Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10876

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 179
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:281, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen een tegemoetkoming in planschade in de vorm van waardevermindering van eisers woning in verband met het provinciaal inpassingsplan ‘Buitenring Parkstad Limburg 2012’ongegrond verklaard.

De beroepsgrond van eiser over de taxatie van de waarde van eisers woning slaagt niet. De beroepsgrond van eiser over de hoogte van de planschade in verband met lichthinder (van koplampen van auto’s) en de situering van de woning (anders dan geluid) slaagt, nu niet zonder nadere motivering van verweerder gesteld kan worden dat aanleg van de buitenring geen invloed hierop heeft.

De rechtbank is (met de schadecommissie) anders dan verweerder van oordeel dat de door eiser geleden planschade niet onder het normaal maatschappelijk risico valt. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat van de door eiser geleden planschade een hoger bedrag dan 2% (namelijk 3%) van de woningwaarde voor zijn rekening zou moeten blijven. Deze beroepsgrond slaagt eveneens.

Nu het bestreden besluit wat betreft de motivering van het planschadebedrag niet in stand kan blijven verwijst de rechtbank, zoals ter zitting besproken, de zaak terug naar verweerder en draagt de rechtbank verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank acht het in deze zaak niet aangewezen verweerder met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (bestuurlijke lus) nog in de gelegenheid te stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen nu partijen, en met name verweerder vanwege een groot aantal andere naar aanleiding van het inpassingsplan ‘Buitenring Parkstad Limburg 2012’ ingediende verzoeken om tegemoetkoming in planschade, belang hebben bij een spoedige onherroepelijke rechterlijke beslissing op het punt van het normaal maatschappelijk risico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/179

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C. Lubben),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder

(gemachtigden: mr. T.E.F. Reijnders en mr. K. Kloth).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een tegemoetkoming in de schade toegekend als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in verband met het provinciaal inpassingsplan “Buitenring Parkstad Limburg 2012” (BPL 2012).

Bij besluit van 12 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 juli 2018 heeft eiser nog een tweetal foto’s ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser woont aan [adres] . Hij heeft verweerder bij brief van 23 april 2015 (binnengekomen bij verweerders provincie op 28 april 2015) verzocht om een tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro in verband met het BPL 2012, dat op 11 maart 2015 (vastgesteld door Provinciale Staten op 29 juni 2012) in werking is getreden. De schade waarvoor de tegemoetkoming wordt gevraagd bestaat uit waardevermindering van de woning en het perceel. De woning/het perceel ligt op een afstand van ongeveer 50 meter van de inmiddels gerealiseerde Buitenring Parkstad Limburg (BPL). Verweerder heeft dit verzoek op 13 november 2015 ter advisering voorgelegd aan de Schadecommissie Buitenring Parkstad Limburg (schadecommissie). De schadecommissie heeft verweerder geadviseerd een tegemoetkoming van € 2.400,- toe te kennen. Aan dit advies heeft de schadecommissie ten grondslag gelegd een waarde van eisers pand ten tijde van de oude planologische situatie (diverse bestemmingsplannen) van € 130.000,- en als gevolg van de nieuwe planologische situatie (BPL 2012) van € 125.000,-. Daarbij is de schadecommissie ten aanzien van het maatschappelijk risico uitgegaan van een korting ter hoogte van het minimumforfait van 2% (van € 130.000,-) waardoor de schade bedraagt: € 5.000,- minus € 2.600,- = € 2.400,-.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser een tegemoetkoming in de schade toegekend van € 1.100,- Verweerder heeft in het primaire besluit het advies van de schadecommissie niet geheel gevolgd. Verweerder is in het primaire besluit - kort gezegd - uitgegaan van een korting vanwege het maatschappelijk risico van 3%. Hierdoor is door verweerder de schade vastgesteld op: € 5.000,- minus € 3.900,- = € 1.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 28 april 2015.

3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Eiser is het niet eens met de door verweerder gehanteerde korting (het normaal maatschappelijk risico) van 3% van de waarde van de onroerende zaak en vindt dat verweerder had moeten uitgaan van het minimumforfait van 2%. Voorts is volgens eiser het door verweerder gehanteerde schadebedrag te laag. In dat verband verwijst eiser naar een reactie op het primaire besluit van Kraan & De Jong (van 4 juli 2017). Het bezwaar van eiser is behandeld door de Adviescommissie bezwaarschriften (bezwaarcommissie). In haar advies van 23 oktober 2017 adviseert de bezwaarcommissie verweerder het bezwaar van eiser wegens een motiveringsgebrek gegrond te verklaren ten aanzien van de gehanteerde korting van het normaal maatschappelijk risico en ongegrond voor het overige.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser, met een nadere motivering naar aanleiding van het advies van de bezwaarcommissie, ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert in beroep het volgende aan.

Ten aanzien van het gehanteerde kortingspercentage in verband met het normaal maatschappelijk risico is eiser van mening dat er onvoldoende rekening is gehouden met alle van belang zijnde omstandigheden van het geval en met name of de BPL (bestaande uit 2 rijbanen met ieder twee rijstroken) wel passend is binnen de bestaande ruimtelijke structuur. Hij verwijst daartoe naar het advies van de schadecommissie die de BPL niet passend acht en uitgaat van 2%. Ook wordt verwezen naar de reactie van Kraan & De Jong en gewezen op de hoge verkeersintensiteit van de BPL en dat de aanleg van een dergelijke weg en verkeersbestemming niet in de lijn van de verwachtingen lag (voormalige woon- en agrarische bestemming).

Ten aanzien van de situeringswaarde stelt eiser dat de ringweg zowel aan de voorzijde als achterzijde van de woning/het perceel van eiser zichtbaar is en het agrarisch uitzicht is verdwenen. Ook zijn woningen gesloopt waardoor de woon- en leefomgeving veranderd is.

Eiser vindt het advies van de schadecommissie niet volledig omdat er maar zeer summier op de BPL wordt ingegaan. Zo wordt er slechts in algemene zin ingegaan op akoestisch en luchtkwaliteitsonderzoek en is er geen nuancering voor het perceel van eiser. Al is het zo dat wordt voldaan aan relevante milieuwetgeving, dan houdt dat niet in dat van verslechtering in planologische zin geen sprake is. Er is sprake van een forse toename van geluid in de woning en tuin van eiser waarbij de aanwezigheid van de BPL duidelijk valt waar te nemen. Ook is er sprake van lichtinval gedurende de avonduren wanneer auto’s met ongedimd groot licht over de BPL rijden.

Voorts wordt aangegeven dat de taxatie niet inzichtelijk maakt op welke wijze de referentiewaarden tot stand zijn gekomen. Het waardeverschil is te klein om de nadelen (in de aankoopbeslissing van een aspirant koper) te compenseren. De waardedaling is een stuk groter dan is bepaald in de besluitvorming. In de reactie van Kraan & De Jong wordt de waardedaling op 6% gesteld, waardoor de schade gerelateerd aan de taxatiewaarde van eisers woning van € 130.000,- derhalve € 7.800,- bedraagt en minus het 2% forfait van € 2.600,- resulteert in te vergoeden planschade van € 5.200,- Het bestreden besluit komt volgens eiser derhalve voor vernietiging in aanmerking.

6. Verweerder heeft in het verweerschrift gereageerd op de gronden van beroep.

6.1

Verweerder geeft in navolging van het primaire en bestreden besluit in het verweerschrift aan dat de aanleg van nieuwe en uitbreiding van bestaande infrastructuur een normale maatschappelijke ontwikkeling is en de onderhavige ringweg wel in de lijn der verwachtingen lag in het licht van diverse openbare beleidsplannen sinds de jaren zestig tot de datum van inwerkingtreding van het BPL 2012. Ook moet dit niet alleen worden gerelateerd aan het voorgaande planologische regime. Verweerder geeft in dit verband aan dat in het licht van recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een maatschappelijk risico van 5% van de waarde van de onroerende zaak in de rede ligt (uitspraak van 28 september 2016: ECLI:NL:RVS:2016:2582, r.o. 5.14). Dat heeft verweerder naar beneden bijgesteld naar 3% met name gezien de afstand van de woning/het perceel van eiser tot de BPL als ook de aard en omvang van een ontwikkeling als de BPL. Volgens verweerder heeft eiser geen specifieke omstandigheden gesteld om tot een ander oordeel te komen. De beperkte planschade van 3,8% (€ 5.000,- op een waarde van € 130.000,-) illustreert volgens verweerder een en ander.

6.2

Ten aanzien van de planologische vergelijking geeft verweerder aan dat de desbetreffende beroepsgronden nagenoeg identiek zijn aan de gronden die in bezwaar zijn aangevoerd en dat in het bestreden besluit is aangegeven waarom verweerder uit mocht gaan van het advies van de schadecommissie. Verweerder is van mening dat er van de zijde van eiser en de reactie van Kraan & De Jong onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn aangevoerd waarom aan het advies van de schadecommissie moet worden getwijfeld. Naar aanleiding van het beroep heeft de schadecommissie op verzoek van verweerder nog een nadere reactie gegeven bij schrijven van 12 april 2018 op de punten uitzicht, geluid, luchtkwaliteit, lichthinder en situeringsschade. Dit leidt verweerder niet tot een ander oordeel dan in het bestreden besluit namelijk dat hij wat de omvang van het planologisch nadeel betreft mocht uitgaan van het advies van de schadecommissie.

6.3

Ten aanzien van de taxatie wijst verweerder erop dat eiser geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de taxatie van de schadecommissie naar voren heeft gebracht. Desgevraagd door verweerder heeft de schadecommissie naar aanleiding van het beroep van eiser nogmaals inzichtelijk gemaakt op welke wijze de waarde voor de peildatum tot stand is gekomen. Verweerder verwijst naar het schrijven van de schadecommissie van 12 april 2018.

7. Bij brief van 26 juli 2018 heeft eiser ter verduidelijking een tweetal foto’s aan de rechtbank gezonden inzake de afstand tussen de BPL en de woning van hem en daarbij aangegeven dat de woning van eiser zeker niet ‘ergens in de verte’ ligt zoals destijds werd opgemerkt tijdens een hoorzitting bij de provincie.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef onder a, is een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

10. Niet in geschil is dat eiser als gevolg van de inwerkingtreding van het BPL 2012 planologisch nadeel heeft geleden. In geschil is de onderbouwing van de waarde van de woning van eiser onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het BPL 2012, de omvang van het planologisch nadeel alsmede of en in hoeverre dit nadeel onder het normaal maatschappelijk risico valt en daarom voor rekening van eiser moet blijven.

11. Op grond van vaste jurisprudentie mag een bestuursorgaan een besluit op een verzoek om tegemoetkoming van planschade baseren op een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige, indien uit dat advies blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies van dat advies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht.

Taxatie

12. Verweerder heeft wat betreft de taxatie van de waarde van de woning van eiser het rapport van de schadecommissie gevolgd.

12.1.

De schadecommissie heeft de waarde van de woning onmiddellijk voorafgaand aan de peildatum getaxeerd met behulp van de vergelijkingsmethode, waarbij is gekeken naar verkoopgegevens van min of meer vergelijkbare woonobjecten die buiten de invloedssfeer van het BPL 2012 zijn gelegen, en rekening is gehouden met de verschillen tussen deze objecten en de woning van eiser. In onderdeel 8.1 van het advies van de schadecommissie en het in verweerschrift is dit uitgebreid verwoord. De schadecommissie heeft de woning van eiser ter plaatse bezocht. Verweerder is daarom uitgegaan van een waarde van de woning onmiddellijk voorafgaand aan de peildatum van € 130.000,-. Ook in de reactie van Kraan & De Jong wordt, blijkens het gestelde in de eindconclusie, uitgegaan van een waarde van de woning in de oude planologische situatie van € 130.000,-. In hetgeen eiser heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden om te oordelen dat deze waarde te laag is. Verweerder is daarom terecht afgegaan op het advies van de schadecommissie en terecht uitgegaan van een waarde van € 130.000,-.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Planologisch nadeel

13. Ten aanzien van de omvang van het planologisch nadeel heeft eiser aangevoerd dat zijn woon- en leefomgeving compleet is veranderd. Hij had eerst vrij uitzicht over agrarische gronden en nu rust op deze gronden een verkeersbestemming. Hij acht het advies over voor hem relevante punten in het BPL 2012 niet volledig en het planologisch nadeel te laag ingeschat. De schadecommissie gaat ook niet in op de individuele situatie van eiser.

Als gevolg van de BPL is sprake van een gebruiksintensivering van gronden en verasfaltering van de omgeving van eisers woning. De toevoeging van een nieuwe drukke weg op korte afstand van de woning van eiser marginaliseert het in lintbebouwing gelegen rijtje woningen volledig. Anders dan verweerder stelt betekent dit een aantasting van de situeringswaarde van de woning van eiser.

Eiser had eerst vrij uitzicht over agrarische gronden en kijkt nu uit over gronden met een verkeersbestemming.

Als gevolg van de BPL zal in eisers woning en tuin sprake zijn van geluidhinder. Er zal dag en nacht sprake zijn van geraas van verkeer met een drastische toename van verkeersbewegingen, waar eerst geen weg was toegestaan. De schadecommissie heeft geen cijfermatige onderbouwing gegeven van de conclusie dat de Locht minder gebruikt zal gaan worden. Er wordt in het bestreden besluit wel ingegaan op akoestisch onderzoek maar daarbij wordt geen nuancering voor eisers woning aangebracht. Blijkens het akoestisch onderzoek bij het BPL 2012 zal bij eisers woning de gecumuleerde geluidbelasting toenemen. De geluidhinder in eisers woning en tuin als gevolg van de BPL is onderschat.

De luchtkwaliteit zal volgens eiser, gelet op de afstand van 50 meter tussen zijn woning en de BPL en de verkeersintensiteit op de BPL, zowel wat betreft het aspect fijnstof als het aspect stikstof, verslechteren en dus tot planologisch nadeel leiden. De schadecommissie heeft verwezen naar luchtkwaliteitsonderzoek in algemene zin, maar ook hier ontbreekt een nuancering ten aanzien van eisers woning.

Eiser zal bovendien als gevolg van lichtinval van ongedimd groot licht van auto’s op de BPL forse lichthinder in zijn woning ondervinden. Eiser heeft namelijk vanuit zijn woning, met name vanaf de verdieping, duidelijk zicht op het verkeer op de BPL. De autolampen schijnen in de woning ook al is de BPL verdiept aangelegd. Ook dit planologisch nadeel is ten onrechte niet meegenomen.

13.1.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het oordeel van de schadecommissie over voormelde schadepunten gevolgd. Bij het verweerschrift is nog een nadere reactie van de schadecommissie van 12 april 2018 over voormelde schadepunten overgelegd.

De schadecommissie is van oordeel dat de situering van eisers woning niet is verslechterd omdat de situeringswaarde bepaald wordt door een lint van woningen al of niet in combinatie met een bedrijf en dat het BPL 2012 niet leidt tot een verslechtering van deze situering.

Ook bij het aspect uitzicht speelt volgens de schadecommissie mee dat eerst planologisch reeds woningen en bedrijven konden worden opgericht en het uitzicht dus al belemmerd werd. Door de verdiepte ligging van de BPL is ook in de nieuwe situatie sprake van een vrij uitzicht. Mogelijk zicht op het verkeer op de BPL leidt volgens de schadecommissie niet tot een vermindering van woongenot.

Ten aanzien van het geluid is de schadecommissie uitgegaan van een verslechtering aan de achterzijde van eisers woning. Aan de voorzijde (Locht) treedt volgens de schadecommissie een verbetering op. De schadecommissie heeft dit vastgesteld op grond van een specifiek op de situatie van eiser toegesneden akoestisch onderzoek.

Voorts heeft de schadecommissie ten aanzien van de luchtkwaliteit geoordeeld dat als gevolg van de BPL bij eisers woning een verslechtering van luchtkwaliteit als nieuwe vorm van hinder kan optreden. Zij heeft echter eveneens geoordeeld dat dit gelet op de afstand van de woning tot de BPL niet tot een waardedaling van de woning leidt.

Over de lichthinder als gevolg van autolampen is de schadecommissie van oordeel dat het licht van autolampen niet van invloed is op het woongenot van eiser omdat de BPL verdiept is aangelegd en de achtergevel van de woning zijdelings op de BPL is georiënteerd.

Verweerder heeft zich ook aan dit nadere advies van de schadecommissie geconformeerd en stelt zich op het standpunt dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft het advies van de schadecommissie niet te volgen.

Geluid

13.2.

Volgens de rechtbank volgt uit het advies van de schadecommissie (p. 17) ‘dat een redelijk denkend en handelend koper het geluid van de weg mee zal nemen bij de beoordeling van het woongenot’. Daarnaast heeft de schadecommissie in dit advies overwogen (p. 21) dat de BPL op het punt van het verkeersgeluid ‘een wezenlijke impact heeft op het woongenot, aangezien aanvrager zich gedurende 24 uur geconfronteerd ziet met verkeersgeluid en de Locht qua type weg van een ander kaliber is dan de BPL’. In de door verweerder overgelegde nadere reactie van de schadecommissie (p. 4 ) is aangegeven dat ‘op grond van kennis en ervaring van de schadecommissie is geoordeeld dat een redelijk denkend en handelend koper de planologische wijziging voor wat betreft de geluidsbelasting op de achtergevel als een verslechtering van het woongenot zal ervaren’. De rechtbank leidt uit het advies af dat de schadecommissie alleen ten aanzien van het aspect geluid uit is gegaan van planologisch nadeel / schade heeft aangenomen. Het gaat hier om de eerder vermelde 3,8%.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd terecht geen gronden gevonden voor het aannemen van een groter planologisch nadeel / hogere schade wegens de geluidbelasting die van de BPL uitgaat. De toename van de geluidbelasting aan de achterzijde van de woning zal weliswaar toenemen, maar wordt ook deels gecompenseerd door een afname van het geluid aan de voorzijde. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder door het advies van de schadecommissie te volgen het effect van de geluidtoename op de waarde van de woning van eiser heeft onderschat.

Luchtkwaliteit

13.3.

Ook wat betreft de luchtkwaliteit heeft verweerder volgens de rechtbank het advies van de schadecommissie kunnen volgen. Hetgeen eiser heeft aangevoerd is onvoldoende om te concluderen dat een potentiële koper van de woning van eiser rekening zal houden met de (mogelijk) verminderde luchtkwaliteit ter hoogte van de woning als gevolg van de BPL.

Uitzicht

13.4.

Het veranderde uitzicht vanuit de woning van eiser heeft verweerder terecht niet als een verslechtering van het woongenot beschouwd, nu eerst bedrijfsgebouwen waren toegestaan waar nu de BPL verdiept is aangelegd. Verweerder heeft daarom terecht aangenomen dat het veranderde uitzicht niet tot een waardevermindering van eisers woning heeft geleid.

Situeringswaarde

13.5.

Verweerder heeft de situeringswaarde van de woning van eiser in navolging van de schadecommissie gekoppeld aan de ligging van deze woning in een lint van wonen en bedrijvigheid. Volgens de schadecommissie en verweerder doet de komst van de BPL niets af aan de situeringswaarde, zodat die waarde niet verder nadelig is beïnvloed (p. 18 van het advies van de schadecommissie). In de nadere reactie van de schadecommissie (p. 4) is vermeld ‘dat een verminderde situeringswaarde een aparte schadefactor kan zijn, maar dat de wijziging van de verkeersintensiteit al is beoordeeld met de schadefactoren geluidsbelasting en luchtkwaliteit.’ Eiser vindt dat niet kan worden volgehouden dat de situeringswaarde niet verder wordt aangetast door de nieuwe weg. Ook de rechtbank kan (in het licht van ter zitting bekeken overzichtsfoto’s) de redenering dat de BPL niets afdoet aan de situeringswaarde niet volgen. De enkele aanwezigheid van de BPL op relatief korte afstand van de woning / het perceel van eiser (50 meter) bepaalt naar het oordeel van de rechtbank - ongeacht in hoeverre eiser vanwege de verdiepte aanleg (direct) zicht heeft op de BPL en ongeacht het geluid - de situering van deze woning, zodat niet kan worden gezegd dat de BPL geen invloed op deze waarde heeft. Het bestreden besluit is daarom wat betreft het standpunt van verweerder dat de BPL de situeringswaarde niet beïnvloedt niet deugdelijk gemotiveerd.

Lichthinder

13.6.

Ook wat betreft de lichtinval in de woning van eiser kan de rechtbank verweerder niet volgen. Eiser heeft ter zitting aan de hand van fotomateriaal uitgelegd dat hij vanaf de verdieping zicht heeft op het verkeer op de BPL, dat het licht van de autolampen dus op de achtergevel schijnt en dat dit in de woning bijzonder hinderlijk is. De stelling van de schadecommissie dat niet valt uit te sluiten dat enige hinder uitgaat van het verkeer vanuit zuidelijke richting en het effect daarvan beperkt is en niet van invloed is op de waarde van eisers woning, acht de rechtbank in het licht van hetgeen eiser heeft aangevoerd onvoldoende om te oordelen dat er geen schade vanwege lichthinder is. De schadecommissie respectievelijk verweerder had moeten onderzoeken en inzichtelijk moeten maken of en in welke mate het licht van de autolampen op de achtergevel bij duisternis in de woning als hinderlijk is te ervaren en dit waarde drukkend is. Dat is niet althans onvoldoende gebeurd. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van planschade vanwege lichthinder.

13.7.

Nu verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat geen sprake is van een verminderde situeringswaarde van de woning van eiser en geen sprake is van schade wegens lichthinder is het bestreden besluit wat betreft het daarin aangenomen bedrag aan planschade van € 5.000,- ondeugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.

Normaal maatschappelijk risico

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in dit geval 3% van de waarde van eisers woning direct voorafgaand aan de planologische wijziging onder het normaal maatschappelijk risico als bedoeld in artikel 6.2 van de Wro valt en dat de schade daarom voor dit bedrag voor rekening van eiser moet blijven. Verweerder is van mening dat de aanleg van nieuwe infrastructuur en uitbreiding van bestaande infrastructuur als normale maatschappelijke ontwikkeling zijn te beschouwen en dat daarom ook bij de BPL sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling. Deze ontwikkeling lag volgens verweerder, gelet op diverse openbare beleidsplannen sinds de jaren zestig, in de lijn der verwachtingen. Gelet op de jurisprudentie, moet daarom in dit geval in beginsel een bedrag aan schade ter hoogte van 5% van de waarde van eisers woning voorafgaand aan de planologische wijziging als normaal maatschappelijk risico als bedoeld in artikel 6.2 van de Wro worden aangemerkt. Op grond van de afstand van de BPL tot de woning van eiser en de aard en omvang van een ontwikkeling als de BPL heeft verweerder dit percentage bijgesteld naar 3%.

14.1.

Over het geschilpunt betreffende het normaal maatschappelijk risico overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling de vraag of en zo ja, in hoeverre schade tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden, in de zin dat de ontwikkeling in de lijn van de verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de benadeelde en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.

De vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien de gegeven motivering niet volstaat, de omvang van het normale maatschappelijke risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is (uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:530).

14.2.

Eiser heeft een tegemoetkoming in de schade gevraagd in verband met de planologische wijziging waarbij de aanleg van de BPL nabij zijn woning mogelijk werd. Gelet op voormelde jurisprudentie komt aan de mate waarin deze ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en aan het gevoerde beleid past betekenis toe voor het antwoord op de vraag of sprake is van een ontwikkeling die in de lijn der verwachtingen lag en eiser daarom met deze ontwikkeling rekening had kunnen houden.

14.3.

De schadecommissie is blijkens haar advies van oordeel dat de reconstructie van een bestaande weg kan worden aangemerkt als een normale maatschappelijke ontwikkeling waarmee rekening moet worden gehouden. Waar de BPL wordt aangelegd als een nieuwe weg kan naar het oordeel van de schadecommissie niet helemaal gesteld worden dat deze ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. Volgens de schadecommissie houdt de aanleg van de BPL nabij de woning van eiser een opschaling van de infrastructuur in die niet passend is binnen de bestaande ruimtelijke structuur, met name niet voor het gebied ten westen van de Locht (waar eisers woning zich bevindt). De Hamstraat liet zich kenmerken als een weg bestaande uit één rijbaan, terwijl de BPL bestaat uit twee rijbanen, iedere rijbaan met twee rijstroken en een parallel structuur. De schadecommissie heeft geadviseerd voor de aanleg van de BPL bij eisers woning een normaal maatschappelijk risico van 2% aan te houden.

14.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is de aanleg van de BPL nabij de woning van eiser niet te beschouwen als een normale maatschappelijke ontwikkeling in die zin dat deze in de lijn der verwachtingen lag. Niet inzichtelijk is namelijk waarom gezegd zou kunnen worden dat, in afwijking van het oordeel van de schadecommissie, de aanleg van de BPL nabij eisers woning zou passen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving. Bovendien paste deze aanleg volgens het advies van de schadecommissie, anders dan verweerder heeft gesteld, niet reeds vanaf de jaren zestig in de beleidsplannen. In het onderdeel over de voorzienbaarheid van de aanleg van de BPL nabij eisers woning (p. 19 van het advies) vermeldt de schadecommissie namelijk dat in de Streekplanuitwerking Oostelijk Zuid-Limburg van oktober 1991 de aansluiting van de Hamstraat op de Keulseweg wel als geprojecteerd stond aangegeven en dat die aansluiting al in het bestemmingsplan Gracht was opgenomen, maar dat toen en ook ten tijde van de aankoop van de woning van eiser op 18 juni 1999 nog niet kon worden voorzien dat later gekozen zou worden voor een alternatieve route van de hoofdwegenstructuur welke mogelijk nadeliger zou zijn voor eiser.

14.5.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank (met de schadecommissie) van oordeel dat de door eiser geleden planschade niet onder het normaal maatschappelijk risico als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wro valt. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat van de door eiser geleden planschade een hoger bedrag dan 2% van de woningwaarde voor zijn rekening zou moeten blijven.

Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie

15. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepsgrond ten aanzien van de taxatie van

€ 130.000,- niet slaagt, maar de beroepsgronden over de hoogte van het schadebedrag (situeringswaarde en lichthinder) en het normaal maatschappelijk risico wel slagen.

16. Omdat verweerder het in het bestreden besluit gehanteerde bedrag aan planschade van € 5.000,- onvoldoende heeft gemotiveerd en verweerder ten onrechte van de schade een hoger bedrag dan 2% van de woningwaarde van eiser voorafgaand aan de planologische wijziging voor risico van eiser heeft gebracht, is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

17. Nu het bestreden besluit tevens wat betreft de motivering van het planschadebedrag niet in stand kan blijven zal de rechtbank, zoals ter zitting is besproken, de zaak terugverwijzen naar verweerder en verweerder opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank acht het in deze zaak niet aangewezen verweerder met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (bestuurlijke lus) nog in de gelegenheid te stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen nu partijen, en met name verweerder vanwege een groot aantal andere naar aanleiding van het BPL 2012 ingediende verzoeken om tegemoetkoming in planschade, belang hebben bij een spoedige onherroepelijke rechterlijke beslissing op het punt van het normaal maatschappelijk risico.

18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Niet gebleken is van overige door eiser gemaakte proceskosten.

Beslissing

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 november 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.