Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10784

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-11-2018
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 431
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging Ziektewet uitkering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/431

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.M.H. Rademakers),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), verweerder

(gemachtigde: J.G.M. Huijs),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde partij] ., te [vestigingsplaats]

(gemachtigde: mr. S.J.M. Stoop).

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser met ingang van 23 september 2017 geen recht meer heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 17 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en bepaald dat eiser per 18 februari 2018 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is met bericht vooraf niet verschenen. Eiser heeft ter zitting toestemming gegeven voor kennisneming door derde-partij van de in deze procedure aan de orde zijnde medische gegevens.

Overwegingen

1. Eiser is bij derde-partij werkzaam geweest als [beroep] voor 12,82 uur per week. Door een bedrijfsongeval heeft eiser zich met ingang van 23 augustus 2016 ziek gemeld. Vanaf dat moment ontving eiser een uitkering krachtens de ZW, die werd betaald door derde-partij als eigenrisicodrager. Vervolgens heeft een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling plaatsgevonden, die heeft geleid tot het primaire besluit.

2. Verweerder heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 23 september 2017 niet meer in aanmerking komt voor een ZW-uitkering, omdat hij op 22 augustus 2017 meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Verweerder heeft aan dit besluit de rapportage van de arts van 10 juli 2017 en de rapportage van de arbeidsdeskundige van 8 augustus 2017 ten grondslag gelegd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

3. Bij het bestreden besluit is dit bezwaar gegrond verklaard. Verweerder overweegt in het bestreden besluit dat de arts bezwaar en beroep in haar rapportage van 7 december 2017 heeft geoordeeld dat de bezwaren aanleiding geven tot herziening van de medische grondslag waarop de primaire beslissing is genomen. De Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in haar rapportage van 2 januari 2018 geoordeeld dat er aanleiding is om af te wijken van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geoordeeld dat er onvoldoende geschikte functies aan het primaire besluit ten grondslag liggen om dit besluit te kunnen dragen. In bezwaar is evenwel gebleken dat er nieuwe functies kunnen worden geselecteerd en is vastgesteld dat eiser ook dan meer dan 65% zal kunnen verdienen van zijn vroegere loon. Op grond hiervan heeft verweerder in het bestreden besluit bepaald dat de ZW-uitkering met ingang van 18 februari 2018 wordt beëindigd.

4. Eiser is het met dit besluit niet eens. Kort samengevat voert hij aan dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt aangenomen. Uit de medische informatie van de behandelend sector volgt dat eiser ernstige beperkingen ondervindt op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en werktijden. Alle verklaringen en rapportages van de artsen, specialisten en medisch adviseurs tezamen geven voldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, met name gezien het feit dat bepaalde medische informatie niet werd meegenomen in de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Volgens eiser is ten onrechte vastgesteld dat hij geen recht heeft op een ZW-uitkering.

5. In het verweerschrift stelt verweerder dat er geen aanleiding is om het bestreden besluit voor onjuist te houden. Verweerder heeft de arts bezwaar en beroep om een reactie gevraagd op het door eiser ingediende (aanvullend) beroepschrift met onderliggende stukken. De arts bezwaar en beroep ziet geen aanleiding om af te wijken van het eerder ingenomen standpunt en is van mening dat de FML per 18 februari 2018 correct is.

6. Door eiser is op 17 september 2018 aanvullende medische informatie toegezonden. Het betreft een brief van [naam] van MediThemis van 16 augustus 2018 en een neuropsychologisch onderzoek (NPO cognitief) van klinisch neuropsycholoog [naam 2] van 2 augustus 2018.

7 De rechtbank overweegt als volgt.

8 In geschil is of verweerder de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd per

18 februari 2018.

9. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, voor zover hier van belang, heeft

de verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte recht heeft op loon, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde (a) ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en (b) wegens een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

10. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.

11. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

12 Uit vaste rechtspraak van de CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van

9 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8290, volgt dat aan een rapport opgesteld door een (bezwaar)verzekeringsarts en een (bezwaar)arbeidsdeskundige, een bijzondere waarde toekomt in die zin, dat verweerder zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren. Het verzekeringsgeneeskundig rapport en het arbeidsdeskundig rapport kan deze waarde verliezen als de betrokkene aannemelijk maakt dat deze rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsequenties bevatten of niet concludent zijn. Het aannemelijk maken dat van een van deze gebreken sprake is, kan gebeuren door niet medisch geschoolden. Dit geldt echter niet voor het aannemelijk maken dat de inhoudelijke medische beoordeling onjuist is. Indien een betrokkene deze beoordeling wil aanvechten zal hij in beginsel zijn stellingen moeten onderbouwen met een rapport van een (andere) reguliere medicus.

13. De wijze waarop eiser zelf zijn gezondheidsklachten ervaart kan op zichzelf geen toereikende grondslag zijn om arbeidsongeschiktheid in het kader van de ZW aan te nemen. De klachten moeten op de door de wetgever verlangde objectiveerbare wijze kunnen worden vastgesteld. Daarvoor is een verzekeringsgeneeskundig onderzoek nodig door een arts. Het is de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts/verzekeringsarts bezwaar en beroep om op basis van de medisch objectiveerbare klachten de beperkingen van eiser ter zake van het verrichten van zijn arbeid vast te stellen. Dat geldt voor de fysieke als ook voor de psychische klachten.

14. De rechtbank is van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. In dit verband acht zij van belang dat de arts bezwaar en beroep met toetsing en akkoordbevinding door verzekeringsarts bezwaar en beroep Van den Brand het dossier (met de daarin aanwezige medische informatie) heeft bestudeerd en informatie verkregen van de behandelende sector in haar oordeel heeft betrokken. Verder heeft zij haar rapportage gebaseerd op de gegevens die ze heeft verkregen tijdens de hoorzitting van 28 november 2017. De bezwaren van eiser leiden volgens de arts bezwaar en beroep tot bijstelling van de door de primaire arts opgestelde FML. Op lichamelijk vlak blijkt er volgens de arts bezwaar en beroep sprake van klachtencontingent handelen bij het ontbreken van medisch objectiveerbare aandoeningen die de door eiser ervaren klachten en belemmeringen kunnen verklaren. Op psychisch/cognitief vlak wordt een aantal afwijkingen gevonden bij neuropsychologisch onderzoek, die van de ene kant naar de mening van de arts bezwaar en beroep onvoldoende overtuigend blijken gezien omissies in het onderzoek, anderzijds wordt na uitgebreid onderzoek geen hersenletsel vastgesteld dat deze bevindingen zou kunnen verklaren; volgens de neuroloog komen de klachten niet vanuit de hersenen, maar vanuit de spieren. Dit is passend gezien de aard en lokalisatie waar eiser de hoofd- en nekpijnklachten ervaart. Mede gezien de beschrijving bij het neuropsychologisch onderzoek (benedengemiddelde intelligentie en disharmonisch profiel/onderzoek naar selectieve aandachtsfuncties toont aan dat deze alle zeer nadelig worden beïnvloed door het zeer trage werktempo, en de gemeten traagheid van informatieverwerking lijkt de prestaties van de verbale geheugenfunctie mede te benadelen) acht de arts bezwaar en beroep het aannemelijk dat eiser is aangewezen op werk zonder een hoog handelingstempo. Vanwege de duizeligheid en valneiging is eiser aangewezen op een niet solitaire functie, hetgeen gescoord zal worden bij het item ‘aangewezen op werk waarin zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevenden’. Ook zal werken ’s avonds en

’s nachts worden beperkt gezien de slaapproblemen. Gezien de gegevens komt de arts bezwaar en beroep tot de conclusie dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling die ten grondslag ligt aan de primaire beslissing correctie/aanvulling behoeft. De arts bezwaar en beroep heeft op 7 december 2017 een gewijzigde FML opgesteld. De rechtbank is van oordeel dat de arts bezwaar en beroep haar oordeel voldoende inzichtelijk heeft gemaakt in de rapportage van 7 december 2017. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de rapportage van de arts bezwaar en beroep inconsistenties bevat of dat die onvoldoende is gemotiveerd.

15. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen had moeten aannemen omdat uit de medische informatie van de behandelend sector volgt dat eiser ernstige beperkingen ondervindt op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en werktijden. Met de medische informatie heeft eiser – naar het oordeel van de rechtbank – niet aangetoond dat hij op de datum in geding (18 februari 2018) méér (medisch) beperkt was dan is aangenomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de arts bezwaar en beroep in haar rapportage van 7 december 2017 en in haar aanvullende medische rapportage van 18 april 2018 voldoende is ingegaan op de door eiser gestelde extra beperkingen en heeft geconcludeerd dat daarvan geen sprake is. Zo geeft de arts bezwaar en beroep in haar rapportage van 7 december 2017 aan dat uit de hoorzitting blijkt dat er geen evidente factoren zijn die de duizeligheidsklachten kunnen uitlokken. Hierdoor is er naar haar mening ook geen reden om uit preventief oogpunt beperkingen aan te nemen, aangezien er geen specifieke structurele luxerende activiteiten/omstandigheden zijn die de klachten uitlokken. De arts bezwaar en beroep geeft aan dat er bij de diagnose WAD graad 1-2 en bij spierspanningshoofdpijn geen schade aan de gezondheid bestaat bij het blijven bewegen. Daarnaast wordt bewegingsangst beschreven met hierbij een passieve dagindeling en een achteruitgang van de conditie. Dit zijn volgens de arts bezwaar en beroep geen argumenten waardoor gesproken kan worden van beperkingen als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte of gebrek. Er zijn derhalve volgens haar geen argumenten om beperkingen op lichamelijk vlak aan te nemen. Daarnaast zijn er geen evidente redenen om op basis van psychopathologie beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren aan te nemen volgens de arts bezwaar en beroep. Uit de medische gegevens blijkt volgens haar dat er geen sprake is van psychiatrische problematiek die de door eiser geclaimde beperkingen kunnen ondersteunen. De arts bezwaar en beroep geeft aan dat het aannemelijk is dat eiser deze klachten en belemmeringen ervaart, maar er ligt volgens de medische informatie geen medisch objectiveerbare aandoening aan ten grondslag. Indien de belastbaarheid niet wordt overschreden, is er volgens de arts bezwaar en beroep geen reden om een urenbeperking aan te nemen. Uit de vigerende richtlijnen op dit punt, weergegeven in de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’, zijn er op grond van de medische feiten en met inachtneming van de aangegeven beperkingen in de FML volgens haar geen argumenten om een urenrestrictie toe te passen. Gezien de gestelde diagnoses (klachten bij WAD-problematiek zoals spierspanningshoofdpijn, conditiedefect en kinesiofobie) is er geen reden om een urenbeperking aan te nemen uit energetisch of preventief oogpunt volgens de arts bezwaar en beroep. De rechtbank is van oordeel dat de arts bezwaar en beroep aldus voldoende heeft gemotiveerd waarom zij geen aanleiding ziet voor het aannemen van beperkingen voor deze aspecten. De rechtbank ziet geen aanleiding de arts bezwaar en beroep hierin niet te volgen.

16. De rechtbank overweegt voorts dat de subjectieve klachtenbeleving van eiser voor de toepassing van de Ziektewet geen toereikende basis biedt om meer medische beperkingen aan te nemen dan in de FML van 7 december 2017 zijn neergelegd. Het gaat bij een beoordeling als de onderhavige immers om medisch objectiveerbare beperkingen. Dat brengt met zich dat aan de door eiser ervaren klachten, voor zover deze niet medisch te objectiveren zijn, zonder aan die klachten af te willen doen, niet de waarde kan worden toegekend die eiser daaraan toekent. Zoals hiervoor reeds is overwogen, ziet de rechtbank geen reden om te concluderen dat verweerder de (objectiveerbare) klachten heeft onderschat.

17. Eiser heeft in beroep gesteld dat bepaalde medische informatie niet werd meegenomen in de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiser heeft verder aanvullende medische informatie ingediend. De arts bezwaar en beroep heeft op het aanvullend beroepschrift met onderliggende stukken gereageerd door aan te geven dat de ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft om haar standpunt te wijzigen. Voor wat betreft de claim dat niet alle medische informatie is meegenomen verwijst de arts bezwaar en beroep naar de opsomming van de aanwezige medische informatie in haar rapportage van 7 december 2017. De door eiser aangegeven brief van [naam arts] wordt hierin benoemd en ook het neuropsychologisch onderzoek van 29 maart 2017 wordt hierin aangegeven. De arts bezwaar en beroep geeft aan dat op basis van het neuropsychologisch onderzoek zelfs de FML is aangepast, dus dit verslag is wel degelijk meegenomen in de oordeelsvorming. Er is volgens de arts bezwaar en beroep echter geen aanleiding om volledig mee te gaan in de door eiser aangegeven belemmeringen aangezien deze niet conform de geldende definities van de basisinformatie CBBS worden beschreven. Daarnaast wil het gegeven dat door arts [naam arts] bepaalde diagnoses zouden zijn gesteld (onder andere depressie, agorafobie) niet zeggen dat hiermee ook de tijdens de hoorzitting aangegeven klachten en beperkingen anders zijn. Alleen het stellen van een eventuele diagnose leidt niet automatisch tot andere inzichten van de reeds beschreven klachten en beperkingen en hiermee samenhangend de belastbaarheid, aldus de arts bezwaar en beroep. Zij geeft verder aan dat niet wordt gesteld dat eiser geen klachten ervaart, maar dat deze niet leiden tot beperkingen op cognitief vlak conform de geldende definities van de basisinformatie CBBS. Tijdens het neuropsychologisch onderzoek zijn geen symptoomvaliditeitstesten verricht, die eigenlijk verplicht zijn om de conclusie van het neuropsychologisch onderzoek op waarde te kunnen schatten. Desondanks zijn enkele beperkingen in de FML aangenomen, aldus de arts bezwaar en beroep. Zij geeft verder aan dat de stelling van arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige] een niet beargumenteerde observatie/bevinding betreft van een niet medisch geschoolde arbeidsdeskundige. Voorts is de informatie van MediThemis opgesteld in het kader van een letselschadeprocedure en heeft derhalve een ander doel dan het beoordelen van de mate van arbeidsongeschiktheid, aldus de arts bezwaar en beroep. Daarnaast beschrijft deze informatie volgens haar bekende klachten welke niet leiden tot andere inzichten ten aanzien van de belastbaarheid. De arts bezwaar en beroep geeft verder nog aan dat eiser zich per

