Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:12470

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
18-04-2019
Zaaknummer
C/03/249336 / FA RK 18-1542
Formele relaties
Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2019:3650
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Grove veronachtzaamheid vader bij vervullen ouderlijke verantwoordelijkheid door de kinderen te laten opgroeien met onjuist moederbeeld. Belang kinderen staat echter door moeder verzochte contactregeling niet toe. Ondanks aanwezigheid ontzeggingsgronden afwijzing verzoek van vader tot opleggen contactverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 31 januari 2018

Zaaknummer: C/03/249336 / FA RK 18-1542

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoekster],

verzoekster, verder te noemen: de moeder,

wonend te [woonplaats 1],

advocaat: mr. M. Westerveld, kantoorhoudend te Amsterdam,

en:

[verweerder],

wederpartij, verder te noemen: de vader,

wonend te [woonplaats 1], [gemeente],

advocaat: mr. E.A.M. Ramakers, kantoorhoudend te Maastricht.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in deze zaak betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, locatie Maastricht, verder te noemen: de raad.

1 Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank op 25 april 2018;

- het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van de vader, binnengekomen bij de rechtbank op 27 augustus 2018;

- de brief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], binnengekomen bij de rechtbank op 30 augustus 2018;

- de behandeling ter zitting van 31 augustus 2018, waarbij zijn verschenen partijen en hun advocaten, en een vertegenwoordiger van de raad;

- het gesprek met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 2 oktober 2018, hetgeen heeft plaatsgehad in aanwezigheid van mr. I.J.L. Daemen als vertrouwenspersoon van de kinderen en een vertegenwoordiger van de raad;

- de behandeling ter zitting van 12 november 2018, waarbij zijn verschenen partijen en hun advocaten, en een vertegenwoordiger van de raad.

2 De feiten

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

[minderjarige 1], geboren op [2004] te [geboorteplaats], en

[minderjarige 2], geboren op [2008] te [geboorteplaats].

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderen verblijven bij de vader.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De moeder heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, een zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen - on - begeleid en in een opbouwend traject bij de moeder zullen verblijven:

  • -

    de eerste maand eenmaal per 14 dagen op de zaterdag subsidiair de zondag van 11.00 tot 13.00 uur, waarbij het contact te Sittard dient plaats te hebben;

  • -

    de tweede maand eenmaal per 14 dagen op de zaterdag subsidiair de zondag van 11.00 uur tot 14.00 uur, waarbij het contact te [woonplaats 1] dient plaats te hebben;

  • -

    de derde maand eenmaal per 14 dagen op de zaterdag subsidiair de zondag van 11.00 uur tot 15.00 uur, waarbij het contact te [woonplaats 1] dient plaats te hebben;

  • -

    de vierde tot en met de zesde maand eenmaal per 14 dagen op de zaterdag subsidiair de zondag van 9.00 uur tot 19.00 uur, waarbij het contact plaats kan hebben te [woonplaats 2] bij de moeder en waarbij de moeder zorg zal dragen voor het vervoer van de kinderen;

  • -

    vanaf de zevende maand eenmaal per 14 dagen van zaterdag 9.00 uur tot en met de daarop volgende zondag 13.00 uur waarbij het contact plaats kan hebben te [woonplaats 2] bij de moeder en waarbij de moeder zorg zal dragen voor het vervoer van de kinderen;

  • -

    vanaf de tiende maand eenmaal per 14 dagen van zaterdag 9.00 uur tot en met de daarop volgende zondag 19.00 uur alsmede de helft van iedere schoolvakantie, waarbij het contact plaats kan hebben te [woonplaats 2] bij de moeder en waarbij de moeder zorg zal dragen voor het vervoer van de kinderen;

(meer) subsidiair een andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorgregeling.

De vader verzoekt, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    het primaire en subsidiaire verzoek af te wijzen;

  • -

    bij wege van zelfstandig verzoek te bepalen dat er een tijdelijk contactverbod komt tussen de moeder en de kinderen.

3.2.

