Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:11501

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-12-2018
Datum publicatie
13-03-2019
Zaaknummer
254603 HA RK 18-231
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopig getuigenverhoor afgewezen, ambtshalve oordeel strijd met de goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0479
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rekestnummer: C/03/254603 / HA RK 18-231

Beschikking van 5 december 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

advocaat mr. L. Zegveld,

tegen

1 DE NEDERLANDSE PROVINCIE VAN HET RELIGIEUS INSTITUUT

‘DE CONGREGATIE VAN DE HEILIGE GEEST’,

kantoorhoudende te Gennep,

verweerster,

2. de stichting

DE STICHTING CONGREGATIE VAN DE HEILIGE GEEST,

gevestigd te Gemert en kantoorhoudende te Gennep,

verweerster,

advocaat mr. R.P. Baetens.

Verzoeker zal hierna ook als [verzoeker] worden aangeduid en verweersters sub 1. en 2. gezamenlijk als de Congregatie c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    de mondelinge behandeling op 21 november 2018, waarbij is verschenen:

[verzoeker] , bijgestaan door mevrouw mr. L. Zegveld.

1.2.

Bij brief van 1 november 2018 heeft de Congregatie c.s. aangegeven dat zij geen verweer wenst te voeren tegen het verzoek. Bij e-mail van 16 november 2018 heeft de Congregatie c.s. laten weten dat zij niet ter mondelinge behandeling zal verschijnen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] heeft bij dagvaarding van 1 december 2017 een procedure aanhangig gemaakt jegens de Congregatie c.s. (zaaknummer C/03/245398 | 18/024) (hierna: de hoofdprocedure).

2.2.

In de hoofdprocedure is pleidooi verzocht. De rechtbank heeft de datum voor pleidooi in de hoofdprocedure bepaald op 13 december 2018.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen. [verzoeker] stelt hiertoe – kort samengevat – dat hij in de periode 1960-1961, waarin hij een internaat van de Congregatie c.s. bezocht, meerdere keren ernstig seksueel is misbruikt door een pater van de Congregatie c.s. die lesgaf op het internaat. Volgens [verzoeker] betwist de Congregatie c.s. dat [verzoeker] seksueel is misbruikt door de pater. Voorts betwist de Congregatie c.s. dat zij wist dat de pater zich schuldig maakte aan misbruik van leerlingen van het internaat, dan wel dat zij daarvan wetenschap had vóórdat [verzoeker] werd misbruikt.

3.2.

[verzoeker] wenst getuigen te doen horen. De door hem genoemde getuigen zijn ook door de pater van de Congregatie c.s. misbruikt en kunnen verklaren over het misbruik, de datum waarop zij zijn misbruikt, de wetenschap van de Congregatie c.s. en de datum van deze wetenschap van de Congregatie c.s. Daarnaast heeft [verzoeker] ter mondelinge behandeling aangegeven dat hij ook zichzelf en zijn echtgenote wil doen horen.

4 De beoordeling

4.1.

Het voorlopig getuigenverhoor beoogt enerzijds mogelijk te maken dat spoedig na het plaatsvinden van omstreden feiten daaromtrent getuigenverklaringen kunnen worden afgelegd alsmede te voorkomen dat bewijs verloren gaat, anderzijds strekt het er toe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding en ook tijdens een aanhangig geding de gelegenheid te bieden opheldering te verkrijgen omtrent de (hun wellicht nog niet precies bekende) feiten, zulks teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen.

4.2.

Voorop staat dat de rechter in beginsel een voorlopig getuigenverhoor dient te gelasten, mits het verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het voorlopig getuigenverhoor bewezen kunnen worden. Ingevolge artikel 186 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor worden gedaan tijdens een reeds aanhangige procedure. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan echter worden afgewezen op de grond dat de verzoeker daarbij geen belang als bedoeld in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft; dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt - waarvan onder meer sprake kan zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten -; dat het strijdig is met een goede procesorde; dan wel op grond van een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (zie bijv. HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3938).

4.3.

Wanneer de rechter van oordeel is dat een bepaalde proceshandeling in strijd is met hetgeen een goede procesorde eist, is hij bevoegd dit oordeel ook ambtshalve te geven (ECLI:NL:HR:1998:ZC2778). De rechtbank is in deze zaak van oordeel dat de eisen van een goede procesorde aan toewijzing van het verzoek van [verzoeker] in de weg staan en overweegt daartoe als volgt.

4.4.

Nu in de hoofdprocedure alle conclusies zijn gewisseld en een datum voor pleidooi is bepaald, heeft het debat zijn eindfase bereikt. Te verwachten valt dat vervolgens een (tussen)vonnis zal worden gewezen. Niet valt in te zien waarom niet kan worden afgewacht of de rechter in de hoofdprocedure een bewijsopdracht aan [verzoeker] geeft en zo ja, hoe deze naar het oordeel van de rechter concreet zal moeten luiden. Op voorhand staat immers niet vast dat de feiten en omstandigheden waarvan [verzoeker] middels het voorlopig getuigenverhoor bewijs wil leveren, aansluiten op een probandum van de rechtbank - voor zover daaraan in de hoofdprocedure zal worden toegekomen. Een toewijzende beslissing op het verzoek in dit stadium zou de gang van zaken in de hoofdprocedure ernstig vertragen en/of belemmeren en is naar het oordeel van de rechtbank niet efficiënt en doelmatig. In dit verband wijst de rechtbank er bovendien op dat redelijkerwijs niet te verwachten valt dat bij toewijzing van het verzoek de getuigen op een relevant kortere termijn zullen kunnen worden gehoord dan na een eventueel in de hoofdzaak te wijzen (tussen)vonnis, waarbij - indien daartoe aanleiding is - [verzoeker] tot bewijslevering zal worden toegelaten.

4.5. (

De advocaat van) [verzoeker] heeft ter mondelinge behandeling betoogd dat hij desondanks belang heeft bij het in deze stand van de procedure doen horen van getuigen. Hij heeft aangegeven dat er in totaal acht personen zijn die stellen slachtoffer te zijn van het misbruik van de pater en dat mogelijk meerdere van hen in een later stadium een procedure tegen de Congregatie c.s. zullen instellen. Hij heeft pas kort voor het indienen van het verzoekschrift bekendheid gekregen met de feiten en omstandigheden omtrent het misbruik van de andere slachtoffers. Met het onderhavige verzoek beoogt hij niet zozeer zijn procespositie in de door hem aanhangig gemaakte hoofdprocedure nader te bepalen, maar wil hij het bewijs dat de andere slachtoffers kunnen verschaffen zeker stellen, met name met het oog op toekomstige procedures en eventueel hoger beroep.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat bij de huidige stand van de procedure in de hoofdzaak, waarbij de conclusies reeds zijn gewisseld, een voorlopig getuigenverhoor er thans nog aan kan bijdragen dat (meer) inzicht wordt verkregen omtrent de voor het geschil in de hoofdprocedure relevante feiten en omstandigheden en de procedurele positie van partijen.

De rechtbank overweegt daarnaast dat niet gebleken is dat er een concreet gevaar bestaat voor het verloren gaan van het door de getuigen te leveren bewijs. Gesteld noch gebleken is dat gevreesd moet worden dat (enkele van) de getuigen binnen afzienbare tijd niet meer in staat zullen zijn een verklaring af te leggen. Hoewel de door [verzoeker] genoemde getuigen op leeftijd zijn – vermoedelijk allen tussen 65 en 70 jaar – is de rechtbank van oordeel dat dit niet een leeftijd is waarop verwacht moet worden dat de getuigen binnen korte tijd – namelijk de tijd tot aan een (tussen)vonnis in de hoofdprocedure – niet meer in staat zullen zijn te getuigen. [verzoeker] heeft ter mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat één van de getuigen momenteel in het ziekenhuis onder behandeling is, gesteld noch gebleken is echter dat er sprake is van een zodanige medische toestand dat deze getuige mogelijk op korte termijn niet meer in staat zal zijn om te getuigen.

Het feit dat [verzoeker] bewijs voor toekomstige andere procedures (van de anderen die stellen slachtoffer te zijn) wil verzamelen, maakt het voorgaande niet anders. Nu het verzoek door [verzoeker] is gedaan, moet het verzoek in relatie tot de tussen [verzoeker] en de Congregatie c.s. aanhangige hoofdprocedure worden beoordeeld en niet tot een procedure waarin [verzoeker] geen partij zal zijn.

4.7.

Tegen voornoemde achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de wijze van procederen en de tijd en middelen die aan een voorlopig getuigenverhoor zullen worden besteed, in het onderhavige geval niet in redelijke verhouding staan tot de inzet van het middel van het voorlopig getuigenverhoor. Dit leidt tot de conclusie dat de eisen van een goede procesorde in de weg staan aan het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. Het verzoek zal worden afgewezen.

4.8.

[verzoeker] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de – aan de zijde van de Congregatie c.s. tot op heden op nihil begrote – kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek af,

5.2.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, welke aan de zijde van de Congregatie c.s. worden begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2018.1

1 type: TG/FA coll: