Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10800

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-11-2018
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 398
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einde WIA. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 18/398

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. M.J.J. Smeets),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder

(gemachtigde: mr. R. Bastings-Vangangelt),

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering

van eiser ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per

1 november 2017 beëindigd, omdat eiser per 23 augustus 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 4 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft in beroep nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser werkte als tuinbouwmedewerker. Met ingang van 30 november 2009 heeft hij zich ziek gemeld wegens lichamelijke klachten. Eiser heeft op 3 augustus 2011 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 12 oktober 2011 heeft verweerder eiser meegedeeld dat aan hem per 28 november 2011 geen WIA-uitkering wordt toegekend, omdat uit het oordeel van de arts en de arbeidsdeskundige blijkt dat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Eiser is volgens verweerder voor minder dan 35% arbeidsongeschikt. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen het besluit van

12 oktober 2011 heeft verweerder die beslissing opnieuw bekeken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit kader gerapporteerd dat eiser door een herniaoperatie op

13 januari 2012 niet in staat is om arbeid te verrichten. Bij beslissing op bezwaar van
18 april 2012 kreeg eiser alsnog per 28 november 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid.

2. In het kader van een herbeoordeling heeft op 21 juni 2017 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. In de

verzekeringsgeneeskundige rapportage daarvan van 22 juni 2017- getoetst en akkoord bevonden door primair verzekeringsarts H. Schellekens - heeft O. van Schijndel (arts) geconcludeerd dat de belastbaarheid van eiser conform de eerder opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 september 2011 is. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens in de rapportage van 24 augustus 2017, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiser, verschillende functies geduid. Op basis van die functies is bij eiser, volgens de arbeidsdeskundige, sprake van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de WIA-uitkering van eiser beëindigd, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage bij de herbeoordeling is vastgesteld op minder dan 35%. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen dit besluit is op

8 december 2017 opnieuw een verzekeringskundige rapportage uitgebracht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vervolgens het door eiser tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser op 1 november 2017 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat hij namelijk per 23 augustus 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

4. In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder zijn beperkingen heeft onderschat. Zijn medische situatie is vanaf de eerste ziektedag alleen maar verslechterd. Op

30 november 2009 is eiser uitgevallen wegens rugklachten. Zijn klachten zijn alleen maar toegenomen. Op 15 maart 2018 heeft hij ten gevolge van reeds lang bestaande klachten een liesoperatie ondergaan. Het onderzoek door de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onzorgvuldig geweest omdat zij geen medische informatie hebben opgevraagd bij de behandelend sector ter verkrijging van een actueel beeld. Eiser is recent verwezen naar een psychiater. Met de psychische klachten, die reeds aanwezig waren op de datum in geding, is ten onrechte geen rekening gehouden. Er is volgens eiser geen, althans onvoldoende, rekening gehouden met zijn beperkingen en deze zijn te laag en zijn belastbaarheid te hoog ingeschat. Eiser acht zich volledig arbeidsongeschikt. De rugklachten zijn ook na de herniaoperatie in 2010 blijven bestaan en zijn niet afgenomen. Vanaf 2014 heeft eiser naast de rug- en pijnklachten, scrotale klachten na een liesbreukoperatie en knieklachten ten gevolge van slijtage. Eiser gebruikte paracetamol en diclofenac, thans het antidepressivum Mirtazapine. Er is geen behandeling mogelijk. De pijnklachten zijn blijven bestaan. Vooral de scrotale klachten leiden volgens eiser tot beperkingen ten aanzien van zitten, welke beperkingen ten onrechte niet door verweerder zijn geduid. Eiser heeft bovendien een verstoord nachtritme, gelet op zijn pijnklachten slaapt eiser zeer slecht. Hij is daardoor ernstig beperkt in zijn energie en er is sprake van vermoeidheid, overbelasting en overprikkeling. Derhalve had verweerder een urenbeperking dan wel in ieder geval een beperking ten aanzien van het verrichten van arbeid ’s nachts moeten opleggen. Eiser heeft verder betoogd dat verweerder ten onrechte geen psychologisch / psychiatrisch onderzoek heeft verricht. Eiser heeft aanvullend een afschrift van de brief van 8 juni 2018 van psychiater H.A. Goud overgelegd. Tot slot heeft eiser betoogd dat hij als bijstandsgerechtigde niet in staat is om een deskundige in de hand te nemen en een tegenrapportage in te brengen, dat had verweerder volgens hem moeten faciliteren. Eiser doet een beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarbij hij heeft gesteld dat sprake is van ongelijkheid tussen partijen.

5. De rechtbank dient, gelet op de naar voren gebrachte beroepsgronden, de medische grondslag van de arbeidsongeschiktheidsbeslissing te beoordelen en overweegt als volgt.

6. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (bijvoorbeeld CRvB 9 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8290) volgt dat aan een rapport opgesteld door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een bijzondere waarde toekomt in die zin, dat verweerder zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren. Het verzekeringsgeneeskundig rapport kan deze waarde verliezen als de betrokkene aannemelijk maakt dat dit rapport niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsequenties bevat of niet concludent is. Het aannemelijk maken dat van een van deze gebreken sprake is, kan gebeuren door niet medisch geschoolden. Dit geldt echter niet voor het aannemelijk maken dat de inhoudelijke medische beoordeling onjuist is. Indien een betrokkene deze beoordeling wil aanvechten zal hij in beginsel zijn stellingen moeten onderbouwen met een rapport van een (andere) reguliere medicus.

7. Uit het rapport van 22 juni 2017 van de primaire arts blijkt dat hij eiser heeft gezien op spreekuur, het dossier en een door eiser ingevulde vragenlijst heeft bestudeerd. Ook de in het dossier aanwezige medische informatie zoals onder andere van chirurg Roumen van 18 juni 2014, van radioloog Van der Laan van 21 april 2017 en van radioloog Sannen van 14 juni 2017 heeft de primaire arts bij zijn beoordeling betrokken. Ten aanzien van de medische situatie wordt door de arts weinig verbetering verwacht. De rug blijft kwetsbaar. Ten aanzien van de knie ontbreekt het aan pathofysiologisch substraat. De verwachting is dat de functionele mogelijkheden op lange termijn wezenlijk kunnen toenemen. De primaire arts heeft na het onderzoek de voor eiser geldende mogelijkheden en beperkingen neergelegd in een FML.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens zijn medische rapportage van

8 december 2017 het dossier van eiser bestudeerd, hij was aanwezig bij de hoorzitting en hij heeft kennis genomen van de door eiser in de bezwaarfase ingebrachte medische informatie van de huisarts van 26 september 2017, 4 oktober 2017 en 24 november 2017 en de afspraakbevestigingen voor het liesbreukcentrum, de orthopeed en de afdeling radiologie (MRI). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat ondanks de aanwezigheid van pijnklachten er geen sprake is van functionele beperkingen en krachtverlies. Over de klachten is opgemerkt dat het er feitelijk op neerkomt dat eiser daarmee geschikt te achten is voor fysiek lichtere arbeid. Vastgesteld wordt dat het grootste probleem bij eiser de aanwezige scrotale pijnklachten na een liesbreukoperatie zijn. Omdat scrotale pijn op de voorgrond staat is daarbij met name het aaneengesloten staan en lopen beperkt, naast rugbeperkingen. De kniebelasting wordt daarmee bovendien indirect beperkt. Naar aanleiding van de door eiser in beroep overgelegde stukken heeft verweerder met de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het verweerschrift geconcludeerd dat deze stukken geen aanleiding geven om het ingenomen standpunt te wijzigen.

8. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze, volledig en ook overigens conform de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld heeft plaatsgevonden. De primaire arts heeft dossieronderzoek gedaan, heeft eiser gezien op spreekuur en heeft informatie uit de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennis genomen van de dossiergegevens en de door eiser (nieuw) overgelegde stukken. Dat deze verzekeringsarts nog verder informatie had moeten inwinnen kan de rechtbank niet volgen nu de huisarts bij schrijven van 24 november 2017 informatie heeft verstrekt over de recent verrichte onderzoeken en eiser op de hoorzitting heeft vermeld dat er geen behandelingen meer plaatshadden. Beide artsen hebben kennis genomen van de medische informatie van chirurg Roumen van 18 juni 2014 en zij zijn daardoor op de hoogte van het feit dat de scrotale klachten zeer waarschijnlijk een gevolg zijn van de liesbreukoperatie die eiser heeft ondergaan en de mat die daarbij is geplaatst. De rechtbank heeft oog voor de pijnklachten die eiser daardoor ervaart, zoals hij ter zitting ook duidelijk naar voren heeft gebracht. Deze leiden volgens deze verzekeringsarts echter niet tot het aannemen van functionele beperkingen. Het geeft wel reden om overbelasten of forceren te voorkomen. De stelling van eiser dat met die klachten geen rekening zou zijn gehouden volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank is van oordeel dat de artsen over voldoende gegevens beschikten om tot een afgewogen oordeel over de medische gesteldheid van eiser te komen.

9. Anders dan door eiser is betoogd kan uit de medische rapportages niet worden afgeleid dat zijn gezondheidsklachten worden onderschat en dat zijn belastbaarheid wordt overschat. De belastbaarheid van eiser op de datum in geding is in de medische rapporten inzichtelijk en op overtuigende wijze gemotiveerd. De rechtbank wijst er daarbij op dat volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 6 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1717) de subjectieve beleving van eiser dat zijn klachten zijn verergerd niet beslissend is bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij hem zijn vast te stellen. Tegenover de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet de rechtbank in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht en aan (nieuwe) stukken heeft overgelegd, geen onderbouwing van zijn stelling dat hij op de datum in geding meer beperkt is dan aangenomen.

De door eiser in beroep aangehaalde operatie op 15 maart 2018 is een ontwikkeling die (een aantal maanden) na datum in geding ligt. Eventuele verslechteringen in de gezondheidstoestand na de datum in geding zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit niet relevant (bijvoorbeeld CRvB 13 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2419).

Voor wat betreft de informatie die eiser heeft ingebracht over de antidepressiva die hij gebruikt, heeft verweerder deze besproken en inzichtelijk aangegeven waarom deze informatie niet tot een andere conclusie kan leiden. Voorts wijst de rechtbank erop dat de primaire arts in zijn rapportage heeft vermeld dat er geen reden is om een urenbeperking op te leggen. Bij eiser is geen sprake is van een energetisch beperkende aandoening. Eveneens is geen stoornis in de energiehuishouding waargenomen. Er zijn volgens deze arts ook geen redenen om een urenbeperking in preventief opzicht op te leggen, er is immers geen diepgaand patroon van zelfoverschatting, overschrijding van de eigen grenzen noch een beperkt ziektebesef. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de functionele mogelijkhedenlijst ook op dit punt onderschreven.

10. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden heeft hoeven zien tot het uitvoeren van een nader psychologisch onderzoek. De door eiser in beroep aangehaalde recente verwijzing naar de psychiater is een ontwikkeling die een groot aantal maanden na de datum in geding ligt. Eiser heeft voorts ter zitting gesteld dat er in zijn geval sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en dat zijn psychische klachten ook eerder al aanwezig waren zoals uit de brief van psychiater Goud kan worden opgemaakt. De rechtbank overweegt dat de brief van Goud betrekking heeft op de huidige situatie van eiser en niet op de datum in geding. Het rapport is immers opgemaakt op

8 juni 2018, ruim na de datum in geding. De primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben voor de aanwezigheid van deze stoornis ten tijde van het onderzoek geen aanwijzingen gesignaleerd. Eiser heeft deze klachten niet bij hen gememoreerd en hij was op dat moment ook niet onder behandeling bij een psycholoog of psychiater. De rechtbank merkt hierbij tevens op dat een bepaalde diagnose nog niets zegt over de aanwezigheid van beperkingen.

11. Eiser heeft tot slot een beroep gedaan op artikel 6 van het EVRM, waarbij hij heeft gesteld dat sprake is van ongelijkheid tussen partijen. De rechtbank vat deze beroepsgrond op als een verzoek om een medisch deskundige in te schakelen. Op grond van het Korošec-arrest van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) dient de beoordeling van het besteden besluit daartoe in drie stappen plaats te vinden. De te beoordelen stappen zijn:

1. Zorgvuldigheid van de besluitvorming,

2. ‘ Equality of arms’, en de

3. Inhoudelijke beoordeling.

Als eiser door zijn gemotiveerde betwisting twijfel heeft doen ontstaan aan de verzekeringsgeneeskundige beoordeling en deze na een eventuele reactie van verweerder niet is weggenomen, kan daarin reden bestaan een (medisch) deskundige te benoemen (bijvoorbeeld CRvB van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226).

Stap 1: Zorgvuldigheid van de besluitvorming

12. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig onderzoek verricht naar de medische klachten van eiser. De primaire arts heeft eiser onderzocht op het spreekuur en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser gezien tijdens de hoorzitting. Beide artsen hebben de beschikking gehad over informatie uit de behandelend sector. Door beide artsen is inzichtelijk en concludent gerapporteerd. Eiser heeft geen concrete gronden aangevoerd waardoor moet worden getwijfeld aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de verzekeringsartsen. De rechtbank ziet op dit punt geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen.

Stap 2: Equality of arms

13. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat sprake is van een oneerlijk proces en strijd met artikel 6 van het EVRM omdat het hem aan financiële middelen ontbreekt om zelf een advies van een deskundige in te brengen. Hoewel eiser heeft aangegeven dat hij van een bijstandsuitkering leeft, volgt volgens de CRvB uit het arrest Korošec niet zonder meer dat de rechter gehouden is om – als een betrokkene geen financiële middelen heeft – een medisch deskundige te benoemen. Er is geen reden om aan te nemen dat eiser dusdanige belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat verweerder zijn medische beperkingen heeft onderschat, dat niet meer gesproken kan worden van een eerlijk proces. Eiser heeft in bezwaar uitgebreide informatie van zijn huisarts overgelegd. Voorts heeft hij in beroep medische informatie van de psychiater ingediend. Er zijn geen aanwijzingen dat relevante medische informatie ontbreekt. De rechtbank ziet ook op dit punt geen aanleiding om een medische deskundige te benoemen.

Stap 3: Inhoudelijke beoordeling

14. Voor wat betreft de beoordeling van de verzekeringsgeneeskundige situatie van eiser op de datum in geding verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft overwogen onder met name 8, 9 en 10. De rechtbank ziet op dit punt dan ook geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen.

15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Verweerder heeft de WGA-uitkering van eiser terecht beëindigd.

16. Het beroep is ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Kalsbeek, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J. Beckers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

16 november 2018.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mee te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 november 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.