Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:11086

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
C/03/251475 / FA RK 18-2274
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot adoptie van de stiefkinderen is afgewezen nu niet voldaan is aan het leeftijdsvereiste. Het verzoek om tezamen met de moeder te worden belast met het ouderlijk gezag is toegewezen, ondanks dat nog niet voldaan is aan de termijn van eenhoofdig gezag van drie jaar, nu er enerzijds sprake is van een stabiele en duurzame relatie tussen de moeder en de stiefvader en anderzijds de vader sinds 2010 niet meer betrokken is in het leven van de kinderen waardoor de moeder het gezag over de kinderen sindsdien feitelijk alleen uitoefent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Familie en jeugd

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/03/251475 / FA RK 18-2274

Beschikking van 16 oktober 2018 betreffende adoptie en gezag

in de zaak van:

[verzoeker] ,

hierna ook te noemen stiefvader,

wonende te [woonplaats verzoeker] , [adres verzoeker] ,

advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers.

Betreffende de minderjarigen:

[minderjarige sub 1] , geboren te [geboorteplaats minderjarigen] op [geboortedag minderjarige sub 1] 2007 en

[minderjarige sub 2] , geboren te [geboorteplaats minderjarigen] op [geboortedag minderjarige sub 2] 2008,

Als belanghebbende merkt de rechtbank aan:

[belanghebbende] , partner van stiefvader,

hierna ook te noemen de moeder van de kinderen,

eveneens wonende te [woonplaats belanghebbende] , [adres belanghebbende] .

en

[vader v/d minderjarigen] ,

hierna ook te noemen de vader van de kinderen,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verzoekschrift is bij de rechtbank binnengekomen op 20 juni 2018.

1.2.

Op 18 september 2018 heeft de mondelinge behandeling met gesloten deuren plaatsgevonden. De griffier heeft daarvan een afzonderlijk proces verbaal opgemaakt.

Bij deze behandeling zijn verschenen:

- stiefvader, bijgestaan door mr. Zanders,

- de moeder,

- mevrouw K. Duhoky, tolk Koerdisch-Badini;

- mevrouw [X] , vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

1.3.

De vader is opgeroepen via de Staatscourant, maar niet ter zitting verschenen.

2 De vaststellingen en overwegingen

2.1.

De moeder is op 12 augustus 2010 met de kinderen [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] gevlucht uit Irak, nadat haar man [vader v/d minderjarigen] en later hun zoon [A.] verdwenen zijn. Niet duidelijk is of de vader en hun zoon nog in leven zijn.

Bij beschikking van deze rechtbank van 29 maart 2017 is de echtscheiding tussen de moeder en de vader uitgesproken en is de moeder alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] .

De moeder heeft in Nederland een relatie gekregen met de stiefvader en op [geboortedag B.] 2017 is uit deze relatie geboren [B.] .

2.2.

De stiefvader heeft verzocht om:

  • -

    primair de adoptie van de kinderen [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] door stiefvader, geboren op [geboortedag verzoeker] 1992 uit te spreken;

  • -

    subsidiair: de stiefvader tezamen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] ;

  • -

    te bepalen dat de geslachtsnaam van [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] zal komen te luiden [achternaam verzoeker] en te gelasten dat deze wijziging wordt verwerkt in de basisregistratie persoonsgegevens.

De stiefvader is van mening dat adoptie in het kennelijk belang van de kinderen is. Zij groeien reeds op in het gezin van de moeder en stiefvader en hun halfbroertje. De kinderen hebben niets meer te verwachten van hun vader. Niet duidelijk is of de vader nog in leven is maar vaststaat dat hij sinds 2010 geen contact meer heeft opgenomen met de moeder. Zowel de moeder als stiefvader wensen de huidige situatie te formaliseren, in die zin dat hij de kinderen adopteert. Mocht er onverhoopt iets met de moeder gebeuren, dan kan de stiefvader door de adoptie voor de kinderen blijven zorgen.

De stiefvader is zich ervan bewust dat hij niet voldoet aan de leeftijdseis zoals is gesteld in artikel 1:228 lid 1 onder c van het Burgerlijk Wetboek (BW). De stiefvader meent dat een starre toepassing van het leeftijdsvereiste niet in alle gevallen in het belang van de kinderen is en dat onder bepaalde omstandigheden alsnog afgeweken zou moeten worden van deze bepaling.

Subsidiair verzoekt de stiefvader om tezamen met de moeder te worden belast met het ouderlijk gezag. Partijen zorgen al vijf jaar samen voor de kinderen en de kinderen staan in een nauwe persoonlijke betrekking tot stiefvader. De moeder is inmiddels gescheiden en is alleen belast met het ouderlijk gezag. De stiefvader begrijpt dat nog niet is voldaan aan de wettelijke eis dat de moeder tenminste drie jaar alleen belast is geweest met het gezag over de kinderen zoals is gesteld in artikel 1:253t BW, maar feitelijk oefent ze dat gezag samen met de stiefvader al veel langer uit. Zowel stiefvader als de moeder wensen te laten formaliseren dat ook de stiefvader wordt belast met het gezag, zodat zij in een gelijkwaardige verhouding ten opzichte van de kinderen komen te staan en samen beslissingen over de kinderen kunnen nemen.

De stiefvader wenst ook dat de geslachtsnaam van de kinderen wordt gewijzigd. Op dit moment luidt hun achternaam [achternaam vader v/d minderjarigen] . Het belang van de kinderen verzet zich niet tegen toewijzing. Het zou eerder de sterke band tussen stiefvader en de kinderen formaliseren en bevestigen.

Ter terechtzitting heeft de stiefvader gepersisteerd bij de inhoud van het verzoekschrift.

De stiefvader ziet de kinderen van de moeder als zijn kinderen. De kinderen zien hem ook als hun vader. Partijen hebben de kinderen nog niet op de hoogte gebracht van het feit dat zij een andere biologische vader hebben. De moeder en stiefvader hebben daar wel over nagedacht en denken dat het goed is om de kinderen hiervan op de hoogte te brengen als ze een jaar of 14 zijn .

Gelet op het advies van de raad voor de kinderbescherming om hier niet langer mee te wachten maar de kinderen nu reeds te informeren over hun biologische vader, hebben de stiefvader en de moeder toegezegd de kinderen hiervan op de hoogte te brengen.

2.3.

De vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming heeft op zich geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek, buiten de juridische beoordeling. Partijen zijn al jaren samen en vormen samen met de kinderen en hun halfbroertje een gezin. Voor de kinderen is het goed dat dit geformaliseerd wordt.

Wat betreft de achternaamswijziging onthoudt de vertegenwoordiger zich van advies. Zij ziet enerzijds het belang van de kinderen om dezelfde achternaam als hun stiefvader en halfbroertje te dragen. Anderzijds is de achternaam nog het enige dat de kinderen aan hun biologische vader bindt.

De vertegenwoordiger adviseert partijen om niet te lang te wachten met het voorlichten van de kinderen over hun biologische vader. Als kinderen in de pubertijd zijn, kan het nieuws dat zij een andere vader hebben, ze het gevoel geven dat hun ouders tegen ze gelogen hebben. Jonge kinderen gaan er vaak makkelijker mee om. De voorlichting hoeft niet heel zwaar aangezet te worden. De kinderen zullen vanzelf met vragen komen als ze daar aan toe zijn.

2.4.

De moeder heeft ingestemd met de verzoeken.

2.5.

Op grond van de bij het verzoekschrift overgelegde bescheiden en hetgeen bij de behandeling ter terechtzitting is gebleken, staat vast dat:

- de kinderen op de dag van het eerste verzoek minderjarig waren,

- de kinderen geen kleinkind van de stiefvader zijn,

- de stiefvader niet ten minste achttien jaren ouder dan de kinderen is,

- geen der ouders het verzoek tegenspreekt,

- de stiefvader de kinderen gedurende ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed,

- [belanghebbende] , zijnde de moeder van de kinderen, alleen het gezag over de kinderen heeft.

2.6.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tot adoptie niet kan worden toegewezen nu niet aan de voorwaarde door artikel 1:228 BW gesteld, is voldaan dat de stiefvader tenminste 18 jaar ouder is dan de kinderen..

De rechtbank verwijst naar de overweging van de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2000:

“Blijkens de wetsgeschiedenis is het onder meer de bedoeling van de wetgever geweest om door middel van de huidige wetgeving de mogelijkheden voor stiefouderadoptie te beperken en om voor een stiefouderadoptie dezelfde voorwaarden te laten gelden als voor "gewone" eenpersoonsadopties. De invoering van de eis van een (minimum-)leeftijdsverschil is hiervan een gevolg geweest. Gelet op deze bewuste keuze van de wetgever en gezien de duidelijke bewoordingen van artikel 1:228, lid 1 aanhef onder c, BW is deze voorwaarde voor adoptie een dwingendrechtelijke bepaling, die aan de rechter geen ruimte laat om er van af te wijken ook al wordt - zoals in het onderhavige geval gesteld - de adoptie van de kinderen door stiefvader in het belang van de kinderen geacht.”

De wet laat derhalve geen ruimte om voorbij te gaan aan de leeftijdseis van de stiefvader.

Een beroep op artikel 3 IVRK, namelijk dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging dienen te vormen, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, nu de wetgever de belangen van het kind reeds bij de totstandkoming van artikel 1:228 BW heeft gewogen.

Ook een beroep op artikel 8 EVRM gaat niet op. De Hoge Raad heeft reeds in 1986 geoordeeld dat ook voor deze beperking van de adoptiemogelijkheden geldt dat, voor zover zij al een inmenging in het gezinsleven betekent, de beperking in ieder geval binnen de grenzen van artikel 8, tweede lid, EVRM blijft, nu zij in de wet is voorzien en beoogt de belangen van het kind te beschermen (HR 22 juli 1986, NJ 1987, 316).

De rechtbank zal het verzoek tot adoptie derhalve afwijzen.

2.7.

De rechtbank acht het wel in het belang van de kinderen dat de feitelijke situatie, waarbij de kinderen al jaren met stiefvader en moeder deel uitmaken van een gezin en zij de stiefvader ook zien als vader, juridisch geformaliseerd wordt.

Op grond van lid 1 van artikel 1:253t BW kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Op grond van lid 2 van voormeld artikel kan, ingeval het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts worden toegewezen indien:

a. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad, en

b. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag over het kind belast is geweest.

Het verzoek wordt, ingevolge lid 3 van voormeld artikel, afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

Vast is komen te staan dat partijen sinds 15 augustus 2013 zijn gaan samenwonen en dus al ruim vijf jaren gezamenlijk de zorg voor de kinderen hebben. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van gegronde vrees dat bij inwilliging van het verzoek om de moeder en de stiefvader gezamenlijk met het gezag te belasten de belangen van de kinderen, mede in het licht van de belangen van de vader, zouden worden verwaarloosd.

Voorts staat vast dat de vader sinds eind 2010 geen invulling heeft gegeven aan zijn gezag en dat hij sindsdien ook geen contact meer heeft gehad met de kinderen.

Uitsluitend de termijn van drie jaar gedurende welke de moeder alleen met het gezag over de kinderen belast moet zijn geweest staat aan toewijzing van het verzoek van de stiefvader in de weg. Aan dit vereiste is niet voldaan, nu de moeder eerst bij beschikking van 29 maart 2017 is belast met het eenhoofdig gezag, welke beschikking drie maanden later in kracht van gewijsde is gegaan.

De rechtbank overweegt dat uit de wetsgeschiedenis behorende bij artikel 1:253t BW (MvT, Kamerstukken II, 1993/1994, 23 714, nr. 3) blijkt dat de termijn van drie jaar in de wet is opgenomen om te voorkomen dat “het instituut van de medevoogdij al te lichtvaardig gebruikt wordt in situaties dat ouders uit elkaar gaan”.

In de nota van wijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 23714 nr. 7) van het wetsontwerp wordt op pagina 6 vermeld:

“De voorwaarde dat de ouder het gezag gedurende drie jaren alleen moet hebben gehad, indien er ook een andere ouder in het spel is, is ongewijzigd gehandhaafd. Na die termijn is het aannemelijk dat de situatie van gezagsuitoefening door beide ouders niet meer erg voor de hand ligt. Verder wordt voorkomen dat het instrument van gezamenlijk gezag van een ouder en een derde al te lichtvaardig na het uiteengaan van de ouders wordt gebruikt.”

De rechtbank is van oordeel dat er in dit specifieke geval aanleiding bestaat om van het vereiste van drie jaar af te wijken, nu er enerzijds sprake is van een stabiele en duurzame relatie tussen de moeder en de stiefvader en anderzijds de vader sinds 2010 niet meer betrokken is in het leven van de kinderen waardoor de moeder het gezag over de kinderen sindsdien feitelijk alleen uitoefent.

2.8.

Wijziging geslachtsnaam

Lid 5 van artikel 1:253t BW regelt dat een verzoek als bedoeld in het eerste lid vergezeld kan gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van de met het gezag belast ouder of de ander. Een zodanig verzoek wordt afgewezen, indien

a. het kind van twaalf jaar of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het verzoek;

b. het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt afgewezen; of

c. het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.

De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat het belang van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek verzet. Voor de kinderen zal het goed zijn om dezelfde achternaam als hun stiefvader en hun halfbroertje te dragen. Het argument dat de huidige achternaam nog het enige is wat deze kinderen van hun biologische vader hebben, acht de rechtbank in deze minder zwaarwegend, nu gebleken is dat de kinderen in de gemeentelijke basisadministratie staan ingeschreven onder de achternaam [achternaam vader v/d minderjarigen] terwijl uit de stukken van de IND is gebleken dat de vader en de kinderen in Irak de achternaam [andere achternaam vader en minderjarigen] droegen. Voorts acht de rechtbank het van belang dat de moeder en de stiefvader hebben toegezegd de kinderen reeds nu te informeren over hun biologische vader, zodat zij bekend zijn met het feit dat zij een andere biologische vader hebben dan hun halfbroertje.

De rechtbank zal derhalve het verzoek toewijzen en bepalen dat de kinderen de naam [achternaam verzoeker] zullen gaan dragen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

bepaalt dat [verzoeker] voortaan tezamen met de moeder belast is met het gezag over de minderjarigen:

1. [minderjarige sub 1] , geboren te [geboorteplaats minderjarigen] op [geboortedag minderjarige sub 1] 2007,

2. [minderjarige sub 2] , geboren te [geboorteplaats minderjarigen] op [geboortedag minderjarige sub 2] 2008;

3.2.

bepaalt dat de geslachtsnaam van de kinderen zal zijn [achternaam verzoeker] ,

zodat de minderjarigen voortaan zullen heten: [nieuwe naam minderjarige sub 1] en [nieuwe naam minderjarige sub 2] ;

3.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.Th.M. Raab (voorzitter), mr. J.J.M Wassenberg en mr. E.J.M. Boogaard-Derix, kinderrechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.D. Bücker, griffier op 16 oktober 2018.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden..