Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:10675

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
15-11-2018
Zaaknummer
03.700200-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd

Parketnummer: 03/700200-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken d.d. 13 november 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adres 2] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.M.A. Jegers, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 oktober 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Tevens zijn gehoord de moeder van verdachte en een vertegenwoordiger van de jeugdreclassering.

De raadsman van de benadeelde partij [benadeelde partij] , mr. C.C. de Lange, heeft eveneens het woord gevoerd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

op 29 april 2018 in Kerkrade, al dan niet alleen, geld en autosleutels van [benadeelde partij] heeft weggenomen en daarbij [benadeelde partij] voornoemd heeft geduwd of vastgehouden of met vuisten tegen het gezicht, hoofd of lichaam heeft geslagen en met stokken en staven op of tegen het hoofd of lichaam van die [benadeelde partij] heeft geslagen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de bewezenverklaring geen verweer gevoerd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De opsomming van de bewijsmiddelen

- de aangifte van het slachtoffer [benadeelde partij]2;

- de verklaring van aangever [benadeelde partij]3;

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte]4;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting5.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 29 april 2018 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met anderen, 120 euro en een autosleutel, toebehorende aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders die [benadeelde partij] ,

- hardhandig hebben geduwd en vastgehouden en

- met een vuist in/tegen het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam, hebben geslagen en

- met een stok en staven op/tegen het hoofd, althans het lichaam, hebben geslagen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 240 dagen, waarvan 221 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, en met als bijzondere voorwaarde een meldplicht van verdachte bij de jeugdreclassering gedurende het eerste jaar van de proeftijd.

Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen jeugddetentie gevorderd, alsmede de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de gevorderde voorwaardelijke jeugddetentie en de werkstraf te matigen. Verdachte is een zogenaamde first offender en eigenlijk per toeval bij de groep mededaders betrokken geraakt. Hij heeft bij het feit slechts een geringe rol gehad en heeft zelf geen geweld gebruikt. Voorts dient rekening te worden gehouden met de oprechte spijtgevoelens van verdachte en de positieve ontwikkeling die hij sindsdien heeft doorgemaakt. Een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden acht de raadsman passend.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer via de website bullchat.com naar de woning van een van de mededaders gelokt om hem te kunnen beroven. Van tevoren hebben zij daarvoor een uitgekiend plan bedacht. Om het vertrouwen van het slachtoffer te wekken wordt een foto van een van de mededaders aan het slachtoffer gestuurd. Deze mededader opent daarom ook de deur als het slachtoffer zich bij de woning meldt. Hierop verschijnen verdachte en zijn mededaders. Het slachtoffer wordt in het gezicht en op zijn lichaam geslagen. Verdachte houdt het slachtoffer in een nekklem en meerdere mannen hebben hem vastgehouden, terwijl anderen het slachtoffer met een stok en staven slaan. Er wordt onder meer geroepen dat hij geld en zijn sleutels moet afgeven. Het geld wordt hem afgepakt. De autosleutel is hij na het gebeuren ook kwijt en gebleken is dat een van de mededaders later over deze sleutel beschikt. Verdachte geeft aan dat hij van het hele plan op de hoogte was en dat hij het slachtoffer, toen die wilde vluchten, met een nekklem vast heeft gehouden en dat anderen het slachtoffer toen sloegen.

De rechtbank rekent de verdachte het bewezenverklaarde feit zwaar aan. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij slachtoffers van een delict als het bewezenverklaarde, lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid (kunnen) blijven bestaan.

Er is fors geweld gebruikt. Naast de verwondingen - bestaande uit 3 grote snijwonden op het hoofd, gekneusde ribben en een hersenschudding - die het slachtoffer heeft opgelopen, is voorts een grote inbreuk gemaakt op het psychisch welzijn van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft niet alleen tijdens de mishandeling doodsangsten uitgestaan, maar durft ook nu nog niet alleen de straat op. De weg naar de rechtbank om persoonlijk zijn schadevordering toe te lichten was voor het slachtoffer nog teveel gevraagd. Een confrontatie met de verdachten kon hij niet aan.

Ten aanzien van de ernst van de bewezenverklaarde feiten heeft de rechtbank mede gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft, evenals de officier van justitie, bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de door het LOVS geformuleerde oriëntatiepunten voor de straftoemetingen voor een woningoverval, te weten een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden (180 dagen).

Anders dan bij een woningoverval, is hier geen sprake van een overval in de eigen vertrouwde omgeving. Daar staat tegenover dat het slachtoffer op een berekenende wijze in de val is gelokt. Er is fors geweld toegepast.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van het strafblad van verdachte d.d. 9 oktober 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.

De rechtbank slaat acht op het feit dat verdachte vanaf zijn aanhouding open en eerlijk is geweest over zijn bijdrage aan het geheel. Hij was weliswaar geen initiatiefnemer, maar heeft met zijn handelingen wel bijgedragen aan het strafbare feit. De verdachte erkent dat. De door verdachte betoonde spijt komt oprecht over. De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte het onjuiste van zijn handelen heeft ingezien en oprecht zijn spijt heeft betuigd. Verdachte heeft zijn excuses aan het slachtoffer willen aanbieden, maar dit is (nog) niet gebeurd, omdat het slachtoffer het op dit moment (nog) niet aankan om daar op in te gaan.

De rechtbank houdt voorts rekening met het rapport van de raad voor de kinderbescherming van 23 oktober 2018 waaruit blijkt dat verdachte zich, na de schorsing uit de voorlopige hechtenis, goed heeft gehouden aan alle voorwaarden. Hij heeft op een positieve wijze meegewerkt aan een MDFT-traject, de doelen zijn hierin bereikt en dit traject wordt binnenkort afgesloten. Verdachte volgt inmiddels een leer-werktraject en heeft een goede invulling van zijn vrije tijd. Om deze positieve ontwikkeling te monitoren is een verplichte begeleiding door de jeugdreclassering gedurende enige tijd nog wenselijk. Gelet op dit alles adviseert de raad voor de kinderbescherming om aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de jeugdreclassering en het meewerken aan een dagbesteding in de vorm van werk.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een jeugddetentie van 150 dagen dient te worden opgelegd, waarvan 130 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank zal daaraan als bijzondere voorwaarden verbinden dat verdachte zich gedurende het eerste jaar van de proeftijd zal melden bij de jeugdreclassering en dat hij dient mee te werken aan het vinden en behouden van een dagbesteding in de vorm van werk.

De rechtbank is voorts van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een voorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank zal verdachte daarom een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen voor de duur van 150 uren, bij niet goed verrichten te vervangen door 75 dagen jeugddetentie.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 1.114,47, bestaande uit een materiële schade van € 414,47 en een immateriële schade van € 700,00. Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van € 200,00 per zittingsdag aan proceskosten. De benadeelde partij vordert het totale bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2018 alsmede het opleggen van de schadevergoedings-maatregel.

Namens de benadeelde partij zijn de proceskosten ter terechtzitting nader gespecificeerd, in die zin dat voor het opstellen en de indiening van de vordering een bedrag van € 100,00, te verdelen over de zeven verdachten, wordt gevorderd, alsmede een bedrag van € 100,00 per dag voor het bijwonen van de terechtzitting. Tevens wordt gevorderd de proceskosten hoofdelijk op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering hoofdelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.114,47, te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel met een vervangende jeugddetentie van 21 dagen.

De proceskosten van € 100,-- voor het indienen van het verzoek dienen door zeven verdachten te worden gedeeld, wat voor verdachte neerkomt op € 14,29. De proceskosten van € 100,00 voor het bijwonen van de behandeling dienen door drie verdachten te worden gedeeld, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 33,33. Voor verdachte in totaal een bedrag van € 47,62.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert geen verweer tegen de ingediende vordering.

