Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:11076

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
ROE 18/2462
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopig voorziening betreffende last onder dwangsom om het gebruik van een strandpaviljoen voor niet aan dagrecreatie gerelateerde evenementen, zoals feesten en partijen, op een termijn van vier maanden te beëindigen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft B &W bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn een onevenredig zwaar belang toegekend aan de bedrijfsvoering van de exploitant en heeft hij niet deugdelijk gemotiveerd waarom voor een termijn van vier maanden is gekozen. Gelet met name op de belangen van derden die boekingen hebben gedaan, is de voorzieningenrechter niettemin van oordeel dat de exploitant nog enige tijd dient te worden gegund om degenen die een niet aan dagrecreatie gerelateerd evenement hebben geboekt, de kans te geven om daarvoor, een oplossing te vinden. Daartoe wordt een termijn van acht weken na de datum van deze uitspraak toereikend en redelijk geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2019/3070
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 18/2462

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 november 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Emterra B.V., te Heel

(gemachtigde: mr. M.J.H. Verburg).

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoeker om handhavend op te treden tegen het gebruik van het strandpaviljoen Beachclub Degreez door de exploitant Emterra B.V., verder Emterra, afgewezen.

Bij besluit van 24 oktober 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft op 8 oktober 2018 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij besluit van 22 oktober 2018 (het bestreden besluit 2) aan Emterra een last onder dwangsom opgelegd. Met een begeleidende brief van 22 oktober 2018 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat zijn bezwaar tegen het primaire besluit alsnog gegrond wordt verklaard.

Van de kant van de rechtbank is aan partijen meegedeeld dat het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker van rechtswege ook gericht zijn tegen het bestreden besluit 2.

Emterra heeft tegen het bestreden besluit 2 eveneens gronden ingediend en een standpunt ingenomen over het verzoek om voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smeets-Sanders.

Emterra is verschenen bij [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Emterra exploiteert een gebouw aan de recreatieplas Leerke Ven in Heel, genoemd strandpaviljoen Beachclub Degreez, waarvoor verweerder met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omgevingsvergunning heeft verleend. Het bezwaar van verzoeker tegen die vergunning is ongegrond verklaard en het beroep van verzoeker tegen de beslissing op zijn bezwaar is eveneens ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3129) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) het hoger beroep van eiser tegen de uitspraak van de rechtbank gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van eiser tegen de beslissing op zijn bezwaar alsnog gegrond verklaard. Het door verweerder genomen besluit op het bezwaar van verzoeker tegen de verleende omgevingsvergunning is door de Afdeling vernietigd op de grond dat het strandpaviljoen met name is opgericht met het oog op horeca-activiteiten die niet kunnen worden gerelateerd aan de bestemming dagrecreatie, zodat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gebruik grotendeels zal zien op andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Verweerder heeft dan ook niet kunnen volstaan met het enkel verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, maar had tevens moeten beoordelen of verlening van een omgevingsvergunning voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan wenselijk is.

2. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling heeft verweerder zich in het bestreden besluit 2 alsnog op het standpunt gesteld dat het gebruik van het strandpaviljoen voor horeca-activiteiten, categorie 4, in strijd is met het bestemmingsplan en dat er daarom reden is om handhavend op te treden. Verweerder heeft aan Emterra de last opgelegd het strijdige gebruik van strandpaviljoen Beachclub Degreez te beëindigen en beëindigd te houden, hetgeen betekent dat de accommodatie niet meer mag worden gebruikt voor het houden van (thema)events, -feesten, -bijeenkomsten die niet volledig zijn gerelateerd aan ‘dagrecreatie’, zoals bedoeld in het geldende bestemmingsplan. Indien niet of niet volledig wordt voldaan aan de last verbeurt Emterra na het verstrijken van de begunstigingstermijn van vier maanden na de verzenddatum van het betreffende besluit een dwangsom van

€ 2.500,= per constatering dat het strandpaviljoen in strijd met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan wordt gebruikt, met een maximum van € 15.000,=.

3. In het kader van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft verzoeker bij brief van 31 oktober 2018, aangevuld met een brief van 15 november 2018, aangevoerd dat hij het niet eens is met de lengte van de begunstigingstermijn en met de hoogte van de dwangsom.

Emterra heeft in een reactie hierop aangevoerd dat de begunstigingstermijn van vier maanden te kort is en dat de te verbeuren dwangsom bij overtreding van de last te hoog is. Tevens heeft zij beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2. Emterra heeft verder aangevoerd er bezwaar tegen te hebben dat de voorzieningenrechter ook uitspraak doet in de bodemzaak.

4. Reeds omdat Emterra de gelegenheid dient te worden geboden om zijn beroepsgronden volledig uit te werken en omdat daarom nader onderzoek nog kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, maakt de voorzieningenrechter geen gebruik van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de bodemzaak. Nu het oordeel van de voorzieningenrechter zich beperkt tot het verzoek om voorlopige voorziening, betekent dit tevens dat dit oordeel niet bindend is voor de bodemzaak.

5. Het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat niet binnen de begunstigingstermijn van vier maanden is te verwachten dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op de beroepen van verzoeker en van Emterra, zodat, gelet op de gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening, het niet aannemen van spoedeisend belang zou betekenen dat verzoeker geen adequate rechtsbescherming tegen de (on)rechtmatigheid van de begunstigingstermijn toekomt.

Voor zover verzoeker gronden heeft aangevoerd tegen de hoogte van de dwangsom ziet de voorzieningenrechter hierin voorshands geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het is niet op voorhand duidelijk dat de hoogte van die dwangsom in de weg staat aan de effectiviteit van dit middel.

6. Ingevolge artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb, is verweerder verplicht om de overtreder een termijn te gunnen gedurende welke hij de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 16 december 2015; ECLI:NL:RVS:2015:3891), komt aan het bestuursorgaan bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige beslissingsruimte toe. Echter, als uitgangspunt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan noodzakelijk om de overtreding te kunnen opheffen. Daarbij dienen voorts alle betrokken belangen in aanmerking te worden genomen en mag het resultaat daarvan niet onevenredig zijn.

7. Verweerder heeft zich bij de bepaling van de lengte van de begunstigingstermijn laten leiden door de boekingen in de agenda van Emterra en heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat Emterra de tijd moet krijgen om haar bedrijfsvoering aan te passen en gemaakte afspraken gedurende die vier maanden na te komen. Nu Emterra juist in de winter is aangewezen op die activiteiten die sinds de uitspraak van de Afdeling, en de daarop volgende last onder dwangsom, niet meer zijn toegestaan, is volgens verweerder de gegeven aanpassingstermijn van vier maanden niet onevenredig lang.

8. Voorlopig oordelend over het geschil tussen partijen stelt de voorzieningenrechter allereerst vast dat er voor het staken van het strijdige gebruik op zichzelf niet veel tijd nodig is, nu het niet noodzakelijk is om omvangrijke handelingen of werkzaamheden te verrichten om het gebruik van het paviljoen in overeenstemming te brengen met hetgeen is toegestaan, te weten gebruik gerelateerd aan dagrecreatie. Voor het afzeggen van gemaakte afspraken voor strijdige activiteiten volstaat in principe een termijn van enkele dagen. Bij de vaststelling van een begunstigingstermijn heeft verweerder echter, zoals onder 6 aangegeven, enige ruimte voor een belangenafweging, waarbij echter het belang van de beëindiging wel voorop dient te blijven staan. Daar komt bij dat omwonende derden, zoals verzoeker, er belang bij hebben gevrijwaard te blijven van overlast door geluid en voertuigbewegingen tot laat in de nacht die zich kan voordoen bij feesten en partijen. Daar staat tegenover dat verweerder op goede gronden aan de belangen van derden die boekingen hebben verricht voor gebruik van het paviljoen voor een evenement, een beduidend gewicht heeft gehecht. Verweerder heeft voorts het belang van de bedrijfsvoering van Emterra zwaar laten wegen. Verweerder heeft daarbij echter onvoldoende onderkend dat dit een ondernemersrisico betreft en dat de aan Emterra verleende omgevingsvergunning niet onherroepelijk is geworden, zodat Emterra dus steeds rekening heeft moeten houden met een rechtsoordeel als door de Afdeling is gegeven in de uitspraak van 26 september 2018. Daaraan doet niet af dat Emterra blijkens het verhandelde ter zitting al veel maatregelen heeft getroffen en nog wil treffen om geluidsoverlast voor omwonenden te voorkomen. De voorzieningenrechter neemt voorts in aanmerking dat het handhavingsbesluit er niet aan in de weg staat dat Emterra de exploitatie van het paviljoen kan voortzetten met activiteiten die wel met het bestemmingsplan in overeenstemming zijn. Bovendien is de door Emterra beschreven financiële en imagoschade die zij mogelijk loopt, en waarvoor de voorzieningenrechter ook begrip kan opbrengen, onvoldoende geconcretiseerd in die zin dat niet aannemelijk is geworden dat het voortbestaan van het bedrijf van Emterra door het staken van de strijdige activiteiten op het spel komt te staan.

9. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn een onevenredig zwaar belang toegekend aan de bedrijfsvoering van Emterra en heeft hij niet deugdelijk gemotiveerd waarom voor een begunstigingstermijn van vier maanden is gekozen. Gelet met name op de belangen van derden die boekingen bij Enterra hebben gedaan, is de voorzieningenrechter niettemin van oordeel dat Emterra nog enige tijd dient te worden gegund om degenen die een niet aan dagrecreatie gerelateerd evenement hebben geboekt, de kans te geven om daarvoor, al dan niet met hulp van Emterra, een oplossing te vinden. Daartoe acht de voorzieningenrechter een termijn van acht weken na de datum van deze uitspraak toereikend en redelijk.

10. De voorzieningenrechter treft dan ook een voorlopige voorziening in de vorm van een gedeeltelijke schorsing van het bestreden besluit die erop neerkomt dat Emterra tot acht weken na de datum van deze uitspraak de gelegenheid krijgt om de overtredingen te beëindigen.

11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het besluit van verweerder van 22 oktober 2018 voor zover de daarin gestelde begunstigingstermijn langer is dan acht weken na de datum van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 26 november 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.