Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10850

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
03/720213-17 OWVV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De veroordeelde is medeplichtig geweest aan hennepteelt en diefstal van elektriciteit vanaf 1 december 2016. Naar eigen zeggen heeft hij vier huurtermijnen ontvangen tot en met de maand november 2016. Het strafdossier biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat de veroordeelde na december 2016 nog huur heeft ontvangen. Enig wederrechtelijk verkregen voordeel is niet aannemelijk geworden. Afwijzen vordering ontneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTbANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/720213-17 OWVV

Tegenspraak

Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 20 november 2018 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

hierna te noemen: [verdachte] .

[verdachte] wordt bijgestaan door mr. A.M.A. Kok-Verheijde, advocaat, kantoorhoudende te Tegelen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 november 2018. [verdachte] en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/720213-17. Op 20 november 2018 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.

2 De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag aanvankelijk geschat op € 189.428,06.

Op de terechtzitting van 6 november 2018 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat het geschatte voordeel € 1.750,00 bedraagt.

3 De beoordeling

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij uitgaat van een pleegperiode van zeven maanden (juli 2016 tot en met januari 2017). Volgens hem is niet aannemelijk geworden dat [verdachte] de gehele opbrengst van de hennepkwekerij heeft ontvangen. Wel heeft [verdachte] wederrechtelijk voordeel genoten in de vorm van maandelijkse huur ad € 250,00 voor het – ten behoeve van de hennepkwekerij – ter beschikking stellen van een gedeelte van zijn loods, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 1.750,00.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de loods pas is verhuurd door [verdachte] in augustus 2016. Hij heeft hiervoor tweemaal een bedrag ontvangen van € 500,00. Doordat [verdachte] een tegenprestatie voor dat bedrag heeft geleverd, namelijk het ter beschikking stellen van het gehuurde, is er geen sprake van enig wederrechtelijk verkregen voordeel. [verdachte] had geen wetenschap van de hennepkwekerij in zijn loods, waardoor het innen van de huursom moet worden gezien als een legale betaling voor het gebruikmaken van een deel van de loods. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel maximaal € 1.000,00 bedraagt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij voormeld vonnis d.d. 20 november 2018 is [verdachte] veroordeeld wegens:

feit 1 subsidiair: medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 1 december 2016 tot en met 25 januari 2017;

feit 2 subsidiair: medeplichtigheid aan diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, gepleegd in de periode van 1 december 2016 tot en met 25 januari 2017.

De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan.

De rechtbank overweegt dat [verdachte] medeplichtig is geweest aan genoemde strafbare feiten vanaf 1 december 2016. Volgens de verklaring van [verdachte] heeft hij vier huurtermijnen ontvangen van elk groot € 250,00, die betrekking hebben op de maanden augustus, september, oktober en november 2016. Vanaf december 2016 heeft hij geen betalingen meer ontvangen van de huurder. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het strafdossier geen aanknopingspunten voor het tegendeel. Nu niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] enig voordeel heeft genoten in de bewezenverklaarde periode, zal de rechtbank voormelde vordering van de officier van justitie afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af de vordering van de officier van justitie ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze uitspraak is gegeven door mr. C.M. Nollen, voorzitter, mr. L. Feuth en mr. V.E.J. Noelmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Dijkhoff, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 november 2018.