De moeder heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat ze graag de kinderen wil zien en wil leren kennen, ze wil graag hun moeder zijn. Dat is een recht van hen beiden en de kinderen verdienen de kans om hun moeder te leren kennen. De moeder benadrukt het belang hiervan voor hun ontwikkeling naar volwassenheid, zij kan de kinderen iets meegeven wat niemand anders kan omdat zij hun moeder is. Dat de kinderen zeggen dat ze geen contact willen verbaast de moeder in de gegeven omstandigheden niet. Wel moeten vraagtekens worden gezet bij in hoeverre de kinderen vrij zijn om daarover te praten. Het beeld dat de kinderen hebben van de moeder is onjuist, waardoor in hun hoofden een situatie bestaat die in strijd is met de werkelijkheid en belastend en beschadigend is voor de kinderen. Zodoende hebben zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] behandeling nodig door een gedragsdeskundige of psycholoog. Eerst zal moeten worden gewerkt aan het bijstellen van de visie die de kinderen hebben van de moeder, vanuit hun onjuiste perceptie van het verleden. Daarna kan het contact met de moeder worden opgebouwd. De moeder benadrukt dat de onjuistheid van het beeld dat de kinderen hebben, bevestigd is in de uitspraak van het hof in de strafprocedure. De moeder is niet alleen vrijgesproken, het hof overweegt ook dat de beschuldigingen waarschijnlijk zijn ingegeven door de wijze waarop de vader tegen de echtscheiding aankeek. De kinderen hebben het verhaal echter zo vaak gehoord dat ze het zijn gaan geloven. Voor wat betreft het door de vader verzochte contactverbod stelt de moeder dat daar geen enkele noodzaak toe bestaat, aangezien zij zich tot de rechtbank heeft gewend en dat oordeel zal respecteren, net zoals ze dat in het verleden heeft gedaan.

3.3.

De vader heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat het uitgangspunt van de wet is dat er contact moet zijn met de ouder, tenzij er sprake is van ontzeggingsgronden. Die zijn er in dit geval volgens de vader. [minderjarige 1] is ouder dan 12 jaar en heeft van ernstige bezwaren tegen contact met de moeder doen blijken. Voor beide kinderen geldt bovendien dat contact met de moeder ernstig nadeel zou opleveren voor hun geestelijke en lichamelijke ontwikkeling, of anderszins in strijd is met hun belangen. De vader begrijpt het verzoek van de moeder tot op zekere hoogte, maar soms moet het belang van een ouder wijken voor het belang van het kind. De vader heeft er alles aan gedaan om het contact te herstellen, maar de kinderen konden niet meer. [minderjarige 1] verwijt de vader dat hij niet naar hem luistert. De vader heeft zijn kinderen serieus genomen en hij kon daarom niet anders handelen dan hij heeft gehandeld. Bij diverse instanties heeft de vader aangegeven dat, voordat sprake kan zijn van contactherstel, eerst reparatie moet plaatsvinden omdat [minderjarige 1] een verstoorde band heeft met de moeder en [minderjarige 2] nooit een band met de moeder heeft opgebouwd. De moeder heeft kansen laten liggen toen ze er waren, maar sinds 2013 komen de kinderen in verzet en is de mogelijkheid van reparatie een gepasseerd station. Het gaat nu goed met de kinderen en de vader wil ze niet onnodig belasten. De kinderen willen kind zijn.

3.4.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken en hebben hiervan gebruik gemaakt, eerst door het schrijven van een brief samen met hun vertrouwenspersoon mr. Daemen, en vervolgens middels een gesprek met de kinderrechter op 2 oktober 2018, buiten aanwezigheid van de moeder en vader en in aanwezigheid van hun vertrouwenspersoon en een vertegenwoordiger van de raad. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verklaard hun moeder niet te willen zien omdat ze bang zijn voor haar. [minderjarige 1] zegt alleen maar slechte herinneringen aan zijn moeder te hebben. [minderjarige 2] erkent dat hij geen herinneringen aan zijn moeder heeft. De kinderen lezen af en toe wel een kaart die ze van de moeder ontvangen maar niet altijd, vaak gooien ze deze meteen weg. Desgevraagd vertellen de kinderen dat ze niet veel van de moeder weten. [minderjarige 1] wil geen brieven of berichten meer van de moeder ontvangen en verklaart dat hij onrustig wordt van de gedachte dat ze hem wil opzoeken. [minderjarige 2] sluit zich aan bij het standpunt van [minderjarige 1]. Na afloop van het gesprek heeft de kinderrechter de inhoud van het gesprek voorgehouden aan de belanghebbenden, die vervolgens in de gelegenheid zijn gesteld daarop te reageren.

