Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:1188

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
C/03/6328046 BR VERZ 17-252
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Negatieve nalatenschap. 4:210 BW 4:202 BW en 4:184 lid 2 sub b, c, en d BW

Onredelijke en niet op de wet gebaseerde eisen die een schuldeiser (overheidsinstantie) aan de vereffenaar stelt op haar verzoek tot uitstel van betaling van de schuld van die schuldeiser. De vereffening is nog niet voltooid en de schuldeiser dient een pas op de plaats te maken omdat de separistenregeling niet op haar van toepassing is waardoor zij de voltooiing van de vereffening dient af te wachten. Privé aansprakelijkheid vereffenaar (vooralsnog) niet aan de orde. Voorop staat dat een nalatenschap een afgescheiden vermogen is. Aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving verhindert verhaal op het eigen vermogen van verzoekster als erfgename tenzij verzoekster een verwijt kan worden gemaakt als bedoeld in art.. Uit de thans voorhanden feiten volgt niet dat daarvan sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zaaknr: 6328046 BR VERZ 17-252

Beschikking van 6 februari 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonend te [woonplaats 1] aan de [adres] ,

verzoekster,

handelend als wettelijke erfgenaam en als vereffenaar van de nalatenschap van:

[erflater] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , overleden te [overlijdensplaats] op

[overlijdensdatum] , laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats 2] .

1 Verloop van de procedure

1.1.

Bij brief, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 29 januari 2018, heeft verzoekster de kantonrechter ingelicht over de ontvangst van een brief van een schuldeiser (verder: het Landelijk Incasso Centrum) waarin deze - onder meer - voorwaarden verbindt aan een uitstel van betaling van de schuld van de nalatenschap. Verzoekster vraagt, naar de kantonrechter begrijpt, aanwijzing ter zake.

1.2.

Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

Verzoekster stelt dat het Landelijk Incasso Centrum haar tot 1 maart 2018 uitstel van betaling heeft verleend, aan dat uitstel voorwaarden heeft gesteld en, indien verzoekster verder uitstel van betaling wenst, de voorwaarde heeft verbonden dat verzoekster voor 1 maart 2018 zekerheid geeft dat de schuld aan het Landelijk Incasso Centrum uiteindelijk volledig wordt betaald. Aangezien verzoekster de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard en de schuld van de nalatenschap niet kan betalen noch voormelde zekerheid kan geven, vraagt verzoekster zich af of het Landelijk Incasso Centrum die voorwaarden kan stellen en is zij bang dat zij met haar eigen vermogen aansprakelijk wordt gesteld voor het geval er na de verkoop van de onroerende zaak onvoldoende middelen in de nalatenschap blijken te zijn om de schuld aan het Landelijk Incasso Centrum integraal te betalen.

2.2.

Zoals bij beschikking van 20 september 2017 is overwogen, dient verzoekster de nalatenschap overeenkomstig het bepaalde in Boek 4 BW, titel 6, afdeling 3 af te wikkelen (te vereffenen). Uit de processtukken blijkt dat activa van de nalatenschapsboedel hoofdzakelijk worden gevormd door de waarde van de onroerende zaak van de erflater in Spanje en dat de liquide middelen (de banksaldi) ongeveer € 158,53 bedragen. Verder blijkt dat verzoekster een makelaar heeft ingeschakeld om de onroerende zaak in Spanje te verkopen en dat die verkoop enige tijd in beslag kan nemen. Geconcludeerd kan worden dat verzoekster, in haar hoedanigheid van vereffenaar, bezig is met de vereffening van de nalatenschap. Met uitzondering van de separatisten (de pand- en/of hypotheekhouder) dienen de schuldeisers van de nalatenschap, waaronder het Landelijk Incasso Centrum, tijdens de vereffening een pas op de plaats te maken en de vereffening van de nalatenschap af te wachten.

2.2.1.

Nadat de vereffening is voltooid dient verzoekster met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 4:7 BW, 3:277 e.v. BW en 21 Invorderingswet het (eventuele) batige saldo te verdelen onder de schuldeisers van de nalatenschap.

2.2.2.

De vrees van verzoekster kan de kantonrechter zich voorstellen. Vooropstaat dat een nalatenschap een afgescheiden vermogen is. Tegen de achtergrond hiervan ontbeert het stellen van voorwaarden door het Landelijk Incasso Centrum aan verzoekster zoals vermeld in de brief van 10 november 2017 wettelijke grondslag. Aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving verhindert verhaal op het eigen vermogen van verzoekster als erfgenaam tenzij verzoekster een verwijt kan worden gemaakt als bedoeld in art. 4:184 lid 2 sub b, c, en d BW. Uit de thans voorhanden feiten volgt niet dat daarvan sprake is. Teneinde de voortgang van de vereffening ten behoeve van de schuldeisers (waaronder verzoekster als erfgename) te bewaken heeft de kantonrechter verzoekster bij beschikking van 20 september 2017 de aanwijzing gegeven als vermeld in r.o. 2.2. Gelet hierop acht de kantonrechter het geven van een verdere aanwijzing thans niet nodig. Indien zich omstandigheden voordoen die de omvang van de nalatenschapsboedel kunnen beïnvloeden, dient verzoekster deze tijdig aan de kantonrechter te berichten. Zij hoeft daarvoor uiteraard niet tot 20 juni 2018 (de einddatum van de termijn van negen maanden als gegeven in de beschikking van 20 september 2017) te wachten.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

ziet geen aanleiding om aan verzoekster een nadere aanwijzing te geven.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.

YT