd dat in het onderzoeksmateriaal, monster A-1-1a APAAN bevat; A-3-a bevat N-formylamfetamine en; B-2a bevat amfetamine.8

Voorts heeft het NFI geconcludeerd dat in het onderzoeksmateriaal, te weten monsters van de aangetroffen (vloei)stoffen), BMK, PMK, safrol, isosafrol, APAAN, aceton, zwavelzuur, zoutzuur, diëthylether en piperonal is aangetoond. Een groot deel van het onderzoeksmateriaal is kenmerkend voor de vervaardiging van BMK uit APAAN en/of de vervaardiging van amfetamine uit BMK met de Leuckartmethode. Een beperkt deel van het onderzoeksmateriaal is te relateren aan de vervaardiging van PMK en/of MDMA.9

Door de technische recherche van de afdeling Forensische Opsporing werden in de voorruimte van het laboratorium en in beide laboratorium sporen veilig gesteld en naar het NFI gezonden. In de voorruimte van het laboratorium werd een aanhangwagen met afval aangetroffen. In het afval bevonden zich een aantal peuken en gebruikte drinkblikjes. Een aantal daarvan werd bemonsterd.

In laboratoriumruimte I stonden linksvoor blauwe en witte vaten. Op de blauwe vaten werd een volgelaatsmasker aangetroffen en bemonsterd. In de laboratoriumruimten I en II werden handschoenen en peuken aangetroffen en bemonsterd. In laboratoriumruimte I werd in een groene ton, gebruikt als afvalbak, een aantal blikjes aangetroffen en bemonsterd.

Ook in de in de loods aangetroffen voertuigen, kenteken [kenteken 3] (Mazda) respectievelijk

[kenteken 4] (Seat), werd sporenonderzoek verricht.10

Op diverse plaatsen in de Mazda zijn peuken aangetroffen. Deze peuken zijn bemonsterd.11

Met betrekking tot de sporen, aangetroffen tijdens het sporenonderzoek naar biologische sporen d.d. 24 juni 2015, verricht in de DNA-vooronderzoeksruimte van de politie, zijn de oorspronkelijke SIN-nummers van een drietal peuken gewijzigd.12

Het NFI heeft de monsters verzonden naar Verilabs. Verilabs heeft onderzoek verricht naar het door hen van het NFI ontvangen materiaal, onder meer bestaande uit een aantal paar handschoenen en een masker. Uit dit onderzoek is gebleken dat op het onderzochte materiaal celmateriaal aanwezig is dat afkomstig kan zijn van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . 13

Verilabs heeft ook onderzoek verricht naar het door hen van het NFI ontvangen materiaal betreffende de bemonstering van de in de loods aangetroffen blikjes en peuken. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat op een blikje Red Bull celmateriaal is aangetroffen met een DNA-profiel dat overeenkomt met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] . Op vier blikjes en op drie peuken is celmateriaal aangetroffen met een DNA-profiel dat overeenkomt met het DNA-profiel van de medeverdachte [medeverdachte 2] . In alle gevallen met een berekende frequentie van het profiel kleiner dan één op één miljard.14

Aantreffen van de verdachte en de medeverdachten

Op 21 mei 2015 werd de verdachte bij aangetroffen en aangehouden. De medeverdachte [medeverdachte 2] werd aangetroffen op de bovenverdieping van de loods, verstopt achter een doos.15 Hij was in het bezit van sleutels van het pand, waaronder de sleutel die toegang gaf tot het de ruimte waarin het laboratorium was gevestigd.16

Aan de verdachte werd gevraagd of er mogelijk meerdere personen via de achterzijde van het pand waren gevlucht. Hij bevestigde dit. Hij wist dat dit de broer van [medeverdachte 2] was.

Verbalisant [verbalisant 6] is naar aanleiding van de melding dat er mogelijk een verdachte was weggevlucht vanaf het adres [adres 2] te Etten-Leur in de omgeving gaan zoeken. Naar aanleiding van een Burgernet-melding heeft verbalisant [verbalisant 6] in het Oderkerkpark achter Hotel Het witte Paard twee mannen aangetroffen die voldeden aan het gegeven signalement van de melding. De mannen roken naar chemicaliën, een penetrante chemische geur die werd herkend als de geur van amfetamine. Zij bleken te zijn de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Beiden werden vervolgens aangehouden.17 Tijdens het vervoer van hen was de geur van chemicaliën zo sterk dat alle ramen van de auto open moesten.18

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting van 23 januari 2018 verklaard dat hij het bedrijfspand, gelegen aan [adres 2] te Etten-Leur, per 1 april 2015 heeft gehuurd van de heer [getuige 2] om in dat pand zijn bedrijf, genaamd [bedrijfsnaam 1] , te vestigen. Het huurcontract is getekend op 16 maart 2015. Hij heeft op die dag de sleutel gekregen. De verdachte zou zich gaan bezig houden met het “uitdeuken van auto’s zonder spuiten”.19

De huurovereenkomst is gesloten tussen [getuige 2] en [bedrijfsnaam 1] , welk bedrijf volgens de huurovereenkomst rechtsgeldig werd vertegenwoordigd door de verdachte ( [kvk nummer] ). De huurovereenkomst is getekend op 16 maart 2015.20