3.5.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de huidige situatie schadelijk is voor de kinderen, aangezien ze geen contact hebben met hun moeder en er al geruime tijd procedures lopen waarbij de visies van de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan. Uit het gesprek met de kinderen komt een duidelijk beeld naar voren dat er een heel grote blokkade bestaat om nog over het contact met de moeder na te denken. De raad schat in dat het emotioneel ook heel belastend is voor de kinderen om erover te praten, nog los van de vraag of ze überhaupt wel in staat zouden zijn het gesprek aan te gaan. De situatie blijft heel moeilijk en beladen. De vraag is welke middelen nog kunnen worden ingezet om het moederbeeld dat bij de kinderen bestaat bij te stellen en te zorgen dat de kinderen er een positief gevoel bij krijgen. In het verleden zijn al verschillende middelen ingezet en de raad ziet op dit moment geen toegevoegde waarde in een herhaling van zetten. De bron aan middelen is, hoe spijtig dat ook is in dit geval, helaas uitgeput. Bovendien is er nauwelijks sprake van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de eerder door de raad onderzochte situatie, zodat ook daarom een nieuw raadsonderzoek geen meerwaarde heeft. De raad deelt de visie van de moeder dat de kinderen behandeling nodig hebben, echter daartoe is nodig dat er een hulpvraag en bereidheid vanuit de kinderen bestaat en dat is nu niet het geval. De verwachting is dat het inzetten van een dwangmiddel de blokkade bij de kinderen alleen maar groter zal maken. Het gedwongen opleggen van contacten met de moeder zal naar verwachting eerder een negatief dan een positief effect hebben. Hoewel deze situatie zeer onwenselijk is, is de raad na intern overleg met een gedragsdeskundige van mening dat de kinderen gezien de huidige omstandigheden en hun kwetsbare leeftijdsfase, op dit moment niet tot contact met de moeder verplicht moeten worden.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In artikel 1:253a lid 2 BW is bepaald dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede een tijdelijk verbod aan een ouder om met een kind contact te hebben. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

4.2.

het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling

Tussen partijen bestaat een lange voorgeschiedenis waarin beschuldigingen van de vader aan het adres van de moeder ter zake seksueel misbruik van [minderjarige 1] en mishandeling van de kinderen en strafbare feiten jegens de vader, welke tot een strafprocedure hebben geleid, een grote rol hebben gespeeld. De moeder is bij arrest van het gerechtshof Den Haag van

28 februari 2014 vrijgesproken van seksueel misbruik van [minderjarige 1] en van mishandeling van beide kinderen en het ter zake te laste gelegde jegens de vader. Daarbij is van belang dat het hof heeft overwogen dat naar alle waarschijnlijkheid in het geheel geen sprake is geweest van seksueel misbruik van [minderjarige 1] en van mishandeling van de kinderen, laat staan dat de moeder zich daaraan heeft schuldig gemaakt. Het hof overweegt daarbij niet uit te sluiten dat de aangifte is ingegeven door de wijze waarop in de ogen van de vader de echtscheiding verliep. Desondanks is de vader blijven volharden dat genoemde feiten wel hebben plaatsgevonden en heeft hij de kinderen uit het leven van de moeder getrokken. De hulpverlening die in het kader van ondertoezichtstelling is ingezet heeft dit niet kunnen veranderen en de kinderen kunnen vanuit hun afhankelijkheidspositie van de vader niet anders dan uiting geven aan datgene waarvan zij denken dat dit aansluit bij de mening van hun directe opvoedingsomgeving (de vader). De stelling van de vader dat hij er alles aan heeft gedaan om het contact te herstellen wordt door de stukken niet onderbouwd doch de stukken geven eerder een beeld van het tegenovergestelde.

4.3.

Inzet van diverse middelen zoals een ondertoezichtstelling, een bijzonder curator en een begeleide omgangsregeling (BOR) heeft in het verleden geen verandering kunnen brengen in de houding van de vader en daarmee het beeld dat de kinderen van de moeder hebben, zodat eerdere pogingen tot het doorbreken van de weerstand van de kinderen en het komen tot contactherstel zijn mislukt. De rechtbank constateert dat onder die omstandigheden en gezien het (uitblijven van) resultaat van de eerder ingezette middelen, niet te verwachten valt dat de weerstand van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tegen (contact met) hun moeder kan worden doorbroken. Voor de doorbreking van die weerstand is de houding van de vader als zijnde de opvoeder en verzorger van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], en zijn communicatie over de moeder naar de kinderen toe, van doorslaggevend belang. In de onderhavige procedure is echter wederom gebleken dat de vader niet voornemens is zijn houding in dezen te veranderen, zodat bijvoorbeeld een traject om de communicatie tussen de ouders te herstellen - hetgeen zoals ook eerder door de bijzonder curator al is geconstateerd noodzakelijk is in het belang van de kinderen - op dit moment onhaalbaar is. Met de raad is de rechtbank dan ook van oordeel dat een herhaling van zetten door opnieuw middelen zoals een raadsonderzoek of BOR in te zetten, niet zinvol is omdat niet te verwachten valt dat dit verandering zal brengen in de huidige situatie.

4.4.

De vader heeft naar het oordeel van de rechtbank zijn ouderlijke verantwoordelijkheid, inhoudende dat hij als gezagdragende ouder verplicht is om de ontwikkeling van de band van zijn kinderen met de moeder te bevorderen, veronachtzaamt. Dit heeft tot gevolg dat de identiteitsontwikkeling van de kinderen ernstig in het gedrang komt omdat de kinderen niet in de gelegenheid worden gesteld een eigen beeld van hun moeder te vormen. In de onderliggende uitzonderlijke omstandigheden leidt dit er bovendien toe dat de kinderen opgroeien met een door de vader ingegeven onjuist beeld van hun moeder dat is gebaseerd op traumatische ervaringen die juridisch nooit hebben plaatsgevonden maar voor de kinderen werkelijkheid zijn, wat bij beide kinderen leidt tot een zekere mate van angst. Met de moeder is de rechtbank van oordeel dat deze situatie in het licht van de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar volwassenheid zeer onwenselijk is, maar de rechtbank acht deze situatie op dit moment onomkeerbaar aangezien de daartoe benodigde inzet en medewerking van de vader ontbreekt. De rechtbank overweegt dat voor opstarten van een traject om, op welke wijze dan ook, naar contactherstel tussen de moeder en de kinderen toe te werken, noodzakelijk is dat de vader meewerkt om te zorgen dat het beeld van de kinderen wordt bijgesteld.

4.5.

De rechtbank ziet zich gezien het hiervoor gestelde voor een enorm dilemma geplaatst. De moeder heeft namelijk naar het oordeel van de rechtbank recht op omgang en het door haar gedane verzoek acht de rechtbank ook redelijk, terwijl de vader naar het oordeel van de rechtbank zijn ouderlijke verantwoordelijkheid om de ontwikkeling van de band van de kinderen met de moeder te bevorderen grof veronachtzaamt. De rechtbank dient echter vooral naar het belang van de kinderen te kijken boven het belang van de moeder om contact met haar kinderen te hebben. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de rust in de huidige thuissituatie en de opvoedomgeving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds, zoals reeds door deze rechtbank in 2015 bij de verlenging van de ondertoezichtstelling is geconstateerd, een ‘schijnrust’ is, moet deze situatie gezien het hardnekkig ingesleten negatieve moederbeeld van de kinderen, worden beschouwd als de voor de kinderen op dit moment minst schadelijke toestand. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat de kinderen zoveel blokkade bieden dat het gedwongen opleggen van contacten met de moeder eerder een negatief dan een positief effect zal hebben.

De rechtbank acht het nu dan ook niet in het belang van de kinderen om een zorgregeling met de moeder vast te stellen en zal daarom het verzoek van de moeder vanwege dat belang moeten afwijzen.

4.6.

De rechtbank overweegt aanvullend dat het recht op contact, zowel het recht is van de ouder als van het kind om met elkaar contact te hebben. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben dan ook nog steeds de mogelijkheid om zelf contact met hun moeder op te nemen. De rechtbank acht niet ondenkbeeldig dat de kinderen, wanneer zij in een andere leeftijdsfase komen, hun mening met betrekking tot contact met de moeder zullen wijzigen. De rechtbank benadrukt dan ook nogmaals dat het [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd vrij staat om contact te zoeken met hun moeder, wanneer zij daartoe behoefte voelen.

De rechtbank acht voorts van belang dat de vader goed naar zichzelf kijkt en hulp zoekt om te ontdekken waar zijn weerstand tegen het contact tussen de moeder en de kinderen vandaan komt, zodat deze kan worden opgeheven ten behoeve van het welzijn van de kinderen. Het is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van groot belang, ook voor het aangaan van relaties op latere leeftijd, te weten wie hun moeder is en daar contact mee te hebben. Gezien de ervaringen in soortgelijke zaken, is te verwachten dat de kinderen later problemen zullen ondervinden met het aangaan van relaties indien er niets verandert.

4.7.

het verzoek tot oplegging van een tijdelijk contactverbod

De rechtbank dient vervolgens het verzoek van de vader tot het opleggen van een tijdelijk contactverbod te beoordelen.

De moeder heeft sinds de start van de onderhavige procedure laten zien dat ze in staat is het belang van de kinderen voorop te stellen, in die zin dat ze hen gunt om rustig en veilig op te groeien door hen niet op eigen initiatief te benaderen, afgezien van het sturen van kaartjes naar hun huisadres. Ter zitting is het de moeder duidelijk geworden dat het feit dat zij ook brieven heeft gestuurd naar de muziekleraar en deken, die in het leven van de kinderen betrokken zijn, voor onnodige onrust heeft gezorgd. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder zich in de toekomst met het sturen van kaartjes louter naar de kinderen zal richten, zodat de kinderen op die manier, mits ze dat willen, enigszins in de gelegenheid zijn om een (weliswaar beperkt) beeld te vormen van de moeder. De moeder heeft op geen andere manier geprobeerd de contacten met de kinderen te hervatten dan via de weg van een gerechtelijke procedure. De rechtbank heeft op de gronden als hiervoor overwegen moeders verzoek om een contactregeling afgewezen. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vader tot ontzegging van contact, moet worden afgewezen. Zoals de vader zelf al in de formulering van zijn verzoek benoemt, kan de moeder het contact met de kinderen slechts tijdelijk, namelijk voor de maximale duur van een jaar, worden ontzegd. Dat blijkt uit het bepaalde in artikel 1:253a en de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Hoewel contact tussen de moeder en de kinderen op dit moment, zoals hiervoor overwogen, ernstig nadeel voor de kinderen kan opleveren, heeft het gevraagde contactverbod in de onderhavige omstandigheden geen meerwaarde en heeft de vader daar geen belang bij. De moeder heeft immers reeds jarenlang geen enkel contactmoment met de kinderen gehad en heeft hen hiertoe ook nooit persoonlijk benaderd. Te verwachten valt dat de moeder ook de in deze te geven beschikking, waarin haar verzoek tot vaststelling van een zorgregeling zal worden afgewezen, zal naleven. De moeder vormt geen bedreiging voor de kinderen. De rechtbank zal het verzoek van de vader aangaande het contactverbod dan ook afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.M. van Uum, rechter, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.C.H.A. Holthuijsen-van der Kop, griffier op 31 januari 2018.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.