Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:1357

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1055u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroep betreft omgevingsvergunning voor het bouwen en het handelen in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van een winkelcentrum met twee supermarkten dat in de plaats komt van een verouderd winkelcentrum in Venray. Het beroep is ingesteld door concurrerende supermarktondernemingen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Een aantal beroepsgronden, onder meer die over de berekening van de parkeerbehoefte, betreffen normen die niet strekken tot bescherming van het belang van de concurrerende ondernemingen en zijn daarom buiten beschouwing gelaten op grond van het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb. In het kader van de beoordeling of een verklaring van geen bedenkingen vereist is, acht de rechtbank het betoog over strijd met de parkeernota niet in strijd met het relativiteitsvereiste. Zij gaat daarom wel in dat betoog, maar verwerpt dat op inhoudelijke gronden.

De rechtbank gaat verder onder meer niet mee met het betoog dat de vergunning niet had mogen worden gegeven zonder verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad. De rechtbank vindt het besluit van de raad over de gevallen waarin zo’n verklaring niet is vereist, niet te vaag en daarom niet in strijd met de rechtszekerheid.

Ook beroepsgronden over strijd met het provinciale beleid slagen niet.

Naar aanleiding van de bespreking ter zitting heeft de rechtbank wel nog het voorschrift aan de vergunning verbonden dat de nieuwe supermarkten pas open mogen gaan als de supermarkten in het oude winkelcentrum definitief gesloten zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/1055

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 februari 2018 in de zaak tussen

Albert Heijn B.V., Ahold Real Estate & Construction B.V. (Ahold REC), EMTÉ Supermarkten B.V., Jan Linders B.V., Plus Retail B.V., Plus Vastgoed B.V. en Plus G. van Dijck B.V., respectievelijk te Zaandam, Veghel, Bergen, Utrecht en Venray, gezamenlijk aan te duiden als eiseressen

(gemachtigde: mr. J.C. van Oosten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray, verweerder

(gemachtigde: mr. M.H.J. Seelen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Jumbo Supermarkten Vastgoed B.V., te Amersfoort

(gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten handelen in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) en bouwen (artikel 2.1, onder a, van de Wabo) ten behoeve van het bouwen van een winkelcentrum en twintig bovenwoningen op de percelen Kiosk 157, 158, 160 tot en met 179, 180, 185, 190 en 195 te Venray.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2017.

Eiseressen zijn verschenen bij hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen bij [naam] en bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende door partijen niet betwiste feiten en omstandigheden. De derde-partij heeft op 27 juli 2016 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen en het handelen in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van een winkelcentrum met op de begane grond twee supermarkten en twee overige commerciële ruimtes, en op de eerste en tweede verdieping twintig appartementen (bouwplan). Het bouwplan betreft onder meer de vervanging en uitbreiding van een bestaande Jumbo in ’t Brukske en een nieuwe vestiging van Lidl die in de plaats komt van de Aldi-winkel die eerder in dat winkelcentrum was gevestigd. Verweerder heeft vastgesteld dat het bouwplan strijdig is met het bestemmingsplan “Centrum Brukske Venray” (bestemmingsplan), aangezien de op grond van het bestemmingsplan toegestane vierkante meters verkoopvloeroppervlakte (vvo) voor supermarkten, te weten 2100 m², wordt overschreden. Op 10 oktober 2016 heeft verweerder een ontwerpbesluit tot afwijking van het bestemmingsplan bekend gemaakt, waarover eiseressen op 24 november 2016 zienswijzen naar voren hebben gebracht.

2. Onder verwerping van de zienswijzen stelt verweerder zich in het bestreden besluit allereerst op het standpunt dat een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad niet nodig is, aangezien het bouwplan past binnen het door de gemeenteraad vastgestelde beleid en dit politiek en/of maatschappelijk gezien niet als gevoelig moet worden beschouwd. Bij besluit van 28 september 2010 heeft de gemeenteraad bepaald dat voor dergelijke initiatieven een vvgb niet nodig is. De aanvraag is volgens verweerder voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing waarmee hij kan instemmen. Ter aanvulling overweegt verweerder dat de voorgestelde uitbreiding van de Jumbo en de nieuwvestiging van Lidl passen in het beleid zoals geformuleerd in de Nota Actualisatie supermarkten en Structuurvisie Detailhandel, 1e partiële herziening (nota), waarin onder meer is opgenomen dat nieuwe supermarkten zich dienen te vestigen in of direct aangrenzend aan de bestaande winkelcentra met een functie voor de dagelijkse boodschappen en het uitbreiden van supermarkten tot de mogelijkheden behoort om tegemoet te komen aan de wensen van de consument. Op basis van de door BRO (‘Venray, quick scan Lidl’) en door MKB Reva (‘Ruimtelijk-economische onderbouwing/DPO vestiging supermarkt locatie Tureluur Wijk de Brabander te Venray’) uitgevoerde onderzoeken ziet Lidl voldoende marktkansen voor een vestiging in Venray. In de huidige situatie is sprake van koopkrachtafvloeiing, aangezien een deel van de inwoners van Venray bereid is een langere afstand te reizen naar een Lidl-vestiging in de omliggende gemeenten. Derhalve voegt de beoogde Lidl-vestiging iets toe aan het bestaande aanbod. Voorts is er volgens verweerder geen risico dat het bouwplan leidt tot onaanvaardbare leegstand en is duurzame ontwrichting van de bestaande voorzieningenstructuur niet aan de orde, nu verweerder niet verwacht dat het bouwplan leidt tot het ‘omvallen’ van een of meerdere supermarkten. Het bouwplan is op 4 oktober 2016 respectievelijk 30 september 2016 akkoord bevonden door het Adviesbureau Ruimtelijke Kwaliteit en de brandweer.

3. Eiseressen voeren in beroep - kort weergegeven - aan dat de aanvraag in strijd is met de ladder voor duurzame verstedelijking nu de omgevingsvergunning een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, terwijl deze niet voorziet in een actuele regionale behoefte. Uit de gemeentelijke beleidsstukken blijkt dat er onvoldoende marktruimte is voor het bouwplan. Gelet hierop en de toename aan vvo zal het ondernemersklimaat ter plaatse worden aangetast. De omgevingsvergunning brengt gevaar voor leegstand met zich en is derhalve strijdig met de uitgangspunten die aan de structuurvisie ten grondslag liggen. Voorts is niet gemotiveerd waarom het bouwplan om kwalitatieve redenen gewenst en noodzakelijk is.

Vervolgens betogen eiseressen dat aan het bestreden besluit ten onrechte niet de voorwaarde is verbonden dat de nieuwe supermarkten pas en slechts gebruikt mogen worden indien de huidige supermarktruimten niet meer als supermarkt worden gebruikt.

Ten onrechte is er volgens hen geen regionale afstemming geweest, nu de toename van vvo meer dan 1.000 m² bedraagt, namelijk 1.607 m².

Ook zijn eiseressen van mening dat de parkeerberekeningen niet juist zijn en dat de parkeerbalans ongemotiveerd afwijkt van de beleidsnota parkeernormen.

Verweerders standpunt dat geen vvgb nodig is kan niet worden gehandhaafd, omdat de in het besluit van de gemeenteraad genoemde categorie te ruim en te algemeen geformuleerd is, alsmede omdat de omgevingsvergunning wel in strijd is met het beleid, namelijk de structuurvisie, waarin wordt uitgegaan van 2.100 m² vvo en de beleidsnota parkeernormen die niet wordt gerespecteerd, aldus eiseressen.

4. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de ambtshalve te beantwoorden vraag of eiseressen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer de uitspraak van 5 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1813) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende. Dit is bij omgevingsvergunningen als hier aan de orde slechts het geval indien de onderneming in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid. Albert Heijn, EMTÉ, Jan Linders, Plus Retail en Plus zijn exploitanten van supermarkten in Venray. Ahold REC en Plus Vastgoed zijn eigenaren van de panden waarin Albert Heijn en Plus gevestigd zijn. In het rapport van BRO van 4 oktober 2016 dat vergunninghouder ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing heeft laten opstellen, wordt gesteld dat uitbreiding van het supermarktaanbod in winkelcentrum ’t Brukske naar verwachting zal leiden tot een lichte daling van de gemiddelde omzet in de supermarktbranche in de kern Venray. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het te verwachten is dat de vestiging van met name Lidl zal leiden tot omzetverlies voor de bestaande supermarkten in Venray.

De rechtbank acht aannemelijk dat Albert Heijn, EMTÉ, Jan Linders, Plus Retail en Plus als exploitanten van supermarkten in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied werkzaam zijn als de Jumbo- en Lidl-supermarkten waarin het bouwplan voorziet. Daarmee zijn deze exploitanten als belanghebbende aan te merken en kunnen zij in het beroep worden ontvangen.
Voor vastgoedeigenaren die in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied actief zijn, te weten de verhuur of verkoop van ruimte voor supermarktruimte binnen een bepaald verzorgingsgebied, geldt voorts eveneens dat zij als belanghebbende kunnen worden aangemerkt indien en voor zover niet is uitgesloten dat het bestreden besluit nadelige gevolgen heeft voor de verhuurbaarheid van hun pand(en) (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3395). Door het bestreden besluit vindt een uitbreiding plaats van het aantal vierkante meters supermarktruimte. Verweerder heeft geconcludeerd dat een (lichte) omzetdaling als gevolg van de vestiging van de Jumbo- en Lidl-supermarkten verwacht kan worden. Een omzetdaling kan van invloed zijn op de te hanteren huurprijs. Niet kan daarom worden uitgesloten dat het bouwplan de verhuurbaarheid van het pand van Ahold REC en Plus Vastgoed nadelig zal beïnvloeden. De rechtbank houdt het er daarom voor dat ook deze eiseressen door het besluit rechtstreeks in hun belangen te worden geraakt. Derhalve moeten zij worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De conclusie is dat hun beroep ontvankelijk is.

5. In artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

In artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

In artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

6. Naar vaste rechtspraak van de Afdeling is de beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan een bevoegdheid van verweerder, waarbij hij beleidsvrijheid heeft. De bestuursrechter dient die beslissing terughoudend te toetsen. Dat wil zeggen dat de bestuursrechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit om het afwijkende gebruik toe te staan heeft kunnen komen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1813).

7. Wat betreft het betoog van eiseressen dat niet voldaan is aan de ladder voor duurzame verstedelijking, als opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, zoals dat artikel luidde ten tijde van belang) overweegt de rechtbank dat het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eiseressen door het bestreden besluit dreigen te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van eiseressen.

7.1.

Bij de beantwoording van de vraag of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met de rechtsregel neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro moet onderscheid worden gemaakt tussen de belangen die genoemde bepaling beoogt te beschermen enerzijds en de belangen van de rechtzoekende die deze rechtsregel inroept anderzijds, zie de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1813). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van
20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1585), samengevat weergegeven, strekt artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro tot bevordering van zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder het voorkomen van onnodig ruimtebeslag, en het voorkomen van onaanvaardbare leegstand. Concurrenten, zoals eiseressen dienen - als zij stellen dat het besluit in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro - daarbij feiten en omstandigheden aan te voeren die het oordeel rechtvaardigen dat de voorziene ontwikkeling zal kunnen leiden tot een uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening relevante leegstand. In dat geval staat het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb niet aan inhoudelijke beoordeling van de gestelde strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in de weg. In het kader van die beoordeling kan aan de orde komen of het bestreden besluit zodanige leegstandseffecten tot gevolg heeft dat dit tot een uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal kunnen leiden. Daarbij betrekt de bestuursrechter het oordeel van het betrokken bestuursorgaan over de onaanvaardbaarheid van die leegstandseffecten.

7.2.

Voor relevante leegstand als hiervoor bedoeld is onvoldoende dat de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt door een omgevingsvergunning, leidt of kan leiden tot een verminderde vraag naar producten of diensten en daardoor tot daling van omzet en inkomsten van de eigen onderneming of de betreffende vestiging. Het enkele feit dat de voorziene ontwikkeling kan leiden tot beëindiging van de eigen bedrijfsactiviteiten ter plaatse en daardoor tot leegstand van het in gebruik zijnde bedrijfsgebouw, is op zichzelf eveneens onvoldoende om te concluderen dat zich relevante leegstand zal voordoen. Dit kan echter onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld indien het bedrijfsgebouw dermate bijzondere bouwkundige dan wel locatie-specifieke eigenschappen heeft, dat andersoortig gebruik - al dan niet door transformatie - niet of onder zeer bezwarende omstandigheden tot de mogelijkheden behoort, hetgeen niet licht zal kunnen worden aangenomen. Voorts zou relevante leegstand zich kunnen voordoen bij leegstand als gevolg van de voorziene ontwikkeling in de omgeving van het bij de concurrent in gebruik zijnde bedrijfspand, mits dat gevolg ruimtelijk relevant is (zie onder meer genoemde uitspraak van de Afdeling van
5 juli 2017).

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn met de stelling dat doordat er in theorie geen marktruimte is voor uitbreiding van het supermarktaanbod, het ondernemingsklimaat ter plaatse wordt aangetast en de omgevingsvergunning het gevaar op relevante leegstand met zich brengt, geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat zich uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening relevante leegstand zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat winkels van hen als gevolg van de omgevingsvergunning zullen verdwijnen, zodat evenmin aannemelijk is dat relevante leegstand zal ontstaan in de omgeving van de supermarkten van eiseressen. Ter zitting hebben eiseressen in het kader van een goede ruimtelijke ordening aangegeven dat als gevolg van het bouwplan de klandizie van de supermarkten zal afnemen, waardoor kleine winkels in de omgeving van de supermarkten failliet zullen gaan. Daargelaten of dit een belang is waarvoor eiseressen kunnen opkomen, betreft dit een onzekere toekomstige gebeurtenis.

7.4.

De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat de ingeroepen rechtsregel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van eiseressen. Artikel 8:69a van de Awb staat er dan ook aan in de weg dat het bestreden besluit wegens strijd hiermee wordt vernietigd. Gelet hierop ziet de rechtbank af van een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van eiseressen over de gestelde strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

8. De rechtbank volgt eiseressen niet in hun betoog dat de vergunning niet had mogen worden verleend bij gebreke van regionale afstemming. In de “Bestuursafspraken POL-uitwerkingen Noord-Limburg” van april 2016 staat dat grootschalige initiatieven met een bovenlokaal/regionaal effect ter instemming worden voorgelegd aan de regiogemeenten. Het betreft een detailhandelsactiviteit die in afwijking is van het bestemmingsplan en die betrekking heeft op een bruto toevoeging of wijziging van de branchering van 1.000 m² vvo bij een lokaal verzorgend centrum. Daarvan is geen sprake. Ten opzichte van de op grond van het bestemmingsplan toegestane m² vvo, te weten 2.100 m², bedraagt de overschrijding van het op grond van het bestemmingsplan toegestane aantal m² vvo als gevolg van het bouwplan 637 m², hetgeen niet is betwist. De rechtbank volgt eiseressen niet in hun stelling dat de toename gerelateerd dient te worden aan het feitelijke aantal m² vvo. Voor de toename van het aantal m² vvo is naar het oordeel van de rechtbank bepalend wat toegestaan is op basis van het bestemmingsplan en is niet de feitelijke situatie doorslaggevend. De rechtbank volgt eiseressen in dit verband ook niet in het betoog dat sprake is van een door verweerder gehanteerde ongeoorloofde “salamitactiek” doordat bij de vaststelling van het bestemmingsplan in 2013 in een vergroting van het maximale aantal m² van 970 vvo werd voorzien en nu met deze omgevingsvergunning nog eens 637 m² wordt vergund. Gelet reeds op het tijdsbestek tussen de vaststelling van het bestemmingsplan en verlening van de omgevingsvergunning moet worden geoordeeld dat het om op zichzelf staande ontwikkelingen gaat. Ten slotte is de rechtbank, anders dan eiseressen betogen, van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met de regionale afstemmingsplicht op grond van artikel 3.1.1 van het Bro, nu genoemde bepaling betrekking heeft op overleg bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, terwijl het onderhavige geval een omgevingsvergunning betreft.

9. Over het betoog van eiseressen dat de parkeerberekeningen onjuist zijn, overweegt de rechtbank dat parkeernormen de omgeving van een voorziening of ontwikkeling beogen te beschermen tegen overlast als gevolg van onvoldoende parkeervoorzieningen (zie de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1224). De onderhavige parkeernormen strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen waarvoor eiseressen in deze procedure bescherming zoeken, te weten zich te weren tegen concurrentie. Eiseressen hebben dit ter zitting ook erkend. Nu de dichtstbijzijnde vestiging van eiseressen is gelegen op meer dan 1 kilometer van het bouwplan en de supermarkten van eiseressen in andere winkelcentra zijn gevestigd, is niet aannemelijk dat ter plaatse van de supermarkten van eiseressen gevolgen van parkeren door het bouwplan kunnen worden ondervonden. Gelet hierop kan het betoog van eiseressen, wat hier verder ook van zij, ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het besluit. De rechtbank ziet dan ook af van een inhoudelijke beoordeling van het betoog over de juistheid van de parkeerberekeningen.

10. Eiseressen betogen voorts dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist. Zij voeren aan dat het aanwijzingsbesluit van 28 september 2010 van de gemeenteraad onverbindend is wegens strijd met de rechtszekerheid. In dat besluit is bepaald dat een verklaring van geen bedenkingen niet nodig is bij initiatieven die passen binnen het door de gemeenteraad vastgestelde beleid en die politiek en/of maatschappelijk niet als gevoelig moeten worden beschouwd. Eiseressen betogen dat beide voorwaarden die de gemeenteraad stelt op gespannen voet staan met de rechtszekerheid. De zinsnede “het door de gemeenteraad vastgestelde beleid” achten zij te ruim en te algemeen en deze laat volgens hen onder meer ruimte om daaronder niet bekend gemaakt beleid te scharen. De categorie “politiek en/of maatschappelijk niet gevoelige kwesties” laat volgens eiseressen in wezen de vrije hand aan verweerder om de gemeenteraad al dan niet om een verklaring te vragen.

De rechtbank overweegt over het betoog van eiseressen allereerst dat de Afdeling meermaals heeft geoordeeld (bijvoorbeeld in de uitspraak van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:133) dat artikel 6.5, derde lid, van het Bor geen vereisten stelt aan de aanwijzing van de gevallen die daarin opgenomen kunnen worden en evenmin een beperking inhoudt wat betreft de categorieën waarvoor de aanwijzing kan gelden. De Afdeling heeft daaraan wel toegevoegd dat dit niet betekent dat die categorieën ook op een zodanige wijze mogen worden geformuleerd dat aan de aanwijzing geen of nauwelijks nog onderscheidende betekenis meer valt toe te kennen. Een dergelijke aanwijzing zou niet voldoen aan de daaraan uit een oogpunt van rechtszekerheid te stellen eisen en maakt bovendien de in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor neergelegde hoofdregel zinledig.

Over het eerste criterium van het aanwijzingsbesluit, inhoudende dat het initiatief past binnen het door de raad vastgestelde beleid, overweegt de rechtbank dat het bepaalbaar is of een voorgenomen ruimtelijk project in strijd is met het door de raad vastgestelde beleid. Anders dan eiseressen betogen kan het daarbij niet gaan om beleid dat niet kenbaar is. Uit de eis dat het om vastgesteld beleid gaat volgt immers dat dit moet zijn neergelegd in een document waarover de raad een besluit heeft genomen. Over de vraag welk door de raad vastgesteld beleid voor een bepaalde aanvraag in het kader van de Wabo relevant is, acht de rechtbank geen misverstand mogelijk. Wat betreft een initiatief voor een detailhandelsvestiging zijn dat bijvoorbeeld de in deze uitspraak besproken beleidsnota’s.

Betreffende het criterium dat een initiatief niet als politiek en/of maatschappelijk gevoelig moet worden beschouwd, stelt de rechtbank vast dat dit het karakter heeft van een bijkomende voorwaarde, namelijk dat de gemeenteraad de besluitvorming over initiatieven die op zichzelf in overeenstemming zijn met zijn beleid maar maatschappelijk en/of politiek gevoelig zijn, aan zich houdt.

Of van zodanige gevoeligheid sprake is, kan blijken uit signalen uit de gemeentepolitiek en de regionale en plaatselijke nieuwsmedia en is daarmee bepaalbaar. De rechtbank acht ook in dit opzicht voldoende omlijnd in welke gevallen geen vvgb vereist is, zodat niet kan worden gezegd dat aan verweerder in wezen de vrije hand wordt gegeven om dit zelf uit te maken. Daarbij betrekt de rechtbank dat het eerste criterium eraan in de weg staat dat verweerder een niet door de gemeenteraad gewenste koers vaart.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het door de gemeenteraad krachtens artikel 6.5, derde lid, van het Bor genomen aanwijzingsbesluit, wegens strijd met de rechtszekerheid, onverbindend is.

11. Eiseressen hebben nog betoogd dat, indien zou moeten worden geoordeeld dat het aanwijzingbesluit niet onverbindend is, een vvgb vereist was omdat volgens hen niet aan de voorwaarde is voldaan dat het initiatief past binnen het door de gemeenteraad vastgesteld beleid. Met name zou het beoogde project niet in overeenstemming zijn met de door de raad vastgestelde structuurvisie en het parkeerbeleid.

11.1.

Wat betreft het betoog van eiseressen dat het bouwplan in strijd is met de structuurvisie van verweerders gemeente overweegt de rechtbank dat in de structuurvisie is opgenomen dat nieuwe supermarkten zich dienen te vestigen in of direct aangrenzend aan de bestaande winkelcentra met een functie voor de dagelijkse boodschappen. Ook het uitbreiden van supermarkten die in de huidige situatie verouderd/te klein zijn, behoort tot de mogelijkheden om tegemoet te komen aan de wensen van de consument. De uitbreiding van de Jumbo en de vestiging van de Lidl voldoen hieraan, nu deze gevestigd zijn in een bestaand winkelcentrum, de Jumbo de vervanging en de uitbreiding betreft van een reeds bestaande Jumbo en de Lidl in de plaats komt van de Aldi. Van strijd met de structuurvisie is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

11.2.

Eiseressen stellen zich tevens op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met de beleidsnota parkeernormen die door de gemeenteraad is vastgesteld. Dienaangaande overweegt de rechtbank allereerst dat dit betoog is voorgedragen in het kader van de voorwaarden waaronder een vvgb is vereist. Anders dan onder 9 is overwogen betreffende de berekening van de parkeerbehoefte stuit deze beroepsgrond daarom niet af op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb. Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank voorts dat blijkens de ruimtelijke onderbouwing “Supermarkten ’t Brukske te Venray” van 4 oktober 2016 enkel op zaterdagmiddag een tekort wordt berekend van zeven parkeerplaatsen. Dit betreft een dusdanig geringe afwijking, waarvoor middels het stimuleren van personeel om elders te parkeren een oplossing is gevonden die past binnen de uitgangspunten van het beleid parkeernormen, dat niet aannemelijk is dat de gemeenteraad hiertegen bedenkingen zal hebben.

12. Ter zitting heeft de derde-partij de rechtbank in overweging gegeven om zelf voorziend voorschriften aan de vergunning te verbinden over parkeren en sluiten van de bestaande supermarkten. Het voorstel voor een voorschrift over parkeren is na bespreking ter zitting ingetrokken, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om daar nog op in te gaan. Het andere voorgestelde nadere voorschrift is, na aanpassing op basis van bespreking ter zitting met alle partijen, als volgt geformuleerd: ‘de exploitatie van deze twee supermarkten mag pas een aanvang nemen nadat de bestaande supermarkten in het winkelcentrum ‘t Brukske definitief zijn gesloten’. Nu alle partijen deze voorwaarde nodig achten, althans daarmee instemmen, houdt de rechtbank het ervoor dat verweerder deze voorwaarde vanuit het oogpunt van rechtszekerheid aan de vergunning had moeten verbinden, zodat het bestreden besluit in zoverre onrechtmatig is. Zij zal op verzoek van partijen zelf in de zaak voorzien door het voorgestelde voorschrift aan de vergunning toe te voegen.

13. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Tevens zal zij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten, waardoor de verleende vergunning in stand blijft, en zal zij het onder 13 omschreven voorschrift in het bestreden besluit opnemen.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt voorts dat aan het bestreden besluit het volgende voorschrift wordt verbonden:

‘de exploitatie van deze twee supermarkten mag pas een aanvang nemen nadat de bestaande supermarkten in het winkelcentrum ‘t Brukske definitief zijn gesloten’;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseressen te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van
€ 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout (voorzitter), en mr. J.M.E. Derks en

dr. mr. D.W.M. Wenders, leden, in aanwezigheid van mr. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 9 februari 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.