De verdachte heeft ter terechtzitting van 23 januari 2018 verklaard dat hij gerechtigd was delen van het door hem gehuurde pand aan derden onder te verhuren. Hij heeft daartoe personen benaderd en een gedeelte van de eerste etage per 1 april 2015 verhuurd aan de heer [getuige 3] , die er zijn winkel in visbenodigdheden vestigde, genaamd “ [bedrijfsnaam 2] ”. Sinds half april 2015 heeft hij aan de medeverdachte [medeverdachte 2] het gedeelte van de begane grond achter zijn eigen bedrijfsruimte en een gedeelte van de eerste etage, achter de viswinkel, verhuurd. Er is geen huurcontract opgemaakt. [medeverdachte 2] is meteen met inrichten begonnen. Drie weken daarna kwam [medeverdachte 1] in beeld. Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij [medeverdachte 2] omstreeks april heeft leren kennen via [medeverdachte 1] , een vage bekende van hem uit Etten Leur. [medeverdachte 1] is een paar keer in het pand is geweest. Hij hielp met sjouwen. Hij droeg werkkleding

[medeverdachte 2] had sleutels van het pand en ook van de viswinkel. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij nadat [getuige 3] hem had aangesproken over zijn vermoeden dat er illegale bezigheden in de loods plaatsvonden en dat hij de politie wilde inschakelen, de “jongens uit Limburg” heeft gebeld en gezegd dat zij moesten komen. [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] zijn een tijd later gearriveerd bij [adres 2] te Etten-Leur. De verdachte zag daarna dat de witte gehuurde Mercedesbus met de achterdeuren gericht naar het pand geparkeerd stond. [medeverdachte 2] , de verdachte en een rossig ventje waren bij het bedrijf. Zij wilden de deur van het door hen gehuurde deel van het pand niet openen. Op het moment dat de politie op 21 mei 2018 bij de loods aankwam, was de verdachte bezig de Mercedes Vito, die bij de loods stond geparkeerd, met chemicaliën met behulp van een stoomapparaat te ontdoen van de gaslucht, die erin hing.21

Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij [medeverdachte 2] heeft geholpen met het lossen en verplaatsen van materialen. Hij heeft een roestvrijstalen ketel uitgeladen en met de heftruck naar het achterste gedeelte van de door [medeverdachte 2] gehuurde ruimte gereden en daar neer gezet. Ook heeft hij een paar kleine roestvrijstalen tankjes uit een Mercedes Sprinterbusje gehaald. Verder heeft hij geholpen met het plaatsen van een afscheidingswand en heeft hij een bus gehuurd, een witte Mercedes Sprinter, kenteken [kenteken 2] . Hij heeft ook verklaard dat hij de stoomreiniger heeft aangeschaft. Op de zitting heeft hij verklaard dat die door de “jongens uit Limburg” werden gebruikt.

Twee à drie weken voor het verhoor d.d. 24 mei 2015 van de verdachte heeft hij gezien dat een groot, leeg, nieuw, ongebruikt blauw vat voor de deur stond. Hij heeft dit vat bij [medeverdachte 2] in de ruimte gezet. Ook heeft hij een week of drie voor de datum van genoemd verhoor tien zwarte cans van twintig of dertig liter met opschrift “Brenntag” en een vlaggetje, gebracht op een pallet in een witte bus, gelost met de heftruck en een week voorafgaand aan het verhoor vier grote, lege, blauwe vaten die waren geleverd voor [medeverdachte 2] , binnen gezet. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij een keer een stinkende, chemische lucht heeft geroken.22

De getuigenverklaringen

Getuige [getuige 2] , eigenaar van het pand gelegen aan [adres 2] te Etten-Leur heeft verklaard dat hij het pand vanaf april 2015 heeft verhuurd aan [verdachte] . Het contract is op 16 maart 2015 getekend. [verdachte] heeft toen de sleutel gekregen. De laatste keer dat hij in het pand was, ongeveer vier weken voorafgaand aan het verhoor van 23 mei 2015, waren ze een wandje aan het plaatsen.23

Getuige [getuige 3] heeft ongeveer drie weken voor zijn verhoor d.d. 21 mei 2015 een groot blauw vat waar een slang uitkwam op een sokkel zien staan. Tien dagen later stond het ineens achter de viswinkel, met ernaast een pijpje met een stekker. Ook heeft hij verklaard dat [verdachte] hem heeft verteld dat “beneden wat Limburgers” zaten. [verdachte] was de enige Brabander in die groep.

In de tweede week van april heeft [verdachte] een stoomreiniger heeft gekocht, die bij de Limburgers stond. Zij gebruikten de stoomreiniger bijna elke dag. [getuige 3] merkte opeens dat de deuren, zelfs de nooduitgang, vergrendeld waren.24

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat een paar jongens en de verdachte eind maart 2015 een boor kwamen lenen om een gat te boren. Zij wilden een afvoer aansluiten. Een paar weken voor zijn verhoor d.d. 21 mei 2015 zag hij een grote kunststof bak staan bij [adres 2] .25

Een medewerker van [bedrijfsnaam 3] is ongeveer anderhalve week vóór 21 mei 2015 in de loods, gelegen aan [adres 2] , geweest. Toen hij het achterste deel van de loods in wilde lopen werd hij door zes personen tegengehouden. Sinds anderhalf à twee weken wordt er door meerdere medewerkers een chemische lucht geroken.

