Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:12475

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
C/03/251408/HARK 18-152
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker dient verzoek in ruim 2,5 maand nadat wrakingsgrond is opgekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/03/251408 / HA RK 18-152

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken van 9 augustus 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] aan de [adres verzoeker] ,

verzoeker,

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:

mr. E.P.J. Rutten, rechter in de rechtbank Limburg (hierna ook te noemen: de rechter).

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit het navolgende:

  • -

    het door verzoeker op 13 juni 2018 ingediende verzoeken (13.36 uur en 14.57 uur) strekkende tot wraking van mr. E.P.J. Rutten,

  • -

    de aanvulling op voormelde verzoeken van 13 juni 2018 (16.19 uur),

  • -

    de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de rechter,

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van de enkelvoudige kamer (bestuursrecht) van

11 december 2017,

- het proces-verbaal van de zitting van de enkelvoudige kamer (bestuursrecht) van

29 maart 2018.

1.2.

Op 6 augustus 2018 heeft de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek plaats gehad. Verzoeker – hoewel behoorlijk opgeroepen – is niet ter zitting verschenen.

De rechter is wel ter zitting verschenen.

1.3.

Verzoeker heeft voorts voorafgaand aan de wrakingszitting van 6 augustus 2018 meerdere e-mailberichten, gericht aan de wrakingskamer, verzonden. De wrakingskamer laat de daarin door verzoeker gebezigde bewoordingen geheel voor rekening van verzoeker.

2 De gronden van het wrakingsverzoek

2.1

Verzoeker legt aan het wrakingsverzoek ten grondslag – kort samengevat – het feit dat hij door de rechter onder valse voorwendselen is gesommeerd om ter zitting te verschijnen. Daarnaast stelt verzoeker dat de rechter hem ter zitting vaker het idee heeft gegeven dat ze partijdig was en zeker niet oprecht en rechtvaardig. Verzoeker stelt voorts dat de rechter zich schuldig maakt aan mishandeling.

3 De reactie van de rechter

3.1.

De rechter heeft schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. In haar reactie geeft zij aan dat verzoeker een oproeping heeft gekregen om op de zitting (van 29 maart 2018 zo begrijpt de wrakingskamer) te verschijnen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 11 december 2017 blijkt dat verzoeker is opgeroepen teneinde duidelijk te maken wat hij aan verweerders heeft gevraagd. Van oproeping onder valse voorwendselen kan geen sprake zijn. De zitting was enkel bedoeld om de mogelijkheden te bezien om tegemoet te komen aan de wensen van verzoeker. De rechter herkent zich voorts in het geheel niet in de door verzoeker gemaakte aantijgingen.

4 De beoordeling van het wrakingsverzoek

4.1.

Verzoeker heeft in een e-mailbericht van 25 juli 2018 voorafgaand aan de wrakingszitting van 6 augustus 2018 aangegeven dat hij niet behoorlijk is opgeroepen, nu de oproep voor de zitting van 6 augustus 2018 niet aangetekend is verstuurd. De wrakingskamer overweegt dienaangaande het navolgende.

4.2.

Het doel van een oproeping is de ontvanger op de hoogte te stellen van en uit te nodigen voor een zitting. Dat is in het onderhavige geval niet anders. Uit het

e-mailbericht van 25 juli 2018 blijkt dat uitnodiging voor de zitting van de wrakingskamer van 6 augustus 2018 verzoeker heeft bereikt. Verzoeker is aldus op de hoogte gebracht van de zitting en van een onbehoorlijke oproeping kan dan ook geen sprake zijn.

4.3.

In artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.4.

In artikel 8:16 Awb is bepaald dat een in artikel 8:15 Awb bedoeld verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

4.5.

Vast staat dat in de onderliggende bestuursrechtzaak op 29 maart 2018 een zitting heeft plaatsgevonden waarbij verzoeker is verschenen. Uit het wrakingsverzoek leidt de wrakingskamer af dat de gronden voor het wrakingsverzoek zien op hetgeen ter zitting van 29 maart 2018 is gebeurd en toen dus zijn opgekomen.

4.6.

Verzoeker dient vervolgens op 13 juni 2018 – ruim tweeëneenhalve maand nadat de wrakingsgronden zijn opgekomen – het onderhavige wrakingsverzoek in. De wrakingskamer is van oordeel dat een dergelijk tijdsverloop zich niet verstaat met de bepaling van artikel 8:16 lid 1 Awb. Verzoeker heeft onevenredig lang gewacht met het indienen van het wrakingsverzoek zonder daarvoor een verschoonbare reden op te geven. Nu het verzoek tardief is gedaan, kan verzoeker niet worden ontvangen in het wrakingsverzoek. Het door verzoeker gedane verzoek zal dan ook niet ontvankelijk worden verklaard. Aan een inhoudelijke bespreking van het wrakingsverzoek komt de wrakingskamer niet toe.

3 De beslissing

De wrakingskamer verklaart het verzoek tot wraking van mr. E.P.J. Rutten

niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.B.T.G. Steeghs, voorzitter, mr. J.W. Rijksen en

mr. W.Th.M. Raab, leden, bijgestaan door P.J.C. Hendriks als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2018.