De raadsman maakt wel bezwaar tegen het hoofdelijk opleggen van de schadevergoeding. In de schorsingsvoorwaarden is juist opgenomen dat verdachte geen contact mag opnemen met de medeverdachten. Door de schade hoofdelijk op te leggen, zal hij daar niet aan ontkomen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij, nu verdachte deze niet heeft weersproken, kan worden toegewezen zoals is verzocht.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het al dan niet hoofdelijk opleggen van de schadevergoeding dat het juist de bedoeling van de wetgever is geweest, indien sprake is van meerdere aansprakelijke verdachten, dat niet het slachtoffer achter de verdachten aan hoeft te gaan om ieders deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij één van de verdachten. Het is dan aan de verdachten om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat het niet gewenst is dat verdachte nog in contact treedt met de medeverdachten, dit niet anders maakt. Het is aan verdachte om daarvoor een oplossing te zoeken, bijvoorbeeld zoals door de raadsman ter terechtzitting reeds is aangeven, door inschakeling van de ouders of de raadsman van verdachte.

De rechtbank zal de toe te wijzen schade hoofdelijk opleggen.

De rechtbank overweegt dat de officier van justitie voor deze overval 7 verdachten heeft gedagvaard. De rechtbank heeft de behandeling van deze zaken verspreid over 2 dagen. De rechtbank heeft de zaak tegen een van de medeverdachten reeds op voorhand aangehouden.

De rechtbank bepaalt op grond hiervan de proceskosten tot op heden op een bedrag van € 100,00 voor het indienen van de vordering en een bedrag van € 100,00 per zittingsdag voor het bijwonen van de beide zittingen door de raadsman van de benadeelde partij.

De rechtbank begroot de proceskosten tot op heden derhalve op een bedrag van € 300,00 en zal deze hoofdelijk opleggen.

De rechtbank merkt hierbij op dat daarin niet is verdisconteerd dat een extra zitting nodig is voor de behandeling van de aangehouden zaak.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen Wetboek van Strafrecht art. 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 150 dagen, waarvan 130 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd de algemene voorwaarde(n) of de bijzondere voorwaarde(n) heeft overtreden;

- stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en,

  • -

    gedurende het eerste jaar van de proeftijd medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

  • -

    zich gedurende het eerste jaar van de proeftijd meldt bij de gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg Limburg, jeugdreclassering op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    een dagbesteding heeft in de vorm van werk;

- draagt de gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg Limburg, jeugdreclassering op toezicht te houden op naleving van deze voorwaarden en veroordeelde daarbij te begeleiden;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 75 dagen;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Benadeelde partij(en) en schadevergoedingsmaatregel(en)

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [benadeelde partij], wonende te Tilburg, te betalen € 1.114,47, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 29 april 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op € 300,-;

  • -

    bepaalt dat voor zover deze bedragen door een of meer mededader(s) is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij] , van € 1.114,47, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.114,47 te berekenen over de periode vanaf 29 april 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover het bedrag door een of meer mededader(s) is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E.J.M. Boogaard-Derix, voorzitter, mr. E.B.A. Ferwerda en mr. S.A.M.C. van de Winkel, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van
J.H.J. van Daal, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 november 2018.

Zijnde mr. E.B.A. Ferwerwda niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 29 april 2018 in de gemeente Kerkrade

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een hoeveelheid geld (ongeveer 120 euro) en/of (een) autosleutel(s),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)

die [benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal,

- hardhandig heeft/hebben geduwd en/of vastgehouden en/of

- met (een) vuist(en) in/tegen het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam,

heeft/hebben geslagen en/of

- met (een) stok(ken) en/of sta(af)ven, althans een hard en/of stomp voorwerp,

op/tegen het hoofd, althans het lichaam, heeft/hebben geslagen;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2018063000, gesloten d.d. 15 augustus 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 377.

2 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] , pagina 29-32

3 Proces-verbaal verhoor aangever [benadeelde partij] , pagina 36-39

4 Proces-verbaal verhoor verdachte pagina 305, antwoord op tweede vraag

5 Proces-verbaal ter terechtzitting van 30 oktober 2018