Het sms-verkeer tussen de medeverdachten [medeverdachte 2] en [verdachte]

Er werd een groot aantal sms-berichten verzonden tussen de telefoon van de verdachte

( [telefoonnummer 1] )26 en twee telefoons van [medeverdachte 2] [telefoonnummer] en

[telefoonnummer 2] ).27 Deze gesprekken zijn geruime tijd voor de tenlastegelegde periode gestart. Reeds voordat de verdachte het pand aan de [adres 2] heeft gehuurd, heeft hij samen met [medeverdachte 2] een businessplan opgesteld, zoals is gebleken uit de sms-berichten.

De inhoud van een aantal van deze gesprekken luidt als volgt.

  • -

    7-3-2015, 22:37:18, (verzonden): Hoi collega, ik ben druk met business plan voor de op te richten ondernemingen, vordert goed!...;

  • -

    8-3-2015, 9:29:49, (lezen): Goedesmorgens collega. Als je je aant vervelen bent mag j ook eens kijken voor goedkope woongelegenheid ergens in het midden van het zuiden en roosendaal.;

  • -

    27-3-2015, 17:44:45, (verzonden): Daar ben ik heel blij mee en het mee eens, ik ben ook een voorstander van dat ik jouw assistent wordt en blijft voor het opruimen en bijhouden van alles. Denk dat wij wel als team kunnen functioneren. En dan bedoel ik GOED functioneren.;

  • -

    28-3-2015, 11:00:06 (lezen): …Dadelijk ff contacten met mannetjes en dan zien we weer verder;

  • -

    30-3-2015, 18:01:52 (lezen): Yup is perfect Verder niks zeggen. Dat eene is ook geregeld…;

  • -

    11-4-2015, 9:11:51 (lezen): Goedemorgen collega. Beetje goed geslapen? Bro gaat toch eerst Door naar jullie in plaats van naar het zuiden…”;

  • -

    19-5-2015, 11:07:50 (lezen): Er mag niet meer alleen in de spuitcabine gewerkt worden. Dus jij bent er vandaag of er moet gewacht worden.

  • -

    19-5-2015, 17:50:52 (verzonden): “Nee, morgen is goed, vroeg het omdat bro verder wil maar ik wil wachten dat jij er bent. Straks zit die car weer helemaal onder de zakkers en dat willen we niet toch...”;

  • -

    19-5-2015, 17:58:31 (verzonden): Hij stuurt mij net dat hij weer aan de slag wilt, neem jij contact met hem op? [telefoonnummer 3] ;

  • -

    19-5-2015, 18:18:29 (lezen): Zou dat wel het liefste willen maar die f is er pas om 1uur;

  • -

    19-5-2015, 18:32:24 (lezen): Morgen zijn alle ontbrekende kleuren daar…

  • -

    21-5-2015, 7:42:16 (lezen): Zijn jongens nog niet daar?28;

19-5-2015, 12:47:43 (lezen): Zit jij zuid? Ik heb heel erg dringend geld nodig om paar rekeningen te betalen zéér dringend!!29

Naast het sms-verkeer tussen de verdachte en [medeverdachte 2] is bij het onderzoek aan de telefoon van de verdachte verder gebleken dat hij veelvuldig sites heeft opgezocht die gerelateerd kunnen worden aan het produceren van synthetische drugs.30

Overwegingen ten aanzien van het sms-verkeer

Nu de [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] broers zijn en zij beiden met het amfetaminelaboratorium in het pand aan de [adres 2] in verband kunnen worden gebracht, acht de rechtbank het aannemelijk dat met “bro” de medeverdachte [medeverdachte 1] wordt bedoeld.

Uit de hiervoren aangehaalde sms-berichten blijkt niet alleen dat de verdachte heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] , maar dat ook [medeverdachte 1] bij de werkzaamheden betrokken is geweest.

De rechtbank stelt verder vast dat in het sms-verkeer verhullend taalgebruik wordt gebezigd, zoals bijvoorbeeld: “Dat eene is ook geregeld”, “Straks zit die car weer helemaal onder de zakkers”, “morgen zijn alle ontbrekende kleuren daar …” en “die f is er pas om 1 uur”.

Oordeel van de rechtbank met betrekking tot het bewijs voor feit 1

Vervaardigen

Er is een in werking zijnde productielocatie voor synthetische drugs aangetroffen op het adres [adres 2] te Etten-Leur zo blijkt uit de bevindingen van de LFO. Ook werden er een groot aantal materialen en (grond)stoffen bestemd voor de vervaardiging van synthetische drugs aangetroffen. In een geval dat een amfetaminelaboratorium wordt aangetroffen, waarbij het productieproces nog in volle omvang gaande is, als in casu het geval, dient het geheel van handelingen ten behoeve van de productie onder het begrip “vervaardigen” te worden begrepen. Dat er ter plaatse amfetamine werd vervaardigd, is naar het oordeel van de rechtbank van bovenstaande bewijsmiddelen genoegzaam komen vast te staan.

Medeplegen

Uit de bovengenoemde bewijsmiddelen is de rechtbank gebleken dat de verdachte een substantiële rol heeft vervuld bij de productie van synthetische drugs op de [adres 2] te Etten-Leur. Hij heeft gezorgd voor een locatie en meegeholpen om de locatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Hij heeft een vervoermiddel geregeld voor aanvoer van materialen voor de productie. Hij is reeds vanaf eind februari 2015, gezien het sms-verkeer met [medeverdachte 2] , samen met [medeverdachte 2] bezig geweest met de planning en het regelen van de activiteiten ter plaatse.

De rechtbank is op basis van bovenstaande bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] amfetamine en MDMA heeft vervaardigd in het pand, gelegen aan [adres 2] te Etten-Leur.

De periode

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat de verdachte in de tenlastegelegde periode betrokken was bij de vervaardiging van amfetamine en MDMA in het drugslaboratoriumoratorium. Zij baseert haar oordeel op de verklaringen van

  • -

    de verdachte, inhoudend dat hij het bedrijfspand, gelegen aan [adres 2] te Etten-Leur vanaf 16 maart 2015 heeft gehuurd van [getuige 2] en medeverdachte [medeverdachte 2] het achterste deel van de loods heeft gehuurd vanaf half april 2015 en deze meteen begon met inrichten; de verdachte heeft vanaf dat moment geholpen met de inrichting van het laboratorium zoals hiervoren is gebleken;

  • -

    de verklaring van [getuige 2] , inhoudend dat ongeveer vier weken vóór 23 mei 2015 een wandje is geplaats in de bedrijfsruimte;

  • -

    de verklaring van [getuige 3] , inhoudend dat hij drie weken vóór 21 mei 2015 een groot blauw vat waar een slang uitkwam, op een sokkel zag staan en dat vanaf de tweede week van april dagelijks een stoomreiniger die bij de Limburgers stond, werd gebruikt, alsmede de verklaring van [getuige 3] dat hij in het begin van de huurperiode overal in het pand kon komen, maar op een gegeven moment niet meer omdat er sloten op de deuren waren geplaatst.

De verklaring van de verdachte op de zitting

Dat de verdachte ter plaatse enkel bezig zou zijn geweest met het “uitdeuken zonder spuiten”, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden.

Feit 2
Ten aanzien van de bewijsmiddelen

Op 22 mei 2015 deed [benadeelde] aangifte van verduistering van een bus voorzien van kenteken [kenteken 2] . Hij heeft verklaard dat de verdachte bij hem op kantoor kwam om een bus te huren tot en met 14 mei 2015. Hij liet de verdachte een contract ondertekenen en gaf hem de bus mee. Op 14 mei 2015 is telefonisch afgesproken dat hij de bus op 18 mei 2015 zou terugbrengen. Dat heeft hij niet gedaan. De verdachte was vanaf 18 mei niet meer telefonisch bereikbaar.

Op 22 mei 2015 heeft [benadeelde] op de GPS van de bus gekeken en gezien dat de bus in Breda stond. In de geschiedenis van de GPS zag hij dat hij van tevoren in Etten-Leur op de [adres 2] stond. Het adres in Breda bleek het beslaghuis te zijn.31

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de Mercedesbus, kenteken [kenteken 2] , heeft gehuurd voor [medeverdachte 2] . Hij is samen met een ander naar het verhuurbedrijf gereden. Omdat de andere persoon zich niet kon legitimeren, heeft de verdachte zijn rijbewijs aan de verhuurder getoond en de bus op zijn naam gehuurd. Nadat hij de bus niet op de afgesproken datum heeft teruggebracht, heeft de verhuurder hem gebeld. Hij heeft dit doorgegeven aan [medeverdachte 2] . Die heeft niets met deze informatie gedaan.

Oordeel van de rechtbank met betrekking tot het bewijs voor feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte niet de kans heeft gekregen om de bus te retourneren. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu de verdachte eerst op 21 mei 2015 in voorlopige hechtenis is genomen en hij vóór de afgesproken datum van 18 mei 2015 ruimschoots in de gelegenheid is geweest de bus terug te brengen. Hiertoe is de verdachte evenwel niet toe overgegaan, noch heeft hij hiertoe aanstalten gemaakt.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het opzet op wederrechtelijke toe-eigening ontbrak.

Vastgesteld kan worden dat de verdachte de bus niet tijdig heeft teruggebracht naar het verhuurbedrijf, hoewel hij daartoe gesommeerd was en in de gelegenheid is geweest om aan zijn verplichting te voldoen. Nu hij wist, na de sommaties van de verhuurder, van zijn nalatigheid, is de rechtbank van oordeel dat hij de bus opzettelijk onder zich heeft gehouden. De rechtbank verwerpt ook dit verweer van de raadsman.

De rechtbank is op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen en wat zij hiervoor heeft overwogen, van oordeel dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 23 april 2015 tot en met 21 mei 2015 in de gemeente Etten-Leur tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervaardigd een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en MDMA, zijnde amfetamine en MDMA middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

in de periode van 18 mei 2015 tot en met 21 mei 2015 in de gemeente Etten-Leur, in elk geval in Nederland, opzettelijk een voertuig, bus, kenteken [kenteken 2] , toebehorende aan

[benadeelde] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

met betrekking tot feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder D, van de Opiumwet gegeven verbod;

met betrekking tot feit 2:

verduistering.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest. Zij heeft bij haar strafeis rekening gehouden met de initiërende rol die verdachte heeft gespeeld in het geheel: het huurcontract van de bedrijfsruimte stond op zijn naam en hij heeft contact gezocht met de medeverdachten en onder meer per sms uitgebreid contact onderhouden met de medeverdachte [medeverdachte 2] .

Verder heeft zij bij de strafeis rekening gehouden met het tijdsverloop sinds de datum van het tenlastegelegde en met het strafblad van de verdachte, waar geen drugsgerelateerde feiten op staan vermeld.

De officier van justitie heeft medegedeeld dat feit 2 van weinig invloed is op de strafmaat.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de redelijke termijn waarbinnen een verdachte dient te zijn berecht, als vernoemd in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), met een half jaar is overschreden. De overschrijding van de termijn kan niet aan de verdachte worden toegerekend.

De raadsman verzoekt de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

Indien de rechtbank tot een veroordeling komt, verzoekt hij de rechtbank, gezien de overschrijding van de redelijke termijn, een eventueel aan de verdachte op te leggen straf aanzienlijk lager vast te stellen dan de strafeis van de officier van justitie luidt. Bij de strafoplegging dient volgens de raadsman rekening te worden gehouden met het strafblad van de verdachte, waar geen drugsgerelateerde feiten op staan. Hij acht een taakstraf passend.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft met de medeverdachten synthetische drugs vervaardigd. Daarnaast heeft hij een door hem gehuurde bus verduisterd door deze na afloop van de huurperiode niet aan de verhuurder terug te bezorgen.

Het is algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs grote gezondheidsrisico’s met zich meebrengt voor de gebruikers van deze drugs. Immers het gebruik van deze drugs kan leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving en, bij overdosis, zelfs tot de dood van de gebruiker. Eenmaal verslaafd plegen de gebruikers veelal misdrijven om aan geld te komen om in hun verslaving te kunnen voorzien, waardoor er in de maatschappij “criminele inktvlekken” ontstaan. Daarnaast brengt deze productie vrijwel altijd schade toe aan de eigenaren van de onroerende zaken die voor deze productie gebruikt worden. Dit was zo ook hier het geval. Het chemisch afval dat ontstaat bij deze productie wordt vrijwel altijd illegaal gedumpt, waardoor het milieu schade ondervindt en belast wordt en waarbij er in de regel veel geld, tijd en energie geïnvesteerd moet worden om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te mitigeren. Ook in deze zaak zijn er schadelijke stoffen op en in de bodem gebracht die voor de nodige opruimkosten hebben gezorgd. Bovendien legt op het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het geding kan komen. Kortom, de productie van synthetische drugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. Aan dit alles heeft de verdachte door zijn handelen een bijdrage geleverd.

De vervaardiging van de synthetische drugs in Etten-Leur heeft plaatsgevonden in een door de verdachte gehuurd bedrijfspand. De als drugslaboratorium ingerichte ruimte van dit pand was groot en de gebruikte productiemiddelen en –apparatuur waren op professionele wijze opgeslagen en opgesteld. Niet kan worden vastgesteld hoeveel amfetamine is bereid, maar gezien de aanwezige goederen betrof het een grootschalig productieproces. Een gedeelte van dat pand werd onderverhuurd aan de heer [getuige 3] , die er zijn winkel in visbenodigdheden had gevestigd. Nadat de politie in het pand is ingevallen en het laboratorium heeft ontdekt, is het pand voor de termijn van een jaar door de gemeente gesloten. Dit heeft verregaande gevolgen gehad voor zowel de verhuurder de heer [getuige 2] , die zijn pand gedurende een jaar niet kon verhuren, alsook voor de heer [getuige 3] , die zijn nieuw opgezette winkel op deze locatie niet kon voortzetten. Ook hebben de heren [getuige 2] en [getuige 3] imagoschade geleden, doordat openbaar bekend werd dat in het betreffende pand een drugslaboratorium werd aangetroffen terwijl zij daar in het geheel niets mee te maken hadden.

De rechtbank rekent de verdachte zijn handelingen zwaar aan. Hij heeft een actieve, zo niet initiërende rol vervuld in het geheel, gezien het hiervoor vermelde sms-verkeer. Hij heeft gezorgd voor een productielocatie en het lijkt er op dat hij [bedrijfsnaam 2] heeft geworven als dekmantel. Verder heeft de verdachte actief meegeholpen met het plaatsen van een scheidingswand en het inrichten van de productielocatie door het plaatsen van materialen en goederen in de productieruimte. Ook heeft hij een bus gehuurd om materialen mee te vervoeren, die hij vervolgens niet terugbrengt. Ten slotte houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte geen enkele verantwoordelijk neemt voor zijn handelen, maar wel zonder blikken of blozen naar anderen wijst.

Als uitgangspunt voor de strafoplegging neemt de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden bij een werkend amfetaminelaboratorium.

Het vervaardigen van drugs is in het algemeen risicovol gezien de kans op ontploffingen of andere ongewenste neveneffecten. Als dit risico zich verwezenlijkt, kunnen de gevolgen voor de eigendommen en levens van derden zeer groot zijn. Dit ziet de rechtbank als een strafverzwarende omstandigheid.

Ten voordele van de verdachte zal de rechtbank rekening houden met het feit dat de pleegperiode niet extreem lang is geweest, dat er op zijn strafblad geen veroordelingen voor soortgelijke feiten staat vermeld en dat de redelijke termijn waarbinnen verdachte berecht had moeten worden, is overschreden.

Het doel van de op te leggen straf

De hierna op te leggen straf dient niet alleen om verdachte daadwerkelijk leed toe te voegen vanwege de schade die hij aan de maatschappij heeft toegebracht, maar dient ook als signaal naar andere (potentiele) producenten om met deze illegale activiteiten te stoppen, althans daar niet aan te beginnen.

Bij het opleggen van de straf wil de rechtbank ook voorkomen dat de verdachte zelf weer in de fout gaat.

Gelet op het wettelijk strafmaximum gesteld op de bewezen verklaarde feiten, het uitgangspunt bij de strafoplegging, de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, de strafverzwarende omstandigheid en rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn komt de rechtbank tot de slotsom dat een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van het voorarrest als bepaald in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht een passende sanctie vormt.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [getuige 2] vordert terzake van feit 1 een schadevergoeding van

€ 77.203,- bestaande uit materiële kosten tot een bedrag van € 67.203,- en immateriële kosten van € 10.000,-.

De benadeelde partij [bedrijfsnaam 2] , vertegenwoordigd door [getuige 3] , vordert terzake van feit 1 een schadevergoeding van in totaal € 44.755,80, bestaande uit materiële kosten tot een bedrag van € 34.755,80 en immateriële kosten van € 10.000,-.

De benadeelde partij [benadeelde] vordert terzake van feit 2 een schadevergoeding van

€ 2.036,20.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vorderingen van [bedrijfsnaam 2] en [getuige 2] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu behandeling van deze vorderingen een onevenredige belasting voor het strafproces vormen. Betreffende de vordering van [benadeelde] heeft zij aangevoerd dat ter terechtzitting is gebleken dat op 13 juli 2016 vonnis is gewezen door de Kantonrechter te Bergen op Zoom betreffende de gevorderde schade, waarbij de vordering van [benadeelde] is toegewezen. Daarmee ligt er een titel om het vonnis te executeren en is er geen grond meer aanwezig om een civiele vordering in het strafproces in te dienen. De vordering van [benadeelde] in het strafproces dient daarom te worden afgewezen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen [getuige 2] en [bedrijfsnaam 2] niet ontvankelijk te verklaren omdat deze te gecompliceerd zijn en behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Verder heeft hij verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk te verklaren, nu jegens hem een toewijzend vonnis is gewezen door de civiele rechter.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de benadeelde partij [getuige 2]

Vast staat dat [getuige 2] slachtoffer is geworden van het door verdachte gepleegde strafbare feit. Het door hem verhuurde bedrijfspand is na ontdekking van het drugslaboratorium door de gemeente Etten-Leur gesloten in het kader van het Damoclesbeleid. [getuige 2] heeft tegen de sluiting van het pand bezwaar aangetekend bij voornoemde gemeente. Dit bezwaar is ongegrond verklaard. Ook heeft hij verzocht het pand slechts partieel te sluiten, maar ook aan dit verzoek is niet voldaan. De rechtbank stelt vast dat [getuige 2] redelijkerwijs alles heeft gedaan wat in zijn macht lag om de schade te beperken.

De verdachte(n) heeft/hebben zonder toestemming van [getuige 2] een drugslaboratorium in zijn pand ingericht en daarmee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [getuige 2] . Hiermee heeft/hebben verdachte(n) zich jegens [getuige 2] onbetamelijk en daarmee onrechtmatig gedragen.

[getuige 2] heeft schade geleden door het toepassen van het Damoclesbeleid door de gemeente, omdat hij hierdoor zijn pand niet heeft kunnen verhuren. Ook heeft hij materiele schade geleden als gevolg van verontreiniging van het pand en de daarbij behorende tuin. Deze schade wordt niet vergoed door de verzekeringsmaatschappij, omdat de sluiting plaatsvond vanwege een drugsgerelateerd feit.

Deze schade is het rechtstreeks gevolg is van het handelen van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Immers zonder dit handelen zou deze schade niet zijn ontstaan.

Die schade is ook aan verdachte(n) toe te rekenen, nu de Damoclesmaatregel en de noodzakelijke opruim- en saneringswerkzaamheden te voorzien waren.

De rechtbank zal derhalve een deel van de vordering, hierna nader gespecificeerd, aan de benadeelde partij toewijzen. Bij de opgegeven bedragen zal zij de BTW van het toe te wijzen bedrag aftrekken, nu die BTW voor [getuige 2] verrekenbaar is en dus geen schadepost vormt

De toe te wijzen schade kan als volgt worden gespecificeerd:

-bodemsanering tuin € 8.804,-, exclusief BTW € 7.276,44

-reiniging vloer pand € 726,-, exclusief BTW € 600,00

-huurderving van 1 juni 2015 tot 1 juli 2016 € 27.000,00

Totaal toe te wijzen materiële schade: € 34.876,44

De rechtbank is van oordeel dat de post “niet betaalde huur” geen rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit, evenmin als de door [getuige 2] opgegeven huurderving van de periode nadat het pand weer verhuurd mocht worden maar er nog geen nieuwe huurder was.

Betreffende de post “reparatie vernielingen binnen” is onvoldoende duidelijk gebleken in hoeverre deze post rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde strafbare feit, nu deze post onvoldoende is onderbouwd. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in het thans niet toegewezen deel van de vordering niet-ontvankelijk is. Dat deel van de vordering kan [getuige 2] bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts heeft [getuige 2] een immateriële schadevergoeding van € 10.000,- gevorderd wegens psychische schade. De rechtbank acht deze vordering niet onderbouwd, nu een psychisch ziektebeeld, bijvoorbeeld in de vorm van een psychologische en/of een psychiatrische rapportage, niet is aangetoond. De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat zij ook dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [bedrijfsnaam 2] , vertegenwoordigd door [getuige 3]

Verdachte heeft zonder toestemming [getuige 3] een drugslaboratorium ingericht in hetzelfde gebouw, waarvan een deel door [getuige 3] werd gehuurd. Vanwege het potentieel schade toebrengend effect dat een dergelijk laboratorium voor de omgeving in het algemeen, maar voor [getuige 3] in het bijzonder, kan hebben en had, gelet op de chemische dampen die door de politie op de verdieping waar [bedrijfsnaam 2] was gevestigd, is het enkel reeds oprichten en instandhouden van dit laboratorium maatschappelijk onbetamelijk en derhalve onrechtmatig jegens [getuige 3] .

heeft schade geleden door toepassing van het Damoclesbeleid van de gemeente, omdat hij hierdoor zijn net nieuw ingerichte winkel heeft moeten sluiten.

Hierdoor heeft hij onder andere verhuisschade geleden.

Deze schade is voor een deel, te weten voor € 10.000,00 vergoed door zijn verzekeraar, [verzekeraar] .

De (resterende) schade is een rechtstreeks gevolg van het handelen van verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Immers zonder dit handelen zou deze schade niet zijn ontstaan.

Die schade is ook aan verdachte toe te rekenen, nu de sluiting van het pand en daarmee deze verhuizing te voorzien was.

De rechtbank zal derhalve een deel van de vordering, te weten dat deel dat het rechtstreekse gevolg is van het onrechtmatig handelen van verdachte en zijn medeverdachten, zoals hierna gespecificeerd, aan de benadeelde partij toewijzen:

-verpakken en verhuizen € 7.500,00

-inrichten winkelruimte en inhuizen goederen, samen € 6.500,00

-reiskosten, inhoudend 1xZegge-Etten-Leur (34km)

Vergoeding à 0,19 eurocent per kilometer € 6,46

Totaal: € 14.006,46

Dit bedrag wordt verminderd met het door de verzekeringsmaatschappij [verzekeraar] aan benadeelde partij uitgekeerd bedrag van € 10.000,- zodat per saldo resteert € 4.006,46.

De rechtbank zal de volgende posten niet-ontvankelijk verklaren, nu zij deze onvoldoende onderbouwd acht en niet duidelijk is in hoeverre deze posten rechtstreeks verband houden met het strafbare feit.

-belangderving;

-reclamecampagne;

-diverse incassokosten;

-werk gemist.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de posten “niet voldane rekening” en “advocaatkosten” afwijzen, nu deze geen rechtstreeks verband hebben met het bewezenverklaarde feit.

Voorts heeft [getuige 3] een immateriële schadevergoeding van € 10.000,- gevorderd wegens psychische schade. De rechtbank acht deze vordering niet onderbouwd, nu zij niet heeft kunnen vaststellen dat een psychische schade is in de vorm van een erkend psychiatrisch ziektebeeld, dat is aangetoond door een psychologische en/of een psychiatrische rapportage. De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij ook in dit deel van de vordering

niet-ontvankelijk is en dat zij ook dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het toegewezen schadebedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening, zal hoofdelijk worden opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte (hoofdelijk) jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan hen is toegebracht. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen, opdat de staat de vergoeding van de schade aan het slachtoffer bevordert.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde]

Ter terechtzitting is gebleken dat op 13 juli 2016 vonnis is gewezen door de Kantonrechter te Bergen op Zoom betreffende de door [benadeelde] gevorderde schade, waarbij deze vordering is toegewezen. Daarmee ligt er een titel om het vonnis te executeren.

De verdachte heeft niet ontkend dat hij de schade die door de benadeelde partij [benadeelde] is geleden, niet heeft vergoed. Wanneer een verdachte naar civielrechtelijke criteria voor de door het strafbare feit toegebrachte schade aansprakelijk is, kan in beginsel de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan hem worden opgelegd betreffende schade die het rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit.

Op basis van de stukken die door de benadeelde partij ter terechtzitting d.d. 23 januari 2018 zijn overgelegd, kan de rechtbank echter niet vaststellen dat het gevorderde schadebedrag een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde strafbare feit, nu weliswaar in deze stukken is vermeld dat de benadeelde partij onder andere een factuur betreffende tankkosten en schadeherstelkosten bij de kantonrechter heeft ingediend, doch deze kosten in het strafproces niet zijn gespecificeerd of op andere wijze onderbouwd.

De rechtbank zal de vordering van [benadeelde] dan ook niet-ontvankelijk verklaren en niet de schadevergoedingsmaatregel toepassen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [getuige 2] , wonende te Breda, gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 34.876,44, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 21 mei 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [getuige 2] ten aanzien van de posten niet betaalde huur, huurderving van de periode nadat het pand weer verhuurd mocht worden maar er nog geen nieuwe huurder was, reparatie vernielingen binnen en immateriële schade niet ontvankelijk is en dat zij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij betreffende de posten bodemsanering tuin, reiniging vloer pand en huurderving van 1 juni 2015 tot 1 juli 2016 toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [getuige 2] , van € 34.876,44, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 209 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 21 mei 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam 2] , vertegenwoordigd door [getuige 3] , wonende te Zegge, gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 4.006,46, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 21 mei 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam 2] ten aanzien van de posten belangderving, reclamecampagne, diverse incassokosten, werk gemist en immateriële schade niet ontvankelijk is en dat zij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de posten niet voldane rekening en advocaatkosten af, nu deze geen rechtstreeks verband hebben met het bewezenverklaarde feit;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op € 64,98;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [bedrijfsnaam 2] , van € 4.006,46, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 21 mei 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. C.M.W. Nobis en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth en mr. K.J.M. Voncken, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 februari 2018.

Buiten staat

Mr. C.M.W. Nobis, mr. I.P. de Groot en mr. K.J.M. Voncken zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 23 april 2015 tot en met 21 mei 2015 in de gemeente Etten-Leur, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 12-05-2015 tot en met 21-05-2015 in de gemeente(n) Breda en/of Ettenleur, in elk geval in Nederland, opzettelijk een voertuig (bus, kenteken [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie @, proces-verbaalnummer @, gesloten d.d. @, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina @.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 45 van de doornummering.

3 De aanvullende fotomap drugslab Etten-Leur, [adres 2] d.d. 21-5-2015 van de Landelijke Eenheid Landelijke Faciliteit Ontmantelen, ongenummerd toegevoegd aan het dossier;

4 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 60 en 61 van de doornummering.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 52 van de doornummering.

6 Het proces-verbaal van bevindingen met fotoblad, pagina 54 tot en met 56 van de doornummering.

7 Het proces-verbaal van Politie Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking, met fotobijlage, pagina 74 tot en met 85 van de doornummering.

8 Het spoedrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 86 tot en met 88 van de doornummering.

9 Het onderzoek naar vermoedelijke vervaardiging synthetische drugs, [adres 2] te Etten-Leur, 21 mei 2015, Rapport NFI d.d. 22 december 2015, pagina 86 tot en met 95 van het Forensisch onderzoek, apart genummerd van pagina 1 tot en met 228.

10 Het forensisch onderzoek, pagina 4, 5 en 8 tot en met 20 van de doornummering.

11 Het forensisch onderzoek, pagina 38 tot en met 42 van de doornummering.

12 Het forensisch onderzoek, pagina 35 tot en met 37 van de doornummering.

13 Het forensisch onderzoek, pagina 59 tot en met 65 van de doornummering, Verilabs, Forensisch DNA Rapport d.d. 8 juli 2015.

14 Het forensisch onderzoek met bijlagen, pagina 74 tot en met 81 van de doornummering, Verilabs, Forensisch DNA Rapport d.d. 24 augustus 2015.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 49 en 50 van de doornummering.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 66 en 67 van de doornummering.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 99 en 100 van de doornummering.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 101 van de doornummering.

19 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 23 januari 2018.

20 Het geschrift, als weergegeven op de pagina’s 111 tot en met 118 van de doornummering.

21 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 23 januari 2018.

22 Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] , pagina 435 tot en met 455 van de doornummering.

23 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , pagina 106 en 107 van de doornummering.

24 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , pagina 120 tot en met 123 van de doornummering.

25 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , pagina 125 en 126 van de doornummering.

26 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon, pagina 177 van de doornummering.

27 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon en de hierbij behorende bijlage 2, pagina 176 tot en met 218 van de doornummering. In bijlage 2 is vermeld dat [verdachte] sms’t naar beide telefoonnummers van [medeverdachte 2] .

28 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon met bijlage, pagina 176 tot en met pagina 218 van de doornummering, pagina 179 tot en met 187.

29 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon met bijlage, pagina 220 tot en met pagina 227 van de doornummering, pagina 221.

30 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon met bijlage, pagina 176 tot en met pagina 281 van de doornummering, bijlage 1, pagina 190 tot en met pagina 209.

31 Het proces-verbaal van aangifte met bijlagen, pagina 169 tot en met 174 van de doornummering, waaronder de gps-uitdraai van de GPS-geschiedenis van de verhuurde bus, pagina 174 van de doornummering.