Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:11191

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
7305860 CV EXPL 18-6736
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (0-urencontract). Vermoeden arbeidsomvang (7:610b). Referteperiode. Toestemming onbetaald verlof? Onverwijlde opzegging op grond van dringende reden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7305860 CV EXPL 18-6736

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 28 november 2018

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. J. Maarssen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KUNSTSTOF BRUNSSUM B.V.,

gevestigd te Brunssum,

gedaagde partij,

gemachtigde L.H.A. Ploemen.

Partijen zullen hierna [eiser] en KB genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de op 20 november 2018 ontvangen producties van KB

  • -

    de mondelinge behandeling op 22 november 2018 waarbij mr. Maarssen een pleitnota heeft overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 1 januari 2018 in dienst getreden van KB in de functie van algemeen medewerker op grond van een mondeling arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het betreft een zogenoemd “0-urencontract”.

2.2.

Het overeengekomen loon bedraagt € 10,10 bruto per uur, te vermeerderen met een functietoeslag van € 2,30 bruto per uur. De opgebouwde vakantie-uren worden maandelijks uitbetaald.

2.3.

De partner van [eiser] , mevrouw [naam partner] , is eveneens werkzaam bij KB.

2.4.

Van 6 juli 2018 tot en met 12 augustus 2018 heeft [eiser] geen werkzaamheden verricht voor KB. In die periode was ook de bouwvakvakantie van 23 juli 2018 tot en met 10 augustus 2018. Mevrouw [naam partner] heeft in die periode eveneens niet gewerkt omdat zij zich in ieder geval vanaf 6 juli 2018 heeft ziekgemeld.

2.5.

Op vrijdag 10 augustus 2018 is [eiser] bij KB geweest. Hij heeft toen met

[naam directeur] , de directeur van KB gesproken.

2.6.

Op maandag 13 augustus 2018 is [eiser] weer naar KB gegaan teneinde zijn werkzaamheden te hervatten. KB heeft toen opnieuw in ieder geval gesproken met [naam directeur] . [eiser] heeft zijn werkzaamheden die dag niet hervat.

2.7.

Bij e-mailbericht van 15 augustus 2018 heeft [eiser] zich ziekgemeld bij KB.

2.8.

Bij e-mailbericht van diezelfde dag heeft [naam directeur] aan [eiser] medegedeeld:

“Sorry kan jouw niet ziek melden, je heb een 0 uren contract.

en we hebben het er al over gehad.

Hoop dat je snel beter word.

Groetjes [naam directeur] ”

2.9.

Bij brief van 12 september 2018 heeft de gemachtigde van [eiser] gesommeerd tot betaling van het loon over de maand augustus 2018.

2.10.

Bij e-mailbericht van 12 september 2018 heeft [naam directeur] daarop (onder meer) als volgt gereageerd:

“Dhr. heeft u een mooi verhaal verteld. Maar hij heeft u niet de hele waarheid verteld.

Dhr. is meer dan twee weken niet meer verschenen op zijn werk. Meneer komt dood leuk na de bouwvak vertellen, dat hij weer komt werken.

Heb hem toen mede gedeeld, dat ik geen werk meer voor de heer had.

en geen gebruik wilde maken van hem zijn diensten.

heb hem duidelijk verteld dat er geen werk meer was of is.

Dat hebben drie man gehoord, die dat ook kunnen beamen.

Tot mijn stomme verbazing, krijg ik een week later een mail. waar zijn vrouw hem ziek meld.

Dus de casus waar u het over heeft doet niet ter zaken.”

2.11.

Partijen hebben daarna nog verder gecorrespondeerd (e-mails van 2 en 9 oktober 2018), maar dit heeft niet geleid tot een wijziging van de standpunten.

2.12.

Bij beslissing van 16 oktober 2018 heeft het UWV aan [eiser] medegedeeld dat hij geen recht heeft op een Ziektewet-uitkering omdat zijn werkgever verplicht is tijdens ziekte het loon door te betalen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij wijze van onmiddellijke voorziening bij voorraad KB te veroordelen tot betaling van (samengevat):

  1. het loon (inclusief opgebouwde vakantie-uren) met ingang van augustus 2018 en de wettelijke verhoging, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente

  2. een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten

  3. de proceskosten.

3.2.

KB voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op de aard van de gevorderde voorziening is aannemelijk dat [eiser] een spoedeisend belang heeft.

4.2.

[eiser] vordert betaling van het loon op grond van de met hem gesloten arbeidsovereenkomst. De hoogte van de loonvordering baseert hij op het rechtsvermoeden van art. 7:610b BW. Op grond van die bepaling voert hij aan dat hij gemiddeld genomen 100 uur per maand heeft gewerkt voor KB in de periode van januari 2018 tot en met juni 2018. De maand juli 2018 heeft hij bij de berekening buiten beschouwing gelaten omdat hij, zo stelt hij met toestemming van KB vanaf 6 juli 2018, onbetaald verlof heeft genoten.

4.3.

Het verweer van KB dat [eiser] geen recht op betaling van het loon heeft omdat hij - zo leest de kantonrechter zijn verweer - op 13 augustus 2018 de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden onverwijld heeft opgezegd, wordt verworpen op grond van de volgende overwegingen.

4.4.

Op KB rust de bewijslast dat zij de arbeidsovereenkomst met [eiser] op 13 augustus 2018 KB onverwijld heeft opgezegd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft KB schriftelijke verklaringen overgelegd van [naam directeur] en van werknemers van KB. [eiser] stelt daar tegenover dat hij die dag niet is ontslagen. Volgens [eiser] heeft [naam directeur] hem die dag weggestuurd met de mededeling dat hij niet hoefde te komen werken zolang zijn partner [naam partner] niet komt werken.

Verder heeft [eiser] verwezen naar de na 13 augustus 2018 door [naam directeur] verzonden e-mails (zie 2.8. en 2.10.) waarin [naam directeur] geen melding heeft gemaakt van een dergelijk ontslag, of zelfs maar de gestelde animositeit tussen partijen. Als [eiser] ontslagen was, zou het voor de hand gelegen hebben dat [naam directeur] in die e-mails daarvan melding zou maken. Het betoog van KB dat zij dat niet heeft vermeld omdat zij bang was voor verdere escalatie kan haar evenmin baten. De situatie was op dat moment immers reeds zodanig geëscaleerd dat [eiser] niet meer werd toegelaten tot het verrichten van werkzaamheden en hem geen loon meer betaald werd. De bewoordingen “en we hebben het er al over gehad” in de e-mail van 15 augustus 2018 duidt anders dan KB stelt er evenmin op dat de arbeidsovereenkomst met [eiser] op 13 augustus 2018 is geëindigd. Deze mededeling kan immers ook verwijzen naar de (volgens [eiser] ) door [naam directeur] verklaring dat hij niet hoefde te komen zolang [naam partner] niet kwam werken.

Op grond van de gemotiveerde betwisting van [eiser] bestaat in deze procedure (waarin geen plaats is voor verdere bewijsvoering) dus onvoldoende zekerheid dat in een bodemprocedure vastgesteld zal worden dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] op 13 augustus 2018 is geëindigd. Daarom kan in dit kort geding niet worden geanticipeerd op een dergelijke vaststelling zodat het er voor dit moment voor moet worden gehouden dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd.

4.5.

Op grond van art. 7:610b wordt de met [eiser] bedongen arbeid vermoed een omvang te hebben gelijk aan het gemiddelde van de omvang van de arbeid in (in beginsel) de drie voorafgaande maanden. [eiser] is uitgegaan van een langere referte periode van zes maanden (van januari 2018 tot en met juni 2018) omdat dit volgens hem een representatievere periode is. Daar is door KB niets tegen aangevoerd met uitzondering van het volgende.

4.6.

De maand juli 2018 heeft [eiser] buiten de referteperiode gelaten omdat hij in die maand vanaf 6 juli 2018 twee weken niet gewerkt heeft. Hij stelt dat KB hem toestemming gegeven heeft voor dat verlof. Dat laatste is door KB betwist, maar die betwisting is onvoldoende onderbouwd. Nergens blijkt uit dat [eiser] na 6 juli 2018 gedurende twee weken zonder toestemming van KB onbetaald verlof genoten heeft. Stukken waaruit blijkt dat KB hem in die periode heeft opgeroepen om te komen werken of waaruit blijkt dat KB bij hem heeft geïnformeerd waarom hij niet komt werken, zijn niet overgelegd.

4.7.

Op grond van voorgaande overwegingen gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de door [eiser] gestelde urenomvang van 100 per maand (61,3 over de maand augustus omdat hij tot 13 augustus 2018 verlof heeft genoten).

4.8.

Tegen de berekening van [eiser] van het door KB verschuldigde loon (uitgaande van het minimumloon) vanaf augustus 2018 is door KB niets aangevoerd. De kantonrechter zal daarom ook uitgaan van de juistheid van de door [eiser] gevorderde loonbedragen en KB veroordelen tot betaling daarvan, te vermeerderen met de wettelijke verhoging. De wettelijke verhoging zal niet toegewezen worden over het door [eiser] gevorderde loon met ingang van november 2018 omdat gesteld noch gebleken is dat KB het loon over die periode te laat betaald heeft of te laat zal betalen. Om dezelfde reden zal de wettelijke rente alleen worden toegewezen over het verschuldigde loon van de maanden augustus tot en met oktober 2018. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de respectieve verzuimdata tot dat dag van voldoening.

4.9.

KB zal voorts veroordeeld worden om de loonspecificaties vanaf augustus 2018 aan [eiser] te verstrekken.

4.10.

[eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden plaatsgevonden hebben. Deze werkzaamheden hebben betrekking gehad op het moment dat KB achtereenvolgens het loon van augustus en september 2018 verschuldigd was. Bij de berekening van de hoogte van de vergoeding (conform de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten) gaat de kantonrechter daarom uit van de over die maanden verschuldigde hoofdsom van in totaal € 1.640,22. De door KB te betalen vergoeding bedraagt dan € 246,03 (15% x € 1.640,22).

4.11.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van tot op heden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 98,01

  • -

    griffierecht € 79,00

  • -

    salaris gemachtigde € 600,00

Totaal: € 777,01

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt KB tot betaling aan [eiser] van € 623,36 brutoloon over de maand augustus 2018, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en te vermeerderen met de wettelijke rente over een en ander vanaf de datum van verzuim tot de dag van voldoening,

5.2.

veroordeelt KB tot betaling aan [eiser] van € 1.016,86 brutoloon over de maand september 2018, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en te vermeerderen met de wettelijke rente over een en ander vanaf de datum van verzuim tot de dag van voldoening,

5.3.

veroordeelt KB tot betaling aan [eiser] van € 1.016,86 brutoloon over de maand oktober 2018, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente over een en ander vanaf de datum van verzuim tot de dag van voldoening,

5.4.

veroordeelt KB tot betaling aan [eiser] van € 1.016,86 brutoloon per maand met ingang van november 2018 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst zal eindigen dan wel de loondoorbetalingsverplichting zal eindigen,

5.5.

veroordeelt KB om aan het huisadres van [eiser] correcte bruto/netto specificaties te verzenden van de loonbetalingen met ingang van augustus 2018,

5.6.

veroordeelt KB tot betaling aan [eiser] van een vergoeding van € 246,03 aan buitengerechtelijke kosten,

5.7.

veroordeelt KB tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 777,01,

5.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW