Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10960

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
03.024299.18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft als bestuurder van een vrachtwagen geen voorrang verleend aan een fietser, waardoor deze fietser om het leven is gekomen. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03.024299.18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. T.W. Gijsberts, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 november 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 6 oktober 2017 in Sittard als bestuurder van een trekker met oplegger door geen voorrang te verlenen (primair) een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij mevrouw [slachtoffer] om het leven is gekomen, dan wel (subsidiair) gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft geen voorrang verleend. De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer niet heeft gezien, maar er zijn, zoals blijkt uit de uitgevoerde VerkeersOngevalAnalyse (VOA), geen omstandigheden die rechtvaardigen dat hij haar niet heeft gezien. Uit de VOA en de daarin beschreven camerabeelden blijkt dat de verdachte zijn vrachtwagen niet tot stilstand heeft gebracht voor het fietspad. De verdachte had echter in deze omstandigheden wel moeten stoppen. Deze verkeersfout is te wijten aan aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid van de verdachte en dat levert schuld op in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Daarbij neemt de officier van justitie in aanmerking dat sprake is van een beroepschauffeur voor wie een zogenoemde Garantenstellung geldt: van de verdachte mag meer worden verwacht dan van een gewone verkeersdeelnemer. Hij moet zich bewust zijn van de gevaren en gebreken van een vrachtwagen in het verkeer, waaronder de zogeheten dode hoek, zeker ten opzichte van zwakke verkeersdeelnemers zoals fietsers.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor vrijspraak van het primair tenlastegelegde. Er is geen sprake van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. De verdachte heeft het slachtoffer niet goed kunnen zien door de bomen tussen de rijbaan en het fietspad, die het zicht vanuit de cabine van de vrachtwagen op het fietspad belemmerden. Er is hooguit sprake van een moment van onoplettendheid en dat leidt ingevolge vaste jurisprudentie niet tot het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

Het bewijs

Op 6 oktober 2017 reed de verdachte als bestuurder van een trekker met oplegger over de Dr. Nolenslaan in Sittard. Ter hoogte van de Gasthuisgraaf sloeg hij rechtsaf. Daarbij liet hij [slachtoffer] , die op dat moment op het vrijliggende fietspad aan de rechterzijde van de Dr. Nolenslaan fietste in dezelfde richting als de verdachte, niet voorgaan. Hierdoor ontstond tussen beiden een aanrijding waarbij [slachtoffer] om het leven kwam.2

Uit de uitgevoerde VOA blijkt dat de verdachte vanuit de richting van de Nusterweg kwam en reed op de Dr. Nolenslaan in de richting van de Sportcentrumlaan. De toegestane maximumsnelheid ter plaatse voor motorvoertuigen bedraagt 50 km per uur. Aan weerszijden liggen naast de rijbaan van de Dr. Nolenslaan een berm en een fietspad aangeduid middels borden volgens model G11. Verkeer dat vanaf de Dr. Nolenslaan de Gasthuisgraaf op wil rijden, moet bestuurders die gebruik maken van het fietspad voor laten gaan. Om deze verplichting extra te benadrukken heeft de wegbeheerder haaientanden op het wegdek aangebracht.

Uit de VOA blijkt niet van omstandigheden die van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval, zoals technische gebreken aan de betrokken voertuigen, onjuiste afstelling van spiegels of weersomstandigheden. Het uitzicht door de voorruit en zijruiten van de trekker werd op geen enkele wijze belemmerd. De afstand tussen de bomen onderling en het ertussen geplaatst wegmeubilair in de berm tussen rijbaan en fietspad is zodanig groot dat slechts gesproken kan worden van zeer beperkte zichtbelemmering.

De trekker was voorzien van een tachograafinstallatie. Uit de gegevens van de tachograaf blijkt dat de trekker met oplegger tussen ongeveer 15:39 uur en 15:40 uur met een wisselende snelheid reed tot ten hoogste 48 km per uur op de Dr. Nolenslaan. Daarna werd vanaf een snelheid van ongeveer 38 km per uur in ongeveer 13 seconden de snelheid langzaam afgebouwd tot ongeveer 9 km per uur bij het naderen van de kruising met de Gasthuisgraaf. Vervolgens werd in ongeveer 2 seconden de snelheid door stevige remming afgebouwd tot stilstand.

In de VOA wordt, mede aan de hand van de beelden van een beveiligingscamera, geconcludeerd dat de bestuurder van de trekker met oplegger, de in dezelfde richting fietsende bestuurster van de fiets, van achteren is genaderd. Daarbij had hij haar over een afstand van ongeveer 313 meter en gedurende ongeveer 29 seconden kunnen en moeten waarnemen. Vervolgens is hij haar, op ongeveer 47 meter voor de kruising met de Gasthuisgraaf, voorbij gereden. Hij had zich dus van haar aanwezigheid bewust kunnen en moeten zijn. Vrijwel direct nadat de bestuurder van de trekker met oplegger de fiets voorbij was gereden, minderde hij snelheid, kennelijk om rechtsaf de Gasthuisgraaf in te rijden. Nadat hij haar voorbij was gereden had hij haar in de rechter spiegels van de trekker kunnen blijven waarnemen.

Ongeveer 9,2 meter (minder dan 2 seconden) voordat de bestuurster van de fiets het kruisingsvlak bereikte, reed de trekker met oplegger nog geheel op de Dr. Nolenslaan en waren er voor de bestuurster van de fiets, buiten eventueel ontstoken richtingaanwijzers naar rechts, geen redenen om aan te nemen dat aan haar geen vrije doorgang zou worden verleend. Ongeveer 3,6 meter (minder dan 1 seconde) voordat de bestuurster van de fiets het kruisingsvlak bereikte, reed de trekker met oplegger in de uitmonding van de Gasthuisgraaf, vóór de op het wegdek aangebrachte haaientanden en kon de bestuurder vrije doorgang verlenen aan de bestuurster van de fiets. Het minderen van snelheid door de bestuurder van de trekker met oplegger kan bij de bestuurster van de fiets de indruk hebben gewekt dat aan haar vrije doorgang zou worden verleend. In alle redelijkheid had de bestuurster van de fiets tijd en afstand te kort om afdoende te kunnen anticiperen op de voor haar langs kruisende trekker met oplegger.3

De trekker reed met het rechter voorwiel over de fiets en het slachtoffer.4

De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij zijn navigatiesysteem had ingesteld op het adres van zijn bestemming. Dit navigatiesysteem gaf, toen de verdachte op de Dr. Nolenslaan reed, op enig moment voordat hij bij zijn bestemming aankwam, aan dat hij zijn bestemming had bereikt. Vlak voor de kruising zag de verdachte het bedrijf waar hij moest zijn en toen besloot hij rechtsaf te slaan.5

3.3.2

Overwegingen over het bewijs.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het rijgedrag van de verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Hiervoor is vereist dat de verdachte zich ten minste in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Er moet met andere woorden sprake zijn van een grove of aanmerkelijke schuld. Daarvoor moet gekeken worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en naar de overige omstandigheden van het geval. Niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder deze is begaan (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822). Ook geldt dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen, niet heeft gezien, hoewel deze voor de verdachte wel waarneembaar moet zijn geweest en hij zijn rijgedrag daarop moet hebben kunnen afstemmen, niet kan volgen dat sprake is van aanmerkelijke schuld (HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544 en HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9800). Een enkel moment van onoplettendheid is in het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld. Gelet hierop kan het niet verlenen van voorrang pas als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend worden aangemerkt wanneer daaraan gedrag ten grondslag ligt dat gegeven de omstandigheden van het geval niet voldoet aan de eisen die aan verkeersdeelnemers in het algemeen mogen worden gesteld. Dit gedrag bestaat dan niet alleen uit de verkeersovertreding van het niet verlenen van voorrang zelf, maar ook uit gedrag dat aan die verkeersovertreding vooraf gaat of daarmee samenvalt, bijvoorbeeld het er niet alles aan doen om de voorrangsgerechtigde waar te nemen, niet kijken dus.

Tot slot is van belang dat niet al uit de ernst van de gevolgen, in dit geval een dodelijk slachtoffer, kan worden afgeleid dat sprake is van aanmerkelijke schuld (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

De rechtbank stelt in dit verband vast dat verdachte bij het rechts afslaan op de kruising van de Dr. Nolenslaan met de Gasthuisgraaf in Sittard, geen voorrang heeft verleend aan het slachtoffer, terwijl die verplichting daar wel gold - en bovendien benadrukt was door middel van haaientanden. Desondanks heeft hij zijn vrachtwagencombinatie niet tot stilstand gebracht voor dit fietspad. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij wist dat hij hier voorrang moest verlenen en dat hij wel is gestopt voor de haaientanden om een fietser voor te laten gaan, die in tegengestelde richting van het slachtoffer fietste op dat fietspad. Daarna is hij weer opgetrokken zonder het slachtoffer enig moment gezien te hebben, waarna het ongeval is gebeurd. De verklaring dat de verdachte wel gestopt is voor de haaientanden acht de rechtbank echter onaannemelijk nu uit de VOA, en de daarin weergegeven tachograafgegevens, niet blijkt dat de verdachte gestopt is direct voorafgaand aan het ongeval. Deze verklaring vindt bovendien geen steun in de verklaringen van de diverse getuigen, die niets verklaren over deze fietser waarvoor de verdachte zou zijn gestopt of over het stoppen van de vrachtwagen voorafgaand aan het indraaien.

Het voorgaande betekent dat de verdachte bij het rechts afslaan onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om een ongeval te voorkomen. Hij heeft immers niet stilgestaan om zich ervan te verzekeren dat er geen sprake was van kruisend verkeer.

De verdachte heeft bovendien, ook voorafgaand aan het rechts afslaan, er niet alles aan gedaan om fietsers of andere verkeersdeelnemers op het fietspad te zien. Zijn navigatiesysteem heeft tijdig aangegeven dat hij zijn bestemming bijna had bereikt en hij wist dan ook dat hij de rijbaan van de Dr. Nolenslaan zou moeten verlaten om bij de plaats van zijn bestemming te komen. Hij heeft niet, voorafgaand aan het rechts afslaan, daarop geanticipeerd door zich te vergewissen van de mogelijke aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moest verlenen. Daarvoor had hij wel ruimschoots de tijd en hij had goed zicht, zo blijkt uit de VOA. Hij had de fietser gedurende ongeveer een halve minuut en over een afstand van ruim 300 meter kunnen en moeten zien.

Juist van de verdachte, een beroepsvrachtwagenchauffeur met ruime ervaring, mag verwacht worden dat hij extra voorzichtigheid betracht en zich bewust is van de gevaren die het rijden met een trekker met oplegger met zich meebrengt. Dit is van des te groter belang wanneer een fietspad wordt gekruist, waar zich per definitie kwetsbare verkeersdeelnemers kunnen bevinden. Door het zonder te stoppen, willen oversteken van dit fietspad heeft de verdachte een te groot risico genomen op een ongeval.

Er is niet gebleken van omstandigheden die de verdachte, zonder dat dat aan hem te verwijten valt, verhinderden de fietser waar te nemen voorafgaand aan en tijdens het rechts afslaan. De verdediging heeft aangevoerd dat het zicht op het fietspad beperkt was door de aanwezigheid van bomen tussen de rijbaan en het fietspad. Deze vormden echter, zo blijkt uit de VOA en de foto’s in het dossier, slechts een zeer beperkte belemmering van het zicht op het fietspad. De rechtbank ziet hierin dat ook geen omstandigheid die afdoet aan de aanmerkelijke schuld die de verdachte heeft aan het ongeval.

Concluderend stelt de rechtbank vast dat de verdachte niet alleen geen voorrang heeft verleend maar dat aan die verkeersovertreding tevens gedrag ten grondslag heeft gelegen dat gegeven de omstandigheden van het geval niet voldoet aan de eisen die aan verkeersdeelnemers in het algemeen mogen worden gesteld. De rechtbank is op basis van het geheel van de gedragingen van de verdachte van oordeel dat zijn gedrag moet worden aangemerkt als aanmerkelijk en verwijtbaar onvoorzichtig en onoplettend. Dat betekent dat sprake is van schuld als bedoeld in van artikel 6 WVW.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 6 oktober 2017 te Sittard als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg, Dr. Nolenslaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, welke gedragingen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, -terwijl het uitzicht van hem, verdachte, niet, dan wel zeer beperkt werd belemmerd-, met genoemd motorrijtuig, komend uit de richting van de Nusterweg en rijdende in de richting van de kruising met de Gasthuisgraaf, ter plaatse waar, gezien verdachtes rijrichting, rechts naast de rijbaan een fietspad aangeduid middels borden model G11 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was gelegen en op het wegdek voor genoemd fietspad haaientanden als bedoeld in artikel 80 van voornoemd reglement waren aangebracht, naar rechts is afgeslagen teneinde de Gasthuisgraaf in te rijden en daarbij niet, althans in onvoldoende mate op het rechts naast en rechts achter hem gelegen fietspad heeft gelet en is blijven letten, zulks op het moment dat een over dat fietspad rijdende bestuurster van een fiets voornoemde kruising opreed, en vervolgens geen voorrang heeft verleend aan de bestuurster van die fiets, zijnde [slachtoffer] , waardoor een botsing en overrijding is ontstaan met/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde [slachtoffer] , althans de door haar bestuurde fiets;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het/de volgende strafbare feit/en op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur, en bij niet naar behoren voldoen een vervangende hechtenis van 120 dagen, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van een jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

In de kern is sprake van een verkeersfout, door geen voorrang te verlenen, maar die fout heeft wel verschrikkelijke gevolgen, namelijk het overlijden van het slachtoffer. De fout van de verdachte valt, nu er naast het niet verlenen van voorrang geen andere verkeersovertredingen zijn gemaakt zoals door rood licht rijden of te hard rijden, onder de lichtste categorie van artikel 6 WVW, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft aangegeven dat er geen beletselen zijn voor het uitvoeren van de taakstraf in Polen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij het opleggen van de straf rekening te houden met het feit dat zijn rijbewijs voor de verdachte noodzakelijk is voor zijn broodwinning en dat hij zonder rijbewijs alles kwijtraakt. De raadsman pleit, uitgaande van het subsidiair tenlastegelegde, voor een geldboete, in termijnen te betalen, en hooguit een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van bijvoorbeeld drie maanden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt, door met een trekker met oplegger rechts af te slaan en daarbij aan [slachtoffer] geen voorrang te verlenen. [slachtoffer] is vervolgens in aanrijding gekomen met het door verdachte bestuurde voertuig, waarna zij werd overreden.

Als gevolg van dit ongeval is het slachtoffer overleden. Dit heeft onbeschrijflijk leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer. De dochter van [slachtoffer] heeft op de terechtzitting aangegeven welke impact het ongeval heeft gehad. In het bijzonder heeft zij benoemd dat zij van de verdachte of diens werkgever geen enkel bericht of blijk van medeleven heeft mogen ontvangen. Weliswaar heeft de rechtbank gezien dat de verdachte ter terechtzitting oprecht en geëmotioneerd spijt heeft betuigd en voor alle betrokkenen zou willen dat de tijd teruggedraaid kon worden, maar de rechtbank rekent het de verdachte wel aan dat hij kennelijk onvoldoende moeite heeft gedaan om de nabestaanden eerder een blijk van medeleven te geven.

Verder merkt de rechtbank op dat juist van een beroepsvrachtwagenchauffeur verwacht mag worden dat hij extra alert is op kwetsbare verkeersdeelnemers, mede vanwege de aanzienlijke kans op zwaar of dodelijk letsel bij een aanrijding met dergelijke verkeersdeelnemers. De verdachte heeft echter zijn aandacht onvoldoende op het verkeer om hem heen gevestigd. Daardoor heeft hij [slachtoffer] , die hij van achteren is genaderd en vervolgens is gepasseerd, niet gezien. Hij is niet gestopt om zich ervan te verzekeren dat er geen (kwetsbare) verkeersdeelnemers aanwezig waren op het fietspad dat hij ging oversteken, terwijl hij aan die verkeersdeelnemers voorrang moest verlenen.

Bij het bepalen van de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor bestraffing van het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke gevolgen, zonder dat er sprake is van alcoholgebruik, geldt voor de categorie ‘aanmerkelijke schuld’ als oriëntatiepunt een taakstraf van 240 uren en ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig voor de duur van een jaar. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze lichtste categorie van schuld in de zin van artikel 6 WVW hier van toepassing is.

De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van dit oriëntatiepunt.

Uit de inhoud van zijn strafblad blijkt dat de verdachte nooit eerder door de strafrechter werd veroordeeld, zodat er geen aanleiding bestaat om de verdachte wegens recidive te veroordelen tot een hogere straf.

De door de verdediging aangevoerde persoonlijke omstandigheden dat de verdachte en zijn gezin afhankelijk zijn van zijn inkomen als vrachtwagenchauffeur, acht de rechtbank niet zodanig zwaarwegend dat de verdachte in Nederland zijn werk als vrachtwagenchauffeur onbeperkt moet kunnen blijven uitoefenen. Immers, een ontzegging van de rijbevoegdheid heeft voor de verdachte enkel in Nederland consequenties.

De rechtbank zal aan de verdachte dan ook een taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen, en bij niet naar behoren verrichten een vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen, en als bijkomende straf een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel

6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

- ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van een jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Snijders, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. R. Verkijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A.J. Wenders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 november 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 6 oktober 2017 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg, Dr. Nolenslaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, welke gedragingen zeer althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, -terwijl het uitzicht van hem, verdachte, niet, dan wel zeer beperkt werd belemmerd-, met genoemd motorrijtuig, komend uit de richting van de Nusterweg en rijdende in de richting van de kruising met de Gasthuisgraaf, ter plaatse waar, gezien verdachtes rijrichting, rechts naast de rijbaan een fietspad aangeduid middels borden model G11 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was gelegen en op het wegdek voor genoemd fietspad haaientanden als bedoeld in artikel 80 van voornoemd reglement waren aangebracht, naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is afgeslagen teneinde de Gasthuisgraaf in te rijden en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het (rechts) naast en/of (rechts) achter hem gelegen fietspad heeft gelet en/of is blijven letten en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate in de rechter spiegel(s) van dat door hem bestuurde motorrijtuig heeft gekeken en/of is blijven kijken, zulks op het moment dat een over dat fietspad rijdende bestuurster van een fiets voornoemde kruising tot op korte afstand was genaderd, althans die kruising opreed, althans zich op die kruising bevond, en/of (vervolgens ) geen voorrang heeft verleend aan de bestuurster van die fiets, zijnde [slachtoffer] , waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/ door zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde [slachtoffer] , althans de door haar bestuurde fiets;

(Artikel art 6 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden, dat:

hij op of omstreeks 6 oktober 2017 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen als bestuurder van een voertuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg, Dr. Nolenslaan, -terwijl het uitzicht van hem, verdachte, niet, dan wel zeer beperkt werd belemmerd-, met genoemd motorrijtuig, komend uit de richting van de Nusterweg en rijdende in de richting van de kruising met de Gasthuisgraaf, ter plaatse waar, gezien verdachtes rijrichting, rechts naast de rijbaan een fietspad aangeduid middels borden model G11 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was gelegen en op het wegdek voor genoemd fietspad haaientanden als bedoeld in artikel 80 van voornoemd reglement waren aangebracht, naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is afgeslagen teneinde de Gasthuisgraaf in te rijden en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het (rechts) naast en/of (rechts) achter hem gelegen fietspad heeft gelet en/of is blijven letten en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate in de rechter spiegel(s) van dat door hem bestuurde motorrijtuig heeft gekeken en/of is blijven kijken, zulks op het moment dat een over dat fietspad rijdende bestuurster van een fiets voornoemde kruising tot op korte afstand was genaderd, althans die kruising opreed, althans zich op die kruising bevond, en/of (vervolgens ) geen voorrang heeft verleend aan de bestuurster van die fiets, waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/ door zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde fietster, althans de door haar bestuurde fiets; door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(Artikel art 5 Wegenverkeerswet 1994)

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2017161076, gesloten d.d. 17 oktober 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 46.

2 Proces-verbaal ‘Aanrijding overtreding’ d.d. 17 oktober 2017, pagina 1 tot en met 5, en Verslag betreffende niet-natuurlijke dood d.d. 6 oktober 2017.

3 Proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse (VOA), nummer 2017161076-13, van de afdeling Forensische Opsporing, VerkeersOngevallenAnalyse (VOA) van de Divisie Regionale Recherche van de politie eenheid Limburg, d.d. 14 december 2017, pagina 4 tot en met 16 van dat proces-verbaal.

4 Proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse (VOA), nummer 2017161076-13, van de afdeling Forensische Opsporing, VerkeersOngevallenAnalyse (VOA) van de Divisie Regionale Recherche van de politie eenheid Limburg, d.d. 14 december 2017, pagina 11 van dat proces-verbaal.

5 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 7 november 2018.