Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:12453

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-12-2018
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
C.03 / 242566 / HA ZA 17-602
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Verstek
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering in verstekvonnis. Geen gronden naar voren gebracht die de vordering kunnen dragen. Geen sprake van een geschil. Belangenvereiste bij de gevorderde negatieve verklaring voor recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/242566 / HA ZA 17-602

Vonnis van 5 december 2018

in de zaak van

1. de vennootschap naar buitenlands recht

[eisende partij sub 1] GMBH,

gevestigd te [vestigingsadres eisende partij sub 1] , [vestigingsplaats eisende partij sub 1] ( [vestigingsland eisende partij sub 1] ),

2. de vennootschap naar buitenlands recht

S.C.MCMS BOTA S.R.L.,

gevestigd te Ocna Mures (Roemenië),

3. de vennootschap naar buitenlands recht

ERGO VERSICHERUNG (DEUTSCHLAND) AG,

gevestigd te Düsseldorf (Duitsland),

4. de vennootschap naar buitenlands recht

UNIQA ÖSTERREICH VERSICHERUNGEN AG,

gevestigd te Wenen (Oostenrijk),

5. de vennootschap naar buitenlands recht

WÜRTTEMBERGISCHE VERSICHERUNGS AG,

gevestigd te Stuttgart (Duitsland),

6. de vennootschap naar buitenlands recht

STARSTONE LIMITED,
gevestigd te Keulen (Duitsland),

7. de vennootschap naar buitenlands recht

AXA CORSO AUSTRIA AG,

gevestigd te Wenen (Oostenrijk),

eiseressen in de hoofdzaak,

advocaat mr. R.L. Latten,

tegen

7 de vennootschap naar buitenlands rechtBRT S.P.A.,

gevestigd te Milaan (Italië),

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eisende partij sub 1] c.s. en BRT genoemd worden.

De zaken tegen gedaagden sub 1 tot en met 6 zijn doorgehaald op de rol, nadat die partijen een minnelijke regeling hebben bereikt.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 maart 2018 en de daarin genoemde processtukken

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van gedaagden sub 3,4 en 5

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de rolberichten van 15 november 2018 waarin door [eisende partij sub 1] c.s. en gedaagden sub 1 tot en met 6 wordt verzocht de zaken tussen hen door te halen op de rol, waarbij [eisende partij sub 1] c.s. tevens verzoekt een verstekvonnis tegen BRT te wijzen.

  • -

    het tegen BRT verleende verstek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In de dagvaarding is, voor zover relevant voor de beoordeling van de vordering zoals ingesteld jegens BRT, het volgende vermeld:

2.2.

Een lading schoenen moest vervoerd worden van Heijen in Nederland naar Milaan in Italië. Foot Locker Europe B.V. te Vianen, een exploitant van schoenwinkels, heeft ter uitvoering van die vervoeropdracht FLE Logistics B.V. te Heijen (hierna FLE) ingeschakeld.

2.3.

FLE heeft op haar beurt [naam bedrijf X] B.V. ingeschakeld, welke vennootschap op haar beurt Interport Trucking B.V. heeft ingeschakeld, welke op haar beurt [eisende partij sub 1] GmbH (eiseres sub 1) heeft ingeschakeld, welke op haar beurt S.C. MCMS Bota S.R.L. (eiseres sub 2) heeft ingeschakeld.

2.4.

Bij aankomst in Milaan zou de lading in ontvangst genomen worden door BRT om uiteindelijk aan Foot Locker Italy S.R.L. te Milaan te worden overhandigd. De lading is echter nooit in Milaan aangekomen, omdat deze op 12 juni 2017 in Zwitserland door een brand is vernietigd.

3 De vordering en de beoordeling daarvan

3.1.

[eisende partij sub 1] c.s. vordert (naast de proceskosten) uitsluitend een verklaring voor recht dat zij niet jegens BRT aansprakelijk is voor de schade. De rechtbank begrijpt dat gedoeld wordt op schade die BRT als gevolg van voornoemd feitencomplex zou hebben geleden.

3.2.

Nu BRT niet is verschenen ligt de vordering voor toewijzing gereed, tenzij deze de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomt. In deze zaak is de rechtbank van oordeel dat de aangevoerde gronden (zowel de juridische als de feitelijke) het gevorderde niet kan dragen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

3.3.

Artikel 3:302 BW bepaalt dat op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon de rechter omtrent die rechtsverhouding een verklaring voor recht uitspreekt. Met een verklaring voor recht (declaratoir vonnis) komt de rechtsverhouding tussen eiser en gedaagde onbetwistbaar vast te staan.

Op grond van artikel 3:303 BW komt de eiser deze vordering toe, indien hij daarbij voldoende belang heeft. De wetgever spreekt van ‘voldoende’ belang: het belang moet voldoende zijn om de rechtsvordering te rechtvaardigen (evenredigheidscriterium). De rechter dient terughoudend te zijn met het afwijzen van een vordering op de grond dat er niet voldoende belang bestaat (HR 17 september 1993, NJ 1994).

3.4.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de stellingen van [eisende partij sub 1] c.s. niet dat sprake is van een geschil tussen haar en BRT. Niet is gesteld of gebleken dat BRT schade heeft geleden. [eisende partij sub 1] c.s. heeft ook niet aangegeven of BRT geadresseerde is in de vervoersketen in de zin van artikel 13 Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) of “slechts” ontvanger. Of BRT überhaupt een vordering kan instellen tegen [eisende partij sub 1] c.s. is derhalve niet duidelijk gemaakt.

3.5.

Verder is ook niet gesteld of gebleken dat [eisende partij sub 1] c.s. voorafgaande aan deze procedure of tijdens deze procedure aan BRT heeft gevraagd of zij voornemens was of nog steeds is om [eisende partij sub 1] c.s. aan te spreken voor schade. Ook voorafgaande aan het verzoek zijdens [eisende partij sub 1] c.s. aan de rechtbank om een verstekvonnis jegens BRT uit te spreken (anderhalf jaar na de brand) is dat kennelijk niet gebeurd. Verder heeft [eisende partij sub 1] c.s. ook geen doen of nalaten aan de zijde van BRT gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat laatstgenoemde mogelijk nog een actie jegens [eisende partij sub 1] c.s. zal ondernemen.

3.6.

Indien niet duidelijk is dat sprake is van een geschil en zelfs de rechtsverhouding tussen partijen niet duidelijk is, kan bezwaarlijk van de rechtbank worden verlangd om een rechtsverhouding tussen partijen vast te stellen, ook niet in het geval geen verweer is gevoerd. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank de vordering ongegrond voor en is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht dient te worden afgewezen.

3.7.

[eisende partij sub 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BRT worden begroot op nihil.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vordering ingesteld jegens BRT af,

4.2.

veroordeelt [eisende partij sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van BRT tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.J.C.A. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2018.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.SS coll: