Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:11726

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-12-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
C/03/250266 / HA ZA 18-246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Uitleg uiterste wilsbeschikking. Artikel 4:46 BW. De rechtbank acht niet doorslaggevend voor het erfgenaamschap van gedaagde of zij op het moment van het overlijden van de erflater op hetzelfde woonadres stond ingeschreven als de erflater, hetgeen volgens de letterlijke tekst van de uiterste wilsbeschikking wel een voorwaarde voor het erfgenaamschap van gedaagde was.

Volgens de rechtbank is de kennelijke bedoeling van de omstreden voorwaarde in de uiterste wils-beschikking dat doorslaggevend voor het erfgenaamschap van gedaagde is, of zij op het moment van overlijden van de erflater met deze samen woonde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/430
ERF-Updates.nl 2018-0226
RN 2019/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/250266 / HA ZA 18-246

Vonnis van 12 december 2018 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiseres in hoofdzaak en in het incident] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eiseres in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat mr. R.H.J.G. Borger;

tegen:

[gedaagde in hoofdzaak en in het incident] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat mr. R. Engwegen.

Partijen zullen hierna [eiseres in hoofdzaak en in het incident] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met provisionele eis;

  • -

    de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en in het incident;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 november 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres in hoofdzaak en in het incident] is de moeder van de op [overlijdensdatum] overleden [erflater] (verder te noemen: [erflater] ). [erflater] heeft op 10 juni 2015 een uiterste wilsbeschikking laten opstellen. In die uiterste wilsbeschikking heeft [erflater] – zakelijk weergegeven en voor zover te dezen van belang – zijn enige kind (dochter [naam dochter] ) onterfd en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] benoemd tot zijn enige erfgename.

2.2.

De voor de beoordeling van het geschil relevante passages uit de uiterste wilsbeslissing luiden als volgt:

ERFSTELLING

Ik benoem, met inachtneming van vorenstaande onterving, mevrouw [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] , geboren in [geboorteplaats 1] op drieëntwintig mei negentienhonderd drieënvijftig, hierna te noemen: “mijn partner”, met wie ik vanaf heden een gemeenschappelijke huishouding voer en met wie ik blijkens een akte op tien juni tweeduizend vijftien voor mr. E.E.H.H.O. Verstegen, notaris in de gemeente Brunssum, een notarieel samenlevingscontract ben aangegaan tot mijn enig erfgenaam.

(…)

VOORWAARDE VOOR VERKRIJGING DOOR PARTNER

Alle beschikkingen ten behoeve van mijn partner, de benoeming tot executeur daaronder uitdrukkelijk begrepen, zijn gemaakt onder de voorwaarde dat onze samenwoning door mijn of zijn (de rechtbank leest verbeterd: haar) overlijden is geëindigd.

Indien aan bedoelde voorwaarde niet is voldaan sluit ik mijn partner, voorzover nodig, uit als erfgenaam van mijn nalatenschap.

Aan samenwonen wordt in dit verband gelijkgesteld een samenwoning welke is onderbroken ten gevolge van wilsonafhankelijke omstandigheden, zoals opname van (één van) de partners in een verpleeginrichting, terwijl de samenwoning met mijn partner als beëindigd geldt indien:

- mijn partner en ik in de gemeenschappelijke basisadministratie niet langer op hetzelfde adres staan ingeschreven, met uitzondering van de situatie dat de samenwoning is onderbroken ten gevolge van wilsonafhankelijke omstandigheden;

- mijn partner en ik schriftelijk met elkaar zijn overeengekomen de relatie en/of de samenleving te beëindigen;

- één van ons bij aangetekend schrijven aan de ander te kennen heeft gegeven de samenleving als geëindigd te beschouwen;

- mijn partner en ik blijkens een gedateerde en ondertekende schriftelijke overeenkomst zijn overgegaan tot verdeling van alle aan ons gezamenlijk toebehorende goederen

- één van ons met een derde in het huwelijk is getreden, dan wel een geregistreerd partnerschap is aangegaan.

(…)

OVERLIJDEN TEGELIJK MET OF NÁ PARTNER

Voor het geval ik mocht overlijden tegelijk met of ná mijn partner, benoem ik – met inachtneming van vorenstaande onterving – tot mijn enig erfgenaam, de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren (…)

2.3.

Op diezelfde dag, daaraan voorafgaand, hebben [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] een notarieel samenlevingscontract gesloten.

2.4.

[erflater] stond op het moment van zijn overlijden ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats 2] (de woning van [erflater] ) en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] op dat moment op het adres [adres 2] te [woonplaats 2] (de woning van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] ). Vaststaat dat [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] nooit op hetzelfde woonadres ingeschreven hebben gestaan.

2.5.

[gedaagde in hoofdzaak en in het incident] heeft de benoeming tot erfgename door [erflater] aanvaard, evenals haar benoeming tot executeur.

2.6.

[gedaagde in hoofdzaak en in het incident] heeft op 7 april 2017, in haar hoedanigheid van erfgename van [erflater] , de tot diens nalatenschap behorende woning aan de [adres 1] te [woonplaats 2] , die voor een bedrag van € 96.000,-- was verkocht, aan een derde geleverd.

3 Het geschil

In het incident

3.1.

[eiseres in hoofdzaak en in het incident] stelt dat zij recht heeft op en belang heeft bij inzage in de (stukken betrekking hebbende op de) nalatenschap van [erflater] , welke [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] onder zich heeft. Verder heeft [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] volgens [eiseres in hoofdzaak en in het incident] als (vermeend) executeur en afwikkelingsbewindvoerder alsmede als (vermeend) erfgenaam een boedelbeschrijving, een rekening en verantwoording alsmede een aangifte successierechten moeten (laten) maken, welke stukken op grond van het bepaalde in artikel 162 Rv dienen te worden opengelegd voor [eiseres in hoofdzaak en in het incident] .

3.2.

[eiseres in hoofdzaak en in het incident] vordert op grond van het vorenstaande dat [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan haar afschriften te verstrekken, zonodig op door de rechtbank te bepalen wijze, althans open te leggen, althans aan [eiseres in hoofdzaak en in het incident] (ongeclausuleerde) inzage te geven in alle stukken betrekking hebbend op de nalatenschap van [erflater] , waaronder in ieder geval:

  • -

    de verklaring van erfrecht;

  • -

    de boedelbeschrijving;

  • -

    de aangifte en aanslag successierechten;

  • -

    de aangifte en aanslag inkomstenbelasting van [erflater] over 2015;

  • -

    de pensioenopgaaf van [erflater] over 2015;

  • -

    de tussen [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] gesloten notariële samenlevingsovereenkomst d.d. 10 juni 2015;

  • -

    de bankafschriften van [erflater] en van eventuele en/of rekeningen waarbij [erflater] één van de rekeninghouders is, over een periode van zes maanden vóór tot zes maanden ná het overlijden van [erflater] d.d. [overlijdensdatum] ;

  • -

    de koopovereenkomst betreffende de verkoop van de onroerende zaak aan de [adres 1] te [woonplaats 2] ;

  • -

    de hypotheekakte betreffende de hypotheek waarmee de onroerende zaak aan de [adres 1] te [woonplaats 2] (mogelijk) was belast;

  • -

    de notariële eindafrekening met betrekking tot de levering d.d. 7 april 2017 van de onroerende zaak aan de [adres 1] te [woonplaats 2] ;

  • -

    de kentekengegevens betreffende de auto van [erflater] , en eventueel vrijwaringsbewijs;

  • -

    de verzekeringspapieren, waaronder ook die van eventuele levensverzekeringen;

  • -

    een beschrijving van de door [erflater] nagelaten inboedel, kleding en lijfsieraden;

zulks binnen twee weken na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag dagdeel dat [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] er mee in gebreke mocht blijven om aan de gevraagde veroordeling te voldoen.

In de hoofdzaak

3.3.

[eiseres in hoofdzaak en in het incident] stelt dat, nu uit de inschrijvingen in de gemeentelijke basisadministratie is gebleken dat [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] nooit op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan, daaruit volgt dat van samenwoning tussen [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] naar de bepalingen van de uiterste wilsbeschikking van [erflater] nooit sprake is geweest, dan wel dat deze is beëindigd. Daaruit volgt dan volgens [eiseres in hoofdzaak en in het incident] weer dat [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] geen erfgename van [erflater] is, noch executeur van diens nalatenschap en dat [eiseres in hoofdzaak en in het incident] de enige erfgename van [erflater] is.

3.4.

Volgens [eiseres in hoofdzaak en in het incident] heeft dat [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] er niet van weerhouden om haar benoeming tot executeur te aanvaarden en de nalatenschap van [erflater] in bezit te nemen en de tot de nalatenschap van [erflater] behorende woning te verkopen en te leveren voor een bedrag van € 96.000,--. Aldus heeft [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] volgens [eiseres in hoofdzaak en in het incident] onrechtmatig jegens haar gehandeld.

3.5.

[eiseres in hoofdzaak en in het incident] vordert op grond van het vorenstaande – zoals de rechtbank die vordering verbeterd leest – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [eiseres in hoofdzaak en in het incident] de erfgenaam is van [erflater] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] en overleden te [overlijdensplaats] op [overlijdensdatum] ;

  2. [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] veroordeelt om de nalatenschap van [erflater] af te geven aan [eiseres in hoofdzaak en in het incident] , alsmede hetgeen door zaaksvervanging daarvoor in de plaats is gekomen, althans om aan [eiseres in hoofdzaak en in het incident] alle schade – de rechtbank leest verbeterd – te vergoeden als gevolg van de door [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] gepleegde onrechtmatige daad als in het lijf van de dagvaarding nader omschreven, een en ander op te maken staat en te vereffenen als volgens de wet;

3.6.

[gedaagde in hoofdzaak en in het incident] voert verweer. De verweren en betwistingen zullen, voor zover van belang, hieronder worden weergegeven en beoordeeld.

In het incident en in de hoofdzaak

3.7.

[eiseres in hoofdzaak en in het incident] vordert dat de rechtbank [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] veroordeelt in de kosten van deze procedures, alsmede in de nakosten begroot als volgens het liquidatietarief.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] nooit op hetzelfde woonadres ingeschreven hebben gestaan.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] niettemin een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd en die ook voerden ten tijde van het overlijden van [erflater] . Dit volgt uit door [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] ter comparitie afgelegde verklaringen, die door [eiseres in hoofdzaak en in het incident] niet, dan wel onvoldoende zijn weersproken.

4.3.

[gedaagde in hoofdzaak en in het incident] heeft verklaard dat zij en [erflater] sedert in ieder geval 2012 samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] . [erflater] was wel nog eigenaar van zijn woning aan de [adres 1] te [woonplaats 2] , maar [erflater] kwam daar bijna nooit. [erflater] moeder kwam hem ook opzoeken in de woning van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] . Vlak voor zijn overlijden is [erflater] vanuit de woning van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd, waar hij niet lang daarna is overleden in bijzijn van zowel [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] als [erflater] moeder, dochter en kleindochter.

4.4.

Dat [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] en [erflater] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, is ook aannemelijk nu zij op 10 juni 2016, op dezelfde dag waarop [erflater] zijn uiterste wilsbeschikking heeft laten opstellen, daaraan voorafgaand, een samenlevingscontract hebben laten opstellen. Ten slotte is van belang dat [erflater] in zijn uiterste wilsbeschikking heeft laten opnemen dat hij vanaf de datum van het opstellen daarvan een gemeenschappelijke huishouding voert met [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] .

4.5.

