Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:12039

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-11-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
C/03/250639 / FA RK 18-1998
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot adoptie van meerderjarige vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 19 november 2018

Zaaknummer: C/03/250639 / FA RK 18-1998

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:

[verzoekster] ,

verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster] ,

wonend te [woonplaats] ,

en

[verzoeker] ,

verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker] ,

wonend te [woonplaats] ,

[verzoekster] en [verzoeker] , hierna gezamenlijk te noemen: de verzoekers,

advocaat mr. J.G. van Ek, kantoorhoudend te Heerlen.

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

[belanghebbende] ,

wederpartij, hierna te noemen: de vader,

wonend te [woonplaats] ,

geen advocaat gesteld.

1 Verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 30 mei 2018;

  • -

    de aanvullende stukken van de verzoekers, ingekomen ter griffie op 12 juni 2018.

De zaak is behandeld ter zitting van 30 oktober 2018, waar de verzoekers, bijgestaan door hun advocaat, zijn verschenen.

De vader, hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen ter zitting.

2 De feiten

[verzoekster] is op [1987] te [geboorteplaats] geboren uit het huwelijk van de vader en [de moeder] (hierna te noemen: de moeder). Het huwelijk tussen de vader en de moeder is op 16 september 2002 ontbonden.

Op [2005] is [verzoekster] meerderjarig geworden. De moeder is op 14 januari 2016 overleden.

3. Het verzoek en verweer

3.1.

De verzoekers hebben verzocht te bepalen dat de rechtbank de adoptie van [verzoekster] door [verzoeker] zal uitspreken. Ter onderbouwing van dit verzoek hebben de verzoekers gesteld dat adoptie door [verzoeker] in het belang is van [verzoekster] . [verzoekster] heeft al jarenlang geen contact meer met de vader. Ten tijde van het huwelijk tussen de ouders kampte de vader met psychische stoornissen en was sprake van agressief gedrag van de vader jegens de moeder. Toen de vader in 2000 het gezin heeft verlaten, is het contact tussen de vader en [verzoekster] verbroken. [verzoekster] staat niet meer open voor contact. In 2005 is haar achternaam gewijzigd in de achternaam van de moeder. [verzoekster] heeft niets meer van de vader te verwachten.

In 1998 is [verzoekster] via haar moeder in contact gekomen met [verzoeker] . Er is intensief contact ontstaan tussen hen. [verzoeker] hielp [verzoekster] met haar huiswerk, heeft ter ontlasting van de moeder twee jaar voor [verzoekster] gezorgd en ondernam uitstapjes met haar. Feestdagen en vakanties werden vaak gezamenlijk gevierd. Hierdoor is [verzoekster] [verzoeker] gaandeweg als haar vader gaan beschouwen. Na het overlijden van de moeder is bij [verzoekster] het besef gegroeid dat zij geen familie meer heeft en is de band met [verzoeker] nog inniger geworden. [verzoeker] ondersteunt haar in voor- en tegenspoed. [verzoekster] wenst daarom dat er een juridische band tussen haar en [verzoeker] tot stand komt. Bovendien zou de adoptie behulpzaam zijn bij het bestendigen van de identiteit van [verzoekster] .

3.2.

De vader heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 1:227 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW) geschiedt adoptie door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen.

Uit de leden 1 en 2 van voormeld artikel kan worden afgeleid dat het verzoek slechts kan worden ingediend door de persoon of personen die het kind wil of willen adopteren. In de onderhavige zaak is het verzoek ingediend door [verzoeker] en [verzoekster] zelf. [verzoekster] is gelet op het voorgaande onbevoegd de adoptie te verzoeken. De rechtbank zal het verzoek tot adoptie daarom begrijpen als een verzoek van [verzoeker] . Gemakshalve zal de rechtbank het standpunt van [verzoeker] hierna aanduiden als het standpunt van verzoekers.

4.2.

Op grond van artikel 1:227 lid 3 BW kan de rechtbank een verzoek tot adoptie toewijzen als in ieder geval aan de voorwaarden als genoemd in artikel 1:228 BW wordt voldaan. In lid 1 van dit artikel staat als een van de voorwaarden vermeld dat het kind op de dag van de indiening van het verzoekschrift minderjarig is.

[verzoekster] was op de dag van de indiening van het verzoekschrift meerderjarig, zodat niet voldaan is aan deze voorwaarde. Adoptie van [verzoekster] door [verzoeker] is daarom op grond van de nationale wetgeving niet mogelijk.

4.3.

Door de verzoekers is gesteld dat het feit dat [verzoekster] inmiddels meerderjarig is, niet in de weg staat aan de adoptie. Zij verwijzen in dit kader naar het recht op family life, zoals vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna te noemen: EVRM).

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens door het EVRM niet het recht op adoptie wordt gegarandeerd.

Het enkele feit dat adoptie niet mogelijk is wanneer niet wordt voldaan aan de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden, kan daarom in beginsel niet worden aangemerkt als een ongeoorloofde inbreuk op het recht op family life.

De Hoge Raad heeft beslist dat aan artikel 8 EVRM weliswaar het recht op de bescherming van family life tussen de ouders en een door hen geadopteerd kind kan worden ontleend, maar niet het recht om een kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de eisen voor adoptie volgens de nationale wet (HR 30 juni 2000, nr. R 99/181, NJ 2001, 103).

4.5.

Uit de, door verzoekers genoemde, jurisprudentie volgt evenwel dat sprake kan zijn van zeer bijzondere omstandigheden, die terzijdestelling van de dwingend rechterlijke bepaling van artikel 1:228 lid 1 onder a BW kunnen rechtvaardigen. Het gaat dan om uitzonderlijke gevallen, waarin de weigering van adoptie wegens de enkele meerderjarigheid bij de indiening van het verzoek een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRM beschermde gezins- en familieleven met zich mee zou brengen.

Uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting is gebleken dat tussen [verzoekster] en [verzoeker] sprake is van een hechte, warme band. Verzoekers voelen zich familie van elkaar en [verzoekster] ziet [verzoeker] als haar vader. Zo noemt zij hem ook. De rechtbank overweegt dat daarmee echter nog geen sprake is van een zeer bijzondere omstandigheid, noch van family life op grond waarvan artikel 1:228 BW, in het bijzonder lid 1 onder a, dient te worden uitgesloten.

De verzoekers stellen zich op het standpunt dat tussen hen beiden al jarenlang sprake is van een zeer nauwe persoonlijke betrekking, waardoor de weigering om adoptie toe te staan een ongeoorloofde inbreuk op het recht op family life oplevert. Verzoekers hebben in dit kader verwezen naar enkele uitspraken. De rechtbank overweegt dat in deze jurisprudentie steeds sprake is van een relatie tussen de ouder en de adoptie/stiefouder én dat sprake is van een gezinsleven van ‘de ouder’, ‘het kind’ en ‘de adoptieouder’. Dat is in de onderhavige zaak echter niet het geval. [verzoekster] heeft tijdens haar minderjarigheid nooit bij [verzoeker] gewoond, zodat [verzoeker] nooit (mede) verantwoordelijk is geweest voor de verzorging en opvoeding van [verzoekster] . Ook heeft [verzoeker] nooit een relatie met de moeder van [verzoekster] gehad. [verzoeker] heeft nooit met [verzoekster] en haar moeder samengewoond. Er was aldus nooit sprake van een gezinsleven, noch van een stiefouderband. Het door verzoekers gestelde omtrent de uitstapjes, de vakanties, het gezamenlijk vieren van feestdagen, het voeren van diepgaande gesprekken en het geven van bijlessen door [verzoeker] aan [verzoekster] kan niet leiden tot de conclusie dat tijdens de minderjarigheid van [verzoekster] sprake is geweest van een gezinsleven. [verzoekster] heeft pas nadat zij meerderjarig is geworden enige tijd bij [verzoeker] gewoond.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat in de door de verzoekers aangehaalde jurisprudentie steeds sprake is van een nog jong meerderjarige. Ook hiervan is in deze zaak geen sprake. [verzoekster] was immers ten tijde van het indienen van het verzoek al 30 jaar.

De stelling van verzoekers dat adoptie behulpzaam zou zijn bij het bestendigen van de identiteit van [verzoekster] , is onvoldoende geconcretiseerd. Daarnaast hebben verzoekers niet nader onderbouwd op grond waarvan het bestendigen van de identiteit, wat hiermee ook bedoeld wordt, zou kunnen leiden tot de conclusie dat artikel 1:228 lid 1 onder a BW terzijde dient te worden gesteld.

Ter zitting hebben verzoekers ten slotte verklaard dat er situaties denkbaar zijn waarin de vader weer een rol gaat spelen, zoals bij het overlijden van [verzoekster] . Dat wil [verzoekster] voorkomen. De rechtbank overweegt dat [verzoekster] doelt op een financieel belang (erfenis), maar dat valt niet onder het recht op family life.

4.6.

Op grond van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een zeer bijzondere omstandigheid die ertoe moet leiden dat artikel 1:228 lid 1 onder a BW terzijde dient te worden geschoven. Met de afwijzing van het verzoek tot adoptie wordt geen inbreuk gemaakt op het recht op family life.

Daarom zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Verhey, griffier op

19 november 2018.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.