Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:1425

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
03/702575-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor belaging ex-vriendin en haar nieuwe vriend, bedreiging en verduistering tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met contactverbod en een taakstraf van 240 uur, met aftrek van voorarrest. Vrijspraak van brandstichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/702575-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 februari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

Verdachte wordt bijgestaan door mr. J.H.M. Handring, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 januari 2018. Verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Voorts is ter terechtzitting van 30 januari 2018 de vordering behandeld van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . Hiertoe heeft mr. J.I.L. Laumans als gemachtigde van de benadeelde partij het woord gevoerd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: [slachtoffer 1] heeft belaagd;

Feit 2: brand heeft gesticht waardoor gemeen gevaar voor een woning en inboedel althans goederen is ontstaan;

Feit 3: [slachtoffer 1] heeft bedreigd;

Feit 4: [slachtoffer 2] heeft belaagd;

Feit 5: goederen van zijn werkgever heeft verduisterd.

3 Voorvraag

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat ten aanzien van feit 4 het strafvorderlijk belang is komen te vervallen, aangezien het hier gaat om een klachtdelict en de klachtgerechtigde inmiddels is overleden.

De rechtbank overweegt dat het verweer geen steun vindt in het recht en daarom wordt verworpen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen. De officier van justitie heeft in haar op schrift gestelde requisitoir de bewijsmiddelen waarop zij haar standpunt heeft gebaseerd uiteen gezet.

Indien de rechtbank afwijkt van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de officier van justitie, zal zij dit hieronder nader motiveren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 – belaging [slachtoffer 1]

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijsmateriaal. Verder heeft de raadsvrouw nog aangevoerd dat er eventueel enkele feiten kunnen worden bewezenverklaard die hebben plaatsgevonden in de periode van 28 september 2015 tot aan de melding in november 2015, maar dat deze periode te kort is om van “stelselmatigheid’ te kunnen spreken, waardoor alsnog een integrale vrijspraak dient te volgen.

Ten aanzien van feit 2 - brandstichting

De verdediging heeft verzocht verdachte bij gebrek aan bewijs vrij te spreken. Hiertoe heeft zij onder andere aangevoerd dat er ook geen enkel technisch bewijs in het dossier voorhanden is. Zo heeft zij aangevoerd dat:

  • -

    verdachte de sleutel van de woning die hij in zijn bezit had al lange tijd daarvoor aan aangeefster heeft teruggegeven;

  • -

    er geen sporen zijn gevonden die naar verdachte te herleiden zijn;

  • -

    uit het rapport van het NFI blijkt dat de brandversnellers die in de auto van verdachte zijn aangetroffen, niet overeenkomen met de brandversnellers die zijn gebruikt bij de brandstichting;

  • -

    er geen bijzonderheden zijn gekomen uit telecomgegevens, nadat is gekeken of de telefoon van verdachte heeft aangestraald op de dichtstbijzijnde mast.

Ten aanzien van feit 3 - bedreiging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat verdachte ter zitting een bekennende verklaring heeft afgelegd. Hoewel de bedoelingen van verdachte anders waren en hij zich ernstige zorgen maakte om het welzijn en de veiligheid van aangeefster [slachtoffer 1] en haar kinderen, stelt de raadvrouw vast dat [slachtoffer 1] zich bedreigd heeft kunnen voelen.

Ten aanzien van feit 4 – belaging [slachtoffer 2]

De raadsvouw heeft verzocht verdachte van dit feit vrij te spreken. Van het opvragen van het kenteken en het sturen van een brief heeft [slachtoffer 2] kennelijk geen hinder gehad, gelet op het feit dat hij pas veel later aangifte heeft gedaan. Voorts was er met betrekking tot de GPS-tracker geen sprake van een inbreuk, nu [slachtoffer 2] niets van het baken heeft gemerkt. Bovendien had verdachte niet het vereiste opzet op het maken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangever [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van feit 5 – verduistering in dienstbetrekking

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij toestemming heeft gekregen om goederen, waaronder het briefpapier en de enveloppen zich bevonden, mee te nemen.

Indien de rechtbank afwijkt van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de raadsvrouw, zal zij dit hieronder nader motiveren.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

4.3.1

Feiten 1, 3 en 4

4.3.1.1 Vooraf

Verdachte wordt onder meer verdacht van belaging van zijn ex-vriendin [slachtoffer 1] (feit 1), bedreiging jegens haar (feit 3) en belaging van haar toenmalige vriend (feit 4). Hoewel dit afzonderlijk ten laste gelegde feiten zijn, hangen zij in zoverre met elkaar samen dat zij de impact van de verschillende ten laste gelegde feiten versterken. Zo maakt de ten laste gelegde bedreiging onderdeel uit van de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 1] en is de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 2] naar het oordeel van de rechtbank ook van belang voor de beoordeling van de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 1] . Omgekeerd is ook de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 1] voor de beoordeling van de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 2] van belang. Om die reden bespreekt de rechtbank de bewijsmiddelen voor deze 3 feiten hierna allemaal tezamen onder 4.3.1.2, waarna de rechtbank aan ieder feit afzonderlijk een bewijsoverweging zal wijden. De feiten 2 en 5 bespreekt zij daarna.

4.3.1.2 De bewijsmiddelen: wat is er gebeurd?

Contact 13 oktober 2015 – 22 maart 2016 – aangifte [slachtoffer 1]

Op 24 maart 2016 heeft [slachtoffer 1] aangifte en klacht gedaan van belaging door haar ex-vriend [verdachte] , zijnde verdachte.2 Zij verklaarde dat zij op haar verjaardag, 28 september 2015, haar relatie met verdachte heeft verbroken, omdat zij inmiddels haar nieuwe vriend [slachtoffer 2] had leren kennen. Verdachte kon dit echter niet accepteren en bleef vervolgens contact met haar zoeken. Meer concreet maakte zij melding van de volgende momenten waarop verdachte contact met haar of haar nieuwe vriend heeft opgenomen:

  1. Op 13 oktober 2015 verscheen verdachte onverwachts op haar werk;

  2. Op 14 oktober 2015 ontving haar vriend [slachtoffer 2] van verdachte een op onderdelen seksueel getint bericht via Facebook;

  3. Op 16 oktober 2015 ontving haar vriend [slachtoffer 2] hetzelfde bericht van verdachte in briefvorm op zijn werk. Deze brief is bij de aangifte gevoegd als bijlage 1. In de brief beschrijft verdachte seksuele handelingen, die tussen hem en [slachtoffer 1] zouden hebben plaatsgevonden. Voorts schrijft hij dat hij bijna drie jaar een relatie met [slachtoffer 1] heeft gehad en nog zeer veel van haar houdt, dat zij de vrouw van zijn dromen is en dat [slachtoffer 2] zuinig op haar moet zijn;

  4. Op 17 oktober 2015 belde verdachte haar om 16:09 uur en 16:10 uur. Vervolgens zag zij dat verdachte haar omstreeks 17.45 uur tegemoet kwam rijden in zijn auto. Daarop heeft zij zich omgedraaid en is zij teruggereden naar haar woning. Daarop zag zij dat verdachte tankte bij het tankstation nabij haar woning;

  5. Op 18 oktober 2015 omstreeks 14:45 uur stond verdachte ineens in haar woonkamer. Verdachte wist haar toen te vertellen dat zij de avond ervoor bij haar nieuwe vriend was;

  6. Op 3 november 2015 ontving zij een e-mail van verdachte, die aan de aangifte is toegevoegd als bijlage 2. In de e-mail3 refereert verdachte aan de nieuwe vriend van [slachtoffer 1] , die hij ook [slachtoffer 2] noemt, en schrijft hij zaken als ‘ik zie duidelijk dat je verder bent gegaan’. ‘Ik bemerk ook dat het voor jou veel gemakkelijker is om mij te vergeten, daar jij mij alleen voor de seks hebt gebruikt en je dit gemakkelijker kunt vervangen, omdat je nu weer een nieuwe partner hebt’;

Op 5 november 2015 verscheen verdachte omstreeks 10:55 uur weer onverwachts op haar werk;

Op 12 november 2015 ontving [slachtoffer 1] om 18:25 uur een telefoontje vanuit een anoniem nummer op haar huistelefoon. Ze hoorde dat ze verdachte aan de telefoon had. Verdachte vertelde dat hij teleurgesteld was dat ze hem niet gefeliciteerd had met zijn verjaardag, waarop zij heeft aangegeven dat ze geen contact meer met hem wilde en de verbinding heeft verbroken. Vervolgens werd ze om 18:31 uur en om 22:00 uur anoniem gebeld door verdachte. Ze heeft toen aangegeven dat de maat echt vol was en de verbinding verbroken;

Op 27 november 2015 belde verdachte meermaals, waarna [slachtoffer 1] hem een sms stuurde, die aan de aangifte is toegevoegd als bijlage 3. In het bericht4 schreef ze “Ik heb aangifte gedaan bij de politie wegens stalking tegen je. Laat mij, [slachtoffer 2] en mijn vrienden met rust, anders heeft het verdere consequenties voor je. Ik wil je niet zien, horen of lezen.” Hierop reageert verdachte drie minuten later met het bericht “Ik stalk je niet. Ik zal de berichten laten lezen Facebook etc whats app dat wij een relatie hadden. Ik zie het proces binnen vallen dan.”

Op 4 december 2015 meldde ze nogmaals bij de politie dat verdachte contact met haar blijft zoeken. Per die datum heeft zij vervolgens een brief gestuurd, zowel per gewone post als aangetekend, inhoudende dat verdachte geen contact meer mag zoeken;

Op 17 februari 2016 belde verdachte haar. Ze heeft niet opgenomen;

Op 18 februari 2016 belde verdachte haar. Ze heeft niet opgenomen;

Op 22 februari 2016 zag ze omstreeks 16.10 uur verdachte in zijn auto door de straat van haar tijdelijke onderkomen rijden.

Verdachte heeft ter terechtzitting ten aanzien van de contactmomenten onder d), e), g) en h) expliciet bekend dat deze hebben plaatsgevonden.5 Ook ten aanzien van de overige contactmomenten volgt uit het dossier dat verdachte deze contactmomenten bevestigt. Zo is tijdens de doorzoeking van verdachtes woning op 29 maart 2016 zijn computer in beslag genomen. Op die computer werd een document gevonden met de bestandsnaam “bezwaarschrift 26 januri 2016.docx”.6 Het 26 pagina’s tellende bezwaarschrift maakt onderdeel uit van het dossier.7 In dit bezwaarschrift heeft verdachte zelf de volgende contactmomenten beschreven:

a. Op 13 oktober 2015 heeft verdachte eerst het kenteken van de nieuwe vriend van [slachtoffer 1] , dat hij de zaterdag ervoor had genoteerd, laten checken. Daarna heeft hij dit telefonisch aan [slachtoffer 1] willen opbiechten en toen dit niet lukte, is hij naar haar werk gegaan;

d) Op 17 oktober 2015 belt verdachte haar, maar ze nam de telefoon niet op. Hij kwam

rond 19:00 uur bij haar aangereden, want hij wilde bij haar langs gaan;

e) Op 18 oktober 2015 is hij rond 15:00 uur weer bij haar langs gegaan. Hij liep toen de oprit op en kwam binnen. Hij moest van [slachtoffer 1] vertrekken;

f) Op 3 november 2015 stuurde hij [slachtoffer 1] een e-mail;

g) Op 5 november 2015 was er nog een ontmoeting op haar werk;

h) Op 12 november 2015 is er telefonisch contact geweest;

i. i) Op 27 november 2015 heeft hij [slachtoffer 1] meermaals opgebeld om te vragen hoe het met haar ging. Hij belde eerst naar haar telefoon, die bleef overgaan. Daarna heeft hij haar op haar huistelefoon gebeld, waarna hij eerst [slachtoffer 1] ’ dochter en daarna haar nieuwe vriend sprak. Vervolgens ontving verdachte van [slachtoffer 1] een sms.

Tijdens zijn verhoor bij de politie op 29 maart 2016, 11:35 uur heeft verdachte nog over het contactmoment op 13 oktober 2015, weergegeven onder a), verklaard dat [slachtoffer 1] toen iets had gezegd in de trant van ‘wij zullen nooit geen vrienden meer zijn’.8

Tijdens zijn verhoor bij de politie op 30 maart 2016, 10:45 uur heeft verdachte voorts verklaard,9 dat het hem op 12 oktober duidelijk was geworden dat de relatie over was en [slachtoffer 1] niets meer met hem te maken wilde hebben. Verder verklaarde hij dat hij:

en c) de brief, bijgevoegd als bijlage 1 bij het verhoor [de rechtbank: dit betreft dezelfde brief als de brief die als bijlage 1 bij de aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 24 maart 2016 is gevoegd] zelf heeft geschreven en eerst op 14 oktober 2015 op Facebook naar [slachtoffer 2] heeft gestuurd en op 16 oktober 2015 nogmaals naar diens werk. Dit laatste deed hij, omdat hij geen ontvangstbevestiging had gekregen en hij dus niet zag of het bericht was aangekomen.

Tijdens zijn verhoor bij de politie op 30 maart 2016, 14:18 uur heeft verdachte voorts verklaard,10 dat hij:

k) Op 17 februari 2016 [slachtoffer 1] heeft gebeld, omdat hij wilde vragen hoe het met haar

ging;

l) Op 18 februari 2016 [slachtoffer 1] heeft gebeld, omdat hij wilde vragen hoe het met haar

ging;

Op 22 februari 2016 in Arcen langs haar tijdelijke onderkomen is gereden.

In de aangifte van 24 maart 2016 verklaarde [slachtoffer 1] voorts dat zij op 21 maart 2016 twee vreemde telefoontjes ontving op de vaste lijn van haar werkgever [werkgever] , te weten het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .11 Het eerste telefoontje werd door een collega van haar opgenomen, maar niet naar haar doorverbonden omdat zij op dat moment in bespreking was. Het tweede telefoontje werd wel naar haar doorverbonden, nadat haar voor- en achternaam werd gevraagd. In het display zag [slachtoffer 1] het volgende telefoonnummer staan: [telefoonnummer 2] . Ze hoorde vervolgens een donkere stem, die voor haar gevoel vervormd werd door een computer. Wat er gezegd werd was moeilijk te verstaan, maar ze hoorde ‘Ik heb een bericht voor je’ en mogelijk ‘Ik ga het drie keer herhalen’. Ze raakte hiervan zo in paniek dat ze de verbinding heeft verbroken. Vervolgens heeft zij met een collega geprobeerd het telefoonnummer terug te bellen, maar dat ging direct naar de voicemail.

Eén dag later, op 22 maart 2016, ontving [slachtoffer 1] van hetzelfde mobiele telefoonnummer ( [telefoonnummer 2] ) meerdere gesproken berichten op het vaste telefoonnummer van haar werk, zo verklaarde zij op 24 maart 2016. Ze zag dat er op de nummerherkenning ‘anoniem’ in het Engels stond. Ze heeft de telefoon opgenomen en hoorde het gesproken bericht. Toen het bericht werd herhaald, heeft ze direct haar eigen mobiele telefoon erbij gepakt om het gesproken bericht op te nemen. Alle collega’s op kantoor schrokken zich rot omdat de inhoud van de berichten beangstigend was en de telefoon constant bleef overgaan. [slachtoffer 1] hoorde dat er gezegd werd dat de veiligheid van haar en haar kinderen niet gegarandeerd kon worden. Deze zin bleef haar bij, omdat haar kinderen en zij hiermee volgens haar bedreigd werden.

De opname heeft [slachtoffer 1] naar de politie gestuurd.12 De politie heeft de opname beluisterd en letterlijk weergegeven wat daarop te horen is, te weten onder andere:

14:00 uur Ik kan je niet de veiligheid garanderen voor jou en je 2 dochters als hij geen medewerking zal blijven geven zoals afgesproken vooral

14:01 uur we zien jou en je 2 dochters als ballast voor onze kip met gouden eieren. Wij bekijken het zakelijk blijkbaar nam hij dit voor lief. Wij hebben jou en jij

14:01 uur en je dochters deze keer gespaard. Let je de volgende keer op als je de ganzen naar buiten laat.

De politie relateerde in een aanvullend proces-verbaal dat door de geautomatiseerde berichten wordt vermeld dat de gesproken berichten afkomstig zijn van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . De berichten kwamen aan op het nummer [telefoonnummer 1] , welk nummer overeenkomt met het nummer dat op het visitekaartje van [slachtoffer 1] staat.13

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij degene is geweest die de gesproken berichten op 22 maart 2016 heeft gestuurd.14 Hij wilde [slachtoffer 1] waarschuwen voor haar nieuwe vriend [slachtoffer 2] en een wig tussen hen drijven. Omdat hij moeilijk uit zijn woorden kwam, koos hij ervoor sms-berichten te sturen.

De politie heeft nader onderzoek gedaan naar de telefoontjes die op 21 maart 2016 met hetzelfde telefoonnummer ( [telefoonnummer 2] ) zijn gepleegd, door van dit telefoonnummer de historische gegevens op te vragen.15 Uit het proces-verbaal dat hieromtrent is opgemaakt, volgt dat op 21 maart 2016 vijf keer verbinding is gemaakt tussen enerzijds het nummer [telefoonnummer 2] en anderzijds het nummer [telefoonnummer 1] , te weten om 11:12:49 uur (54 seconden), 11:30:45 uur (83 seconden), 11:32:27 uur (46 seconden), 12:48:30 uur (14 seconden), 15:09:16 uur (9 seconden). De eerste 2 keer is het nummer [telefoonnummer 2] de beller, de laatste 3 keer is dit nummer de gebelde. Het nummer [telefoonnummer 2] zat op de genoemde tijdstippen in een telefoon met IMEI [nummer 1] , hetgeen een toestel blijkt te zijn, dat niet bij verdachte is aangetroffen. In de periode daar vlak aan voorafgaand, namelijk van 3 maart 2016 tot en met 15 maart 2016, zat het nummer in een toestel met IMEI [nummer 2] ,16hetgeen de bij verdachte aangetroffen zwarte Samsung betreft.17

Tussenconclusie I

Op basis van de aangifte en de verklaringen van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat alle door [slachtoffer 1] in haar aangifte genoemde contactmomenten met verdachte hebben plaatsgevonden. Dit geldt ook voor de twee telefoontjes die [slachtoffer 1] op 21 maart 2016 op haar werk ontving, nu deze afkomstig zijn van het telefoonnummer dat zowel in de periode vóór (3 tot en met 15 maart 2016) als één dag later (22 maart 2016) bij verdachte in gebruik was en er geen aanwijzingen zijn dat het nummer juist van 16 maart 2016 tot en met 21 maart 2016 bij een ander in gebruik is geweest, terwijl het ook ging om gelijksoortige gesproken sms berichten bedoeld voor [slachtoffer 1] .

Concluderend betekent dit dat verdachte in de periode van 13 oktober 2015 tot en met 22 maart 2016:

- Minimaal 10 keer naar [slachtoffer 1] heeft gebeld;18

- Twee keer haar toenmalige vriend [slachtoffer 2] schriftelijk heeft benaderd;19

- Vijf keer bij haar woning of werk is langs geweest/langsreden;20

  • -

    Haar één e-mail heeft gestuurd;

  • -

    Haar op 21 en 22 maart 2016 meerdere gesproken sms-/spraakberichten heeft gestuurd.

Contact oktober 2015 – maart 2016 – aangifte [slachtoffer 2]

Op 3 mei 2016 werd [slachtoffer 2] , de toenmalige partner van [slachtoffer 1] , als getuige gehoord in onder meer de belagingszaak van [slachtoffer 1] tegen verdachte.21 Hij verklaarde toen over de volgende incidenten:

naar schatting 3 à 4 weken nadat hij [slachtoffer 1] had leren kennen, heeft verdachte het kenteken van zijn auto opgevraagd. Hier kwam hij achter toen hij door de leasemaatschappij werd gebeld met een verzoek dat hem deed vermoeden dat verdachte hier achter zat.

en c) in diezelfde periode heeft hij van verdachte een Facebookbericht ontvangen. Hetzelfde bericht ontving hij daarna in briefvorm ook op zijn werk. De inhoud van het bericht is als bijlage 2 aan het verhoor gevoegd [de rechtbank: dit betreft dezelfde brief als de brief die als bijlage 1 bij de aangifte van [slachtoffer 1] van 24 maart 2016 is toegevoegd].

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie op 30 maart 2016, 10:45 uur hierover verklaard,22 dat hij:

en c) de brief, bijgevoegd als bijlage 1 bij het verhoor [de rechtbank: dit betreft dezelfde brief als de brief die als bijlage 2 bij het verhoor van [slachtoffer 2] is gevoegd] zelf heeft geschreven en eerst op 14 oktober 2015 op Facebook naar [slachtoffer 2] heeft gestuurd en op 16 oktober 2015 nogmaals naar diens werk. Dit laatste deed hij, omdat hij geen ontvangstbevestiging had gekregen en hij dus niet zag of het bericht was aangekomen.

Verdachte heeft voorts ter terechtzitting over het incident onder n) verklaard dat het klopt dat hij het kenteken van [slachtoffer 2] ’s auto heeft bevraagd.23 In het eerder genoemde bezwaarschrift24 heeft verdachte verklaard dat het bevragen van het kenteken van [slachtoffer 2] op 13 oktober 2015 plaatsvond.

Tijdens het onderzoek werden meerdere digitale goederen van verdachte inbeslaggenomen en onderzocht, waaronder twee telefoons (een witte en zwarte Samsung). De politie heeft gerelateerd dat uit het onderzoek aan de witte Samsung is gebleken dat er op 25 februari 2016 een gemiste oproep werd ontvangen van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] met contactnaam “ [verdachte] ”. Deze oproep was door de gebruiker verwijderd. Op 26 februari 2016 werden, zo relateert de politie, meerdere sms-berichten vanaf de witte Samsung verzonden naar bovengenoemd nummer.25 Tevens werden in de computer van verdachte twee cookies aangetroffen van de website [internetsite] . Op deze website werd ingelogd met de gebruikersnaam “ [verdachte] ”. Via deze website kon een GPS Tracker gevolgd worden.26 Uit het onderzoek aan de computer van verdachte bleek vervolgens dat er meer dan 100 registraties aanwezig waren van de website [internetsite] , eveneens ingelogd met de gebruikersnaam “ [verdachte] ”.

Op 20 juni 2016 heeft [slachtoffer 2] aangifte en klacht gedaan van belaging door verdachte.27 Hij refereerde aan zijn eerdere getuigenverhoor van 3 mei 2016 en verklaarde voorts het volgende:

Op 4 juni 2016 heeft de politie hem per e-mail een overzicht gestuurd met daarin data en locaties die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Het gaat daarbij om 13 data gelegen tussen 27 februari 2016 en 17 maart 2016 [de rechtbank verwijst naar pagina 384 en 385 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal voor het overzicht van de data]. [slachtoffer 2] had deze data en tijdstippen vergeleken met zijn agenda en geconstateerd dat deze overeenkwamen met de afspraken in zijn agenda. De agenda is als bijlage aan de aangifte gehecht. [slachtoffer 1] en hij waren zich doodgeschrokken. Het zoveelste incident was en de impact op hun dagelijks leven groot is.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard over het incident onder o) dat het juist is dat hij [slachtoffer 2] ’s auto via een GPS tracker heeft gevolgd. Hij vertrouwde [slachtoffer 2] niet en wilde diens gangen nagaan.28

Tussenconclusie II

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte:

  • -

    Op 13 oktober 2015 het kenteken van de auto van [slachtoffer 2] heeft bevraagd, teneinde aan zijn NAW-gegevens te komen (n);

  • -

    [slachtoffer 2] twee keer een brief heeft gestuurd (b en c);29

- [slachtoffer 2] ’s auto van 27 februari 2016 tot en met 17 maart 2016 door middel van een GPS-tracker heeft gevolgd (o).

Contact 13 maart 2017 – 17 maart 2017 – aangifte [slachtoffer 1] 30

Op donderdag 16 maart 2017 heeft [slachtoffer 1] opnieuw aangifte gedaan.31 Zij verklaarde onder meer dat zij maandagavond 13 maart 2017 omstreeks 19:05 uur in de woonkamer stond, toen haar oudste dochter huilend en overstuur naar haar toe kwam gelopen en vertelde dat ze had gehoord dat iemand buiten haar naam en de naam van haar zusje aan het roepen was. [slachtoffer 1] ging mee naar boven. De eerste keer hoorde zij niets, maar toen haar dochter haar nog eens riep en zij boven kwam luisteren, hoorde ze duidelijk dat er geroepen werd: ‘Waarom maak je mijn leven kapot?’ Ze herkende direct de stem van verdachte, daar was geen twijfel over mogelijk, verklaarde ze. Haar kinderen waren helemaal overstuur. Zij heeft daarop 112, haar vader en de onderbuurvrouw gebeld. Om 19:57 uur hoorde ze vervolgens dat haar mobiele telefoon ging. Ze nam de telefoon op en hoorde ‘[slachtoffer 1] ’ en wat onduidelijk gebrabbel. Ze zette haar telefoon direct op de luidspreker en hoorde dat verdachte zei: ‘Ik wil met je praten’, ‘Alsjeblieft’ en ‘Neem contact op’. Hij zei dit als drie losse zinnen met pauzes daartussen. Ze hoorde direct aan zijn stem dat het verdachte was. Ze merkte wel dat hij met iets andere stem praatte, maar ze herkende direct dat hij het was. Haar vader zat op dat moment naast haar.

Op 20 maart 2017 verklaarde de onderbuurvrouw van [slachtoffer 1] – [naam 1] – dat zij maandagavond 13 maart 2017 een man hoorde schreeuwen en dat er onder andere geschreeuwd werd: ‘[naam 2] ’, ‘[slachtoffer 1] , kom nou, Ik wil alleen met je praten’, ‘[slachtoffer 1] , waarom maak je mijn leven kapot’ en ‘Ik heb niks fout gedaan’. Tevens verklaarde [naam 1] dat ze de dochters van [slachtoffer 1] hoorde gillen en huilen en dat een dochter zei: ‘oh mama, dat vind ik eng.32

Eveneens op 20 maart 2017 verklaarde de vader van [slachtoffer 1] dat hij op maandagavond 13 maart 2017 op verzoek van zijn dochter naar haar toe was gegaan.33 Zijn dochter vertelde dat ze de politie had gebeld, maar dat de politie had gezegd dat ze van ver moest komen en dat het nog even zou duren voordat de politie zou arriveren. Hij zag dat zijn dochter een oproep kreeg van een Duits telefoonnummer. Nadat zijn dochter haar telefoon op luidspreker had gezet, hoorde hij zoiets van ‘neem contact met mij op’.

Uit onderzoek van de politie volgt dat de afstand tussen enerzijds de woning van [slachtoffer 1] in Arcen en anderzijds het plaatsje Straelen in Duitsland met de auto in 11 minuten, met de fiets in 22 minuten en lopend in 1,16 uur is af te leggen.34

Op 27 maart 2017 verklaarde [slachtoffer 1] in een aanvullend verhoor over nog een incident met verdachte. Ze verklaarde dat ze op 17 maart 2017 met haar nieuwe vriend, [naam 3] , en nog een vriendin bij een poppodium (Grenswerk) te Venlo was.35 Verdachte was er ook. Ze verklaarde dat hij bij het langslopen op geïrriteerde toon “[slachtoffer 1]” zei en haar vervolgens achtervolgde. Ze heeft de situatie aan de beveiliging gemeld. Verdachte heeft de gehele avond vlak bij hen gestaan en ervoor gezorgd dat hij goed zicht op haar had.

Beveiliger [getuige 1] verklaarde op 22 maart 2017 dat zij op 17 maart 2017 van 22:00 uur tot 06:00 uur werkzaam was als beveiliger bij Grenswerk te Venlo.36 Zij verklaarde dat een vrouw haar meldde dat ze werd lastiggevallen door een man. Ze hield hem vervolgens in de gaten. Op een gegeven moment kwam de vrouw die haar had aangesproken naar haar toe en tikte haar aan. De vrouw gaf aan dat ze ging roken. Ze zag dat de man die haar lastig viel nog geen minuut later ook het balkon verliet. [getuige 1] is toen via het balkon richting de rokersruimte gelopen om daar van een afstand te kijken wat er ging gebeuren. Ze zag dat de lastige man ongeveer 3 meter van de vrouw af stond en haar bleef aankijken. Ze zag dat de vrouw die haar had aangesproken weer naar beneden liep de zaal in. Ze heeft toen een collega ook het signalement van de lastige man doorgegeven, waarna ze samen deze man in de gaten hebben gehouden. Ze zag dat de man die ze in de gaten hield op het balkon stond en via de linkerzijde naar beneden wilde. Ze zag dat de vrouw op de trap of op het balkon stond, aan de linkerzijde. Ze wilde voorkomen dat de man via deze zijde naar beneden liep en is toen via de trap naar boven gelopen. Ze keek de lastige man recht in zijn ogen aan en hij liep vervolgens via de andere trap naar beneden. Ze zag dat hij schrok. Verder verklaarde ze nog dat de man de vrouw de hele tijd op afstand bleef aankijken, volgen.

Tussenconclusie III

De rechtbank acht gelet op voorgaande bewijsmiddelen allereerst wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die op 13 maart 2017 heeft geroepen bij de woning van [slachtoffer 1] . De rechtbank stelt daarbij voorop dat zij uit de verklaring van beveiliger [getuige 1] over het niet expliciet als gedachtestreepje ten laste gelegde incident op 17 maart 2017, opmaakt dat verdachte ook op die datum nog steeds actief de nabijheid van [slachtoffer 1] zocht. Waar het immers door de aangiften die er tegen verdachte lagen en de ophanden zijnde strafzaak voor de hand zou liggen dat verdachte bij een toevallige ontmoeting met [slachtoffer 1] laatstgenoemde zou proberen te ontwijken, volgt uit de getuigenverklaring van [getuige 1] duidelijk dat het verdachte is die telkens [slachtoffer 1] ’ nabijheid zoekt en haar volgt.

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] volgt vervolgens dat zij bij het roepen bij haar woning de stem van verdachte duidelijk heeft herkend. De rechtbank heeft geen reden om aan deze herkenning te twijfelen. Het roepen naar de kinderen en de gekozen bewoordingen ‘ , waarom maak je mijn leven kapot’ – woorden die ook de onderbuurvrouw heeft gehoord – passen in het beeld van verdachte, die in zowel 2015 als 2016 in een e-mail en diverse telefoontjes en spraakberichten [slachtoffer 1] ’ aandacht vraagt en haar ook in 2017 (zie hiervoor) kennelijk nog niet heeft kunnen loslaten.

De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 1] op 13 maart 2017 heeft gebeld. Uit de aangifte van [slachtoffer 1] volgt duidelijk dat zij de stem van verdachte heeft herkend, ondanks dat de beller met een iets andere stem praatte. Bovendien geldt ook hier dat de gekozen bewoordingen, “ik wil met je praten’ en ‘neem contact met mij op’ – laatstgenoemde bewoordingen zijn ook door de vader van [slachtoffer 1] gehoord – in de lijn zijn met eerdere berichten van verdachte richting [slachtoffer 1] .

4.3.1.3 Bewijsoverweging feit 1: is er sprake van belaging van [slachtoffer 1] ?

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de hiervoor beschreven en in de tussenconclusies vastgestelde handelingen van verdachte te kwalificeren zijn als belaging van [slachtoffer 1] in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095). Van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is sprake indien de persoon in kwestie de storing niet wenst, hetgeen betekent dat de contacten dienen te geschieden zonder (impliciete) toestemming. Hoewel dit niet betekent dat vereist is dat het slachtoffer voorafgaand aan de gedragingen nadrukkelijk kenbaar moet hebben gemaakt geen contact meer te willen (zie HR 2 juni 2015, NJ 2015/280), moet naar het oordeel van de rechtbank wel op enig moment duidelijk zijn gemaakt dat de vormen van contact die in een relatie gebruikelijk zijn, niet langer gewenst zijn.

[slachtoffer 1] heeft in haar eerste aangifte van belaging verklaard dat zij verdachte op haar verjaardag duidelijk heeft gemaakt dat zij niets meer met hem wilde. Nu [slachtoffer 1] zelf nadien ook heeft verklaard dat ze zich kon voorstellen dat verdachte dit niet begreep – de relatie was immers al vaker uitgegaan –, gaat de rechtbank niet uit van 28 september 2015, maar van 12 oktober 2015 als de dag waarop het verdachte duidelijk was dat [slachtoffer 1] zijn contact niet meer wenste, zoals hij, zoals hiervoor opgenomen, ook zelf bij de politie heeft verklaard.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen voorts vast dat verdachte in de periode van 13 oktober 2015 tot en met 17 maart 2017 op een zeer indringende wijze met [slachtoffer 1] ’ privéleven bezig is geweest. Zo heeft/is hij:

  • -

    in 2015 en 2016 meermalen en in 2017 eenmaal naar [slachtoffer 1] gebeld, ‘gewoon’, maar ook anoniem;

  • -

    in 2015 een e-mail naar haar gestuurd;

  • -

    in 2015 meermaals en in 2016 eenmaal bij haar werk en woning langsgegaan. Ook later, in maart 2017, is hij nog een keer bij haar woning langsgegaan, waarbij hij ook de kinderen angst heeft aangejaagd door hun namen te roepen;

  • -

    op 21 maart smsjes gestuurd en op 22 maart 2016 bedreigende smsjes gestuurd, die [slachtoffer 1] als geautomatiseerde berichten moest afluisteren.

Daarnaast heeft hij zich in diezelfde periode ook verder met haar privéleven bemoeid, doordat hij:

  • -

    op 13 oktober 2015 het kenteken van haar vriend heeft bevraagd om zo achter zijn NAW-gegevens te komen;

  • -

    in 2015 2x een brief heeft gestuurd naar haar vriend;

  • -

    in 2016 gedurende enkele weken de auto van haar vriend heeft gevolgd;

Tot slot heeft verdachte in maart 2017 [slachtoffer 1] ’ aanwezigheid actief gevolgd tijdens een feest, waar zij met haar nieuwe vriend en een vriendin aanwezig was.

Uit de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, komt naar voren dat verdachte over een lange periode op een zeer belastende en indringende wijze heeft geprobeerd met [slachtoffer 1] in contact te komen en haar aandacht heeft geëist, waarbij hij zich ook actief met haar liefdesleven heeft bemoeid door haar vriend berichten te sturen en te volgen. Door zo te handelen, heeft verdachte kennelijk willen bewerkstelligen dat [slachtoffer 1] haar nieuwe relatie zou beëindigen en bij hem zou terugkeren én heeft hij [slachtoffer 1] en haar gezin en vriend angst aangejaagd en hun gevoel voor veiligheid ernstig aangetast. Weliswaar volgen de contactmomenten elkaar sinds november 2015 niet meer in de frequentie van het begin op, maar verdachte blijft wel terugkeren op wisselende momenten en de intensiteit waarmee hij dit doet en de impact die dat heeft is groot. Al met al heeft verdachte daarmee een aanmerkelijke en zeer nare verstoring van het persoonlijke leven van het slachtoffer teweeg gebracht, die naar het oordeel van de rechtbank de conclusie rechtvaardigt dat er sprake is van belaging in de zin van artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet hierop acht de rechtbank het ten laste gelegde onder feit 1 bewezen, zoals omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

4.3.1.4 Bewijsoverweging feit 3: is er sprake van bedreiging?

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 22 maart 2016 door middel van sms-berichten naar het werk van [slachtoffer 1] de zinnen heeft gestuurd ‘Ik kan je niet de veiligheid garanderen voor jou en je twee dochters als hij geen medewerking zal blijven geven zoals afgesproken’ en ‘wij hebben jou en je dochters deze keer gespaard. Let je de volgende keer op als je de ganzen naar buiten laat.’ De bewoordingen zijn op zichzelf bedreigend en ze hebben [slachtoffer 1] ook vrees aangejaagd. Nu deze bewoordingen kennelijk refereren aan de brand die ruim een maand eerder in de woning van [slachtoffer 1] heeft gewoed, leveren deze bewoordingen naar het oordeel van de rechtbank bedreigingen gericht tegen het leven op.

Gelet hierop acht de rechtbank het ten laste gelegde onder feit 3 bewezen, zoals omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

4.3.1.5 Bewijsoverweging feit 4: is er sprake van belaging van [slachtoffer 2] ?

Zoals eerder al onder tussenconclusie II geconcludeerd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

  • -

    Op 13 oktober 2015 het kenteken van de auto van [slachtoffer 2] heeft bevraagd, teneinde aan zijn NAW-gegevens te komen (n);

  • -

    [slachtoffer 2] twee keer een brief heeft gestuurd (b en c);37

- Zijn auto van 27 februari 2016 tot en met 17 maart 2016 door middel van een GPS-tracker heeft gevolgd (o).

De rechtbank is ook hier van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer zodanig zijn geweest, dat van een stelselmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Daarbij heeft te gelden dat de impact van de bewezenverklaarde, rechtstreeks op [slachtoffer 2] betrekking hebbende, gedragingen vergroot werd door de bewezen verklaarde eerdere gedragingen van verdachte, die zich rechtstreeks op [slachtoffer 1] hebben gericht.

Waar het onrechtmatig navragen van een kenteken en het sturen van een seksueel getinte brief naar het werk van [slachtoffer 2] al een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] opleverde, geldt dit nog meer voor het volgen van iemand door middel van een GPS-tracker. Een GPS-tracker heeft immers tot doel om te beschikken over de wetenschap waar een bepaald persoon zich op een bepaald moment bevindt. In dit geval heeft de observatie bijna 3 weken (26 februari 2016 – 17 maart 2016) in beslag genomen. Het gedurende deze periode kunnen observeren van de gangen van een persoon betitelt de rechtbank als een observatie met een zéér hoge intensiteit, die grote inbreuk maakt op iemands persoonlijke levenssfeer. Dat [slachtoffer 2] van het volgen op dat moment niets heeft gemerkt, doet daaraan niets af. Het kon leiden tot angst en gevoelens van onveiligheid en heeft dat ook gedaan op het moment dat [slachtoffer 2] ermee bekend werd. Door het willens en wetens inzetten van de GPS-tracker en het over een periode van bijna drie weken stelselmatig volgen van [slachtoffer 2] , nam verdachte de inbreuk die dat met zich meebracht op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] voor lief, waarmee zijn opzet op die inbreuk is gegeven. Het hieromtrent gevoerde verweer wordt dan ook verworpen.

Ten laste is gelegd dat de GPS-tracker aan of onder de auto van [slachtoffer 2] was bevestigd. Het komt uit het dossier niet duidelijk naar voren hoe verdachte de GPS-tracker heeft gebruikt. Verdachte heeft ter terechtzitting wel bekend dát hij de GPS-tracker heeft ingezet, maar hij ontkent dat hij deze onder de auto van [slachtoffer 2] heeft geplaatst. Omdat het dossier hiertoe verder geen bewijsmiddelen bevat, zal de rechtbank verdachte hiervan partieel vrijspreken.

Gelet hierop acht de rechtbank het ten laste gelegde onder feit 4 bewezen, zoals omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

4.3.2

Feit 2

De rechtbank spreekt verdachte integraal vrij van het aan hem onder 2 tenlastegelegde feit.

Uit het door de verbalisanten opgemaakte proces-verbaal leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af.

Op maandag 15 februari 2016, omstreeks 08.58 uur, komt bij de meldkamer van de Eenheid Limburg een melding binnen van een brand in een woning gelegen aan de [adres] . De bewoonster van dit pand betreft [slachtoffer 1] . Ter plaatse blijkt dat de hele benedenverdieping van het woonhuis in brand staat en dat er op de eerste verdieping ook brand is. In het onderzoek is naar voren gekomen dat [slachtoffer 1] gemeld heeft dat zij wordt lastiggevallen door verdachte.

Op 16 februari 2016 doet [slachtoffer 1] aangifte van brandstichting in haar woning. Zij heeft verklaard dat zij op 15 februari 2016 omstreeks 08:30 uur haar woning heeft verlaten, afgesloten en intact heeft achtergelaten. Op 16 februari 2016 omstreeks 16:30 uur belt [slachtoffer 1] de politie met de mededeling dat uit het nachtkastje op haar slaapkamer twee vibrators zijn verdwenen. Hier wordt zij op 21 februari 2016 nader over gehoord en zij verklaart daar onder andere over dat zij de weggenomen vibrators had gekocht ten tijde van de relatie met verdachte. Alleen aangeefster, haar nieuwe partner [slachtoffer 2] en verdachte zouden weten dat de vibrators daar lagen. Ten tijde van de relatie heeft verdachte een sleutel van de woning van [slachtoffer 1] in zijn bezit gehad, die [slachtoffer 1] op enig moment weer heeft teruggepakt. Op 23 februari 2016 verklaart [slachtoffer 1] dat in het nachtkastje waar de vibrators lagen, ook haar sieraden lagen. Om de twee dagen wisselde zij van sieraden. Als de vibrators al eerder uit haar nachtkastje waren verdwenen, dan had zij dit zeker opgemerkt.

Op 16 februari 2016 heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden waaruit is gebleken dat sprake is van brandstichting. Er zijn drie onafhankelijke brandhaarden geconstateerd in de woning. De onderzochte brandresten bevatten sporen van vluchtige stoffen van motorbenzine en aardoliedestilaat. Er zijn geen sporen van braak of verbreking aan de ramen en deuren aangetroffen. De forensische opsporing heeft vastgesteld dat de schuifdeur aan de achterkant van de woning open heeft gestaan ten tijde van de brand.

Verdachte wordt op 29 maart 2016 aangehouden en zijn woning en auto worden doorzocht. Er worden twee flessen met daarin vluchtige stoffen in beslag genomen. Monsters van deze vluchtige stoffen worden naar het Nederlands Forensisch Instituut opgestuurd waar deze worden vergeleken met de aangetroffen brandresten uit de woning [adres] . Uit dit onderzoek is gebleken dat de monsters van de vluchtige stoffen niet overeenkomen met de aangetroffen brandresten uit de woning.

Uit onderzoek blijkt dat verdachte op zijn computer en telefoon op 12 februari 2016 heeft gezocht op termen als “is een kluis bestand tegen brand” en op 16 februari 2016 op “[slachtoffer 1] brand”. Ook heeft hij op 7 februari 2016 de website van de brandweer Barendrecht bezocht.

Op 22 maart 2016 ontvangt [slachtoffer 1] de berichten die onder feit 3 zijn ten laste gelegd en besproken.

Ter zitting heeft verdachte bekend deze berichten verstuurd te hebben, echter hij stelt dit te hebben gedaan in de overtuiging dat de nieuwe partner van [slachtoffer 1] , de heer [slachtoffer 2] , zich op zou houden in een bepaald milieu. [slachtoffer 2] zou grote schulden hebben en hiermee onder druk worden gezet. Verdachte wilde zijn ex-vriendin en haar kinderen beschermen en er op deze manier voor zorgen dat [slachtoffer 1] bedenkingen over de relatie met [slachtoffer 2] zou krijgen en deze relatie zou beëindigen.

Het dossier bevat daarmee weliswaar aanwijzingen die geleid hebben tot de verdenking jegens verdachte, maar onvoldoende concrete bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die ter plaatse is geweest en de brand heeft gesticht. Verdachte dient dan ook bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs te worden vrijgesproken. Dat verdachte met de bedreigingen achteraf of anderszins daderkennis prijsgaf is de rechtbank niet gebleken. Ook bevatten de bedreigingen naar het oordeel van de rechtbank niet de bekentenis die de officier van justitie daarin leest, te meer omdat de verdachte aan deze berichten een uitleg heeft gegeven die de rechtbank gelet op de dubbelzinnige inhoud van de berichten niet zonder meer onaannemelijk acht.

4.3.3

Feit 5 38

4.3.3.1 De bewijsmiddelen

Op 9 april 2016 heeft [naam 4] namens de gemeente Venlo aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking van enveloppen en briefpapier. Op 29 maart 2016 werd [naam 4] door de recherche van de politie Venlo geïnformeerd dat er 40 lege enveloppen en 50 vellen blanco briefpapier (alle voorzien van het nieuwe logo van de gemeente Venlo) aangetroffen waren bij een medewerker van de gemeente Venlo, zijnde verdachte.39

Getuige [getuige 2] , werkzaam bij de gemeente Venlo, verklaarde op 29 april 2016 dat hij verdachte nooit toestemming heeft gegeven om bij de opruimwerkzaamheden in het kader van de verhuizing van de gemeente goederen mee te nemen.40

Getuige [getuige 3] , facilitair manager binnen de gemeente Venlo, verklaarde op 14 mei 2016 dat het nieuwe logo van de gemeente Venlo op 1 januari 2010 werd geïntroduceerd. Hij verklaarde verdachte geen toestemming te hebben gegeven om briefpapier en enveloppen met het nieuwe logo van de gemeente Venlo mee te nemen naar huis.41

Uit het ‘Advies van de bezwarencommissie personele aangelegenheden gemeente Venlo’ van de hoorzitting van 22 november 2016 volgt dat de heer [getuige 3] ten overstaan van de bezwarencommissie heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat verdachte hem om toestemming heeft gevraagd om spullen mee te nemen, maar hij kan het ook niet uitsluiten. Veronderstellende dat verdachte toestemming zou vragen om briefpapier en enveloppen mee naar huis te nemen, zou [getuige 3] hier nooit toestemming voor geven.42 Tevens volgt uit dit advies dat de verhuizing in 2014 heeft plaatsgevonden.

Verdachte verklaarde op 12 april 2016 tijdens zijn verhoor op het politiebureau dat hij in opdracht van de heer [getuige 2] het archief moest leegmaken. Hij had toen enveloppen en briefpapier gevonden en aangezien hij wel eens een envelop nodig had en het zonde vond de spullen weg te moeten gooien, heeft hij deze onder zich genomen. Verdachte verklaarde dat hij niets met [getuige 2] heeft besproken om het papier en de enveloppen mee te nemen. Hij verklaarde geen toestemming te hebben gekregen van de gemeente Venlo om de spullen mee naar huis te nemen en voor privé-doeleinden te gebruiken. [getuige 2] was zijn teamleider bij Veiligheid en Handhaving in de tijd dat verdachte nog BOA was.43

Ter terechtzitting heeft verdachte bevestigd dat hij op het moment dat hij die goederen mee naar huis nam wist dat daarbij het betreffende briefpapier en de enveloppen van de gemeente Venlo zaten.44

4.3.3.2 Bewijsoverweging feit 5

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte uit hoofde van zijn dienstbetrekking enveloppen en briefpapier heeft verduisterd. Dit is tijdens een verhuizing in 2014 gebeurd, waardoor de rechtbank een kortere periode bewezen zal verklaren dan is ten laste gelegd. Weliswaar heeft verdachte ter terechtzitting benadrukt dat hij wel toestemming had gekregen van [getuige 3] of [getuige 2] om een grote hoeveelheid goederen, waar de enveloppen en het briefpapier onderdeel van uitmaakten mee te nemen, maar dat vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.

De rechtbank overweegt daarbij overigens dat het verdachte gezien de aard van de betreffende goederen volstrekt duidelijk heeft moeten zijn dat hij deze goederen niet zonder expliciete toestemming van de gemeente onder zich mocht nemen. Die expliciete toestemming had hij niet, zo is gebleken uit zijn verklaring ter terechtzitting.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

feit 1

in de periode 1 september 2015 tot en met 31 maart 2017 in de gemeente Venlo wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte die [slachtoffer 1] gebeld, langs de woning en/of het werk van die [slachtoffer 1] gereden, een brief en spraakberichten naar die [slachtoffer 1] gestuurd en zich hinderlijk bij de woning van die [slachtoffer 1] opgehouden waarbij hij, verdachte, heeft geroepen naar die [slachtoffer 1] en haar kinderen;

feit 3

op 22 maart 2016 in de gemeente Venlo [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Wij hebben jou en je dochters deze keer gespaard. Let je de volgende keer op als je de ganzen naar buiten laat?" en "Ik kan je niet de veiligheid garanderen voor jou en je twee dochters als hij geen medewerking zal blijven geven zoals afgesproken”;

feit 4

in de periode 13 oktober 2015 tot en met 17 maart 2016 in de gemeente Venlo wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] , met het oogmerk die [slachtoffer 2] , dwingen iets te doen en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] op afstand gevolgd middels een GPS-tracker, waarbij verdachte de door die [slachtoffer 2] gereden routes kon traceren en een bericht via Facebook gestuurd en een brief naar het werk van die [slachtoffer 2] gestuurd en het kenteken van die [slachtoffer 2] nagetrokken teneinde zijn NAW-gegevens te achterhalen;

feit 5

in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 in de gemeente Venlo,

opzettelijk veertig enveloppen (met opdruk van het logo van de gemeente Venlo)

en vijftig vellen blanco briefpapier (met opdruk van het logo van de gemeente Venlo),

geheel toebehoorde aan gemeente Venlo, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als medewerker van de gemeente Venlo (BOA en/of mobiliteitskandidaat), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 en 4

belaging

feit 3

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

feit 5

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Hiertoe heeft zij onder andere aangevoerd dat het gehele feitencomplex zeer ernstig is en een enorme impact heeft op de slachtoffers. Bij de reclassering werkt verdachte wel mee, maar laat hij niet het achterste van zijn tong zien. Verdachte is zeer wantrouwend en er is geen contact met hem te krijgen, waardoor het voor professionals moeilijk is om het gevaar dat van hem uitgaat in te schatten.

Tevens heeft de officier van justitie verzocht de onmiddellijke gevangenneming van verdachte te bevelen. Indien dit niet wordt toegewezen door de rechtbank verzoekt zij de vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen en te bevelen dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn. De vrijheidsbeperkende maatregel dient een gebiedsverbod voor de gemeente Aren in te houden, alsmede een direct en indirect contactverbod met [slachtoffer 1] en haar kinderen voor de duur van 5 jaar. Indien de rechtbank van oordeel is dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is, dan verzoekt de officier van justitie rekening te houden met voorwaarden (reclasseringscontact, elektronische enkelband, (in)direct contactverbod met [slachtoffer 1] en haar kinderen en een locatieverbod voor de gemeente Arcen) binnen een eventueel voorwaardelijk kader.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om in geval van strafoplegging uit te gaan van een aanzienlijk lagere straf dan de straf die de officier van justitie heeft gevorderd nu in haar optiek enkel feit 3 en eventueel feit 4 (voor een korte periode) bewezen kunnen worden verklaard. Ook dienen de gevolgen die een en ander voor verdachte hebben gehad en het feit dat er een behoorlijke periode is verstreken, volgens de verdediging meegenomen te worden in de strafmaat. De verdediging verzoekt een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Tevens verzoekt de verdediging de vordering tot gevangenneming af te wijzen en geen vrijheidsbeperkende maatregelen in het vonnis op te nemen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank merkt daarbij reeds op voorhand op dat zij minder dan de officier van justitie heeft bewezenverklaard en dat zij om die reden ook tot een lagere straf zal komen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van anderhalf jaar schuldig gemaakt aan belaging en eenmalig ook aan bedreiging van zijn ex-vriendin, [slachtoffer 1] . Waar het hem duidelijk had moeten zijn dat hij haar met rust had moeten laten, nu zij niets meer van hem wilde weten, bleef hij contact met haar zoeken en haar aandacht afdwingen door haar ongevraagd te bellen, een mail te sturen en bij haar langs te gaan. In diezelfde periode heeft verdachte ook haar vriend [slachtoffer 2] belaagd. Als de rust daarna lijkt te zijn wedergekeerd, zoekt verdachte [slachtoffer 1] een jaar later opnieuw op en schreeuwt hij om haar aandacht en die van haar kinderen. Verdachtes gedrag komt obsessief, intimiderend en bedreigend over en is voor [slachtoffer 1] en haar gezin, zo volgt uit de schriftelijke slachtofferverklaring, beangstigend en voor [slachtoffer 1] zeer vermoeiend, nu zij vanuit het gevoel van onveiligheid steeds alert is om haar kinderen te kunnen beschermen. De impact van het gedrag van verdachte op het leven en de levensvreugde van [slachtoffer 1] en haar naasten is erg groot.

Verdachte heeft op geen enkele wijze laten zien dat hij het besef heeft dat zijn gedrag ongeoorloofd en uiterst ongewenst is.

De rechtbank betrekt tevens bij de bepaling van de straf dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering binnen dienstbetrekking, waarmee hij het vertrouwen dat zijn werkgever in hem mocht stellen heeft beschaamd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 5 januari 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten. De rechtbank neemt ook dit mee in het bepalen van de strafmaat, maar dan ten voordele van verdachte.

Eén van de twee belangrijkste doelen van de bestraffing van deze verdachte is voorkomen dat verdachte in de toekomst nog enig contact zoekt met [slachtoffer 1] , haar partner en haar kinderen. Het tweede doel is strafoplegging als vergelding voor de door hem begane misdrijven. Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit laatste bereikt met het opleggen van een taakstraf voor de maximale duur van 240 uur, met aftrek van 2 uur per dag dat verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten, alsmede door het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank is daarbij van oordeel dat het niet wenselijk is om de gevangenisstraf onvoorwaardelijk op te leggen. De rechtbank acht het aangewezen dat de verdachte een flinke stok achter de deur heeft om hem ervan te weerhouden in de toekomst contact op te nemen met [slachtoffer 1] , haar partner en haar kinderen. Om dit te bereiken legt de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van drie jaren. Door het opleggen van een lange voorwaardelijke gevangenisstraf met een lange proeftijd, hoopt de rechtbank te bewerkstelligen dat de verdachte ophoudt met het volgen en aandacht vragen van [slachtoffer 1] . De rechtbank zal in dat verband naast reclasseringstoezicht ook als bijzondere voorwaarde gekoppeld aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een contactverbod opleggen. Het daarnaast ook nog opleggen van een gebiedsverbod voor de gemeente Arcen en de overige door de officier gevorderde bijzondere voorwaarden, acht de rechtbank te verstrekkend.

De officier van justitie heeft gevorderd deze vrijheidsbeperkende voorwaarde dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De rechtbank acht voor de toewijzing van dit deel van deze vordering onvoldoende termen aanwezig, waardoor de rechtbank dit verzoek zal afwijzen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Hoge Raad van 25 november 2014, NJ 2015, 8.

Gelet op het voorgaande wordt ook de vordering van de officier tot onmiddellijke gevangenneming afgewezen.

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een schadevergoeding gevorderd van in totaal

€ 23.090,12 te vermeerderen met de wettelijke rente. De gevorderde schade bestaat uit

€ 18.990,12 materiele schade en € 4.100,- immateriële schade, benevens rente.

Voorts heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Verder wordt verzocht om een proceskostenveroordeling conform het liquidatietarief groot

€ 1.737,00 (€ 579,00 x 3 punten voor het indienen en aanvullen van het verzoek tot schadevergoeding, het bijwonen van de zitting op 24 november 2017 en het bijwonen van de zitting op 30 januari 2018).

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot toewijzing van de gehele vordering nu de opgegeven posten rechtstreekse schade betreffen en de posten goed zijn onderbouwd. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van een bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.

De officier van justitie heeft gevorderd om het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij aangevoerd dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu vrijspraak is bepleit voor de brandstichting. De verdediging merkt op dat de vordering met name ziet op de brandstichting.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, de stukken met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en hetgeen ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, onvoldoende vast komen te staan welk deel van de materiële schade is toe te rekenen aan de bewezenverklaarde feiten en welk aan de brandstichting, waarvan verdachte wordt vrijgesproken. De rechtbank zal de materiele schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Voor zover de materiële schade betrekking heeft op wel bewezenverklaarde feiten, zal de benadeelde partij dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Ten aanzien van de immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer 1] immateriële schade heeft geleden door de belaging en de bedreigingen die verdachte jegens het slachtoffer heeft geuit. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring die [slachtoffer 1] hierover heeft opgesteld, hebben de belaging en bedreigingen door verdachte een grote impact op haar leven en haar psychisch welzijn gehad.

Bij het vaststellen van de immateriële schade, die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. Deze schadepost zal de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid toewijzen tot een bedrag van € 1.250,00. Voor het overige zal de rechtbank de vordering ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank aan benadeelde partij een schadevergoeding toekennen van in totaal € 1.250,00, bestaande uit immateriële schade.

Ten aanzien van de wettelijke rente

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 4 februari 2017 (zijnde de dag waarop de eerste vordering is ingediend).

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor een bedrag van € 1.250,00, nu de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Kosten rechtsbijstand

De rechtbank constateert dat de benadeelde partij in verband met de onderbouwing van haar vordering ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten ook kosten heeft moeten maken, die naar het oordeel van de rechtbank voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt toe te wijzen tot een in redelijkheid te bepalen bedrag van € 500,00. Voor het overige zal de rechtbank de vordering afwijzen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 285, 285b, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte voor feit 1, 3, 4 en 5 tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

a. de veroordeelde mag direct noch indirect contact hebben met [slachtoffer 1] , haar partner en haar kinderen;

  • -

    geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    beveelt dat de algemene en bijzondere voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

  • -

    veroordeelt verdachte voor feit 1, 3, 4 en 5 tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , wonende te Arcen, ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk is en bepaalt dat zij dit gedeelte van haar vordering slechts bij burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de immateriële schade gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 4 februari 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij dit gedeelte van haar vordering slechts bij burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot op heden op € 500,00;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van € 1.250,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 4 februari 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, voorzitter, mr. E.H.A.F.M. Krol en mr. I.C.A. Wilschut, rechters, in tegenwoordigheid van M.S.E.M. Oude Hengel, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 februari 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode 1 september 2015 tot en met 31 maart 2017 in de

gemeente Venlo, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt

op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , in elk geval van

een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] , in elk geval die ander te

dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers

heeft/is verdachte die [slachtoffer 1] (telkens) veelvuldig gebeld, regelmatig langs

de woning en/of het werk van die [slachtoffer 1] gereden, veelvuldig brieven en/of

Facebook- en/of spraakberichten naar die [slachtoffer 1] gestuurd en/of zich

hinderlijk voor/bij de woning van die [slachtoffer 1] opgehouden waarbij hij,

verdachte, heeft geschreeuwd/geroepen naar die [slachtoffer 1] en/of haar kinderen;

2.

hij op of omstreeks 15 februari 2016 te Arcen, gemeente Venlo,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met

motorbenzine en/of (een) aardoliedestillaat, in elk geval een of meer

brandversnellende en/of brandbare (vloei)stoffen, ten gevolge waarvan een

woning, gelegen aan de Lingsforterweg 88, geheel of gedeeltelijk is verbrand,

in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde

woning en/of de in deze woning aanwezige inboedel, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen, te duchten was;

3.

hij in of omstreeks de periode 21 maart 2016 tot en met 22 maart 2016 in de

gemeente Venlo, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Wij hebben jou en je dochters deze

keer gespaard. Let je de volgende keer op als je de ganzen naar buiten laat?"

en/of "Ik kan je niet de veiligheid garanderen voor jou en je twee dochters

als hij geen medewerking zal blijven geven zoals afgesproken", althans woorden

van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij in of omstreeks de periode 13 oktober 2015 tot en met 17 maart 2016 in de

gemeente Venlo, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] (telkens) (op afstand) gevolgd middels een

GPS-tracker die aan/onder een auto van die [slachtoffer 2] was bevestigd (waarbij

verdachte (dagelijks) de door die [slachtoffer 2] gereden routes kon traceren) en/of

berichten via Facebook gestuurd en/of brieven naar het werk van die [slachtoffer 2]

gestuurd en/of het kenteken van die [slachtoffer 2] nagetrokken teneinde zijn

NAW-gegevens te achterhalen;

5.

hij in of omstreeks de periode 1 januari 2010 tot en met 29 maart 2016 in de

gemeente Venlo,

opzettelijk veertig enveloppen (met opdruk van het logo van de gemeente Venlo)

en/of vijftig vellen blanco briefpapier (met opdruk van het logo van de

gemeente Venlo), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehoorde aan (de) gemeente Venlo, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte,

en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te

weten als medewerker van de gemeente Venlo (BOA en/of mobiliteitskandidaat),

elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, Districtsrecherche Noord & Midden-Limburg, onderzoek LB1RO16025 Tinkerbell, gesloten op 9 februari 2017 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 572.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 24 maart 2016, pagina’s 350 tot en met 359.

3 Pagina 357 en 358.

4 Pagina 359.

5 Proces-verbaal ter terechtzitting van 30 januari 2018.

6 Proces-verbaal nr. 16-014-A van 8 april 2016, pagina 233.

7 Pagina’s 235 tot en met 260.

8 Proces-verbaal verhoor verdachte van 29 maart 2016 om 11:35 uur, pagina 474.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte van 30 maart 2016 om 10:45 uur, pagina 478 tot en met 485.

10 Proces-verbaal verhoor verdachte van 30 maart 2016 om 14:18 uur, pagina 486 tot en met 500.

11 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 24 maart 2016, pagina 350 tot en met 359.

12 Proces-verbaal gesproken sms berichten van 22 maart 2016, pagina 360 tot en met 361.

13 Proces-verbaal aanvulling op PV gesproken berichten van 29 maart 2016, pagina 362.

14 Proces-verbaal van terechtzitting van 30 januari 2018.

15 Proces-verbaal met betrekking tot telecom, pagina 363 tot en met 367.

16 Proces-verbaal met betrekking tot telecom, pagina 364.

17 Proces-verbaal van bevindingen GPS tracker, pagina 412.

18 2x op 17 oktober 2015, 3x op 12 november 2015, meermalen op 27 november 2015, op zowel 17 als 18 februari 2015 en 2x op 21 maart 2016.

19 Op 14 oktober 2015 op Facebook en op 16 oktober 2015 per gewone brief.

20 Op 13 oktober 2015, 17 oktober 2015, 18 oktober 2015, 5 november 2015 en 22 februari 2016.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , pagina 154 tot en met 166.

22 Proces-verbaal verhoor verdachte van 30 maart 2016 om 10:45 uur, pagina 478 tot en met 485.

23 Proces-verbaal van terechtzitting van 30 januari 2018.

24 Pagina 240 en 241.

25 Proces-verbaal nr. 16-014-A van 8 april 2016, pagina 231 en Proces-verbaal van bevindingen GPS tracker, pagina 411.

26 Proces-verbaal nr. 16-014-A van 8 april 2016, pagina 233.

27 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] van 20 juni 2016, pagina’s 384 tot en met 399.

28 Proces-verbaal van terechtzitting van 30 januari 2018.

29 Op 14 oktober 2015 op Facebook en op 16 oktober 2015 per gewone brief.

30 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, District Noord & Midden-Limburg, procesverbaalnummer 2017043032, gesloten op 20 mei 2017 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 88.

31 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 16 maart 2017, pagina’s 10 en 11.

32 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] van 20 maart 2017, pagina 31 tot en met 32.

33 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] van 20 maart 2017, pagina 33 tot en met 34.

34 Proces-verbaal van bevinding van 11 april 2017, pagina 57.

35 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] van 27 maart 2017, pagina 28 tot en met 32.

36 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 22 maart 2017, pagina 35 tot en met 38.

37 Op 14 oktober 2015 op Facebook en op 16 oktober 2015 per gewone brief.

38 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, Districtsrecherche Noord & Midden-Limburg, onderzoek LB1RO16025 Tinkerbell, gesloten op 9 februari 2017 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 572.

39 Proces-verbaal van aangifte [naam 4] van 9 april 2016, pagina 436 en 437.

40 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] van 29 april 2016, pagina’s 439 tot en met 443.

41 Proces-verbaal getuige [getuige 3] van 14 mei 2016, pagina’s 446 tot en met 449.

42 Bijlage bij het proces-verbaal rechtbank Limburg van de in het openbaar gehouden terechtzitting van 24 november 2017, niet onderdeel uitmakend van het in voetnoot 38 genoemde proces-verbaal.

43 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] van 12 april 2016, pagina’s 519 tot en met 523.

44 Proces-verbaal van terechtzitting van 30 januari 2018.