18 februari 2018 opnieuw heeft ziek gemeld. Uit correspondentie ten aanzien van de nieuwe ziekmelding blijkt niet dat er nieuwe medische feiten of omstandigheden spelen. Daarnaast blijkt uit het aanvullend beroepschrift van 12 maart 2018 niet dat er na de hoorzitting in bezwaar een wezenlijke verandering van de medische situatie heeft plaatsgevonden. Hierdoor is er volgens de arts bezwaar en beroep geen reden om aan te nemen dat de FML niet meer geldig of passend zou zijn op 18 februari 2018. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen.

18. Door eiser is op 17 september 2018 aanvullende medische informatie toegezonden. De arts bezwaar en beroep heeft in de aanvullende rapportage van 3 oktober 2018 gemotiveerd toegelicht dat en waarom de door eiser nader overgelegde medische stukken niet leiden tot het innemen van een ander standpunt. Zo bevat de ingebrachte medische informatie volgens de arts bezwaar en beroep geen nieuwe medische gegevens of diagnosen. De angst- en paniekklachten (beschreven door de huisarts) en de drop attacks (beschreven door de neuroloog) zijn reeds vermeld en meegewogen in de bezwaarprocedure. Het door medisch adviseur [naam] van MediThemis opgesteld rapport van 16 augustus 2018 is verricht in het kader van een letselschadeprocedure. Er wordt in de conclusie aangegeven dat de causaliteit nu onweerlegbaar vaststaat, maar bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid is de causaliteit met het ongeval niet relevant. In het kader van de arbeidsongeschiktheid dient te worden beoordeeld in hoeverre er sprake is van klachten en beperkingen die rechtstreeks medisch objectiveerbaar zijn en welke voortkomen uit ziekte of gebrek, aldus de arts bezwaar en beroep. In het opnieuw verrichte neuropsychologisch onderzoek wordt als conclusie aangegeven dat er alles overziend een neurologische verklaring voor de gevonden cognitieve stoornissen ontbreekt. Strikt genomen zouden er derhalve op basis van de uitslagen van dit (en het eerder verrichte) neuropsychologisch onderzoek geen beperkingen in de FML aangenomen dienen te worden volgens de arts bezwaar en beroep, maar gezien de klachtenbeleving en consistentie hierin was in bezwaar alsnog besloten om enkele beperkingen aan te nemen. Uit de aanwezige medische gegevens blijkt geen wezenlijk andere medische situatie, klachten of beperkingen rond de datum in geding (18 februari 2018) dan tijdens de hoorzitting in bezwaar (eind november 2017) is aangegeven. De arts bezwaar en beroep geeft aan dat ook het nieuwe onderzoek door verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] in augustus 2018 (ruim een half jaar na de datum in geding) geen andere klachten aangeeft dan reeds erkend en meegewogen in bezwaar. De rechtbank volgt het deugdelijk gemotiveerde standpunt van de arts bezwaar en beroep dat er geen reden is om per datum in geding de op 7 december 2017 opgestelde FML bij te stellen naar aanleiding van de op 17 september 2018 ingebrachte medische informatie. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

19. Gelet op het vorenstaande kan - naar het oordeel van de rechtbank - niet gesteld worden dat de arts bezwaar en beroep van onjuiste medische gegevens is uitgegaan bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in die zin dat eiser daardoor meer beperkt moet worden geacht in zijn functionele mogelijkheden. De rechtbank

ziet geen grond om te oordelen dat eiser de werkzaamheden die bij de geduide functies behoren, niet zou kunnen verrichten. Het bestreden besluit berust dan ook op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag.

20. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. De ZW-uitkering is daarom terecht per 18 februari 2018 beëindigd.

21. Het beroep is ongegrond.

22 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.M.E.L. van Knippenberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

16 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 november 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.