Het geschil tussen partijen komt in essentie neer op de uitleg van de uiterste wilsbeschikking van [erflater] . Meer in het bijzonder betreft de vraag naar de uitleg of en, zo ja, welke betekenis moet worden toegekend aan de voorwaarde voor het erfgenaamschap van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] , te weten dat [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] ten tijde van het overlijden van [erflater] nog op hetzelfde woonadres ingeschreven moeten staan.

4.6.

Artikel 4:46 BW bepaalt dat bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

4.7.

Volgens een letterlijke uitleg van de uiterste wilsbeschikking moet de samenwoning tussen [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] als beëindigd worden beschouwd als zij niet langer op hetzelfde woonadres staan ingeschreven. Eveneens volgens de letterlijke tekst voldoet [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] dan niet meer aan de voorwaarden waaronder zij als erfgenaam kan gelden.

4.8.

Echter, de rechtbank acht de door [eiseres in hoofdzaak en in het incident] voorgestane letterlijke uitleg niet doorslaggevend. Gelet immers op de verhoudingen die de uiterste wilsbeschikking kennelijk wenst te regelen, en gelet op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, dient die uiterste wil aldus te worden uitgelegd dat in het onderhavige geval het enkele feit dat [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] ten tijde van het overlijden van [erflater] niet op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven niet doorslaggevend dient te zijn, doch wel of zij op dat moment feitelijk samen woonden, zodat [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] als enige erfgename van [erflater] moet worden beschouwd. Daartoe is het volgende van belang.

4.9.

[erflater] heeft door middel van het opmaken van een uiterste wilsbeschikking de wens uitgesproken [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] tot zijn enige erfgename te benoemen. Hij heeft zijn dochter onterfd en heeft bepaald dat indien [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] vóór, dan wel gelijktijdig met hem zou overlijden ook in dat geval zijn moeder, die naar de wettelijke regels dan als erfgenaam zou moeten worden beschouwd, geen erfgename is, maar dat in dat geval de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren als enig erfgenaam van [erflater] wordt benoemd.

4.10.

In die wilsbeschikking zijn echter voorwaarden geformuleerd waaraan moest zijn voldaan om [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] als erfgename aan te kunnen merken. Een van die voorwaarden was dat [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] ten tijde van het overlijden van [erflater] op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven. Omdat [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking samenwoonden in de woning van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] , maar niet stonden ingeschreven op hetzelfde woonadres, zou, indien de letterlijke tekst van de uiterste wilsbeschikking zou worden gevolgd, [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] geen erfgename van [erflater] zijn.

4.11.

Uit het feit dat [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] op 10 juni 2016, nadat zij al enkele jaren samen woonden, een samenlevingscontract hebben gesloten en op diezelfde dag, maar daarna, [erflater] een uiterste wilsbeschikking heeft laten opmaken waarin hij heeft laten opnemen dat hij vanaf die datum een gemeenschappelijke huishouding voert met [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] tot zijn enige erfgenamen benoemt, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat voor het erfgenaamschap van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] doorslaggevend is dat zij en [erflater] op het moment van het overlijden van laatstgenoemde samenwoonden en niet dat zij op dat moment ook op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Als eerste voorwaarde voor het erfgenaamschap van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] wordt door [erflater] immers geformuleerd dat de samenwoning tussen hem en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] door zijn overlijden is geëindigd. Klaarblijkelijk is relevant voor het erfgenaamschap van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] dat tussen hen een wens bestond om samen te wonen. Ook indien die samenwoning ten gevolge van wilsonafhankelijke omstandigheden, zoals opname van (één van) de partners in een verpleegkliniek, is volgens de uiterste wilsbeschikking immers sprake van de vereiste samenwoning.

4.12.

Kennelijk heeft [erflater] zijn lotsverbondenheid, volgende en blijkende uit zijn samenleving met [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] , tot uitdrukking willen brengen door haar tot zijn enige erfgename te benoemen. Die lotsverbondenheid eindigt niet, en derhalve ook niet de wens om [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] te laten erven, indien de samenwoning wordt beëindigd op grond van wilsonafhankelijke omstandigheden. Aan de voorwaarde van samenwoning is volgens de uiterste wilsbeschikking niet voldaan in een vijftal daarin omschreven gevallen, waarvan het eerste, en in dit geschil aan de orde zijnde geval, betreft het “niet langer op hetzelfde adres staan ingeschreven” in de gemeentelijke basisadministratie van [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] .

4.13.

Kennelijk is bij het opstellen van de uiterste wilsbeschikking ervan uitgegaan dat het feit dat [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven het gevolg is van een verbreking van de samenwoning, zodat de bedoelde lotsverbondenheid er niet meer is, en dat de partij die de woning verlaat zich elders vestigt en zich op dat adres ook laat inschrijven. Het niet meer staan ingeschreven staan moet dus enkel worden gezien in het licht van een verbreking van de samenleving als gevolg van wilsafhankelijke omstandigheden. Dat is te meer aannemelijk nu de andere vier gevallen waaronder de samenwoning wordt geacht te zijn geëindigd betrekking hebben op gevallen waarin duidelijk is dat [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] niet meer wensen samen te wonen.

4.14.

Dat het op één woonadres ingeschreven staan niet doorslaggevend is, volgt ook uit het feit dat in de uiterste wilsbeschikking wordt gesproken van het “niet langer op hetzelfde adres staan ingeschreven”, terwijl [erflater] en [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] op dat moment niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven en ook daarna niet op hetzelfde zijn ingeschreven.

4.15.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat het feit dat [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] en [erflater] ten tijde van het overlijden van [erflater] niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven ook om de volgende reden niet doorslaggevend is. [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] heeft ter comparitie verklaard dat [erflater] wegens zijn ziekte niet meer in staat is geweest de inschrijving van zijn woonadres te wijzigen en om dezelfde reden zijn plan om zijn woning te verkopen niet heeft kunnen uitvoeren. Het eerste wordt bovendien bevestigd door [eiseres in hoofdzaak en in het incident] . Haar advocaat heeft immers ter zitting verklaard dat hij uit een verklaring van de heer Van Amersfoort, werkzaam op het kantoor van de notaris waar de uiterste wilsbeschikking is opgesteld, heeft begrepen dat de uitschrijving door [erflater] van zijn woonadres niet zou zijn geregeld in verband met diens ziekte. Zo de inschrijving derhalve als harde, relevante voorwaarde zou moeten gelden, dan moet die voorwaarde ook zijn geacht te vervuld, nu [erflater] die voorwaarde heeft willen vervullen maar die voorwaarde wegens overmacht niet heeft kunnen vervullen.

4.16.

Nu de vordering op grond van het vorenstaande al moet worden afgewezen, behoeven de overige verweren van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] geen bespreking meer.

4.17.

Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] moet worden aangemerkt als enig erfgenaam van [erflater] . Dat betekent dat de vordering in de hoofdzaak moet worden afgewezen. Ook de incidentele vordering moet derhalve worden afgewezen. Nu [eiseres in hoofdzaak en in het incident] geen erfgename van [erflater] is, heeft [eiseres in hoofdzaak en in het incident] geen recht op of belang bij openlegging van en/of inzage in de in het petitum in het incident genoemde stukken.

In het incident

4.18.

[eiseres in hoofdzaak en in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] worden begroot op:

- griffierecht € 79,00;

- salaris advocaat € 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00);

Totaal € 1.165,00.

In de hoofdzaak

4.19.

[eiseres in hoofdzaak en in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] worden begroot op:

- salaris advocaat € 543,00 (1,0 punt × tarief € 543,00);

Totaal € 543,--.

5 De beslissing

De rechtbank:

In het incident

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres in hoofdzaak en in het incident] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] tot op heden begroot op € 1.165,00;

In de hoofdzaak

5.3.

wijst de vorderingen af;

5.4.

veroordeelt [eiseres in hoofdzaak en in het incident] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak en in het incident] tot op heden begroot op € 543,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga, rechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT